Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO6095

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
334476 / HA ZA 09-1901
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst betreffende de gevolgen van splitsing van de activiteiten en vereffening van een vof. Eiser heeft aangevoerd dat met deze overeenkomst enkel verrekening van het verschil in waarde tussen de onroerend goed activiteiten en de assurantieportefeuille is beoogd, maar heeft dit standpunt niet onderbouwd. Bovendien zou niet eiser maar de vof rechthebbende zijn op de inbrengverplichting van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 334476 / HA ZA 09-1901

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BENEVIA GROEP B.V.,

gevestigd te Heinenoord,

eiseres,

advocaat mr. Z.B. Gyömörei te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. R. van Noord te Ridderkerk.

Partijen zullen hierna BeneVia en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 mei 2010;

- de akte van BeneVia, met producties;

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 19 mei 2010 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen dat BeneVia het deel van de vordering dat betrekking heeft op betaling van een bedrag van € 25.000,00 heeft ingetrokken zodat met betrekking tot de hoofdsom ter beoordeling resteert de vordering tot betaling van € 42.033,00, zijnde de negatieve kapitaalrekening ten laste van gedaagde volgens de door BeneVia opgestelde jaarrekening 2003.

Hierover is onder meer overwogen dat de Intentieverklaring van oktober 2003 (hierna: de Intentieverklaring) gekwalificeerd moet worden als een overeenkomst tussen partijen over de gevolgen van de splitsing van de activiteiten en de vereffening van [de VOF] (hierna: de vof). Vervolgens is geconstateerd dat na de verdeling conform de Intentieverklaring en de betaling wegens overbedeling door [gedaagde] van een bedrag van € 25.000,00, het vermogen van de vof is verdeeld en dus de vereffening van de vof heeft plaatsgevonden, behoudens eventuele andere bepalingen in de Intentieverklaring die mogelijk nog moeten worden uitgevoerd. BeneVia is in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op deze conclusie van de rechtbank, waarna [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld daarop bij akte te reageren.

2.2. De reactie van BeneVia houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

De afspraak tot betaling van € 25.000,00 is in 2003 gemaakt en had betrekking op overname van de onroerend goed activiteiten van de vennootschap door [gedaagde]. BeneVia nam de assurantieportefeuille over en de betaling zag op het waardeverschil tussen de activiteiten, mede tegen de achtergrond van het belang dat beide partijen in de vof hadden. De vof zou blijven voortbestaan om een bankagentschap te exploiteren, zoals in art. 6.g. van de Intentieverklaring is vermeld. Omdat dat niet van de grond kwam is de vof feitelijk opgehouden te bestaan. De betaling van € 25.000,00 kan echter niet in de context van vereffening worden geplaatst; het betrof enkel een overnamesom. Het besluit tot liquidatie van de vof is pas in 2005 genomen. Over de formele beëindiging en afwikkeling van de vof heeft aan het einde van dat jaar een bespreking plaatsgevonden tussen BeneVia en [gedaagde].

2.3. [gedaagde] heeft hierop aangevoerd dat partijen in oktober 2003 de duidelijke afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] wegens overbedeling een bedrag van € 25.000,00 aan BeneVia zou betalen. Op deze wijze heeft volgens hem de verdeling van het vermogen van de vof en dus de vereffening plaatsgevonden. Partijen zijn toen ook overeengekomen dat de vof werd opgeheven. Omdat er geen voorbehoud is gemaakt met betrekking tot andere bedragen, is het door hem betaalde bedrag de allesomvattende verkoopprijs. Ten onrechte probeert BeneVia deze prijs achteraf te verhogen. Daarnaast is [gedaagde] van mening dat hij een eventueel liquidatieverlies slechts voor 25% hoeft te dragen omdat hij voor 25% deelnam in de vof.

2.4. Overwogen wordt dat uit de stellingen van BeneVia is af te leiden dat zij van mening is dat de overeenkomst - anders dan de rechtbank in het tussenvonnis heeft geconcludeerd - aldus moet worden uitgelegd dat het vermogen van de vof niet is verdeeld door de betaling van € 25.000,00 omdat dit bedrag alleen ziet op het verschil in waarde tussen de onroerend goed activiteiten en de assurantieportefeuille. Het had op de weg van BeneVia gelegen dit standpunt te onderbouwen. Dat heeft zij echter nagelaten. Zo heeft zij geen onderbouwing gegeven van haar standpunt dat het bedrag van € 25.000,00 enkel betrekking heeft op het door haar genoemde verschil in waarde, hoewel aan deze waardering toch een berekening ten grondslag moet hebben gelegen. Dit blijkt ook uit artikel 1. b. van de Intentieverklaring waarin is vermeld dat er een eerder voorstel is waarin bedragen zijn genoemd. BeneVia heeft weliswaar een agenda overgelegd voor een op 19 september 2005 te houden bespreking waarop als punt van bespreking is vermeld "Liquidatie [de VOF]", maar hiermee is geen onderbouwing gegeven van het eerst bij akte na het tussenvonnis ingenomen standpunt dat pas in 2005 is besloten over te gaan tot vereffening. Omdat BeneVia geen verslag heeft overgelegd van de bespreking die volgens haar heeft plaatsgevonden, kan dit ook niet worden afgeleid uit de inhoud van dit overleg. BeneVia heeft derhalve geen onderbouwing gegeven van haar standpunt dat in de Intentieverklaring enkel verrekening van het verschil in waarde tussen de onroerend goed activiteiten en de assurantieportefeuille is geregeld en dat [gedaagde] gelet op de bepalingen in de Intentieverklaring en de verklaringen en gedragingen van BeneVia niet anders mocht verwachten. Er is daarom geen reden de door BeneVia voorgestane uitleg van de Intentieverklaring te aanvaarden. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het vermogen van de vof is verdeeld en daarmee de vereffening van de vof heeft plaatsgevonden.

