Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO5053

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
363890 / KG ZA 10-973
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY3292, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Dekking. Op grond van onder meer de overwegingen in een uitspraak van het Tuchtcollege komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat rekening gehouden moet worden met de reele mogelijkheid dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de handelwijze van eiser niet zal worden aangemerkt als een fout in de zin van de polis, zodat geen dekking bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 363890 / KG ZA 10-973

Vonnis in kort geding van 11 november 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te Rijswijk,

en

2. [eiseres sub 2]

gevestigd te Rijswijk,

eisers,

advocaat mr. F.E. Boonstra te Noordwijk,

tegen

de naamloze vennootschap

NASSAU VERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Eisers zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]. Gedaagde zal Nassau genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 oktober 2010;

- producties van [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2];

- producties van Nassau;

- de pleitnotities van mr. Boonstra;

- de pleitnota van mr. Rupert.

1.2. Ter zitting van 28 oktober 2010 hebben (de raadslieden van) partijen de respectieve standpunten nader toegelicht. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Met ingang van 1 januari 2005 is tussen de v.o.f. RE/MAX Fiducia Makelaars (hierna: Fiducia) als verzekeringnemer enerzijds en Nassau als verzekeraar anderzijds een overeenkomst met betrekking tot een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van kracht (hierna: de Verzekering). [eiser[eiseres sub 2] was één van de twee vennoten van Fiducia. De andere vennoot was de besloten vennootschap Fiducia Beheer B.V.

2.2. In de op de Verzekering van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Schouten Insurance International B.V. SII 2003 (hierna: de algemene voorwaarden) staat – voor zover hier van belang –:

“ ARTIKEL 1

BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

..

1.2 Verzekerden

De verzekerden zijn:

1.2.1 de verzekeringnemer en de overige in de polis vermelde verzekerden.

1.2.2 alle maatschapsleden, vennoten, firmanten, bestuurders, commissarissen en toezichthouders van de onder 1.2.1 vermelde verzekerden.

1.3 Fout

Onder een fout wordt verstaan één of meer nalatigheden, vergissingen, verzuimen, onachtzaamheden en dergelijke binnen de verzekerde hoedanigheid. Met elkaar verband houdende fouten of uit elkaar voortvloeiende fouten worden als één fout beschouwd en worden geacht te zijn gemaakt ten tijde van de eerste fout.

1.4 Aanspraak

Onder een aanspraak wordt verstaan een vordering tot vergoeding van schade, ingesteld tegen een verzekerde op grond van een fout.

Aanspraken die verband houden met dezelfde fout, worden als één aanspraak beschouwd en worden geacht tegen de verzekerden te zijn ingesteld ten tijde van de eerste aanspraak.

….

ARTIKEL 2

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING

2.1 Omvang van de dekking

2.1.1 Deze verzekering biedt dekking voor aanspraken tegen verzekerden, mits de aanspraken zijn ingesteld tijdens de contractduur alsmede gemeld aan verzekeraars tijdens de contractduur of binnen 60 dagen na de einddatum.

…”

2.3. In de eveneens op de Verzekering van toepassing zijnde Bijzondere Voorwaarden Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Makelaars in Onroerende Zaken BAM 2003 staat – voor zover hier van belang –:

“…

ARTIKEL 2

VERZEKERDE HOEDANIGHEID

2.1 De verzekerde hoedanigheid waarvoor de polis conform deze bijzondere voorwaarden dekking biedt is de Makelaardij in Onroerende Zaken, waaronder mede te verstaan:

- Bemiddeling in Onroerende Zaken

- Taxaties van Onroerende Zaken

- Beheer van Onroerende Zaken

2.4. [eiser sub 1] was als RE/MAX Broker-Owner – in elk geval tot 12 september 2007 – verzekerde onder de Verzekering.

2.5. [eiser sub 1] heeft als taxateur, werkzaam voor Fiducia, een groot aantal panden getaxeerd ten behoeve van hypotheekadviseurs.

