Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO5808

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/4713 VBC-T2, AWB 10/4718 VBC-T2 en AWB 10/4721 VBC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij drie besluiten van 11 en 14 oktober 2010 en 12 november 2010 heeft DNB de verzoeken van het pensioenfonds tot het verlenen van ontheffing van 135, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling afgewezen. De besluiten van DNB komen er op neer dat het pensioenfonds per 1 januari 2011 geen verder uitstel van herstelmaatregelen, waar onder een korting op pensioenaanspraken en -rechten, wordt verleend. Bij besluit van 8 juli 2009 heeft DNB een eerder verzoek om ontheffing van de hersteltermijn afgewezen. Toch is thans geen sprake van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter neemt in dit verband in aanmerking dat de generieke vrijstelling tot het treffen van kortingsmaatregelen die gold tot 1 april 2012 per ingang van 20 augustus 2010 door de minister van SZW is teruggebracht tot 1 januari 2011. De voorzieningenrechter is met DNB van oordeel dat een ontheffing tot 1 april 2012 afdoet aan hetgeen de minister heeft beoogd met de wijziging van de generieke vrijstelling. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat nader uitstel van de nodige kortingsmaatregelen in het belang is van alle aanspraak- en pensioengerechtigden van het fonds.

Wetsverwijzingen
Wet verplichte beroepspensioenregeling
Wet verplichte beroepspensioenregeling 135
Wet verplichte beroepspensioenregeling 136
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2011/17
PJ 2011/7 met annotatie van L.H. Blom
RF 2011/23
JOR 2011/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: AWB 10/4713 VBC-T2, AWB 10/4718 VBC-T2 en AWB 10/4721 VBC-T2

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

Stichting Notarieel Pensioenfonds, te Den Haag, verzoekster (hierna: SNP),

gemachtigde mr. J.H. Lemstra, advocaat te Den Haag, en mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Rotterdam,

en

De Nederlandsche Bank N.V., verweerster,

gemachtigde mr. A.J.P. Tillema en mr. S.M.C. Nuyten, advocaten te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten van 11 oktober 2010 (hierna: besluit 1), 14 oktober 2010 (hierna: besluit 2) en 12 november 2010 (hierna: besluit 3) heeft DNB de verzoeken van SNP tot het verlenen van ontheffing van 135, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Wvb) afgewezen.

SNP heeft op 19 november 2010 een bezwaarschrift ingediend tegen deze besluiten. Op 23 november 2010 heeft zij voorts een verzoekschrift ingediend waarin zij de voorzieningenrechter heeft verzocht de besluiten 1, 2 en 3 te schorsen tot zes weken nadat DNB op het bezwaar heeft beslist en te bepalen dat DNB SNP gedurende die schorsing zal behandelen alsof haar verzoek is ingewilligd.

De zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2010. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens SNP is voorts verschenen [A], actuaris, en namens DNB mr. D.P.S. de Boer, werkzaam bij DNB.

2 Overwegingen

2.1 Wettelijk kader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van de besluiten 1, 2 en 3 wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

De per 1 januari 2006 in werking getreden Wvb luidt voor zover hier van belang als volgt:

“(…)

Artikel 126. Minimaal vereist eigen vermogen

1. Een beroepspensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen (…)

(…)

(…)

Artikel 129. Korting pensioenaanspraken en pensioenrechten door beroepspensioenfonds

1. Een beroepspensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:

a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;

b. het beroepspensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of andere aanspraakgerechtigden onevenredig worden geschaad; en

c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 135.

2. Een beroepspensioenfonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.

3. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, kan op zijn vroegst een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en toezichthouder hierover geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.”

(…)

Artikel 135. Kortetermijnherstelplan

1. Wanneer een beroepspensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan voorzien dat het niet meer voldoet of niet zal voldoen aan de bij of krachtens artikel 126 gestelde vereisten ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen, meldt het beroepspensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.

2. In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het beroepspensioenfonds binnen twee maanden of zoveel eerder als de toezichthouder bepaalt, een concreet en haalbaar kortetermijnherstelplan ter instemming bij de toezichthouder in. In dit kortetermijnherstelplan werkt het beroepspensioenfonds uit hoe het uiterlijk binnen drie jaar zal voldoen aan artikel 126 waarbij:

a. de kans op herstel verbetert;

b. de risico’s voor de aanspraak- en pensioengerechtigden niet toenemen; en

c. de kans op toeslagverlening niet negatief wordt beïnvloed.

3. In afwijking van het tweede lid geldt voor het kortetermijnherstelplan een termijn van een jaar indien:

a. niet is voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid sub a, b en c; of

b. het beroepspensioenfonds bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot.