2.5. Bij het voorgaande komt nog dat BeneVia haar vordering vanwege het niet nakomen van de inbrengverplichting door [gedaagde] enkel heeft gebaseerd op de conceptbalans 2003. Nu de jaarrekening 2003 - en de jaarrekening 2002 - niet is vastgesteld, en [gedaagde] heeft gesteld en uitvoerig heeft gemotiveerd dat de beide conceptjaarrekeningen onjuistheden bevatten, staat niet vast dat het aandeel in het bedrijfskapitaal van [gedaagde] € 42.033,00 negatief is. Het had daarom op de weg van BeneVia gelegen inzichtelijk te maken hoe genoemd bedrag is opgebouwd. Dit heeft zij echter nagelaten.

2.6. Daarnaast zou niet BeneVia maar de vof rechthebbende zijn indien zou komen vast te staan dat [gedaagde] een inbrengverplichting heeft. BeneVia heeft echter aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het BeneVia is die een vordering op [gedaagde] heeft, hoewel zij slechts recht heeft op haar aandeel in een eventueel batig saldo. Daarover heeft BeneVia niets aangevoerd.

2.7. Gelet op al het voorgaande zal het deel van de vordering dat betrekking heeft op voldoening aan de inbrengverplichting door betaling van een bedrag van € 42.033,00 worden afgewezen. De bezwaren van [gedaagde] tegen de door BeneVia overgelegde concept jaarrekening 2003 behoeven daarom geen bespreking.

2.8. [gedaagde] doet voor het geval BeneVia enige vordering op hem heeft, een beroep op verrekening met de aan hem verschuldigd geworden bedragen op grond van artikel 5.a. van de Intentieverklaring: hij heeft recht op 10% van de courtage van BeneVia. De gegrondheid van dit beroep is echter niet op eenvoudige wijze vast te stellen. [gedaagde] heeft weliswaar overzichten verstrekt van hypotheken over de periode 2004 tot en met 2008, maar uit deze overzichten is niet zonder meer af te leiden op welk bedrag hij recht zou hebben. Hij heeft in zijn conclusie van antwoord overigens evenmin een bedrag genoemd. Het beroep op verrekening wordt daarom niet gehonoreerd.

2.9. BeneVia maakt aanspraak op vergoeding van de wettelijke (handels-)rente vanaf 20 oktober 2003 over het niet betaalde bedrag van € 25.000,00 waarvan in de deelschikking is overeengekomen dat [gedaagde] dit bedrag zou betalen. [gedaagde] is van mening dat niet is voldaan aan het wettelijke vereiste voor handelsrente, namelijk dat het gaat om levering van goederen of diensten. Daarbij ziet [gedaagde] er echter aan voorbij dat genoemd bedrag onder meer dient als vergoeding voor verkrijging van de onroerende goed activiteiten van de vof, zodat bij vertraging in de voldoening van dit bedrag wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf 30 dagen na aanvang van de dag volgende op de dag waarop de prestatie is ontvangen. Nu de samenwerking per 1 januari 2004 is geëindigd, gaat de rechtbank ervan uit dat op die datum de prestatie is ontvangen. Daarom is [gedaagde] wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 1 februari 2004. [gedaagde] heeft in het kader van de deelschikking in december 2009 een voorschot van € 10.000,00 op de rente betaald. Tot dit bedrag heeft hij reeds aan zijn verplichting voldaan en hij is daarom nog slechts gehouden tot betaling van rente voor zover die het genoemde bedrag van € 10.000,00 te boven gaat. Indien de verschuldigde rente uitkomt op een lager bedrag dan € 10.000,00, is [gedaagde] het meer betaalde niet op deze titel aan BeneVia verschuldigd geworden.

2.10. BeneVia vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij stelt daartoe dat zij kosten heeft gemaakt vanwege het versturen van diverse brieven en e-mailberichten en het voeren van besprekingen met de accountant en [gedaagde]. Daarnaast heeft zij kosten gemaakt omdat zij een advocaat heeft moeten inschakelen. [gedaagde] betwist dat hij deze kosten verschuldigd is en voert daartoe aan dat het slechts kosten betreft ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak.

Deze vordering zal worden afgewezen. De door BeneVia genoemde brieven en e-mailberichten en besprekingen hadden betrekking op nakoming van de inbrengverplichting, terwijl dit deel van de vordering zal worden afgewezen. Voor het bedrag van € 25.000,00 waarover een schikking is bereikt, heeft BeneVia niet voldoende onderbouwd gesteld dat de door haar gemaakte kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

2.13. BeneVia vordert veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Nu BeneVia een procedure heeft moeten starten voordat [gedaagde] bereid was over te gaan tot betaling van enig bedrag, is deze vordering toewijsbaar. Er wordt echter ook een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag afgewezen zodat de rechtbank de proceskosten aan de zijde van BeneVia vaststelt op basis van de hoofdsom van de schikking:

- dagvaarding € 72,25

- vast recht 550,00

- salaris advocaat 2.682,00 (3,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.304,25

2.12. BeneVia vordert daarnaast [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Anders dan [gedaagde] meent is dit beslag niet ten onrechte gelegd. De vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 572,86 voor verschotten en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 894,00), door [gedaagde] aan BeneVia te betalen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan BeneVia te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over een bedrag van € 25.000,00, vanaf 1 februari 2004 tot de dag van volledige betaling, zulks onder aftrek van het reeds betaalde voorschot van € 10.000,00;

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.466,86;

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van BeneVia tot op heden vastgesteld op € 3.304,25;

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Sarlemijn en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.

2066/1624