2.6. Per brief van 15 mei 2007 zijn door de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken een groot aantal klachten neergelegd bij het VBO Tuchtcollege van de Vereniging Bemiddeling Onroerend Goed (hierna: VBO Tuchtcollege). [eiser sub 1] was toen VBO-lid. Deze klachten hadden betrekking op 20 door [eiser sub 1] uitgevoerde taxaties. [eiser sub 1] heeft de klachten bij Nassau gemeld, waarna Nassau heeft besloten om [eiser sub 1] te laten voorzien van juridische bijstand in de tuchtprocedure. Deze bijstand werd gegeven door mr. A.S. van Randwijck.

2.7. Per brief van 14 februari 2008 heeft Nassau aan SII Assuradeuren B.V. geschreven – voor zover hier van belang –:

“Verzekering :Beroepsaansprakelijkheid Assurantietussenpersoon t.n.v. RE/MAX Fiducia Makelaars

Op deze polis zijn in de afgelopen 3 jaren 4 schademeldingen gedaan. Er is in die periode EUR 10.772,00 betaald, en EUR 27.072,00 gereserveerd. De hoogte van de betaalde en gereserveerde bedragen (afgezet tegen de premie) is opvallend hoog.

Naar aanleiding van het schadeverloop en de aard van de schades hebben wij besloten om deze (beroeps)aansprakelijkheidsverzekering tussentijds op te zeggen conform artikel 10.2 van de Algemene Voorwaarden SII 2003, per 24 maart 2008, en niet meer te continueren.

…”

2.8. In de tuchtprocedure is door het VBO Tuchtcollege op 23 mei 2008 uitspraak gedaan. Bij die uitspraak is de klacht gegrond verklaard en is [eiser sub 1] de maatregel van voorwaardelijke schorsing van het lidmaatschap van de VBO opgelegd, onder de voorwaarde dat hij geen taxaties meer zou verrichten. In de uitspraak staat voorts – voor zover hier van belang –:

“…

4.16 De taxateur heeft bij verweerschrift aangegeven dat hij zich in alle gevallen heeft laten leiden door de opgegeven koopsom. Hij stelt in dat verband dat hij er te allen tijde van uit is gegaan dat de betreffende koper vrij en zonder dwang meerdere objecten heeft kunnen vergelijken en dat hij tot de conclusie is gekomen dat in elk individueel geval sprake was van een goede prijs/kwaliteitverhouding. De taxateur geeft hiermee blijk van het feit dat hij zich niet heeft laten leiden door de belangen van de potentiële koper en de financier, maar door de belangen van de tussenpersoon c.q. verkopende partij. Het tuchtcollege onderkent dat in de meerderheid der zaken de getaxeerde prijs nauw zal aansluiten bij de koopsom welke is opgenomen in de koopovereenkomst. Die koopsom zal in de regel tot stand zijn gekomen door de vrije werking van de markt, en dat is juist de waarde die de taxateur dient op te geven. Waar het echter om gaat is dat er helaas altijd een aantal transacties zullen zijn waarbij de prijs niet tot stand is gekomen door de vrije werking van de markt. Het is nu juist de taak van de taxateur die zaken eruit te halen.

4.17 Waar het dan voorts om gaat is of de waardebepaling van de taxateur juist was. Naar oordeel van het tuchtcollege is dat niet het geval. Hij heeft aanzienlijk te hoge waarden opgegeven. Hij heeft daardoor niet gesignaleerd dat de in de koopovereenkomst opgenomen koopsom de werkelijke waarde niet weerspiegelde. Hij heeft de financieringsinstelling die wetenschap onthouden. In zijn kerntaak als taxateur is hij aldus op een essentieel punt tekort geschoten. Als vaststaand mag immers worden aangenomen dat de i.c. betrokken financiers geen financiering zouden hebben verstrekt indien zij wetenschap hadden gehad van de werkelijke waarde.

