Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO6093

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
328566 / HA ZA 09-1051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zeevervoer onder cognossement. Tijdbevrachting. Toepasselijk recht op wettelijk retentierecht en op contractueel retentierecht. Artikel 6 Wet IPR zeerecht. Onder 'vervoerder' in sub a van dit artikel moet ook begrepen worden de vervrachter. Genoemd artikel verwijst niet naar de contractuele loshaven maar naar de haven waar de zaken feitelijk ter lossing worden aangevoerd. Artikel 8:489 BW. Passieflegitimatie. Artikel 5 lid 1 Wet IPR zeerecht. Artikel 8:461 BW. Dat de oorspronkelijk vervoerder na het sluiten van de vervoerovereenkomst in staat van faillissement is komen te verkeren (en dat een andere partij vervolgens om die reden feitelijk het gezag over het schip heeft teruggenomen) is op zichzelf bj de toepassing van artikel 8:461 BW niet van belang. Geen reden voor analoge toepassing van artikel 8:461 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 328566 / HA ZA 09-1051

Uitspraak: 3 november 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht DELPHIS N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Verhagen,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONALE RIJSTONDERNEMING B.V.,

mede handelend onder de naam INTERNATIONAL RICE,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers,

2. mr. [x] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

Europa West-Indië Lijnen B.V.,

kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “Delphis”, “International Rice” en “de curator”.

1 Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 6 maart 2009 en de vijf door Delphis overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in

reconventie, met twee producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 oktober 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de twee ter gelegenheid van de comparitie van partijen door International Rice overgelegde producties;

- akte in conventie aan de zijde van Delphis tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, met drie producties;

- antwoordakte in conventie aan de zijde van International Rice;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 15 december 2009.

1.2

Tegen de curator is op de rolzitting van 15 april 2009 verstek verleend.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen Delphis en International Rice - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

Op 26 oktober 2007 is tussen het in Hongkong gevestigde bedrijf Delphis HK Limited (hierna: Delphis HK) als vervrachter en Europa West-Indië Lijnen B.V. (hierna: EWL) als bevrachter een tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten inzake het m.s. “EWL Atlantic” (hierna: de time charter). In de time charter wordt Delphis HK als ‘(disponent) Owners’ aangeduid en EWL als ‘Charterers’. De time charter bevat een rechtskeuzebeding voor Engels recht.

Clause 11 van de time charter, inzake ‘hire payments’, luidt voor zover thans relevant als volgt:

“Failing the regular and punctual payment of the hire, or on any fundamental breach whatsoever of this Charter Party, the Owners shall be at liberty to withdraw the Vessel from the service of the Charterers without prejudice to any claims they (the Owners) may otherwise have on the Charterers.”.

Clause 23 van de time charter, inzake ‘liens’, luidt voor zover thans relevant als volgt:

“The Owners shall have a lien upon all cargoes and all sub-freights and/or sub-hire for any amounts due under this Charter Party, (…).”

2.2

International Rice heeft opdracht gegeven aan EWL tot het vervoer van 82 containers rijst van Georgetown, Guyana, naar Rotterdam. Ter zake van dit vervoer heeft EWL op 2 juni 2008 een aantal cognossementen afgegeven. De vracht was voor aanvang van de reis al door International Rice aan EWL voldaan.

2.3

Op 14 juli 2008, toen de “EWL Atlantic” met voornoemde lading op weg was naar Rotterdam, is EWL in staat van faillissement verklaard door deze rechtbank met aanstelling van de curator als curator.

2.4

Op 20 juli 2008 is International Rice bericht dat Delphis HK de “EWL Atlantic” weer onder zich had genomen omdat EWL niet aan haar verplichting tot betaling van tijdvracht had voldaan. Op diezelfde dag is de lading gelost in Bilbao, Spanje, en is International Rice hiervan door of via EWL op de hoogte gebracht.

2.5

Delphis HK heeft aan International Rice medegedeeld dat zij een retentierecht zou gaan uitoefenen op de lading wegens het uitblijven van betaling van tijdvracht door EWL.

2.6

Nadat Delphis HK geweigerd had de lading vrij te geven aan International Rice met een beroep op haar retentierecht, is uiteindelijk door International Rice op 1 augustus 2008 onverplicht een bankgarantie ten gunste van Delphis, agent van Delphis HK, gesteld. Vervolgens heeft Delphis HK de lading vrijgegeven aan International Rice en heeft International Rice zelf zorg gedragen voor het vervoer van de lading naar Rotterdam.