[abusievelijk zijn het vierde en vijfde lid van artikel 135 van de Wvb weggevallen in de uitspraak. Voor de leesbaarheid zijn die hieronder wel opgenomen:

“ 4. Het beroepspensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het kortetermijnherstelplan.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud en opstelling van een kortetermijnherstelplan.”]

Artikel 136. Mogelijkheid tot ontheffing

1. De toezichthouder kan, rekening houdend met de specifieke situatie van het beroepspensioenfonds en in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een beroepspensioenfonds geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bij of krachtens de artikelen 126, 127, 129, eerste lid, onderdeel a, 132 en 133 bepaalde, indien het beroepspensioenfonds aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze artikelen beogen te bereiken anderszins worden bereikt.

2. De toezichthouder kan in bijzondere gevallen, rekening houdend met de specifieke situatie van het beroepspensioenfonds en in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een beroepspensioenfonds dat geen bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde zelfstandige of beroepsgenoot, geheel of gedeeltelijk, ontheffing verlenen van het bij of krachtens artikel 135 bepaalde.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met betrekking tot het verlenen van de ontheffing.

Artikel 137. Langere termijnen bij uitzonderlijke situatie

Onze Minister kan na overleg met de toezichthouder vrijstelling verlenen van de in artikel 133 en 135 genoemde termijnen van 15 jaar respectievelijk drie en een jaar, indien er sprake is van een uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal beroepspensioenfondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde vereisten inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal vereist eigen vermogen.

(…)”

Ter uitvoering van onder meer de Wvb heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) op 19 december 2006 de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: de Regeling) vastgesteld.

Op 4 maart 2009 heeft de minister de Regeling gewijzigd door per 8 maart 2009 artikel 6a toe te voegen aan de Regeling (Stcrt. 2009, 45). Artikel 6a kwam te luidden:

“Artikel 6a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan

1. Een fonds wordt vrijgesteld van de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 140, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 135, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, een kortetermijnherstelplan indient met een looptijd van maximaal vijf jaar.

2. In het kortetermijnherstelplan wordt opgenomen:

a. hoe het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar zal voldoen aan artikel 131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna te noemen: het minimaal vereist eigen vermogen); en

b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zonodig vermindering van pensioenaanspraken en/of pensioenrechten, genomen zullen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

3. Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de looptijd zal kunnen worden voldaan aan, het minimaal vereist eigen vermogen, worden uiterlijk een jaar nadien de aanvullende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onder b, uitgevoerd, tenzij het fonds ten genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar.

5. Indien een fonds geen kortetermijnherstelplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan indienen omdat vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig is om aan het einde van de looptijd van het plan te voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, wordt deze vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten uiterlijk 1 augustus 2010 uitgevoerd, tenzij het fonds tot genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting zonder die vermindering aan het eind van de looptijd zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

6. Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de beslissing met betrekking tot de instemming met het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet of artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt genomen na inwerkingtreding van dit artikel.

7. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2011, met dien verstande dat het bepaalde in het artikel van toepassing blijft op de kortetermijnherstelplannen die met toepassing daarvan zijn vastgesteld.”

In de toelichting is het volgende vermeld:

“Op grond van artikel 142 van de Pensioenwet en artikel 137 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (WVB) kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met De Nederlandsche Bank (DNB), vrijstelling verlenen van onder andere de termijn van drie jaar, genoemd in de bepaling over het kortetermijnherstelplan (artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 van de WVB), indien er sprake is van een uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal fondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens de Pensioenwet en de WVB gestelde eisen inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal vereiste eigen vermogen. Van een dergelijk uitzonderlijke economische situatie is nu sprake. Als gevolg van de financiële crisis zijn de beurskoersen ingezakt en is de rente laag. De pensioenfondsen worden hierdoor ernstig geraakt. Uit een inventarisatie van De Nederlandsche Bank (DNB) blijkt dat eind januari jl. enkele honderden pensioenfondsen een dekkingsgraad hadden van minder dan 105%. Het onverkort toepassen van artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 van de WVB zou ertoe leiden dat circa 50% van de pensioenfondsen kortingsmaatregelen zou moeten nemen om binnen de hersteltermijn van 3 jaar een dekkingsgraad van 105% te halen. Dat zou tot gevolg hebben dat mogelijk 75%-80% van de deelnemers en gepensioneerden te maken zouden krijgen met een korting van rechten.

