Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO4604

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
336546 / HA ZA 09-2208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident, relatieve bevoegdheid, forumkeuzebeding in algemene voorwaarden, geschil over totstandkoming overeenkomst en toepasselijkheid algemene voorwaarden, geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of bekrachtiging van onbevoegd verrichte rechtshandeling, forumkeuzebeding niet van toepassing, rechtbank onbevoegd, verwijzing naar rechtbank 's-Gravenhage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 336546 / HA ZA 09-2208

Vonnis in incident van 10 november 2010

in de zaak van

de vennootschap naar Engels recht

PROGRESSIVE EUROPE LIMITED,

gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVIVA IT HOLDING B.V.,

gevestigd te Leiden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVIVA SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eiseressen in reconventie in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. J.L.R. Kenens.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Progressive”. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als “Aviva c.s.” en afzonderlijk respectievelijk als “Holding” en “Solutions”.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 7 augustus 2009 en de door Progressive overgelegde producties;

- de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord, houdende eis in reconventie;

- de incidentele conclusie van antwoord;

- de akte uitlating producties zijdens Aviva c.s.;

- de incidentele conclusie van repliek;

- de incidentele conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil

In de hoofdzaak

2.1. Progressive vordert in de hoofdzaak – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Aviva c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Progressive van een bedrag ad € 17.273,09, althans een door de rechtbank te bepalen vergoeding, te vermeerderen met rente en kosten.

2.2. Progressive heeft daaraan – verkort weergegeven – ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst inzake bemiddeling tot stand gekomen is, waarop algemene voorwaarden van toepassing zijn. Op grond van artikel 7 juncto 13 van de algemene voorwaarden is Aviva c.s. aan Progressive voornoemd bedrag verschuldigd bij indiensttreding van de door Progressive geïntroduceerde kandidaat.

In het incident

2.3. Aviva c.s. vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van Progressive kennis te nemen en de zaak verwijst naar de rechtbank ’s-Gravenhage, met veroordeling van Progressive in de proceskosten. Aviva c.s. heeft daaraan – verkort weergegeven – ten grondslag gelegd dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, zodat de in de algemene voorwaarden opgenomen forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam niet van toepassing is. Aviva c.s. heeft de algemene voorwaarden van Progressive niet ontvangen. Aviva c.s. is bij de contacten met Progressive onbevoegdelijk vertegenwoordigd. Aviva c.s. heeft niet de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt noch de vermeende onbevoegde rechtshandeling bekrachtigd.

2.4. Progressive heeft de incidentele vordering van Aviva c.s. gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring, althans tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Aviva c.s. in de proceskosten.

2.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Tussen partijen is in geschil of de in artikel 18 van de algemene voorwaarden van Progressive opgenomen forumkeuze van toepassing is. Hiertoe moet worden beoordeeld of tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is en, zo ja, of de algemene voorwaarden van Progressive daarop van toepassing zijn.

3.2. Of een overeenkomst tot stand is gekomen is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.

3.3. Tussen partijen staat het volgende niet ter discussie. [pers[persoon 1] (destijds als consultant werkzaam bij Progressive) heeft op eigen initiatief telefonisch contact opgenomen met [persoon 2] (die werkzaam was bij Aviva c.s. dan wel een aan haar gelieerde vennootschap), bij welke gelegenheid hij [per[persoon 1]] [persoon 3] als potentiële medewerker voor Aviva c.s. heeft voorgesteld. Vervolgens heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon 3] enerzijds en [persoon 2] e[persoon 4] (laatstgenoemde verbonden aan Aviva.Net Engineers B.V., hierna: ANE) anderzijds. Na dat gesprek heeft [persoon 1] telefonisch contact opgenomen met [persoon 5], directeur van Solutions, waarna een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [persoon 3] en [persoon 5]. Ten slotte is [persoon 3] bij Solutions in dienst getreden.