4.18 Opmerkelijk is voorts dat de taxateur kan worden verweten dat hij door kunstgrepen heeft getracht te bewerkstelligen dat zijn taxatierapporten langs een omweg door de geldverstrekkers geaccepteerd zouden worden. In dat verband refereert het tuchtcollege aan het samenwerkingsverband met [x]. Het was de taxateur bekend dat bepaalde financiers niet langer gebruik wensten te maken van de taxaties als verricht door de taxateur. Om deze complicatie te omzeilen heeft de taxateur zijn relatie zijn taxatierapporten toegezonden en door deze relatie laten ondertekenen. Deze praktijk is onaanvaardbaar. Wat zich hier voordoet is het laten witwassen van een taxatierapport waarvan de taxateur weet dat het voor de geldverstrekkers niet acceptabel is. Door hetzelfde rapport uit te brengen onder de naam van een relatie werkt hij er bewust aan mee dat financiers op het verkeerde been worden gezet.

4.19 Tenslotte merkt het tuchtcollege op dat de taxateur reeds eerder voor het tuchtcollege is verschenen. Het betrof een soortgelijke klacht. Het tuchtcollege heeft in deze procedure op 5 oktober 2006 uitspraak gedaan, waarbij zij de klacht ongegrond heeft verklaard. Echter heeft het tuchtcollege onder paragraaf 5 van haar beslissing wel een aantal kanttekeningen gezet:

….

4.20 Blijkens de voormelde klachten, de in het geding gebrachte stukken en het verweer van de taxateur, heeft de taxateur de kanttekeningen niet ter harte genomen en heeft de taxateur zijn werkwijze niet aangepast, noch verbeterd.

...

5. De op te leggen maatregelen

5.1 De taxateur is aanmerkelijk te kort geschoten in zijn kerntaken als taxateur; het doen van een eerlijke en betrouwbare waardebepaling, het vaststellen van het woonoppervlak en het hanteren van deugdelijke vergelijkingsmethodieken. Hij schaadt hiermee het vertrouwen van de maatschappij in het beroep van taxateur. Het handelen van de taxateur schaadt ook het aanzien van de makelaardij in het algemeen en dat van VBO leden in het bijzonder.

5.2 Fouten als in deze gemaakt kunnen ook leiden tot aanzienlijke financiële schade bij derden zoals financiers en hypotheekadviseurs. Omdat de fouten structureel zijn en consequent leiden tot te hoge taxaties past hierbij een maatregel van aanmerkelijk gewicht.

5.3 Een en ander is aanleiding voor het tuchtcollege een maatregel te bepalen waardoor wordt uitgesloten dat de taxateur nog zal kunnen taxeren onder de vlag van de VBO. Vastgesteld is dat beklaagde ook heeft getaxeerd onder de vlag van de SCVM. Het tuchtcollege ziet daarin aanleiding het bestuur van de VBO te verzoeken deze uitspraak in handen te stellen van het bestuur van de SCVM opdat het bestuur kan doen wat zij geraden acht.”

2.9. Per brief van 17 juli 2008 heeft Nassau aan Fiducia geschreven – voor zover hier van belang –:

“Op 27 mei hebben wij van uw assurantiemakelaar Schouten Insurance International een melding ontvangen op bovengenoemde polis. Het betrof hier een schrijven van 21 april 2008 dat u had ontvangen van Greveling Advocaten met betrekking tot het pand aan [adres]. Bij e-mail van 3 juni 2008 ontvingen wij van Schouten Insurance een afschrift van uw e-mail aan mr. A.S. van Randwijck van 8 mei 2008, in welke e-mail u mr. Van Randwijck verzocht om u bijstand te verlenen voor een vijftal (taxatie)zaken. Bij brief van 2 juli 2008 werden wij door mr. Van Randwijck in kennis gesteld van de brief van SNS Reaal waarin een schadevergoeding ter zake wederom een vijftal door u verrichte taxaties wordt gevorderd. Aanleiding voor deze aanspraken is de uitspraak van het Tuchtcollege VBO van 23 mei 2008.

Voor wat betreft de vraag of voor deze zaken polisdekking bestaat, heeft het volgende te gelden.

Voor het geval u zich op het standpunt stelt dat voor (een aantal van) de overige aanspraken, die naar aanleiding van de uitspraak van het Tuchtcollege VBO van 23 mei 2008 tegen u zijn ingesteld, wel polisdekking zou bestaan, merken wij het volgende op.