Na overleg met DNB heb ik besloten vrijstelling te verlenen van de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet en artikel 135 van de WVB. Pensioenfondsen krijgen op grond van deze vrijstelling de mogelijkheid om in hun kortetermijnherstelplan uit te gaan van een termijn van vijf jaar waarbinnen opnieuw moet worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen (artikel 131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling). Het kortetermijnherstelplan zal dan wel aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.

(…)

Het gebruik maken van de bevoegdheid om vrijstelling te geven van de termijn van drie jaar laat onverlet dat de overige bepalingen met betrekking tot het kortetermijnherstelplan van toepassing zijn, dus ook de bevoegdheid voor DNB om maatwerk te leveren en in bijzondere gevallen, op verzoek van een fonds, geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de bepalingen met betrekking tot het kortetermijnherstelplan. Het moet dan echter gaan om andere omstandigheden dan die welke aanleiding zijn voor de voorliggende generieke verlenging.

(…)”

Op 25 mei 2009 heeft de minister artikel 6a van de Regeling gewijzigd (Stcrt. 2009, 96). Per 30 mei 2009 werd artikel 6a als volgt gewijzigd:

“1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘genomen zullen worden’ vervangen door: genomen kunnen worden.

2. In het derde lid wordt direct voorafgaand aan de woorden ‘aanvullende maatregelen’ toegevoegd: door het fonds gekozen.

3. Onder vernummering van het zesde en zevende lid tot het zevende en achtste lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

6. In afwijking van het derde en vijfde lid worden de termijnen die ingevolge die leden eindigen uiterlijk op 1 januari 2012 onderscheidenlijk 1 augustus 2010, uitgesteld tot 1 april 2012. Uiterlijk in juli 2010 wordt door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na advies van De Nederlandsche Bank, beslist of dit uitstel nog gerechtvaardigd is dan wel dat het uitstel in het licht van de dan geldende omstandigheden niet langer verantwoord is.”

De toelichting bij deze wijziging bevat onder meer het volgende:

“(…)

De voorliggende wijziging van artikel 6a brengt geen wijziging in de hersteltermijn van maximaal vijf jaar die wordt gehanteerd in plaats van de wettelijke termijn van drie jaar. In het herstelplan dient te worden aangegeven op welke wijze het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en -rechten, uiterlijk in vijf jaar zal voldoen aan het minimaal vereist vermogen. In het kortetermijnherstelplan moet voorts worden aangegeven welke serieuze mogelijkheden een pensioenfonds heeft, indien gedurende de looptijd van het herstelplan blijkt dat het herstel niet naar verwachting verloopt en verwacht moet worden dat aan het eind van de herstelperiode niet kan worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen. Nu met de voorliggende wijziging van de ministeriële regeling ook de termijn wordt verlengd waarbinnen in voorkomende gevallen tot korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten zal moeten worden overgegaan, is het aanvaardbaar dat het herstelplan zich niet vastlegt op een maatregel maar desgewenst de verschillende mogelijkheden bevat die realiter genomen kunnen en indien nodig zullen worden.

(…)

In het kader van het sociaal overleg is afgesproken dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met DNB medio 2010 hierover zal overleggen met de Stichting van de Arbeid en de pensioenkoepels. Daarbij zullen in ieder geval een rol spelen de feitelijke dekkingsgraden van pensioenfondsen zoals die per 30 juni 2010 aan DNB zijn gerapporteerd, de ontwikkelingen in de economie en op de financiële markten, alsmede de uitkomsten van in het voorgaande genoemde adviezen van de Commissie parameters pensioenfondsen en de verkenning naar de houdbaarheid van het pensioenstelsel op lange termijn. Vervolgens zal na advies van DNB door mij een besluit genomen worden of het uitstel nog verantwoord is.