3.4. Progressive heeft gesteld dat [persoon 2] op 15 januari 2007 van [persoon 1] een e-mail heeft ontvangen, waarbij het CV van [persoon 3] en de algemene voorwaarden van Progressive als bijlagen zijn meegezonden. Die algemene voorwaarden bevatten onder meer de regeling dat tussen partijen een overeenkomst tot stand komt indien de ontvanger van de e-mail Progressive verzoekt een sollicitatiegesprek te arrangeren met de door haar gepresenteerde kandidaat. In de visie van Progressive heeft de hier bedoelde e-mail met bijlagen te gelden als aanbod en is dat aanbod door [persoon 2] namens Aviva c.s. aanvaard door middel van het verzoek van [persoon 2] aan Progressive een sollicitatiegesprek te arrangeren. Aldus is volgens Progressive een overeenkomst met Aviva c.s. tot stand gekomen.

3.5. Een overeenkomst kan in beginsel echter alleen tot stand zijn gekomen als [persoon 2] bevoegd was hetzij Holding hetzij Solutions te vertegenwoordigen. Aviva c.s. heeft zich in die zin verweerd. Zij heeft immers gesteld dat [persoon 2] niet bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Hieromtrent geldt het volgende.

3.6. Aangezien Progressive zich beroept op het rechtsgevolg van een bevoegdelijke vertegenwoordiging, namelijk een rechtsgeldige overeenkomst, rust op haar de stelplicht ter zake. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen Progressive in dit kader heeft aangevoerd en ter onderbouwing heeft overgelegd niet kan leiden tot de vaststelling dat [persoon 2] bevoegd was Aviva c.s. te vertegenwoordigen. Progressive heeft gewezen op het door [persoon 2] gebruikte e-mailadres, waarin de naam “Aviva” voorkomt. Dat duidt echter niet op vertegenwoordigingsbevoegdheid, nu aangenomen mag worden dat ook niet-vertegenwoordigingsbevoegde medewerkers van Aviva c.s. hetzelfde e-mailadres zullen gebruiken. Verder heeft Progressive gesteld dat [persoon 2] zelf in zijn contacten met Progressive geen voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat is echter niet relevant, aangezien een eigen verklaring van degene die in naam van een ander een rechtshandeling verricht noch het ontbreken van een verklaring daaromtrent bevoegdheid in het leven roept. Ook heeft Progressive erop gewezen dat vennootschappen op grond van de Handelsregisterwet niet verplicht zijn gevolmachtigden in het handelsregister in te schrijven, zodat het ontbreken in dat register van [persoon 2] niet betekent dat hij niet vertegenwoordigingsbevoegd is. Dat moge zo zijn, maar dat betekent nog niet dat [persoon 2] wel vertegenwoordigingsbevoegd is. Ten slotte heeft Progressive gewezen op de (in haar ogen) ondoorzichtige structuur van Aviva c.s. en de aan haar gelieerde vennootschappen. Wat van die vermeende ondoorzichtigheid echter ook zij, tot vertegenwoordigingsbevoegdheid als zodanig kan dat niet leiden.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat Progressive onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat [persoon 2] daadwerkelijk vertegenwoordigingsbevoegdheid was. Dat betekent dat Aviva c.s. in beginsel niet is gebonden door gedragingen van [persoon 2], ook als die gedragingen op zichzelf zouden kunnen worden beschouwd als een aanvaarding van het aanbod van Progressieve. In beginsel is dus geen overeenkomst tot stand gekomen. In verband daarmee kan in het midden blijven of [persoon 2] de e-mail d.d. 15 januari 2007 van [persoon 1] heeft ontvangen.

3.8. Progressive heeft (meer) subsidiair aangevoerd dat ook in geval van onbevoegde vertegenwoordiging door [persoon 2] tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is, omdat zij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de door Aviva c.s. gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid dan wel Aviva c.s. de onbevoegde rechtshandeling van [persoon 2] heeft bekrachtigd. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

3.9. Ingevolge artikel 3:61 lid 2 BW geldt dat, wanneer een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan. Daarbij is van belang dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid ook kan worden gewekt door het laten voortbestaan van een bepaalde situatie en andersoortig niet doen, hetgeen zich ook gedeeltelijk na totstandkoming van de overeenkomst kan hebben voorgedaan, en dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde ook plaats kan zijn ingeval men gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (HR 19 februari 2010, NJ 2010, 115). Op grond van artikel 3:69 lid 1 (juncto 3:35) BW wordt aan een onbevoegd verrichte rechtshandeling hetzelfde gevolg verschaft, als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht indien de onbevoegd vertegenwoordigde deze bekrachtigt, dan wel indien de wederpartij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij deze bekrachtigt. Een bekrachtigingshandeling is een eenzijdige rechtshandeling van de pseudo-volmachtgever, die ertoe strekt de onbevoegd in zijn naam verrichte rechtshandeling geldig te maken.

