Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO4320

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
10/996512-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Veroordeling voor deelneming aan criminele organisatie. Verweer betreffende geldigheid dagvaarding blijft, gelet op artikel 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, onbesproken. Ten aanzien van de redelijke termijn is sprake van een overschrijding met 10 maanden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie maar zal in de strafmaat worden gecompenseerd. Er is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, aan welk verzuim geen gevolg behoeft te worden verbonden, nu de verdachte ten gevolge daarvan geen nadeel heeft ondervonden. Criminele organisatie: Er is sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat ten doel had het plegen van de misdrijven valsheid in geschrift, het gebruik maken van die geschriften, oplichting en het doen opnemen van valse opgaven in authentieke akten. De verdachte heeft hieraan deelgenomen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 216 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/996512-07

Datum uitspraak: 15 november 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] te [plaats] (Portugal),

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. G.F. van der Hardt Aberson, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. Schmitz, heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

Namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding nietig is. Het openbaar ministerie baseert de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie slechts op verwijzingen naar een aantal strafbare feiten. De tenlastelegging is dan ook onvoldoende feitelijk.

Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

Ter terechtzitting van 22 april 2009 heeft de raadsman in de onderhavige zaak hetzelfde preliminaire verweer gevoerd. De rechtbank heeft daarop vervolgens beslist dat de dagvaarding ten aanzien van de ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie voldoende feitelijk is.

Gelet op het bepaalde in artikel 322, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering blijft voornoemde beslissing van deze rechtbank van 22 april 2009 op het destijds gevoerde verweer in stand. Het verweer blijft thans dan ook onbesproken.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek is aangevangen op 3 november 2006, de verdachte op 21 augustus 2007 in verzekering is gesteld, de eerste behandeling ter terechtzitting plaatsvond op 3 december 2008 en inhoudelijke behandeling uiteindelijk op 1 november 2010.

De periode waarin in het geheel niets is gebeurd, beslaat vierenveertig maanden, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu deze dient te worden berekend vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding van de verdachte en er aldus nog geen twee jaren zijn verstreken.

De rechtbank overweegt als volgt.

In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt.

Wat betreft de berechting van de onderhavige zaak, een zaak in eerste aanleg waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden als genoemd in rechtsoverweging 3.13.1 in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN: BD2578), heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is in de onderhavige zaak op 21 augustus 2007 in verzekering gesteld. Het is dan ook op deze datum dat de redelijke termijn is aangevangen. Tussen de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte en de datum van het eindvonnis ligt een periode van bijna negenendertig maanden. Uitgaande van de termijn van twee jaar, zoals hiervoor overwogen, zou er in de onderhavige zaak sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim veertien maanden. Echter, een deel van deze overschrijding, te weten een termijn van vier maanden, komt voor rekening van de verdediging. Blijkens het dossier heeft de raadsman zich in de onderhavige zaak als zodanig gesteld op 21 augustus 2007. Het dossier is door de FIOD-ECD, blijkens het relaasproces-verbaal 0-OPV, gesloten op 26 november 2007. Op 3 december 2008 vond de eerste pro-forma behandeling van de zaak tegen de verdachte plaats. Pas ten tijde van de tweede pro-forma behandeling op 22 april 2009 deed de raadsman een verzoek tot het nader horen van getuigen, waarvan, gelet op het noodzakelijkheidscriterium, het horen van één getuige door de rechtbank werd toegewezen. De rechtbank stelt dan ook vast dat er in de onderhavige zaak sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt echter niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (zie HR 17 juni 2008, LJN: BD2578). In zoverre wordt het verweer dan ook verworpen en is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Namens de verdachte is voorts aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat het dossier geheimhoudersstukken bevat, afkomstig van notarissen.

Dit verweer wordt verworpen, bij gebreke van een voldoende, specifieke motivering. De officier van justitie is ook in dit opzicht ontvankelijk in de vervolging.

Overigens wordt omtrent de geheimhoudersstukken ambtshalve het volgende overwogen.

In het onderliggende strafdossier bevinden zich nota’s van afrekening, afkomstig van verschillende notarissen.

Door de officier van justitie is bij requisitoir terecht opgemerkt dat ten aanzien van het toevoegen aan het dossier van deze nota’s – waarop hoofdzakelijk gegevens staan die uit de notariële aktes of uit andere openbare bronnen kenbaar zijn – een voorafgaande rechterlijke machtiging ex artikel 126aa, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, moet zijn verkregen, hetgeen ten onrechte niet is gebeurd. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat er een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is begaan, aan welk verzuim geen gevolg behoeft te worden verbonden, nu de verdachte ten gevolge daarvan geen nadeel heeft ondervonden.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Onder het convenant van het project Alijda-panden heeft de Politie Rotterdam-Rijnmond halverwege het jaar 2006 aan de FIOD-ECD informatie ter beschikking gesteld, waaronder begrepen aangiften van banken en natuurlijke personen, een mutatierapport naar aanleiding van CIE-informatie en een melding bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties van een notaris te Rotterdam betreffende een mogelijke situatie van hypotheekfraude. Hierop is door de FIOD-ECD een onderzoek ingesteld naar de personen die in die informatie voorkomen, waartoe onder meer [koper 1], [koper 2], [koper 3], [koper 14],

[koper 5], [koper 6], [koper 7] en [koper 8] behoren .

De verbalisanten Machielsen en Postema hebben van het Kadaster informatie ontvangen in verband met overdracht van panden in Rotterdam ten name van deze [koper 2] , [koper 3] , [koper 4] , [koper 5] , [koper 6] , [koper 7] en [koper 8] . De hypotheekaktes van deze respectievelijke panden bevinden zich in het dossier.

Het is de verbalisanten opgevallen dat gedurende een korte periode meerdere panden per persoon zijn geleverd aan bovengenoemde personen waarbij de transportakten telkens door een andere notaris werden verleden. Daarnaast vonden de leveringen aan de kopers vaak op dezelfde dag plaats waarbij hoge brutowinsten werden genoten in verhouding tot de waarde van het pand. Tenslotte zijn de panden telkens voor een substantieel lagere prijs op de veiling verkocht. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de aankopen door [koper 2] , [koper 3] , [koper 4] , [koper 5] , [koper 6] , [koper 7] en [koper 8] bij steeds verschillende hypotheeknemers zijn gefinancierd middels een hypothecaire geldlening op basis van onjuiste gegevens, nu de hypotheekgever de panden immers niet alle voor eigen bewoning kan hebben gebruikt.

Criminele organisatie

Namens de verdachte is aangevoerd – kort gezegd – dat onvoldoende blijkt dat sprake is van een criminele organisatie en dat er evenmin voldoende bewijsmiddelen zijn voor de ten laste gelegde misdrijven, zodat vrijspraak van het ten laste gelegde dient te volgen.

Dit verweer wordt verworpen.

Voor het bestaan van een criminele organisatie dient allereerst sprake te zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad.

Uit het dossier blijkt het volgende.

Blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is op 26 september 2003 ingeschreven het bedrijf Solid Trust B.V. i.o., met als enig bestuurder de medeverdachte [medeverdachte 1]. Op 3 juni 2005 is de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de Kamer van Koophandel als enig bestuurder ingeschreven . De bedrijfsomschrijving luidt: ‘verhuur, beheer, aan- en verkopen van onroerend goed’. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], de verdachte en hijzelf voor Solid Trust hebben gewerkt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij weliswaar als enig natuurlijk persoon stond ingeschreven, maar dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 3] ook ingeschreven zou staan. De verdachte heeft verklaard dat hij in 2004 met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] vennoot werd in het bedrijf. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zijn oude jeugdvriend [medeverdachte 1] en de verdachte eind 2003 een eigen bedrijf zijn begonnen. [medeverdachte 3] zou zich later bij hen voegen in het bedrijf Solid Trust. [koper 6] heeft verklaard dat de verdachte een bedrijf voerde in het WTC te Rotterdam, genaamd Solid Trust, dat deze later is verhuisd naar een adres schuin tegenover de Pauluskerk en dat het bedrijf vanaf dat moment Kortmanz & Partners Vastgoed B.V. ging heten. Dit wordt bevestigd door [medeverdachte 1] en de verdachte. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] zei dat hij werkte bij een makelaarskantoor genaamd Solid Trust. Tenslotte is er de aangifte van [getuige 3] , die in september 2004 zijn pand aan [pand getuige 3] te Rotterdam heeft verhuurd aan Solid Trust i.o., vertegenwoordigd door de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Binnen Solid Trust bestond een zekere mate van hiërarchie: [medeverdachte 3] was de baas en de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dienden naar zijn aanwijzingen te handelen. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van de verdachte die verklaarde dat [medeverdachte 2] hem opdrachten heeft gegeven en van [medeverdachte 2], die verklaarde dat [medeverdachte 3] de baas was.

Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad.

Voor het aannemen van het bestaan van een criminele organisatie is voorts vereist dat deze tot oogmerk heeft het plegen van strafbare feiten. Daarover blijkt in het dossier het volgende.

Uit de aangiften/getuigenverklaringen van [koper 2] , [koper 3] , [koper 4] , [koper 5] , [koper 6] , [koper 7] en [koper 8] komt het volgende beeld naar voren. Namens Solid Trust werden potentiële kopers overgehaald om meerdere woningen aan te kopen, waarbij de kopers werd voorgespiegeld dat zij veel geld konden verdienen door de desbetreffende woningen vervolgens (via Solid Trust) te verhuren. Teneinde de financieringen rond te krijgen, werden de volgende strafbare feiten gepleegd:

- de hypotheekaanvragen werden ingediend met als omschrijving van het doel; “eigen bewoning”. Zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde verklaringen van de kopers is daarvan echter geen sprake;

- in de taxatierapporten werd telkens vermeld dat de aanvrager van de hypothecaire geldlening de aangekochte woning zelf zal gaan bewonen en bovendien is vermeld dat het doel van de taxatie is het verkrijgen van financiering met Nationale Hypotheek Garantie. Het is een feit van algemene bekendheid dat eigen bewoning wordt vereist voor een dergelijke hypotheekvorm;

- door gebruik te maken van deze valse geschriften (de hypotheekaanvraag en het taxatierapport) werden financiële instellingen bewogen tot het verlenen van een hypothecaire geldlening. Onder meer de ABN AMRO Bank N.V. (bijvoorbeeld tegen de koper [koper 2] ) en SNS Bank N.V. (bijvoorbeeld tegen de koper [koper 3] ) hebben hiervan aangifte gedaan;

- binnen enkele dagen tot weken werden ten name van een koper meerdere panden aangekocht en getransporteerd;

-het transport werd telkens door een andere notaris, soms zelfs in een andere gemeente, verricht op één dag of binnen korte tijd. In de hypotheekakten werd vermeld dat het onderpand dient voor zelfbewoning;

- een aantal kopers heeft aangifte gedaan van oplichting (onder meer [koper 2] en [koper 8] ), zij voelden zich opgelicht door hetgeen hen is voorgespiegeld door de verdachte en zijn medeverdachten.

Gezien het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van criminele organisatie die ten doel had het plegen van de misdrijven valsheid in geschrift, het gebruik maken van die geschriften, oplichting en het doen opnemen van valse opgaven in authentieke akten.

De rol van de verdachte binnen de organisatie

Zoals eerder in dit vonnis overwogen, is de verdachte in 2004 medevennoot geworden in Solid Trust. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte onder meer dat zijn werkzaamheden voor Solid Trust bestonden uit het opnemen van de telefoon en dat hij zich bezig hield met de verhuur van panden. Voorts verklaarde hij dat er panden werden gekocht via Solid Trust en dat hij daartoe aktes had getekend. Voor het aanbrengen van een klant kreeg de verdachte provisie. Tegenover de FIOD-ECD verklaarde de verdachte onder meer dat [medeverdachte 3] constant afspraken had met klanten en dat hij soms met dezelfde klanten bezig was over dezelfde panden.

Binnen Solid Trust bestond een zekere hiërarchie: [medeverdachte 3] was de baas en [medeverdachte 1], de verdachte en [medeverdachte 2] dienden naar zijn aanwijzingen te handelen. Dit blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 2] .

De getuige [getuige 1] heeft tegenover de FIOD-ECD onder meer verklaard dat hij in februari 2004, teneinde meer rendement te behalen, met de verdachte had afgesproken om nog twee panden op zijn naam te nemen. Alle lasten werden door de verdachte voorgeschoten. [getuige 1] voerde dit gesprek met de verdachte op het kantoor van Solid Trust in het WTC-gebouw te Rotterdam. In augustus 2003 heeft [getuige 1] met de verdachte afgesproken nog twee panden, de panden [panden 8 en 9], te kopen. De akten daartoe passeerden bij verschillende notarissen. [getuige 1] onderhield op diverse momenten contacten met de verdachte omtrent de door hem, [getuige 1], door tussenkomst van Solid Trust, gekochte woningen.

[koper 9] heeft aangifte gedaan bij de politie. [koper 9] verklaarde onder meer dat hij van zijn neef [koper 1] had vernomen dat deze, door bemiddeling van de verdachte namens Solid Trust, zes huizen had gekocht en dat dit veel geld opleverde. [koper 9] had hier ook wel oren naar en kwam aldus in contact met de verdachte. Op het kantoor van Solid Trust tekende de verdachte allerlei schema’s en berekeningen op een white board, waaruit bleek dat [koper 9] minimaal drie huizen op zijn naam moest nemen. [koper 9] wilde dit wel en overhandigde de verdachte de daartoe nodige papieren. Op enig moment tekenende [koper 9] op het kantoor van Solid Trust allerlei papieren, waaronder een koopovereenkomst en een hypotheekaanvraag. Ten behoeve van de koop van het pand [pand 10] te Rotterdam ging [koper 9] samen met de verdachte naar de notaris. De verdachte had van tevoren tegen [koper 9] gezegd dat de verdachte het woord zou voeren dat hij, [koper 9], moest zegen dat hij er zelf ging wonen. Een week later moest [koper 9] weer naar een notaris toe, in verband met de koop van het pand [pand 11] te Rotterdam. Wederom sprak hij af met de verdachte dat hij eerst langs het kantoor van Solid Trust zou gaan. Aldaar ontmoette hij de medeverdachte [medeverdachte 1], met wie hij naar de notaris ging. [medeverdachte 1] zou aldaar het woord doen.

[koper 4] heeft eveneens aangifte gedaan bij de politie. Hij heeft verklaard dat hij via een collega, de medeverdachte [medeverdachte 2] is geïntroduceerd bij makelaarskantoor Solid Trust en dat hij daar ook kennis heeft gemaakt met [medeverdachte 3] en zijn partner, de verdachte. [medeverdachte 3] spiegelde hem voor dat hij geld kon verdienen met het verhuren van meerdere door hem te kopen woningen. De brieven die [koper 4] terzake de panden ontving diende hij – ongeopend – aan de verdachte af te geven. De verdachte heeft ook brieven bij hem opgehaald.

[medeverdachte 4], een van de betrokken taxateurs, heeft, geconfronteerd met een tabel waarin de verschillen in koopsom van panden aan (onder meer) [panden 1, 2 en 3] zijn opgenomen, verklaard dat deze panden in korte tijd fors in prijs zijn gestegen, dat deze adressen hem bekend voorkomen en dat hij daar mogelijk heeft getaxeerd. De opdrachtgever van die taxaties is altijd Solid Trust geweest, in de persoon van [medeverdachte 3]. Ene [medeverdachte 1] en ene [verdachte] waren diens compagnons, aldus [medeverdachte 4] .