Zowel ten aanzien van de afloop van deze nieuwe termijn per 1 april 2012 als ten aanzien van andere termijnen die voortvloeien uit de regeling van 6 maart 2009 geldt dat zij niet automatisch leiden tot korting van pensioenaanspraken en -rechten. Voorop staat dat het de verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen is en blijft om te bepalen op welke wijze zij voldoen aan de wettelijke vereisten met betrekking tot het minimaal vereist eigen vermogen. Het bepaalde in artikel 6a doet dan ook op geen enkele wijze afbreuk aan de evenwichtige belangenbehartiging die daaraan ten grondslag moet liggen. De beslissing om over te gaan tot het verminderen van pensioenaanspraken en -rechten is te allen tijde een verantwoordelijkheid van het bestuur en blijft een uiterst middel om het vereist eigen vermogen weer op peil te brengen. Ook indien in het kader van de controle van DNB per 31 december van enig jaar zou worden vastgesteld dat de werkelijke ontwikkeling zodanig achterblijft bij de in het kortetermijnherstelplan beschreven vijfjarige hersteltermijn dat aanvullende maatregelen nodig zijn, dan nog ontstaat daarmee geen automatisme dat onherroepelijk leidt tot korting in het daaropvolgende jaar. De vermindering zal achterwege kunnen blijven indien het fonds ten genoegen van DNB voor het verstrijken van de wachttijd kan aantonen dat alsnog zonder de vermindering aan de wettelijke eisen kan worden voldaan. Niemand is er op uit om tot korting van pensioenaanspraken en -rechten te komen. Ook de toezichthouder laat zich leiden door zorg om het publieke vertrouwen in ons pensioenstelsel. Maar minstens zo belangrijk is het belang dat niet uit vrees voor onrust over een beperkte korting, te lang wordt gewacht met het treffen van de noodzakelijke aanvullende maatregelen waardoor uiteindelijk tot grotere kortingen op pensioenaanspraken en -rechten besloten moet worden. Artikel 6a is mitsdien zo opgezet dat bij het verminderen van pensioenaanspraken en -rechten ieder automatisme waarbij geen rekening wordt gehouden met veranderende omstandigheden, wordt voorkomen. De regeling voorziet in een voortdurende mogelijkheid tot bijstelling van een beslissing tot korting, mits DNB dit aanvaardbaar acht.

In de toelichting op de regeling van 6 maart jl. werd reeds gesteld dat de uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 142 Pw respectievelijk 137 Wvb tot verlenging van de wettelijke hersteltermijn, de overige wettelijke bepalingen met betrekking tot het kortetermijnherstelplan onverlet laat. Dat geldt ook voor de bevoegdheid van DNB om op grond van artikel 141 Pw respectievelijk 136 Wvb in individuele gevallen, vanwege de bijzondere omstandigheden, op verzoek van een fonds ontheffing te verlenen van bepalingen met betrekking tot het kortetermijnherstelplan, mits het andere omstandigheden betreft dan die welke aanleiding waren voor de regeling van 6 maart 2009. Toepassing van die bevoegdheid zal dan leiden tot een herzien herstelplan. Op grond van een dergelijk herzien herstelplan kan een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten eventueel geheel of gedeeltelijk achterwege blijven, indien DNB ontheffing heeft verleend voor de hersteltermijn.”

Op 17 augustus 2010 heeft de minister de Regeling gewijzigd (Stcrt. 2010, 13134). Per 20 augustus 2010 is artikel 6a als volgt gewijzigd:

“1. In het derde lid wordt ‘uiterlijk een jaar nadien’ vervangen door: uiterlijk op 1 april van het tweede jaar volgend op 31 december van enig jaar, op basis van de situatie op 31 december daaraanvoorafgaand.

2. In het vijfde lid wordt ‘uiterlijk 1 augustus 2010’ vervangen door ‘uiterlijk 1 januari 2011’ en wordt na de bestaande tekst een zin toegevoegd, luidende: Gedurende de verdere looptijd van ieder kortetermijnherstelplan als bedoeld in dit lid zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

3. Het zesde lid vervalt onder vernummering van het zevende en achtste lid tot zesde en zevende lid.”

De toelichting bij deze wijzing luidt als volgt:

“(…)

DNB heeft in haar advies van 30 juli 2010 geconcludeerd dat uitstel van kortingsmaatregelen tot 1 april 2012 niet langer verantwoord moet worden geacht, mede gezien de stand van de gerapporteerde dekkingsgraden van de pensioenfondsen per 30 juni 2010 en de huidige economische situatie. Voor de nadere overwegingen daarbij verwijs ik naar mijn brief van 17 augustus 2010 (AV/PB/2010/16366), gericht aan de Tweede Kamer. De potentiële implicatie van dat advies is dat een aantal pensioenfondsen op relatief korte termijn zal moeten overwegen of een kortingsmaatregel nodig is. Ik ben mij er van bewust dat de mogelijkheid van korting het vertrouwen van deelnemers in het pensioenstelsel kan schaden. Tegelijkertijd betekent uitstel van de nodige correctie dat de lusten en lasten voor verschillende groepen deelnemers in pensioenfondsen, niet langdurig gelijk verdeeld zijn. Ook daardoor komt het vertrouwen van deelnemers in het pensioenstelsel in het geding en komt bovendien de wettelijke eis van evenwichtige belangenbehartiging in de knel. Dat kan potentieel tot een veel grotere schade aan het vertrouwen in het stelsel kunnen leiden, dan de schade van noodzakelijke maatregelen die getroffen moeten worden. Dit staat niet op zichzelf. De rapporten van de commissies Don, Frijns en Goudswaard laten zien dit ook op lange termijn een grote uitdaging is.