2.7

In de bankgarantie is vermeld, voor zover thans relevant:

“De ondergetekende, Hollandsche Bank-Unie N.V., gevestigde te Rotterdam, hierna te noemen ‘de Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE:

A. dat Delphis N.V. (...), hierna te noemen: ‘de Begunstigde’, een vordering heeft (...) International Rice, (...) hierna te noemen: ‘de Debiteur’ uit hoofde van een retentierecht thans begroot op EUR 123.000,--, hierna te noemen: ‘de Vordering’;

B. dat de Begunstigde onder andere voor bovengenoemde Vordering een retentierecht uitoefent;

C. dat de Debiteur ter opheffing van het bestaande retentierecht op haar goederen de Bank heeft verzocht een garantie te stellen ten behoeve van de Begunstigde;

VERKLAART HET NAVOLGENDE:

1. De Bank stelt zich hierbij onherroepelijk garant jegens de Begunstigde voor de betaling van al hetgeen de Begunstigde terzake van de Vordering van de Debiteur te vorderen heeft (...);

2. De Bank verbindt zich op eerste schriftelijke verzoek van de Begunstigde, onder gelijktijdige overlegging van:

a. Een afschrift van een bij voorraad uitvoerbare beslissing van een rechter van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot de Vordering, gewezen in een procedure tussen de Begunstigde en de Debiteur,

b. (...);

aan de Begunstigde te voldoen het bedrag dat de Begunstigde schriftelijk verklaart terzake van de Vordering opeisbaar van de Debiteur te vorderen te hebben, met dien verstande dat de Bank niet gehouden is meer te voldoend dan het bedrag dat de Begunstigde blijkens één of meer van de bovenbedoelde bewijsstukken van de Debiteur te vorderen heeft.”.

3 De vordering in conventie tegen International Rice

3.1

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Delphis HK een retentierecht kon uitoefenen jegens International Rice voor haar vordering zoals omschreven onder 14 van de dagvaarding;

2. International Rice veroordeelt tot betaling aan Delphis tegen een behoorlijk bewijs van kwijting van € 191.408,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2008, althans de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van International Rice in de kosten van deze procedure.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Delphis aan deze vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- Delphis heeft last en volmacht gekregen van Delphis HK om de hierboven onder 3.1 genoemde vordering in eigen naam te innen;

- Delphis HK is geen vervoerder onder de door EWL afgegeven cognossementen;

- Delphis HK komt op grond van Clause 23 van de time charter een contractueel retentierecht toe op de lading en op grond van artikel 8:489 BW ook een wettelijk retentierecht;

- gelet hierop verzoekt Delphis de rechtbank voor recht te verklaren dat Delphis HK een retentierecht tegen International Rice kon inroepen en gelet op de afspraak om het retentierecht te vervangen door een garantie dient International Rice veroordeeld te worden tot betaling van een bedrag van € 191.408,55;

- de hoogte van de vordering van Delphis HK, € 191.408,55, volgt uit de stukken die als productie 5 bij dagvaarding in het geding zijn gebracht;

- de wettelijke rente wordt gevorderd vanaf 9 oktober 2008, de dag waarop de raadsman van International Rice op de hoogte werd gesteld van de totale vordering waarvoor een retentierecht werd uitgeoefend.

4 Het verweer van International Rice in conventie

4.1

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Delphis in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Delphis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

4.2

International Rice heeft daartoe het volgende aangevoerd:

- de gestelde last en volmacht wordt betwist;

- Delphis HK is vervoerder geworden onder de door EWL afgegeven cognossementen en moet als feitelijk vervoerder worden beschouwd, doordat zij de verantwoordelijkheid over de lading heeft genomen op het moment dat zij het bewind over het schip heeft overgenomen;

- Delphis HK is dan ook gebonden aan de voorwaarden die golden tussen EWL en International Rice, waaronder het toepasselijke Nederlandse recht en de verplichting om de lading in Rotterdam af te leveren tegen betaling door International Rice van de vracht;

- Delphis HK komt geen wettelijk retentierecht op de lading toe; International Rice heeft de vracht namelijk al betaald; Delphis HK heeft uit hoofde van de vervoerovereenkomst met International Rice niets meer van International Rice te vorderen; bovendien is International Rice geen partij bij de time charter; het gaat haar dan ook niet aan dat Delphis HK een vordering heeft op EWL uit hoofde van de time charter; voor zover, daarentegen, Delphis HK niet als vervoerder kan worden aangemerkt, kan zij zich niet beroepen op artikel 8:489 BW omdat dit artikel ziet op het retentierecht van de vervoerder;

- Delphis HK komt evenmin een contractueel retentierecht toe; immers, Clause 23 van de time charter tussen Delphis HK en EWL is niet van toepassing op de vervoerovereenkomst tussen EWL en International Rice en de bepalingen van de time charter zijn niet geïncorporeerd in het cognossement/de cognossementsvoorwaarden; bovendien kan Delphis HK de tussen haar en EWL contractueel bedongen retentierechten redelijkerwijs niet tegen International Rice laten gelden; Delphis HK heeft namelijk ondanks de penibele financiële situatie van EWL waarvan zij op de hoogte was op had kunnen zijn EWL laten varen en ermee ingestemd dat EWL vervoerovereenkomsten sloot, terwijl EWL de vrachtpenningen niet voldeed, zodat gezegd kan worden dat Delphis HK het risico van wanbetaling door EWL en het risico dat zij haar vordering niet zou kunnen verhalen welbewust heeft genomen;

