Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO5228

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
89961 / HA RK 10-2069 (4)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking toegewezen. Gelet op de inhoud van het verzoek van de verdediging tot nader sporenonderzoek en de voorafgaande beslissing van de rechters dat onderzoek noodzakelijk was, is de beslissing tot afwijzing van nader onderzoek onbegrijpelijk. De strafkamer heeft de schijn gewekt geen belang te hechten aan de uitkomsten van een nog uit te voeren onderzoek, door het verzoek tot nader onderzoek af te wijzen op de manier waarop zij dit heeft gedaan. Hiermee heeft de strafkamer de objectief gerechtvaardigde schijn gewekt vooringenomenheid jegens verzoeker te koesteren. Verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover gebaseerd op feiten en omstandigheden die niet aanstonds aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM, zitting houdende te Dordrecht

Wrakingskamer

zaaknummer / rolnummer: 89961 HA RK 10-2069

Beslissing van 26 november 2010

op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak met parketnummers 10/750085-09 en 20/002434-03 van

[naam verzoeker],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres],

thans verblijvende in de PI [naam PI],

verzoeker,

raadsvrouw mr. C.H. Zuur, advocaat te Amsterdam.

Het verzoek strekt tot wraking van de leden van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank [namen gewraakte rechters], (hierna: de strafkamer).

1. Het procesverloop

1.1 Ter terechtzitting van de strafkamer van 16 november 2010 heeft de raadsvrouw van verzoeker verklaard zich aan te sluiten bij het mondelinge verzoek tot wraking van de strafkamer, gedaan door de raadsman van een medeverdachte in de strafzaak. Hierop heeft de strafkamer het onderzoek ter terechtzitting geschorst om het verzoek tot wraking door een andere meervoudige kamer van deze rechtbank te laten behandelen.

1.2 Het verzoek tot wraking is door een meervoudige kamer van deze rechtbank (hierna: de wrakingskamer), zitting houdende te Dordrecht, behandeld ter openbare terechtzitting van 23 november 2010, alwaar zijn verschenen en gehoord:

- mr. Zuur, voornoemd,

- de voorzitter van de meervoudige strafkamer;

- de officier van justitie mr. A. Ekiz

1.3 Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter zitting van 26 november 2010 te 14.00 uur.

2. Het verzoek

2.1 De raadsvrouw van verzoeker heeft gesteld dat zij zich ter zitting van 16 november 2010 weliswaar heeft aangesloten bij het verzoek tot wraking van de raadsman van een medeverdachte van verzoeker, maar dat er meer omstandigheden zijn voor wraking in de zaak tegen verzoeker. Aangezien de strafkamer zich na het verzoek tot wraking direct heeft teruggetrokken en de raadsvrouw van verzoeker eerst overleg wilde plegen met haar cliënt is de zitting van de wrakingskamer van 23 november 2010 de eerst mogelijke gelegenheid geweest om alle omstandigheden te noemen die ten grondslag liggen aan het wrakingsverzoek.

2.2 De raadsvrouw van verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de strafzitting van 16 november 2010 en de ter zitting van 23 november 2010 gegeven toelichting aan het verzoek tot wraking van de strafkamer - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

2.3 Ter terechtzitting van 16 november 2010 heeft de verdediging verzocht de stukken tape, die toch niet vernietigd bleken te zijn, te doen onderzoeken op haarsporen (en biologische sporen). Door het NFI is wel een aanvang gemaakt met het onderzoek, maar dat is niet afgerond, vermoedelijk vanwege de korte tijdspanne. Volgens het rapport is op de stukken tape, nummers 2 en 3, op haren gelijkend materiaal aangetroffen. Dat dient nader onderzocht te worden. Als het menselijke haren zijn en deze afkomstig zijn van een verdachte of van het vermeende slachtoffer dan kunnen daaruit conclusies worden getrokken. Ook als het materiaal geen menselijke haren betreft kunnen daaruit - door een deskundige - conclusies worden getrokken. Deze conclusies kunnen belastend of ontlastend zijn, maar zonder nader onderzoek kunnen er geen conclusies worden getrokken.