Uit het advies van DNB blijkt dat van de in totaal 340 fondsen met een herstelplan, 18 fondsen per 1 april 2009 al een voorgenomen korting in hun herstelplan hadden opgenomen. Het merendeel van deze 18 fondsen heeft de afgelopen periode een te beperkt herstel laten zien. Gevolg is dat langer uitstel van toepassing van maatregelen bij die fondsen zal leiden tot een toename van het verschil tussen de inkomsten en de verplichtingen. Zij keren momenteel pensioenen uit waarvoor onvoldoende dekking bestaat. Dit leidt tot een oplopend financieringstekort dat door actieve en toekomstige deelnemers betaald zal moeten worden in de vorm van een hogere premie, minder indexatie of toekomstige verlaging van hun pensioen. Deze ontwikkeling staat in toenemende mate op gespannen voet met de eis van evenwichtige belangenbehartiging.

Voor de pensioenfondsen die reeds een korting in hun herstelplan hadden opgenomen en die zich nog steeds niet op het vereiste herstelpad bevinden, zal het moment waarop de corrigerende maatregelen moeten zijn uitgevoerd worden gesteld op 1 januari 2011, tenzij alsnog ten genoegen van de toezicht-houder kan worden aangetoond dat dergelijke maatregelen niet noodzakelijk zijn. Dit impliceert een extra uitstel van 5 maanden ten opzichte van 1 augustus 2010 waarop anders aanvullende maatregelen zouden moeten zijn uitgevoerd. Welke maatregelen moeten worden genomen is uiteindelijk een beslissing van de betrokken pensioenfondsen zelf, na overleg met de toezichthouder. Ook korting van pensioenen wordt niet verplicht voorgeschreven, maar kan onvermijdelijk zijn om het uitzicht op een structurele verbetering van de financiële positie van een pensioenfonds te herstellen. Om hoeveel fondsen het daarbij precies zal nader moeten blijken na overleg met de toezichthouder over hun werkelijke situatie van de onderscheidenlijke fondsen in het licht van de door hen zelf gerapporteerde kwartaalcijfers over hun dekkingsgraad.

Voor alle overige pensioenfondsen met een lopend herstelplan heeft het vervallen van het uitstel van het eerste moment waarop eventueel aanvullende maatregelen moeten worden getroffen in beginsel tot gevolg dat dit moment drie maanden naar voren schuift, dus van 1 april 2012 naar 1 januari 2012. Hoewel de recente ontwikkelingen op de financiële markten ook de dekkingsgraden van deze pensioenfondsen niet ongemoeid hebben gelaten, kan voor deze ruim 300 fondsen het eerste eventuele kortingsmoment echter gehandhaafd blijven op 1 april 2012. Dit heeft vooral een praktische reden, namelijk dat de definitieve cijfers over de dekkingsgraden per 31 december van enig jaar vaak pas in de loop van het eerste kwartaal van het daaropvolgende jaar bekend zijn. (…)”

2.2 Feiten, die als vaststaand worden aangenomen

2.2.1 SNP is vanaf 1 januari 2006 een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wvb. SNP is in 1955 opgericht op grond van de Wet tot invoering van een leeftijdgrens voor het notarisambt en oprichting van een Notarieel Pensioenfonds (hierna: WNP). Anders dan de Wvb bevatte de WNP geen eisen aan kapitaaldekking en de financiering. In artikel 24 van het Pensioenreglement van SNP was wel bepaald dat het bestuur van het fonds de financiering van het fonds zodanig moet inrichten dat het fonds op den duur een dekkingsgraad van 100% heeft. Verder was daarin bepaald indien de dekkingsgraad aan het einde van enig boekjaar daalt beneden de 85%, het bestuur verplicht is te zorgen dat door middel van een eenmalige verhoging van de verplichte bijdragen aan de dekkingsgraad aan het einde van het daarop volgende boekjaar ten minste 85%. Als alternatief van eenmalige verhoging kon het bestuur de dekkingsgraad ook (mede) door middel van een gelijke evenredige verlaging van pensioenaanspraken over reeds verstreken perioden op peil brengen. Ten slotte was daarin bepaald dat de dekkingsgraad niet hoger mag zijn dan 115%.