- ten onrechte stelt Delphis HK nog een vordering op International Rice te hebben; International Rice heeft reeds aan haar vrachtbetalingsverplichting voldaan, zodat Delphis HK uit hoofde van de vervoerovereenkomst niets meer te vorderen heeft van International Rice; bovendien kwam aan Delphis HK geen retentierecht toe, zodat zij geen recht heeft op betaling van eventuele kosten die verbonden zijn aan het uitoefenen van zulk retentierecht; ten slotte is niet aangetoond dat Delphis HK daadwerkelijk kosten heeft gemaakt ten behoeve van de goederen van International Rice.

5 De vordering in reconventie

5.1

De vordering van International Rice luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat de bankgarantie ten gunste van Delphis is vervallen;

2. Delphis veroordeelt tot betaling tegen kwijting van de schade van International Rice, die schade nader op de maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van Delphis in de kosten van deze procedure.

5.2

Aan deze vordering heeft International Rice naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- Delphis HK dient als (opvolgend) vervoerder onder cognossement te worden aangemerkt; zij had daarom overeenkomstig de vervoerovereenkomst die International Rice had gesloten moeten handelen;

- aangezien International Rice de op grond van genoemde vervoerovereenkomst door haar verschuldigde vracht reeds had voldaan, had Delphis HK de lading naar Rotterdam moeten vervoeren;

- nu Delphis HK zich niet aan deze uit de vervoerovereenkomst voortvloeiende verplichting heeft gehouden, maar, integendeel, de rijst in Bilbao heeft gelost, is zij tekortgeschoten in de nakoming van de vervoerovereenkomst en is zij jegens International Rice aansprakelijk voor de schade die hiervan het gevolg is;

- subsidiair heeft Delphis HK onrechtmatig, want maatschappelijk onbetamelijk, jegens International Rice gehandeld door de rijst met veronachtzaming van de belangen van International Rice te lossen in Bilbao terwijl International Rice de vracht voor het vervoer van de rijst naar Rotterdam reeds had voldaan; voorts heeft Delphis HK onrechtmatig gehandeld door de rijst zonder enig recht daartoe onder zich te houden;

- Delphis (HK) is gehouden jegens International Rice tot vergoeding van de schade die het gevolg is van deze onrechtmatige gedragingen;

- teneinde haar goederen te kunnen verkrijgen heeft International Rice ten gunste van Delphis een bankgarantie gesteld voor een bedrag van € 123.000,--; partijen hebben daarbij afgesproken het aan het oordeel van de rechtbank over te laten of Delphis HK zich kon beroepen op het retentierecht of dat zij de goederen niet onder zich had mogen houden;

- aangezien Delphis HK zich ten onrechte op een retentierecht heeft beroepen, vordert International Rice dat zij haar bankgarantie mag opheffen alsmede dat Delphis veroordeeld wordt tot vergoeding van de schade, die voor International Rice is veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van Delphis HK.

6 Het verweer in reconventie

6.1

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van International Rice in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van International Rice bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van deze procedure.

6.2

Naast hetgeen Delphis in conventie heeft betoogd heeft zij daartoe het volgende aangevoerd:

- de vordering is gebaseerd op handelen van Delphis HK en daarvoor is Delphis niet aansprakelijk;

- het is onjuist dat Delphis HK als vervoerder onder het cognossement moet worden beschouwd; van een toerekenbare tekortkoming van Delphis HK kan dan ook geen sprake zijn;

- subsidiair geldt dat de op de vervoerovereenkomst gebaseerde vordering van International Rice inmiddels is vervallen op grond van artikel 8:1712 BW;

- omdat niet Delphis maar Delphis HK ‘disponent owner’ van de “EWL Atlantic” was, kan reeds om die reden geen sprake zijn van maatschappelijk onbetamelijk en onrechtmatig handelen van Delphis;

- ook Delphis HK zélf heeft echter niet onrechtmatig gehandeld jegens International Rice, nu zij een retentierecht op de lading mocht uitoefenen en zij de lading tegen het stellen van een bankgarantie aan International Rice heeft vrijgegeven.

7 De beoordeling van de vordering in conventie tegen International Rice

Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid

7.1

Nu Delphis is gevestigd in België, heeft deze zaak een internationaal karakter en dient allereerst de vraag beantwoord te worden of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vorderingen kennis te nemen.