2.4 De rechtbank heeft het verzoek om onderzoek van het op haren gelijkende materiaal op de stukken tape afgewezen. Door het verzoek om afronding van het deskundigenonderzoek van de verdediging af te wijzen, loopt de rechtbank vooruit op de eventuele conclusies die uit het nog te verrichten onderzoek kunnen worden getrokken en dat betekent dat de rechtbank de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De rechtbank stelt zich kennelijk op het standpunt dat noch belastend, noch ontlastend materiaal relevant is en wekt daarmee de schijn van vooringenomenheid.

Daarbij komt nog dat de rechtbank eerder op hetzelfde verzoek heeft gezegd dat dit verzoek wel degelijk noodzakelijk was en nu, terwijl de verdediging het verzoek nog nader heeft onderbouwd en gemotiveerd, dit verzoek om volstrekt onduidelijke redenen, zonder motivering, afwijst. Dit brengt verzoeker tot de conclusie dat de strafkamer de efficiency stelt boven de waarheidsvinding.

2.5 De raadsvrouw van verzoeker heeft tijdens de zitting van de wrakingskamer nog aangevoerd dat de rechtbank ter zitting van 1 september 2010 heeft toegestaan dat er tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verzoeker opgenomen telefoongesprekken zouden worden afgespeeld. Ter zitting van 16 september 2010 is het verzoek tot het afspelen van bepaalde tapgesprekken echter afgewezen, zonder enige begrijpelijke motivering. Hieruit kan worden afgeleid dat de strafkamer zich na 1 september 2010 een andersluidend en voor verzoeker ongunstig oordeel heeft gevormd over de relevantie van de telefoongesprekken, waardoor bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de strafkamer vooringenomen is jegens hem.

2.6 Voorts heeft de raadsvrouw van verzoeker tijdens de zitting van de wrakingskamer aangevoerd dat de strafkamer op de zitting van 16 november 2010 is teruggekomen op haar beslissing van 1 september 2010 omtrent het horen van een aantal getuigen en het inzien van bepaalde stukken die relevant zijn voor het antwoord op de vraag of het onderzoek jegens verzoeker rechtmatig is gestart. Nu de strafkamer zich na 1 september 2010 blijkbaar een andersluidend en voor verzoeker ongunstig oordeel heeft gevormd over de relevantie van deze stukken althans dat onderzoek, is ook hierdoor bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de strafkamer vooringenomen is jegens hem.

3. Het standpunt van de rechters wier wraking is verzocht

3.1 De strafkamer heeft niet in de wraking berust.

3.2 De strafkamer heeft bij monde van haar voorzitter tegen het verzoek - samengevat -het volgende aangevoerd:

3.3 Het onderzoek door het NFI is afgerond. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er geen dactyloscopische sporen zijn aangetroffen en evenmin bloedsporen en/of tandindrukken. Wel zijn op twee van de drie stukken tape op haren lijkende sporen aangetroffen. Deze mogelijke haren zijn niet onderworpen aan een haaronderzoek en blijven bewaard bij het NFI voor een eventueel later uit te voeren nader onderzoek.

3.4 Wat betreft biologische contactsporen zijn bemonsteringen uitgevoerd. Deze bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek maar er zijn geen DNA-profielen verkregen. Op grond van deze onderzoeksresultaten is door de strafkamer geoordeeld dat eventuele resultaten van verder onderzoek, ná het reeds uitgevoerde onderzoek, niet meer relevante informatie zal opleveren dan thans beschikbaar is.

3.5 De overige gronden voor de wraking dienen buiten beschouwing te worden gelaten nu deze niet ter terechtzitting van 16 november 2010 zijn aangevoerd, terwijl de raadsvrouw, anders dan zij stelt, daartoe wel degelijk in de gelegenheid is geweest.

4. Het standpunt van de officier van justitie

4.1 De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking en daartoe samengevat het volgende aangevoerd.

4.2 De raadsvrouw van verzoeker heeft de door haar aangevoerde gronden ten aanzien van de afwijzing om de telefoongesprekken af te spelen ter zitting en ten aanzien van het horen van een aantal getuigen en het inzien van bepaalde stukken niet tijdig aan haar verzoek tot wraking ten grondslag gelegd, zodat zij op deze punten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.3 De door raadsvrouw van verzoeker overig aangevoerde gronden leiden niet tot een zwaarwegende aanwijzing dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de strafkamer jegens verzoeker.

5. De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 De raadsvrouw van verzoeker heeft ter zitting van de wrakingskamer van 23 november 2010 nieuwe gronden aangevoerd ter onderbouwing van haar wrakingsverzoek. Geoordeeld wordt dat deze aanvulling niet tijdig is gedaan. Op grond van artikel 513 Sv. dient een verzoek tot wraking immers te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en dienen alle feiten of omstandigheden tegelijk te worden voorgedragen. De raadsvrouw van verzoeker heeft zich tijdens de zitting van 16 november 2010 aangesloten bij het verzoek tot wraking door de raadsman van een medeverdachte van verzoeker. De grondslag van dit verzoek tot wraking betrof slechts de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot onderzoek van het op haar gelijkend materiaal op de tape. Indien en voor zover zij daarnaast nog andere gronden voor wraking had willen aanvoeren, had zij dat daar en toen moeten doen. Dat de raadsvrouw daartoe geen gelegenheid heeft gehad, is niet aannemelijk geworden. Het standpunt van de raadsvrouw dat zij eerst met haar cliënt wilde overleggen doet daar niets aan af. Dit leidt tot het oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is voor zover het verzoek is gebaseerd op de ter zitting van 23 november 2010 aangevoerde nieuwe gronden.

5.4 Vast staat dat de strafkamer tijdens de regiezitting van 1 september 2010 heeft geoordeeld dat er in het kader van de waarheidsvinding onderzoek diende plaats te vinden naar sporen op de tape, voor zover de tape nog aanwezig zou blijken te zijn. Toen bleek dat de tape nog beschikbaar was, heeft het NFI (versneld) onderzoek verricht. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er op de tape op haren gelijkend materiaal is aangetroffen. Uit hetgeen ter zitting van 16 november 2010 naar voren is gebracht, is op te maken dat de raadsman van verzoeker heeft verzocht om verder onderzoek naar dit aangetroffen materiaal, aangezien de uitkomsten van een dergelijk onderzoek relevante informatie zouden kunnen opleveren. De strafkamer heeft het verzoek tot nader onderzoek van de tape afgewezen, overwegende dat zij niet vermag in te zien dat eventuele resultaten van nader onderzoek (na het versneld uitgevoerde NFI-onderzoek d.d. 4 november 2010) meer relevante informatie zouden opleveren dan thans beschikbaar is.

5.5 Gelet op de uitkomsten van het versneld uitgevoerde onderzoek van het NFI en gelet op de inhoud van het verzoek van de raadsvrouw van verzoeker, wordt geoordeeld dat de beslissing van de strafkamer tot afwijzing van het verzoek tot nader onderzoek van de tape onbegrijpelijk is, mede gezien in het licht van het oordeel van de strafkamer van 1 september 2010 dat onderzoek naar de tape noodzakelijk was in het kader van de waarheidsvinding. Dat de beslissing van 16 november 2010 slechts betrekking heeft op nader onderzoek ten aanzien van het onderzoek dat reeds is uitgevoerd en geen betrekking heeft op eventueel nog nader uit te voeren onderzoek naar het op haren gelijkend materiaal, zoals tijdens de zitting van de wrakingskamer is betoogd, is uit de beslissing van de strafkamer en de motivering hiervan niet af te leiden.

5.6 Geoordeeld wordt dan ook dat de strafkamer de schijn heeft gewekt geen belang te hechten aan de uitkomsten van een nog uit te voeren onderzoek naar het op haren gelijkend materiaal, door het verzoek tot nader onderzoek af te wijzen op de manier waarop zij dit heeft gedaan. Hiermee heeft de strafkamer de objectief gerechtvaardigde schijn gewekt vooringenomenheid jegens verzoeker te koesteren.

5.7 Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek tot wraking gegrond is en toegewezen zal worden.

6. De beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek, voor zover dit is gebaseerd op de ter zitting van 23 november 2010 aangevoerde nieuwe gronden;

en voorts:

wijst het verzoek tot wraking van [namen gewraakte rechters] toe.

Deze beslissing is genomen door mrs. R.R. Roukema, P.W. van Baal en E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2010.