2.2.2 SNP zendt DNB bij brief van 22 december 2006 een herstelplan op basis van het Financieel Toetsingskader Pensioenfondsen toe. Op basis van de in het plan gehanteerde uitgangspunten zal het fonds eind 2012 geen reservetekort meer hebben. Daarbij wordt een rekenrente van 4% gehanteerd. Bij brief van 5 april 2007 verstrekt SNP nadere informatie en kondigt zij een actuarieel onderzoek aan. Bij brief van 4 september 2007 bericht DNB SNP het langetermijnherstelplan vooralsnog acceptabel te vinden. SNP laat DNB op 14 maart 2008 weten dat zij niet meer voldoet aan de vereisten van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 127 van de Wvb. Met betrekking tot het door SNP in te dienen definitieve langetermijnherstelplan wordt door partijen nadien uitvoerig gecorrespondeerd.

2.2.3 Bij brief van 3 maart 2009 laat DNB SNP weten dat pensioenfondsen tijdelijk een vrijstelling kunnen krijgen voor het herstel van een dekkingstekort en dat de meeste fondsen die met een dekkingstekort kampen voor 1 april 2009 een kortetermijnherstelplan en/of een langetermijnherstelplan zullen moeten indienen. Bij brief van 18 maart 2009 verzoekt SNP DNB om maatwerk, dat eruit bestaat dat aan SNP zeven jaar wordt gegund in plaats van vijf jaar om het dekkingstekort in de zin van artikel 135 van de Wvb te herstellen. Daarbij geeft zij aan dat in de loop van 2015 een dekkingsgraad van 105% zal worden bereikt. Bij brief van 31 maart 2009 bericht SNP DNB dat mogelijk vanaf 1 januari 2012 een korting van de pensioenaanspraken van 8,4% zal worden toegepast.

2.2.4 Bij besluit van 8 juli 2009 stemt DNB in met het kortetermijnherstelplan en het langetermijnherstelplan van SNP, maar wijst zij het verzoek van SNP om ontheffing af. Met betrekking tot dit laatste overweegt DNB dat SNP – als er al sprake is van een bijzonder geval – onvoldoende heeft aangetoond dat ontheffing van de hersteltermijn van artikel 135, tweede lid, van de Wvb in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden. Hoewel een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten een uiterste middel moet zijn voor het op peil brengen van het minimaal vereist eigen vermogen is het niet in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden om te lang te wachten met de maatregel tot korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten waardoor uiteindelijk zou moeten worden besloten tot een grotere vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten dan thans het geval is. In dit verband wijst DNB er op dat uit de toelichting bij artikel 6a van de Regeling volgt dat het in gevallen waarin thans reeds een korting op aanspraken nodig is vanwege een dekkingstekort het niet wenselijk is de effectuering daarvan verder uit te stellen tot na 1 april 2012.

2.2.5 Bij brief van 19 augustus 2010 wijst DNB er op dat SNP ten gevolge van de aanpassing van artikel 6a van de Regeling op basis van de kwartaalcijfers per 30 juni 2010 moet vaststellen of, en zo ja, welke korting haar fonds moet doorvoeren om op een haalbaar herstelpad te komen. Daarbij is aangegeven dat het fonds tot 1 november 2010 heeft om ten genoegen van DNB aan te tonen dat geen of een lagere korting nodig is om op een haalbaar herstelpad te komen en dat SNP daarbij de impact van eventuele andere aanvullende maatregelen dan korting alsmede de ontwikkeling van de dekkingsgraad die blijkt uit de kwartaalcijfers per 30 september 2010 kan laten meewegen. Bij brief van 8 september 2010 bericht DNB SNP dat zij voor 1 oktober 2010 een plan ter voorbereiding van een eventueel besluit tot korten bij DNB dient in te dienen, dat DNB uiterlijk medio oktober 2010 een reactie op het plan zal geven, dat SNP voor 1 november 2010 het voorgenomen besluit tot korting bij DNB indient, dat DNB uiterlijk medio november 2010 haar reactie geeft op het voorgenomen besluit, dat SNP voor 1 december 2010 een definitief besluit neemt en dat zij de korting uiterlijk 1 januari 2011 implementeert.