Reeds omdat International Rice in de onderhavige procedure in conventie is verschenen en

de rechtsmacht van deze rechtbank niet heeft betwist, is deze rechtbank bevoegd op grond van een stilzwijgende forumkeuze ex artikel 24 EEX-Vo (Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (juncto (bijvoorbeeld) art. 109 of art. 110 Rv) kennis te nemen van de onderhavige door Delphis tegen International Rice in conventie ingestelde vorderingen.

Onderscheid tussen Delphis en Delphis HK

7.2

Ter comparitie is met partijen besproken dat Delphis stellingen inneemt en vorderingen formuleert over ‘Delphis’ terwijl zij daarmee kennelijk -uitzonderingsgevallen daargelaten- niet zichzelf bedoelt maar Delphis HK. Ook International Rice vermeldt in haar stukken Delphis waar zij kennelijk doelt op Delphis HK. Blijkens de gewisselde stukken hebben beide partijen de vermeldingen over en weer opgevat zoals deze zijn bedoeld, en beide partijen hebben dit tijdens de comparitie ook bevestigd. De rechtbank volgt partijen hierin. Dit brengt mee dat -om recht te doen aan het geschil en ter wille van de begrijpelijkheid van dit vonnis- onder 2 de feiten zijn vastgesteld op de door partijen beoogde en begrepen wijze, en onder 3 en 4 de vorderingen, stellingen en weren van partijen zijn weergegeven zoals deze kennelijk zijn bedoeld en begrepen.

Last en volmacht van Delphis HK

7.3

Delphis pretendeert niet zelf een vordering op International Rice te hebben, maar stelt dat zij van Delphis HK last en volmacht heeft gekregen om diens vordering tegen International Rice in eigen naam in te stellen. De bewijslast van deze door International Rice betwiste stelling rust op Delphis. De rechtbank zal Delphis dit bewijs opdragen, waarbij zij ervan uitgaat dat dit schriftelijk bij akte kan worden geleverd en toegelicht. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie aan de zijde van Delphis, waarop International Rice bij antwoordconclusie zal mogen reageren en tegenbewijs zal mogen leveren.

7.4

Ter comparitie is besproken dat partijen om redenen van proceseconomie afspraken zouden kunnen maken, bijvoorbeeld inhoudende dat International Rice haar betwisting van de in conventie gestelde last en volmacht laat varen in ruil voor het door Delphis aan zich trekken van de op handelen van Delphis HK gegronde vordering in reconventie. Indien partijen dergelijke afspraken maken, kunnen zij dat in hun conclusies na tussenvonnis doen blijken.

7.5

Slaagt Delphis niet in het in r.o. 7.3 bedoelde bewijs en worden geen partijafspraken als bedoeld in r.o. 7.4 gemaakt, dan is dat reden voor afwijzing van haar vorderingen.

Voor het geval dat Delphis echter wel slaagt in dit bewijs of partijafspraken worden gemaakt waardoor dergelijke bewijslevering niet meer nodig is, overweegt de rechtbank op voorhand als volgt.

Het recht toepasselijk op de uitoefening van een retentierecht

7.6

In geschil is of aan Delphis HK een retentierecht toekwam dat zij jegens International Rice kon uitoefenen.

Niet in geschil is dat tussen Delphis HK en International Rice geen contractuele relatie bestaat of heeft bestaan in het onderhavige geval, zodat geen sprake kan zijn van een tussen hen overeengekomen recht op retentie. Het gaat er dus om of Delphis HK als vervrachter jegens EWL als bevrachter een retentierecht op de lading had en of zij dit recht aan International Rice als derde mocht tegenwerpen.

7.7

In artikel 6, aanhef en sub a, van de Wet houdende enige bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht van 18 maart 1993 (hierna: Wet IPR) is bepaald dat ongeacht het recht dat toepasselijk is op de overeenkomst tot vervoer van zaken het recht van de Staat waarin de haven is gelegen waar de zaken ter lossing worden aangevoerd van toepassing is op de vraag of, en in hoeverre, de vervoerder een recht van retentie op de zaken heeft.

Onder “vervoerder” in de zin van deze wetsbepaling dient tevens te worden verstaan de vervrachter. Delphis HK is immers in haar relatie tot EWL als vervoerder aan te merken. Artikel 6 IPR Wet verwijst niet naar de contractuele loshaven maar naar de haven waar de zaken feitelijk ter lossing worden aangevoerd, in dit geval Bilbao, Spanje. De -betwiste- stelling van Delphis dat de goederen daar niet zijn gelost maar dat de lading daar slechts in transit stond voor doorvervoer naar Rotterdam, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Na terugtrekking van de ‘EWL Atlantic’ uit de time charter kon van doorvervoer van de lading onder de time charter geen sprake meer zijn, terwijl Delphis zelf stelt nimmer vervoerder onder cognossement te zijn geworden. Dat de 82 containers feitelijk in Bilbao van boord zijn gehaald staat vast, en de rechtbank heeft geen aanleiding om dit anders te kwalificeren dan als lossing. Dat Delphis HK heeft aangeboden te lading verder te vervoeren naar Rotterdam is voor dit oordeel niet relevant.