3.10. Vast staat dat het eerste sollicitatiegesprek van [persoon 3] heeft plaatsgevonden met [persoon 2] en [persoon 4]. Aviva c.s. heeft onbetwist gesteld dat laatstgenoemde verbonden is aan ANE. Aviva c.s. heeft verder gesteld dat ook [persoon 2] bij ANE werkzaam was. Uit de door [persoon 3] naar aanleiding van dit gesprek aan Progressive gezonden e-mail blijkt dat dit gesprek kennelijk in het teken stond van een mogelijke indiensttreding van [persoon 3] bij ANE. Veronderstellenderwijs aangenomen dat [persoon 4] bevoegd was ANE te vertegenwoordigen, dan kan de gang van zaken met betrekking tot dit eerste gesprek niet leiden tot de conclusie dat Aviva c.s. (dat wil zeggen andere rechtspersonen dan ANE) de schijn van bevoegdheid van [persoon 2] heeft gewekt of de onbevoegdelijk verrichte rechtshandeling heeft bekrachtigd. Gesteld noch gebleken is immers dat Aviva c.s. of haar (bevoegde) vertegenwoordigers betrokkenheid hebben gehad bij (de voorbereiding van) dit eerste gesprek, ook niet in de vorm van het laten voortbestaan van een situatie waarin bij Progressive verwarring kon ontstaan. Het (veronderstellenderwijs aangenomen) feit dat [persoon 4] als vertegenwoordigingsbevoegde namens ANE heeft gesproken met [persoon 3] in vervolg op de contacten tussen [persoon 2] en Progressive kan dus niet leiden tot het oordeel dat hetzij Holding hetzij Solutions de schijn van bevoegdheid heeft gewekt of een onbevoegde rechtshandeling van [persoon 2] heeft bekrachtigd.

3.11. Vast staat dat een tweede gesprek met [persoon 3] heeft plaatsgevonden, dit keer met [persoon 5] als directeur van Solutions. Uit het enkele feit dat dit tweede gesprek heeft plaatsgevonden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat Solutions alsnog de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [persoon 2] heeft gewekt of het eerdere handelen van [persoon 2] heeft bekrachtigd. Aviva c.s. heeft immers onbetwist gesteld dat dit tweede gesprek tot stand kwam nadat [persoon 1] omtrent de kandidatuur van [persoon 3] had gebeld met [persoon 5]. Dit telefoongesprek volgde kennelijk op de e-mail van [persoon 3] aan [persoon 1] naar aanleiding van het eerste sollicitatiegesprek (met ANE), waarin hij ([persoon 3]) meldde dat hij in plaats van bij ANE “would fit better in another part of Aviva-IT, namely Aviva Solutions”. Op het moment van het telefoongesprek van [persoon 1] met [persoon 5] wist eerstgenoemde dus al dat een door hem beoogd tweede gesprek zou plaatshebben in de context van een andere entiteit. Dat had hem redelijkerwijs aanleiding moeten geven zich ervan te vergewissen of zijn eerdere contacten met [persoon 2] (waaruit in de visie van Progressive een overeenkomst was voortgevloeid) zich mede uitstrekten tot Solutions, zeker nu hij het initiatief tot het telefoongesprek met [persoon 5] had genomen. Dat hij dat kennelijk niet heeft gedaan moet voor zijn risico blijven. Dit geldt te meer nu Aviva c.s. onbetwist (in drie processtukken herhaald) heeft gesteld dat [persoon 5] noch via ANE noch van [persoon 1] het CV van [persoon 3] en de algemene voorwaarden van Progressive heeft ontvangen.