2.2.6 Bij brief van 5 oktober 2010 laat SNP DNB weten dat zij niet bereid is om op de in de brief van DNB van 8 september 2010 genoemde termijnen over te gaan tot versobering van het reglement of tot korting. Zij verzoekt DNB in dit verband gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het leveren van maatwerk en in te stemmen met bijgaand maatwerkherstelplan, hetgeen neerkomt op een uitstel tot 1 januari 2017. DNB nodigt het bestuur van SNP naar aanleiding hiervan uit voor een normoverdragend gesprek op 14 oktober 2010. Tegelijkertijd neemt DNB besluit 1. Bij brief van 13 oktober 2010 geeft SNP aan dat de (dagelijks)bestuursleden bij het gesprek aanwezig zullen zijn en geeft zij een inhoudelijke reactie op besluit 1. Ten slotte geeft SNP in die brief aan dat het verschil tussen een korting per 1 januari 2011 ten opzichte van korting eerst per 1 april 2012 minimaal is en dat zij verzoekt om ten minste één jaar uitstel. DNB neemt vervolgens besluit 2. SNP laat DNB per e-mailbericht weten welke alternatieve maatregelen voor een korting zij heeft overwogen en dat die op korte termijn geen soelaas bieden. Voorts heeft zij aangevoerd dat de doorrekening van de door te voeren korting aanleiding zou moeten zijn uitstel van de maatregel toe te staan. De per 1 januari 2011 door te voeren korting zal 1,97% bedragen. Bij gelijkblijvende omstandigheden zal dan op 31 december 2013 een minimaal vereist eigen vermogen van 104,3% worden verkregen. Voorts geeft SNP in dit e-mailbericht aan dat de korting voor alle deelnemers zal moeten gelden. Bij besluit 3 komt DNB wederom tot een afwijzing van het verzoek tot maatwerk.

2.3 Beoordeling

2.3.1 Besluit 1 bevat – kort gezegd – een afwijzing tot verder uitstel van herstelmaatregelen waar onder een eventuele korting op pensioenaanspraken en -rechten na 1 januari 2011. De besluiten 2 en 3 bevatten in essentie dezelfde afwijzing, zij het dat SNP na besluit 1 in haar briefwisseling niet meer rept van uitstel tot 1 januari 2017, maar tot 1 april 2012. De voorzieningenrechter gaat er veronderstellenderwijs van uit dat de besluiten 2 en 3 de weigering behelzen terug te komen van besluit 1. Dit betekent voorts dat een eventuele voorziening in dit verband slechts betrekking zal hoeven te hebben op besluit 1. De besluiten 2 en 3 zijn in deze procedure dan ook slechts van belang voor zover zij een nadere onderbouwing geven van besluit 1.

2.3.2 DNB heeft ter zitting betoogd dat SNP geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek omdat zij geen procesbelang heeft bij haar bezwaar. Volgens DNB kan SNP met haar bezwaar niet bereiken dat haar ontheffing wordt verleend van het implementeren van kortingsmaatregelen op een datum na 1 januari 2011, omdat DNB niet de bevoegdheid toekomt om ontheffing te verlenen van een door de minister op grond van artikel 137 van de Wvb verleende vrijstelling. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding dit betoog te volgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter laat de goedkeuring door DNB van een kortetermijnherstelplan, dat gelet op artikel 6a, eerste lid, van de Regeling een periode van vijf jaar beslaat, onverlet dat DNB geheel of gedeeltelijk een ontheffing kan verlenen van hetgeen bij of krachtens artikel 135 van de Wvb is bepaald. Die ontheffing kan – in theorie althans – inhouden dat de implementatie of een deel van de implementatie van het betreffende kortetermijnherstelplan wordt uitgesteld.

2.3.3 De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat SNP, die is belast met de uitvoering van een beroepspensioenregeling en derhalve met de behartiging van de pensioenbelangen van de bij haar aangesloten beroepsgenoten, ten minste enig spoedeisend belang heeft bij de door haar verzochte voorlopige voorziening. Een nader uitstel betekent immers dat zij vooralsnog niet gehouden zal zijn reeds per 1 januari 2011 over te gaan tot een korting van op pensioenaanspraken en -rechten.

2.3.4 Bij besluit van 8 juli 2009 heeft DNB een eerder verzoek om ontheffing van de hersteltermijn van artikel 135, tweede lid, van de Wvb afgewezen. Dat besluit is niet aangevochten door SNP en derhalve onherroepelijk geworden. Niettemin moet met SNP worden vastgesteld dat de brief van SNP van 5 oktober 2010 niet kwalificeert als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter neemt in dit verband in aanmerking dat de minister artikel 6a van de Regeling heeft gewijzigd na het besluit van 8 juli 2009, namelijk per 20 augustus 2010. SNP zou indien deze wijziging niet zou zijn doorgevoerd – anders dan DNB stelt – wel aanspraak hebben gehad op het generieke uitstel van kortingsmaatregelen tot 1 april 2012. Artikel 6a, zesde lid, van de Regeling, zoals die luidde per 30 mei 2009 voorzag er immers in dat een fonds als SNP, dat met een kortetermijnherstelplan diende te voorzien in korting, niet uiterlijk op 1 augustus 2010 die korting diende te in te voeren, maar uitstel kreeg tot 1 april 2010. Met de wijziging van artikel 6a van de Regeling per 20 augustus 2010 is het zesde lid komen te vervallen en is de einddatum van de hersteltermijn in het vijfde lid gewijzigd in 1 januari 2011.