Toepassing van artikel 6 IPR Wet leidt er daarom toe dat het recht van Spanje van toepassing is op de vraag of, en in hoeverre, Delphis HK een recht op retentie van de zaken had.

7.8

Met dit oordeel wordt verworpen hetgeen Delphis betoogt over de toepasselijkheid van Nederlands recht. Of Delphis HK een retentierecht op lading in Rotterdam had kunnen uitoefenen indien de lading te Rotterdam was gelost is niet relevant, nu dit geval zich niet voordoet. Niet valt in te zien waarom het bepaalde in de bankgarantie zou moeten leiden tot de toepasselijkheid van Nederlands recht. Zo houdt de bankgarantie niet in, anders dan Delphis stelt, dat deze enkel betrekking heeft op de uitoefening door Delphis van haar retentierecht “in de uiteindelijke bestemmingshaven Rotterdam”. In de bankgarantie is de uitoefening van het retentierecht door Delphis niet gekoppeld aan een bepaald land of een bepaalde plaats. De verwijzing in de garantie naar een van de rechtbank Rotterdam te verkrijgen vonnis leidt evenmin tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

Het ingeroepen retentierecht

7.9

Delphis beroept zich erop dat aan Delphis HK als vervoerder (onder de time charter) jegens EWL zowel een wettelijk retentierecht (neergelegd in artikel 8:489 BW) als een contractueel retentierecht (neergelegd in Clause 23 van de time charter) toekwam, en dat Delphis HK beide retentierechten ook aan International Rice mocht tegenwerpen. International Rice heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat artikel 8:489 BW in dit geval toepassing mist, zodat Delphis HK daaraan geen retentierecht heeft kunnen ontlenen. Delphis heeft geen, althans geen voldoende concrete, stellingen ingenomen die erop neerkomen dat naar het recht van Spanje een wettelijk recht op retentie aan Delphis HK toekwam en dat dit door haar is uitgeoefend. Delphis heeft juist uitdrukkelijk gesteld dat de situatie in Spanje niet relevant is en ter comparitie verklaard dat het gaat om uitoefening van het retentierecht onder de charterovereenkomst, waarvan zij de inpasbaarheid in het Spaanse rechtssysteem zo nodig zal bewijzen. De rechtbank gaat derhalve aan de mogelijkheid van een uit het Spaanse recht voortvloeiend wettelijk retentierecht verder voorbij.

7.10

Op zichzelf is niet in geschil dat Clause 23 van de time charter aan Delphis HK een ‘lien’ toekent op grond waarvan Delphis HK in beginsel gerechtigd was om jegens EWL ‘upon all cargoes’ (derhalve ook op de door EWL voor International Rice vervoerde lading) een recht van retentie uit te oefenen tot zekerheid voor betaling van bedragen die verschuldigd zijn op grond van de time charter (‘for any amounts due under this charterparty’).

Nu Clause 23 meebrengt dat Delphis HK jegens EWL alleen een ‘lien’ mocht uitoefenen indien en voor zover zij uit hoofde van de time charter gelden van EWL te vorderen had, is van belang voor welke vordering het retentierecht precies is uitgeoefend. Delphis heeft ter comparitie verklaard dat het retentierecht is uitgeoefend voor op de time charter gebaseerde vorderingen tot betaling van vracht en alles wat ter zake van het vervoer is verschuldigd. Uit de door Delphis zonder veel toelichting overgelegde stukken blijkt het -door International Rice betwiste- verband met de time charter echter voorshands niet voldoende duidelijk. Zo is in een overzicht van de vordering niet de onder de time charter door EWL aan Delphis HK verschuldigde tijdvracht opgevoerd, maar de door Delphis HK zelf aan de reder van het schip verschuldigde tijdvracht. Voorts lijken veel van de overige kosten verband te houden met de lossing in Bilbao terwijl onduidelijk is of EWL daarvan onder de time charter vergoeding verschuldigd was.

Van Delphis wordt verwacht dat zij in haar conclusie na tussenvonnis verduidelijkt welke van de door haar opgevoerde kosten op grond van welke bepalingen van de time charter door EWL verschuldigd waren aan Delphis HK en in hoeverre al deze kosten betrekking hebben op c.q. kunnen worden toegerekend aan de lading van International Rice. International Rice zal daarop in haar antwoordconclusie mogen reageren.

7.11

Indien te zijner tijd niet kan worden vastgesteld dat de ‘lien’ is uitgeoefend voor bedragen die EWL op grond van de time charter aan Delphis HK verschuldigd was, moet worden aangenomen dat Delphis HK niet gerechtigd was haar ‘lien’ uit te oefenen.