Op 27 mei 2008 werden wij in kennis gesteld van de uitspraak van het tuchtcollege VBO. Uit deze uitspraak volgt dat de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken reeds op 15 mei 2007 een twintigtal klachten over uw taxaties onder de aandacht van beroepsorganisatie VBO heeft gebracht. VBO heeft deze klachten op 5 juni 2007 aan het tuchtcollege overgedragen, waarvan u op 6 juli 2007 in kennis bent gesteld. In de periode september 2007 – januari 2008 is door partijen over en weer gereageerd op de wederzijdse stellingen. Uiteindelijk heeft het Tuchtcollege VBO op 23 mei 2008 uitspraak gedaan. De onderwerpelijke taxaties zijn nimmer als omstandigheid gedurende de looptijd op de polis gemeld. Wij herhalen dat voor aanspraken verband houdende met deze taxaties geen polisdekking bestaat.

Zelfs in het geval wel tijdig melding gedaan van een omstandigheid zou zijn gedaan, zou polisdekking ontbreken en wel op grond van het navolgende:

Uit de uitspraak van het Tuchtcollege VBO volgt dat u hebt verklaard dat u in het geheel de objecten niet ter plaatse hebt opgemeten. U hebt verklaard nimmer zelf het woonoppervlak te hebben bepaald. U bent telken male uitgegaan van de maatvoering zoals deze in de presentatie van de verkopend makelaar was aangegeven. Ook hebt u verklaard dat u zich bij iedere taxatie hebt laten leiden door de koopsom.

Uit de vaststellingen van het tuchtcollege volgt dat in geen van de rapporten de door u geraadpleegde referentiepanden worden genoemd en dat in de tuchtprocedure onjuiste referentiepanden zijn genoemd. Een lijst van de door u geraadpleegde referentiepanden kon niet worden overgelegd. Ook volgt uit de uitspraak dat telken male een grote discrepantie tussen de door u in uw taxatierapporten genoemde oppervlakte en inhoud van het pand en de daadwerkelijk oppervlakte en inhoud is vastgesteld. U hebt ter zake dan ook geen onderzoek gedaan. Dat u geen onderzoek zou hebben gedaan blijkt ook uit het feit dat u regelmatig een onjuist bouwjaar opgeeft. U hebt aanzienlijk te hoge waarden opgegeven.

Uw verklaringen in de procedure en de bevindingen van de tuchtcollege afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, leiden ons tot de conclusie dat u kritiekloos aansluiting heeft gezocht bij de beweerdelijk overeengekomen koopprijs, alsmede dat u de panden niet hebt geïnspecteerd en zelfstandig de waarde van het pand hebt bepaald. Wij concluderen dan ook dat u geen taxatie volgens de regelen der kunst hebt uitgevoerd, maar een taxatieformulier hebt afgegeven ten behoeve van het verkrijgen van een hypothecaire geldlening, waarbij u kritiekloos aansluiting hebt gezocht bij de beweerdelijk overeengekomen (ver)koopprijs van het pand. Dit terwijl deze (ver)koopprijs veel hoger is dan de daadwerkelijke waarde van het pand.

Wij zijn dan ook van mening dat geen sprake is geweest van een taxatie zoals bedoeld in de hoedanigheidsomschrijving in art. 2 van de bijzondere polisvoorwaarden BAM 2003 en om die reden polisdekking zou ontbreken.

Uit de uitspraak van het Tuchtcollege VBO volgt ook nog dat u kan worden verweten dat u door kunstgrepen hebt getracht te bewerkstelligen dat uw taxatierapporten langs een omweg door de geldverstrekkers zouden worden geaccepteerd. Het was u bekend dat bepaalde financiers niet langer gebruik wensten te maken van uw taxaties. Om dit te omzeilen hebt u [x] uw taxatierapporten toegezonden en deze door [x] laten ondertekenen. Het tuchtcollege kwalificeert dit als witwassen van een taxatierapport waarvan de taxateur weet dat het voor de geldverstrekkers niet acceptabel is. Door hetzelfde rapport uit te brengen onder de naam van een relatie hebt u er bewust aan mee gewerkt dat financiers op het verkeerde been worden gezet.