2.3.5 Voor zover SNP met haar aanvraag van 5 oktober 2010 uitstel beoogt te krijgen tot 1 april 2012 is derhalve geen sprake van een herhaalde aanvraag. Met het bezwaarschrift van 19 november 2010 wordt de aanvraag van 5 oktober 2010 ook vernauwd tot die datum. DNB zal naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook gehouden zijn tot een volledige heroverweging.

2.3.6 Inhoudelijk is DNB van oordeel dat het niet wenselijk is dat een ontheffing wordt verleend die er toe zal strekken dat hetgeen wordt beoogd door de wijziging van artikel 6a van de Regeling per 20 augustus 2010 – welke wijziging juist tot stand is gekomen op advies van DNB – teniet zal worden gedaan. In dit verband heeft DNB in aanmerking genomen dat de vrees voor onrust over een beperkte korting niet ertoe mag leiden dat te lang wordt gewacht met het treffen van noodzakelijke aanvullende maatregelen waardoor uiteindelijk tot grotere kortingen op pensioenaanspraken en -rechten besloten moet worden. In besluit 3 is in dit verband nog overwogen dat SNP inmiddels in een vergelijkbare positie is komen te verkeren als andere (beroeps)pensioenfondsen en dat de omvang van het door haar door te voeren kortingspercentage niet zodanig gering is dat de onderhavige situatie om die reden als een bijzonder geval kan worden gekarakteriseerd.

2.3.7 De voorzieningenrechter kan DNB volgen in haar oordeel dat een ontheffing afdoet aan hetgeen de minister – en DNB blijkens haar advies daartoe – heeft beoogd met de wijziging van artikel 6a van de Regeling per 20 augustus 2010. Dat de minister in strijd met artikel 6a, zesde lid, van de Regeling, zoals die luidde per 30 mei 2009, heeft gehandeld door eerst na juli 2010 te beslissen dat het uitstel tot 1 april 2012 in het licht van de dan geldende omstandigheden niet langer verantwoord is, acht de voorzieningenrechter onvoldoende reden om de wijziging van artikel 6a van de Regeling per 20 augustus 2010 ontoelaatbaar te achten en (enkel) om die reden een voorziening te treffen die ertoe strekt dat SNP wordt behandeld alsof artikel 6a van de Regeling niet is gewijzigd per 20 augustus 2010. Maatgevend is immers niet of SNP een verwijt valt te maken, met als gevolg dat zij over zal moeten gaan tot een korting, maar dat een korting niet langer kan worden uitgesteld om erger te voorkomen. Dat is ook de reden waarom de minister de generieke vrijstelling heeft teruggebracht tot 1 januari 2011.

2.3.8 DNB heeft ter zitting uiteengezet dat de situatie van SNP niet uitzonderlijk is. Zo beschikte zij medio 2007 over een dekkingsgraad van 119,6% en verkeerde zij voor de kredietcrisis net als vele andere pensioenfondsen in een gezonde positie. Daarnaast heeft DNB betoogd dat het niet in het belang is van alle aanspraak- en pensioengerechtigden van het fonds om langer te wachten met de noodzakelijk korting(en). In dit verband heeft DNB ter zitting uiteen gezet dat SNP met haar betoog dat een uitstel slechts zeer beperkt door zal werken op de uiteindelijk door te voeren korting vanaf 1 april 2012 er aan voorbij gaat dat zij per 1 januari 2012 ook uit zal moeten gaan van een hogere levensverwachting dan zij in het huidige kortingsplan heeft gedaan. Ten slotte heeft DNB er op gewezen dat het voor de aanspraak- en pensioengerechtigden van het fonds niet als een verassing zal komen dat per januari 2011 door SNP tot een (beperkte) korting wordt beslist, omdat SNP dit eerder op haar website heeft aangekondigd.

2.3.9 Ook de voorzieningenrechter is niet gebleken dat nader uitstel van de nodige kortingsmaatregelen in het belang is van alle aanspraak- en pensioengerechtigden van het fonds van SNP. De voorzieningenrechter gaat in dit verband voorbij aan het betoog van SNP dat zij meer tijd nodig heeft om tot een evenwichtige verdeling van de korting op de pensioenaanspraken en -rechten te komen. SNP heeft immers eerder op 5 oktober 2010 uiteengezet dat de korting voor alle deelnemers zal moeten gelden.

2.3.10 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het inwilligen van het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 30 november 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: