Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO5099

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
356502 / HA ZA 10-1859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WCK-incasso; beroep op overkreditering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 356502 / HA ZA 10-1859

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

1. mr. Rutger Jan SCHIMMELPENNINCK,

wonende te Amsterdam,

2. mr. Bernardus Franciscus Maria KNÜPPE,

wonende te Dordrecht,

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap

DSB BANK N.V.,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. G.J. Houweling,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.J. Meijer.

Partijen worden hierna aangeduid als: de curatoren, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de twee laatstgenoemden als [gedaagden] De failliet wordt hierna aangeduid als: de bank.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 1 juni 2010, met productie;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- het tussenvonnis d.d. 8 september 2010, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 oktober 2010.

1.2 Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Op grond van een tussen (een rechtsvoorganger van) de bank en [gedaagden] gesloten overeenkomst met contractnummer 5804-21-4349 (hierna: de overeenkomst) heeft de bank aan [gedaagden] een krediet verleend. De overeenkomst is een kredietovereenkomst als bedoeld in de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK).

2.2 [gedaagden] zijn onder de overeenkomst gehouden maandelijks een bedrag van € 135,00 aan rente en/of aflossing te betalen. Op grond van de toepasselijke voorwaarden zijn alle op grond van de overeenkomst aan de bank verschuldigde bedragen ineens opeisbaar indien [gedaagden] gedurende ten minste twee maanden achterstallig zijn in de betaling van één vervallen maandbedrag en, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijven in de volledige nakoming van hun verplichtingen.

2.3 [gedaagden] hebben gedurende ten minste twee maanden niet of onvolledig aan hun verplichting tot betaling van de maandbedragen voldaan en [gedaagden] zijn daarvoor aangemaand en in gebreke gesteld. Na de ingebrekestelling hebben [gedaagden] de betalingsachterstand niet volledig aangezuiverd, waarna het volledige saldo is opgeëist.

2.4 Het openstaande saldo per 15 april 2010 bedraagt € 11.029,50.

3 De geschillen in conventie en reconventie

3.1 De curatoren vorderen - zakelijk weergegeven - in conventie om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 11.029,50, te vermeerderen met rente vanaf 15 april 2010, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten.

3.2 Het verweer van [gedaagde sub 2] strekt tot afwijzing van de vordering van de curatoren, met veroordeling van de curatoren in de kosten van het geding.

3.3 [gedaagde sub 2] vordert - zakelijk weergegeven - in reconventie dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat de bank toerekenbaar tekortgeschoten is c.q. haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld;

b. voor recht verklaart dat bank / de curatoren aansprakelijk zijn voor de door [gedaagde sub 2] geleden schade, welke [gedaagde sub 2] begroot op € 4.500,00, vermeerderd met rente, dan wel de bank / de curatoren te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat,

c. met veroordeling van de bank / de curatoren in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.4 Het verweer van de curatoren strekt tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde sub 2].

4 De beoordeling

in conventie

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.1 De curatoren stellen (i) dat het openstaande saldo, inclusief rente tot 15 april 2010, onder het krediet € 11.029,50 bedraagt, (ii) dat [gedaagden] met de betaling van ten minste één vervallen termijnbedrag gedurende twee maanden achterstallig waren, (iii) dat [gedaagden] daarvoor in gebreke zijn gesteld en (iv) dat [gedaagden] daarna nalatig zijn gebleven met de volledige aanzuivering van de betalings¬achterstand. [gedaagde sub 2] heeft deze stellingen als zodanig niet betwist, zodat de rechtbank daarvan moet uitgaan. Gelet op de opzeggingsbepalingen van de overeenkomst betekent dit dat het openstaande saldo van het krediet opeisbaar is.

4.2 [gedaagde sub 2] betoogt echter dat zij een tegenvordering op de bank heeft doordat de bank haar zorgplicht heeft geschonden door te veel krediet aan [gedaagden] te verlenen. [gedaagde sub 2] verbindt daaraan de conclusie dat de bank aansprakelijk is voor de schade die zij hierdoor heeft geleden. Deze schade heeft [gedaagde sub 2] bij conclusie van antwoord begroot op € 4.500,00 en zij doet een beroep op verrekening met de vordering van de curatoren.