3.12. Progressive heeft voorts gesteld dat de samenhang tussen de verschillende vennootschappen, die de term “Aviva” in hun naam voeren (waaronder ook ANE), meebrengt dat het (onbevoegde) handelen van [persoon 2] in de risicosfeer van Aviva c.s. ligt. Progressive heeft daartoe onder meer gewezen op het door [persoon 2] gebruikte e-mailadres met de aanduiding “aviva-it.nl” en op de rol die [persoon 2] kennelijk is gegeven bij de werving van personeel. Die omstandigheden acht de rechtbank echter van onvoldoende gewicht. De enkele formulering van een e-mailadres heeft in redelijkheid niet de suggestie kunnen wekken dat [persoon 2] vertegenwoordigingsbevoegd was, laat staan vertegenwoordigingsbevoegd ten aanzien van alle rechtspersonen die de term “Aviva” in hun naam voeren. Voorts blijkt uit de stukken dat [persoon 2] weliswaar een rol heeft gespeeld bij de contacten tussen ANE en [persoon 3], maar geen feiten zijn gesteld of gebleken die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat die rol aan Aviva c.s. zou moeten worden toegerekend.

3.13. In verband met de sub 3.12 bedoelde samenhang heeft Progressive ook gesteld dat de vennootschappen die de term “Aviva” in hun naam voeren alle (indirect) worden bestuurd door [persoon 6] die tevens (indirect) enig aandeelhouder is, zodat hij “feitelijk verantwoordelijk” is voor de bedrijfsvoering van al die vennootschappen. Volgens Progressive moeten de verschillende directies “uit dien hoofde” geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de introductie van [persoon 3]. Die redenering is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. In beginsel kan het handelen of de wetenschap van de ene rechtspersoon niet worden toegerekend aan de andere. Onder omstandigheden kan dit anders zijn, maar Progressive heeft daartoe geen redengevende feiten gesteld. Uit haar stellingen kan niet worden afgeleid dat de structuur van de “Aviva-groep” zodanig ingewikkeld is, dat Progressive in redelijkheid niet zou kunnen worden tegengeworpen dat zij zich richt tot de verkeerde vennootschap. Ook in dit verband komt betekenis toe aan het vaststaande feit dat het initiatief tot zowel de contacten met [persoon 2] als het telefoongesprek met [persoon 5] is uitgegaan van Progressive, in verband waarmee Aviva c.s. spreekt van “cold sales calling”. Waar het initiatief zo nadrukkelijk uitgaat van die partij die er belang bij heeft dat aan de vervolgstappen (sollicitatiegesprekken) rechtsgevolgen (aanvaarding) worden verbonden, mag van die partij redelijkerwijs worden verwacht met meer prudentie te opereren. Gesteld noch gebleken is bijvoorbeeld dat van Progressive niet kon worden verwacht na te gaan of [persoon 2] daadwerkelijk bevoegd was of zeker te stellen dat ook [persoon 5] beschikte over de desbetreffende stukken.

3.14. Progressive heeft nog gesteld dat door het telefonisch contact met [persoon 2] en [persoon 5] in elk geval een mondelinge overeenkomst (met Aviva c.s. gezamenlijk of uitsluitend met Solutions) tot stand gekomen is. Voor de beoordeling van de incidentele vordering kan dat standpunt echter onbesproken blijven, nu een mondelinge overeenkomst niet kan leiden tot een rechtsgeldige forumkeuze (artikel 108 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv).

3.15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand gekomen is waarop de algemene voorwaarden met het daarin opgenomen forumkeuzebeding van toepassing zijn. Op grond van artikel 99 Rv is de rechtbank ’s-Gravenhage bevoegd om van de vordering van Progressive kennis te nemen.

3.16. De rechtbank zal zich op grond van het vorenstaande onbevoegd verklaren om van de vordering van Progressive kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank ’s-Gravenhage.

3.17. Progressive zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

4.2. veroordeelt Progressive in de kosten van het incident, aan de zijde van Aviva c.s. tot op heden begroot op EUR 904,= aan salaris voor de advocaat,

in de hoofdzaak

4.3. verwijst de zaak, in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank ’s-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.

2110/1980/548