Indien daarentegen te zijner tijd kan worden vastgesteld dat de ‘lien’ is uitgeoefend voor bedragen die EWL op grond van de time charter aan Delphis HK verschuldigd was, moet worden aangenomen dat Delphis HK jegens EWL haar ‘lien’ in beginsel mocht uitoefenen. Alsdan moet er van worden uitgegaan -nu dit niet in geschil is- dat Delphis HK op grond van haar ‘lien’ in beginsel jegens EWL de lading van de “EWL Atlantic” mocht vasthouden en moet worden beoordeeld of zij dit contractuele retentierecht -naar het recht van Spanje- ook in Bilbao mocht uitoefenen en of zij dit aldaar jegens International Rice, die bij de time charter geen partij was, mocht uitoefenen.

Ook over deze twee vragen zullen partijen, eerst Delphis, zich in hun conclusie na tussenvonnis mogen uitlaten.

7.12

Indien één of beide vragen te zijner tijd ontkennend moeten word(en) beantwoord, moet worden aangenomen dat Delphis HK te Bilbao jegens International Rice geen retentierecht kon uitoefenen en strandt daarop de eerste vordering van Delphis.

Indien echter beide vragen bevestigend moeten beantwoord, de gestelde last en volmacht komt vast te staan en aan alle in voorgaande overwegingen besproken vereisten voor inroeping van de ‘lien’ is voldaan, staat aan toewijzing van de eerste vordering van Delphis alleen nog in de weg de vraag of Delphis HK -naar het ook op die vraag toepasselijke Spaanse recht- onder de omstandigheden van dit geval (zoals de vooruitbetaling door Delphis HK van de aan EWL verschuldigde vracht en hetgeen Delphis HK wist van de financiële situatie van EWL) haar retentierecht redelijkerwijs aan International Rice mocht tegenwerpen. Over dit verweer van International Rice zal in een later stadium worden geoordeeld.

Beide partijen kunnen zich in hun (antwoord)conclusie na tussenvonnis uitlaten over de vraag of de redelijkheid en billijkheid althans de goede trouw naar -het ook op deze vraag toepasselijke- Spaans recht in het algemeen in de weg kunnen staan aan de uitoefening door Delphis HK van het door haar gepretendeerde retentierecht, en zo ja, onder welke voorwaarden dit toelaatbaar is en welke rechtsgevolgen daaraan in dat geval zijn verbonden.

De vordering tot betaling van € 191.408,55

7.13

Delphis vordert betaling van € 191.408,55 op de bij dagvaarding aangevoerde grond dat is afgesproken het door Delphis HK ingeroepen retentierecht te vervangen door een bankgarantie.

Gesteld noch gebleken is dat Delphis HK een rechtstreekse vordering op International Rice heeft. Het bij akte toegelichte standpunt van Delphis komt erop neer dat Delphis HK op verzoek van International Rice een bankgarantie heeft geaccepteerd, die in de plaats trad van de mogelijkheid om betaling af te dwingen via haar retentierecht, waarbij de afspraak is gemaakt dat het geschil over het retentierecht in een gerechtelijke procedure te Rotterdam zou worden beslecht. Deze afspraken brengen in de visie van Delphis mee dat indien deze rechtbank vaststelt dat aan Delphis HK een retentierecht toekwam, International Rice dient te worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor Delphis HK een retentierecht mocht uitoefenen.

International Rice heeft ter comparitie verklaard dat zij gelet op de bederfelijke aard van de waren een bankgarantie heeft aangeboden om de lading vrij te krijgen en deze te kunnen doorleveren. De discussie over het retentierecht werd uitgesteld tot later. Het was niet de bedoeling om met het stellen van de garantie de vordering te erkennen. De garantie was juist bedoeld om de discussie daarover vooruit te schuiven, aldus International Rice.

Partijen zijn het er dus in de kern over eens dat Delphis HK, hoewel zij geen rechtstreekse vordering op International Rice had, door middel van haar retentierecht -indien en voor zover haar dit machtsmiddel jegens International Rice toekwam- (gehele of gedeeltelijke) betaling van haar vordering op EWL had kunnen afdwingen. Op verzoek van International Rice heeft Delphis HK dit machtsmiddel opgegeven in ruil voor een bankgarantie, die uitbetaalt indien Delphis van de rechtbank Rotterdam een (voor haar gunstig) vonnis verkrijgt over de vraag of (en -naar de rechtbank aanneemt- in hoeverre) Delphis HK het retentierecht jegens International Rice mocht uitoefenen.

Hoewel de bankgarantie niet optimaal duidelijk maakt dat het gaat om de uitoefening van een retentierecht door Delphis HK voor haar vordering op een ander dan International Rice, namelijk EWL, ligt voor de hand dat partijen hebben beoogd dat de bank als ‘het bedrag dat de Begunstigde (...) van de Debiteur te vorderen heeft’ zal uitbetalen het (door de rechtbank vast te stellen) bedrag waarvoor Delphis HK jegens International Rice een retentierecht mocht uitoefenen. Geen van partijen heeft immers stellingen ingenomen die aanleiding geven voor een andere uitleg van de over de garantie gemaakte afspraken.

7.14

Dat de bank op verzoek van International Rice en ingevolge met Delphis (HK) gemaakte afspraken een voorwaardelijke betalingsverplichting op zich heeft genomen, brengt echter niet mee dat ook International Rice een eigen betalingsverplichting op zich heeft genomen voor het geval dat bij vonnis zou worden vastgesteld dat Delphis HK jegens haar een retentierecht mocht uitoefenen. Een daartoe strekkende afspraak heeft Delphis ook niet, althans niet tijdig en voldoende concreet, gesteld.

Zoals Delphis ter comparitie heeft erkend, vormt een retentierecht op zichzelf geen basis voor een betalingsverplichting. Dat de vordering in de garantie wordt omschreven als een vordering op International Rice ‘uit hoofde van een retentierecht’ kan daar niets aan afdoen. Nu gesteld noch gebleken is dat International Rice de vordering waarvoor de garantie is gesteld erkend had - sterker nog, tussen partijen staat vast dat de garantie door International Rice onverplicht is gesteld -, levert de door Delphis genoemde grondslag van de vordering geen basis op voor toewijzing daarvan.

7.15

Tijdens de comparitiezitting heeft Delphis voor haar betalingsvordering een nieuwe alternatieve grondslag aangevoerd, te weten zaakwaarneming. Dit houdt een wijziging van de grondslag van de vordering in, derhalve een eiswijziging. Eiswijzigingen zijn in beginsel alleen toelaatbaar als zij zijn neergelegd in een conclusie of akte. Nu hier sprake is van eiswijziging die enkel mondeling ter zitting is verwoord en International Rice daarmee niet akkoord is gegaan, dient hieraan voorbij te worden gegaan.

7.16

Uit het bovenstaande volgt dat de vordering tot betaling een deugdelijke grondslag ontbeert, zodat zij te zijner tijd zal worden afgewezen.

Conclusie

7.17

De zaak zal worden verwezen naar de rol voor een conclusie na tussenvonnis aan de zijde van Delphis, waarin zij het in r.o. 7.3 verlangde bewijs mag leveren en zich mag uitlaten als bedoeld in r.o. 7.4, 7.10, 7.11 en 7.12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

8 De beoordeling van de vordering in reconventie

8.1

Gelet op hetgeen in r.o. 7.1 is overwogen vloeit de internationale bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de door International Rice in reconventie ingestelde vorderingen in ieder geval voort uit artikel 6 sub 3 EEX-Vo.

8.2

Gelet op hetgeen in r.o. 7.2 is overwogen omtrent het (door partijen onvoldoende gemaakte) onderscheid tussen Delphis en Delphis HK heeft de rechtbank ook ten behoeve van het geschil in reconventie onder 2 de feiten vastgesteld op de door partijen beoogde en begrepen wijze, en onder 5 en 6 de vorderingen, stellingen en weren van partijen weergegeven zoals deze kennelijk zijn bedoeld en begrepen.

8.3

International Rice vordert ten eerste een verklaring voor recht dat de bankgarantie ten gunste van Delphis is vervallen.

International Rice heeft daartoe echter geen gronden aangevoerd, anders dan de stelling dat Delphis HK zich in haar visie ten onrechte op een retentierecht heeft beroepen. Ook ter comparitie heeft International Rice niet kunnen toelichten waarom de bankgarantie zou zijn vervallen.

Bij gebrek aan voldoende motivering zal deze vordering te zijner tijd worden afgewezen.

8.4

International Rice vordert ten tweede veroordeling van Delphis tot -kort gezegd- betaling van schadevergoeding op de grond dat Delphis HK toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als vervoerder althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens International Rice.

Nu deze vordering is gebaseerd op activiteiten ter zake van de lading waarbij Delphis HK en niet Delphis was betrokken, zal deze te zijner tijd moeten worden afgewezen. Dat Delphis in conventie stelt last en volmacht te hebben om een vordering van Delphis HK op International Rice te innen, brengt immers niet mee dat International Rice daardoor in reconventie bevoegd is om vorderingen op Delphis HK op Delphis te verhalen. Feiten of omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat Delphis om andere redenen aansprakelijk is voor de gestelde schuld van Delphis HK zijn gesteld noch gebleken.

Voor het geval echter dat partijen om redenen van proceseconomie afspraken als bedoeld in r.o. 7.4 zullen maken, overweegt de rechtbank als volgt.

8.5

In geschil is of Delphis HK als vervoerder partij is geworden bij de vervoerovereenkomst tussen International Rice en EWL na het terugtrekken van de “EWL Atlantic” uit de time charter, zoals International Rice stelt.

Ingevolge artikel 5 lid 1 Wet IPR wordt bij vervoer van zaken onder cognossement de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden naast degene die het cognossement ondertekende of voor wie een ander het ondertekende, een derde als vervoerder onder het cognossement verbonden of gerechtigd is, beantwoord naar het recht van de Staat waarin de haven gelegen is waar uit hoofde van de overeenkomst moet worden gelost, ongeacht een door de partijen bij de vervoerovereenkomst gedane rechtskeuze. Dat betekent dat in het onderhavige geval de vraag of Delphis HK als vervoerder onder het cognossement verbonden of gerechtigd is beantwoord moet worden naar Nederlands recht, nu tussen International Rice en EWL was overeengekomen dat gelost zou worden in Rotterdam.

8.6

In artikel 8:461 BW zijn regels neergelegd over wie als vervoerder onder cognossement kan worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat één van de in artikel 8:461 BW geregelde gevallen zich in de onderhavige zaak voordoet ten aanzien van Delphis HK. International Rice meent echter dat als gevolg van de, zoals zij het noemt, ‘feitelijke overneming van de overeenkomst tussen EWL en International Rice’ door Delphis HK de onderhavige zaak analoog aan artikel 8:461 lid 2 BW dient te worden beoordeeld, omdat anders geen recht wordt gedaan aan de aan genoemd artikel ten grondslag liggende beschermingsgedachte.

Dit standpunt wordt verworpen. Reden voor de regeling van artikel 8:461 BW is te voorzien in een vervoerder tot wie de cognossementshouder zich kan wenden in die gevallen waarin hij uit het cognossement niet kan opmaken jegens wie hij recht op aflevering of, bij gebreke hiervan, recht op schadevergoeding kan doen gelden. Die onzekerheid deed zich in dit geval niet voor: International Rice kon uit het cognossement afleiden dat EWL haar vervoerder was. Dat EWL na het sluiten van de vervoerovereenkomst in staat van faillissement is komen te verkeren (en dat Delphis HK vervolgens om die reden feitelijk het gezag over de ‘EWL Atlantic’ heeft teruggenomen) maakt dit niet anders. Andere redenen waarom Delphis HK door de terugname van het schip vervoerder onder cognossement zou zijn geworden zijn gesteld noch gebleken.

Een en ander betekent dat Delphis HK niet kan worden aangemerkt als vervoerder onder cognossement, zodat de vordering van International Rice op de daartoe aangevoerde contractuele grondslag niet kan slagen.

8.7

Over de stelling dat Delphis HK onrechtmatig jegens International Rice heeft gehandeld door de rijst met veronachtzaming van de belangen van International Rice te lossen in Bilbao, terwijl International Rice de vracht tot aan Rotterdam had voldaan, en de rijst zonder enig recht daartoe onder zich te houden, zal zo nodig (zie r.o. 8.3 hierboven) in een later stadium worden geoordeeld. De vordering op deze grondslag zal te zijner tijd ingevolge de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad naar het recht van Spanje moeten worden beoordeeld.

8.8

Iedere beslissing zal worden aangehouden.

9 De vordering tegen de curator en de beoordeling daarvan

9.1

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart wat betreft de curator dat Delphis ook een retentierecht kon uitoefenen jegens EWL.

9.2

De internationale en relatieve bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen tegen de curator volgt uit artikel 2 EEX-Vo respectievelijk artikel 99 lid 1 Rv.

9.3

In het geding tegen de curator, die verstek heeft laten gaan, kan niet worden vastgesteld dat deze de vordering -in afwijking van de bewoordingen daarvan- aldus heeft verstaan dat Delphis beoogt te vorderen een verklaring voor recht dat (niet zijzelf maar) Delphis HK een retentierecht kon uitoefenen jegens EWL. Mede gelet op het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv. moet het hanteren van een in zo essentieel opzicht afwijkende lezing van het petitum jegens een niet verschenen gedaagde in strijd met de goede procesorde worden geacht. Jegens de curator moet derhalve worden uitgegaan van de bewoordingen van de tegen hem gerichte vordering.

9.4

Nu het door Delphis ingeroepen retentierecht in haar visie voortvloeit uit een vervoerovereenkomst waarbij zij zelf geen partij is, terwijl het door haar ingeroepen artikel 8:489 BW op de in r.o. 7.9 genoemde gronden toepassing mist, kunnen haar stellingen de vordering tegen de curator niet dragen zodat deze te zijner tijd moet worden afgewezen.

10 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

draagt Delphis op het bewijs dat zij van Delphis HK last en volmacht heeft gekregen om diens vordering tegen International Rice in eigen naam in te stellen;

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 december 2010 voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door Delphis ten behoeve van het leveren van dit bewijs en voor uitlating als bedoeld in r.o. 7.4, 7.10, 7.11 en 7.12;

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

901/1885