4.3 Over het beroep op ‘overkreditering’ wordt als volgt geoordeeld. De curatoren hebben voorafgaand aan de comparitie van partijen stukken in het geding gebracht. Uit die stukken blijkt - naar [gedaagde sub 2] niet betwist - dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor het aangaan van de overeenkomst aan de bank door middel van een formulier van inkomsten en uitgaven een gezamenlijk netto inkomen hebben opgegeven van € 1.700,00 per maand, maandelijkse vaste lasten van € 319,00 en een bestaande schuld van € 9.500,00 met een termijnbedrag van € 142,50. Gelet op deze gegevens slaagt het beroep op de zorgplicht van de bank niet. De aflossin¬gen van € 135,00 (aan de bank) en € 142,50 (aan een andere financier) zijn ten opzichte van de toenmalige netto inkomsten van [gedaagden] (€ 1.700,00) en de door hen aan de bank opgegeven vaste lasten niet zodanig dat hiermee in het oog springt dat aflossing een probleem zou zijn. Feitelijk is het ook lange tijd goed gegaan: [gedaagden] waren in de jaren 2004 tot 2008 in staat de met de bank afgesproken aflossing te voldoen. De betalingsproblemen ontstonden, zo heeft [gedaagde sub 2] op de comparitie van partijen verklaard, toen [gedaagde sub 1] problemen met drugs en alcohol kreeg. Dit is echter geen omstandigheid die voor rekening van de bank komt. Dat er nog andere schulden waren dan de schuld van € 9.500,00 die is vermeld in voornoemd formulier, zoals namens [gedaagde sub 2] op de comparitie van partijen is aangevoerd, kan [gedaagde sub 2] niet aan de bank tegenwerpen, nu dit kennelijk niet is opgegeven aan de bank en gesteld noch gebleken is dat de bank hiervan anderszins op de hoogte moest zijn.

4.4 [gedaagde sub 2] betoogt verder dat de bank haar geen rekening-courant had moeten verstrekken maar een persoonlijke lening, nu het gaat om de financiering van een auto. Een persoonlijke lening, waarvan de looptijd aansluit bij de afschrijving van de te kopen auto, sluit beter aan op hun toenmalige situatie, dan een rekening-courantkrediet ten laste waarvan steeds weer opnamen kunnen worden gedaan. Dit betoog slaagt niet. Op de comparitie van partijen heeft [gedaagde sub 2] verklaard dat zij destijds dat dacht dat de aflossing 8 a 10 jaar zou duren, zodat zij wist waar zij aan begon. Het is bovendien de eigen verantwoordelijkheid van [gedaagden] om het krediet op een verantwoorde wijze te gebruiken. Overigens is gesteld noch gebleken dat er - na de aanschaf van de auto - nog opnames zijn geweest ten laste van het krediet, zodat [gedaagde sub 2] feitelijk geen belang heeft bij dit verweer.

4.5 [gedaagde sub 2] beroept zich er verder nog op dat zij het krediet heeft afgesloten via leenen.nl en dat deze bemiddelaar haar niet goed heeft geadviseerd. Echter, nadat de bank heeft aangegeven dat leenen.nl een handelsnaam van de bank was (en dus geen bemiddelaar), is dit standpunt door [gedaagde sub 2] niet nader onderbouwd. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] niet aangegeven wat er verkeerd zou zijn gegaan bij de gestelde advisering, anders dan het niet waarschuwen voor overkreditering en daarvan is hiervoor al gebleken dat dit verwijt niet op gaat. Daarnaast stelt zij dat het gesprek met leenen.nl / de bank erg kort heeft geduurd, maar dat is als zodanig nog niet genoeg om de bank schadeplichtig te maken.

4.6 De slotsom is dan het beroep op verrekening niet slaagt. Het gevorderde bedrag van € 11.029,50 is dan ook toewijsbaar.

4.7 De gevorderde rente vanaf 15 april 2010 is - als onbetwist - toewijsbaar.

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

4.8 Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Nu de vordering tegen hem niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze worden toegewezen.

Ten aanzien van beide gedaagden

4.9 Nu [gedaagden] op grond van de overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk zijn, zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld.

4.10 [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld, welke kosten aan de zijde van de curatoren als volgt worden begroot:

4.11 De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

in reconventie

4.12 Uit de toelichting van [gedaagde sub 2] blijkt dat het haar gaat om de schade die zij zou hebben geleden doordat de bank haar een krediet heeft verstrekt dat de bank niet had mogen verstrekken. Het gaat dan ook om een concurrente vordering in het faillissement van de bank. Een dergelijke vordering kan alleen ingesteld worden door deze ter verificatie aan te melden (zie artikel 26 van de Faillissementswet). [gedaagde sub 2] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen. Volledigheidshalve wordt overwogen dat uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, volgt dat de vorderingen van [gedaagde sub 2] afgewezen hadden moeten worden indien [gedaagde sub 2] wel ontvankelijk was geweest.

4.13 [gedaagde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curatoren te betalen het bedrag van € 11.029,50 (zegge: elfduizend negenentwintig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen vertragingsrente van 1,171% per maand vanaf 15 april 2010 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat het rentepercentage het maximaal toegestane percentage krachtens de WCK niet mag overschrijden;

- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curatoren bepaald op € 1.312,74;

- veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

- verklaart [gedaagde sub 2] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

- veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curatoren bepaald op € 384,00 aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn.

Uitgesproken in het openbaar.

1876