Art.5.5 van de polisvoorwaarden SI 2003 sluit uit de aansprakelijkheid die verband houdt met of voortvloeit uit vermogensdelicten zoals onder meer witwassen en bedrog. Hiervan is in het onderhavige geval sprake.

Op vorengenoemde gronden ontzeggen wij u (ondubbelzinnig) dekking voor de aanspraken verband houdende met de taxaties in de uitspraak van het Tuchtcollege VBO van 23 mei 2008 genoemd. Dit geldt dus ook voor de aanspraken verband houdende met de taxatie van het pand [adres]. Wij behouden ons het recht voor om (bijvoorbeeld op grond van ons thans nog niet bekende feiten en omstandigheden) de hiervoor genoemde gronden voor dekkingsweigering aan te vullen en ons tevens op andere gronden voor dekkingsweigering te beroepen.

….”

2.10. Ten aanzien van 8 van de 20 in de tuchtprocedure bij het VBO betrokken taxaties hebben de hypotheekadviseurs SNS Bank en Amstelhuys na de uitspraak van het VBO Tuchtcollege in een tweetal procedures bij de rechtbank te Den Haag (hierna: de Haagse procedures) schadevergoeding gevorderd van (onder meer) [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2]. Bij vonnissen van 18 augustus 2010 (in de hoofdzaken met zaak-/rolnummers: 328312 / HA ZA 09-183 en 328100 / HA ZA 09-120) zijn de vorderingen gedeeltelijk toegewezen. In de overwegingen van beide vonnissen staat – voor zover hier van belang –:

“5.13 Hiermee is vastgesteld dat [eiser sub 1] beroepsfouten heeft gemaakt bij de taxaties van de betreffende panden, waardoor deze taxaties te hoog zijn uitgevallen.”

3. Het geschil

3.1. [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] vorderen dat het de voorzieningenrechter behage bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, Nassau te gebieden om alsnog onder de Verzekering dekking te verlenen voor de reeds tegen [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] door de in de dagvaarding genoemde hypotheekfinanciers en Makka ingestelde vorderingen en alle daaruit nog voortvloeiende verdere vorderingen, hoe genaamd ook, met veroordeling van Nassau in de kosten van deze procedure.

3.2. Het verweer van Nassau strekt er toe dat [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, althans tot afwijzing van die vorderingen met (hoofdelijke) veroordeling van [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] in de kosten van het geding.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stellingen van [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] dat hun vordering mede strekt tot het verkrijgen van een voorschot uit hoofde van de Verzekering ter zake van aanspraken voortvloeiend uit door [eiser sub 1] gemaakte beroepsfouten gemaakt bij de taxaties waarover reeds in de tuchtprocedure was geklaagd. Blijkens de toelichting bij pleidooi van mr. Rupert heeft Nassau de vordering ook (mede) in die zin verstaan. Een geldvordering kan in kort geding worden toegewezen, maar daarbij is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

Spoedeisendheid

4.2. [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] hebben gesteld een spoedeisend belang te hebben bij de gevraagde voorziening, nu zij in de Haagse procedures (zie 2.10) bij voorraad zijn veroordeeld tot betaling van een gedeelte van de vorderingen (met rente en kosten). Volgens Nassau is het spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd. Voorts heeft Nassau gesteld dat [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] het recht hebben verspeeld om zich daarop te beroepen, omdat zij al twee jaar weten dat Nassau niet zal betalen en in die tijd noch een bodemprocedure zijn begonnen, noch Nassau in vrijwaring hebben opgeroepen in de Haagse procedures.

4.3. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. Evenmin zijn die omstandigheden op zichzelf voldoende voor het oordeel dat de eisende partij, door een vordering in kort geding in te stellen, handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde.

4.4. Tegen die achtergrond wordt het volgende overwogen. In de Haagse procedures is op 18 augustus 2010 uitspraak gedaan. Op grond van die uitspraken kunnen [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] thans ieder moment geconfronteerd worden met executiemaatregelen. Deze situatie is van een andere orde dan de situatie vóór 18 augustus 2010, toen [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] weliswaar rekening konden houden met de mogelijkheid dat zij (bij voorraad) zouden worden veroordeeld, maar van dreigende executiemaatregelen nog geen sprake was. Met de omstandigheid dat dat thans wel het geval is, is het spoedeisend belang van [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] bij de gevorderde voorziening in beginsel gegeven. Met Nassau is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in de rede had gelegen dat [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2], wetende van het standpunt van Nassau, Nassau eerder in rechte hadden betrokken door een bodemprocedure tegen Nassau aan te spannen dan wel Nassau in de Haagse procedures in vrijwaring op te roepen. De enkele omstandigheid echter dat [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] dat niet hebben gedaan (mede omdat [eiser sub 1] meende – zoals hij ter zitting heeft aangegeven – dat in het voordeel van hem in persoon en [eiser[eiseres sub 2] zou worden beslist) is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] het recht om Nassau thans in het onderhavige kort geding te betrekken hebben verspeeld. Anders dan Nassau voorstaat, wordt zij door dit kort geding niet afgehouden van haar mogelijkheden in een – eventuele – bodemprocedure bewijs te leveren (indien nodig).

4.5. Een en ander leidt tot de conclusie dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk is geworden en dat het daartegen gerichte verweer van Nassau wordt verworpen.

Aannemelijkheid vordering

4.6. Nassau heeft in dit verband onder meer gesteld dat geen sprake is van een fout in de zin van de polis (artikel 1.3 van de algemene voorwaarden – zie 2.2) en dat aldus een gedekte oorzaak ontbreekt. Volgens Nassau heeft [eiser sub 1] bewust nagelaten een (gangbare) taxatie uit te voeren. Hij heeft zonder onderzoek de door zijn opdrachtgevers – waarvan in een aantal gevallen onduidelijk is gebleven wie dat zijn – gewenste waarde ingevuld. Er is in het beste geval sprake van onvolledig werk. Dat is geen fout, maar een keuze van [eiser sub 1]. Er is bovendien sprake geweest van hypotheekfraude bij de panden die [eiser sub 1] heeft getaxeerd. Het is te toevallig dat [eiser sub 1] steeds ten aanzien van die panden een beroepsfout zou hebben gemaakt. Onder deze omstandigheden is er alle reden om [eiser sub 1] in een bodemprocedure te laten bewijzen dat wel sprake is van fouten in de zin van de polis en dat hij niet betrokken was bij de fraude, aldus Nassau.

[eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] hebben de stellingen van Nassau betwist.

4.7. Voor het antwoord op de vraag of aannemelijk is dat sprake is van fouten in de zin van de polis, is het volgende van belang.

4.7.1. Zowel in de tuchtprocedure als in Haagse procedures is vastgesteld dat [eiser sub 1] (beroeps)fouten heeft gemaakt waardoor de taxaties te hoog zijn uitgevallen. Zo is overwogen dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan, ongeschikte referentiepanden heeft gebruikt, regelmatig een onjuist bouwjaar heeft opgegeven en geen behoorlijke vaststellingen heeft gedaan met betrekking tot de oppervlakten en de inhoud van de te taxeren panden. Het VBO Tuchtcollege heeft bovendien vastgesteld dat [eiser sub 1] ten onrechte niet heeft gesignaleerd dat de in de koopovereenkomst opgenomen koopsom de werkelijke waarde niet weerspiegelde en de financieringsinstelling die wetenschap heeft onthouden. Daardoor is hij volgens het VBO Tuchtcollege in zijn kerntaak als taxateur op een essentieel punt tekort geschoten. Daarnaast heeft [eiser sub 1] getracht te bewerkstelligen dat zijn rapporten via een omweg door de geldverstrekkers geaccepteerd zouden worden. Door dit “witwassen van een taxatierapport” zijn financiers bewust op het verkeerde been gezet, welke praktijd het VBO Tuchtcollege als onaanvaardbaar kwalificeert. Voorts heeft VBO Tuchtcollege in haar beoordeling laten meewegen dat tegen [eiser sub 1] reeds eerder een soortgelijke klacht was ingediend en dat hij, ondanks de bij die eerdere uitspraak aan hem gegeven aanwijzigen, zijn werkwijze niet heeft aangepast of verbeterd.

4.7.2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Naar voorlopig oordeel is niet uitgesloten dat Nassau in een eventuele bodemprocedure gelijk zal krijgen met betrekking tot haar stelling dat de handelwijze van [eiser sub 1] niet kan worden aangemerkt als een fout in de zin van de polis (zodat geen sprake is van een gedekte oorzaak). De uitspraak van het VBO Tuchtcollege biedt ten minste enige aanknopingspunten voor de juistheid van die stelling van Nassau, met name de aan de vaststelling dat [eiser sub 1] in zijn kerntaak als taxateur tekortgeschoten is ten grondslag liggende overwegingen alsmede de vaststellingen ten aanzien van het structurele karakter van zijn handelwijze en de omstandigheid dat [eiser sub 1] zijn taxatierapporten getracht heeft te “laten witwassen” zoals hiervoor omschreven. [eiser sub 1] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat de uitspraak van het VBO Tuchtcollege (waartegen geen hoger beroep mogelijk is) onjuist is, maar voorshands ontbreekt het aan (voldoende concrete) aanwijzingen die dit standpunt van [eiser sub 1] ondersteunen. De omstandigheid dat in de tuchtprocedure en de Haagse procedures is geoordeeld dat [eiser sub 1] (beroeps)fouten heeft gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. In die procedures was niet aan de orde de vraag of sprake was van een fout in de zin van de polis, maar de vraag of [eiser sub 1] heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht (welke vraag in beide procedures ontkennend is beantwoord).

Conclusie

4.7.3. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat in dit kort geding rekening gehouden moet worden met de reële mogelijkheid dat in een bodemprocedure, voor zover de vraag of er dekking bestaat niet om andere redenen reeds negatief zou zijn beantwoord, zal worden geoordeeld dat geen sprake is van één of meer nalatigheden, vergissingen, verzuimen, onachtzaamheden en dergelijke binnen de verzekerde hoedanigheid, zodat geen sprake is van een gedekte oorzaak.

Aan dit oordeel doet niet af dat Nassau [eiser sub 1] in de procedure voor het VBO Tuchtcollege heeft laten voorzien van juridische bijstand; deze beslissing was immers gebaseerd op de toen bekende feiten en omstandigheden. Dat laat onverlet dat later aan het licht gekomen feiten en omstandigheden (in het onderhavige geval in het bijzonder de uitspraak van het VBO Tuchtcollege van 23 mei 2008) een ander licht op de kwestie kunnen werpen en tot een andere uitkomst ten aanzien van de dekkingsvraag kunnen leiden.

4.8. Nu alleen al op grond van het voorgaande onzeker is of [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] aanspraak kunnen maken op een uitkering uit hoofde van de Verzekering ter zake van aanspraken voortvloeiend uit beroepsfouten ten aanzien van de hier in het geding zijnde taxaties, is in dit kort geding geen plaats voor toewijzing van een voorschot op die uitkering. De daartoe vereiste aannemelijkheid ontbreekt. Reeds hierom zal de vordering van [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] worden afgewezen. De overige geschilpunten, zoals de vraag of [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] nog wel als verzekerden onder de polis kunnen worden aangemerkt, of sprake is geweest van een tijdige melding en of Nassau een beroep toekomt op een uitsluitingsclausule, kunnen onbeslist blijven.

Belangenafweging

4.9. Een belangenafweging leidt in de gegeven omstandigheden niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat het belang van Nassau om geen voorschot uit te hoeven keren op een uitkering die zij wellicht niet verschuldigd is, zou moeten wijken voor het belang van [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] te beschikken over gelden om te kunnen voldoen aan de vonnissen van de Haagse rechtbank.

Kosten

4.10. [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Nassau worden begroot op:

- vast recht € 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser[eiseres sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van Nassau tot op heden begroot op € 1.079,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Kalmthout, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2010.?

1775/676