De getuige [getuige 4] verklaarde tegenover de FIOD-ECD onder meer dat zij de verdachte kende, dat deze voor Solid Trust werkte en dat zij meerdere hypotheekofferten voor de verdachte en zijn medeverdachten heeft verzorgd, waarbij zij de benodigde stukken van een van hen ontving in een kant en klaar dossier.

De getuige [getuige 5] verklaarde tegenover de FIOD-ECD onder meer benaderd te zijn door de verdachte, werkzaam voor Solid Trust. De verdachte had kopers voor de panden die [getuige 5] te koop had en onderhandelde met [getuige 5] over de verkoop van panden en de provisie die betaald moest worden. De verdachte werd de contactpersoon van [getuige 5]. Als er een koper voor een pand was, sprak [getuige 5] met de verdachte af in een café voor het WTC-gebouw, alwaar het kantoor van Solid Trust was gevestigd. Aldaar tekende hij dan de koop- en provisieovereenkomsten die de verdachte bij zich had.

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de rol van de verdachte hieruit heeft bestaan dat hij kopers aanbracht en zich bezighield met de verhuur van de panden. Ook leverde hij documenten af en heeft hij een enkele keer een koper begeleid naar de notaris. Hij is derhalve actief betrokken geweest bij de criminele organisatie en hij was op de hoogte van de door Solid Trust gehanteerde werkwijze. Vast staat dan ook dat de verdachte wist dat het reeds van aanvang aan de bedoeling was dat voorgewend werd dat de aangekochte panden niet door de kopers zelf zouden worden bewoond. De verdachte heeft – weliswaar onder aansturing – met zijn handelen een essentieel aandeel gehad in de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat wetenschap van concrete misdrijven niet is vereist, voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft gehad (Hoge Raad 5 september 2006, NJ 2007, 336).

De raadsman heeft bepleit dat de door het openbaar ministerie verstrekte stukken onvolledig zijn. De raadsman mist de bij door de aangevers in de onderhavige zaak bij hun aangifte kennelijk overgelegde bijlagen, zoals hypotheekaanvragen, voorlopige koopovereenkomsten en notariële akten van eigendomsoverdracht. Mocht de rechtbank een veroordeling van de verdachte overwegen, heeft de raadsman bij wijze van voorwaardelijk verzoek verzocht het dossier met deze stukken te completeren.

De rechtbank overweegt als volgt.

De stukken, als door de raadsman bedoeld, bevinden zich inderdaad niet in het dossier. Echter, nu deze stukken, blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, niet nodig zijn voor het bewijs, wordt het verzoek afgewezen.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

in de periode van september 2003 tot en met augustus 2005

te Rotterdam en/of Schiedam en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet

en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]

en [medeverdachte 2] en/of een of meer andere natuurlijke

pers(o)n(en)

en/of

Kortmanz & Partners Vastgoed B.V. en/of Kortmanz Investments B.V. ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven

(in de vastgoedsector),

namelijk

het plegen van valsheid in geschrift

als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht

en

het gebruikmaken van valse geschriften

als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht

en

het plegen van oplichting

als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

en

het doen opnemen van valse opgave(n) in (een) authentieke akte(n)

als bedoeld in artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had maximaal geld te verdienen met de verkoop van huizen. Hiertoe heeft de criminele organisatie zich op grote schaal en gedurende een aanzienlijke periode bezig gehouden met het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, het gebruik maken van die geschriften, oplichting en het doen opnemen van valse opgaven in authentieke akten. Binnen deze organisatie had ieder van de verdachten zijn essentiële aandeel. De verdachte hield zich bezig met het aanbrengen van kopers en verkreeg daarvoor provisies. Daarnaast onderhield hij de contacten met de huurders en verrichte hij overige administratieve werkzaamheden.

Criminele organisaties als de onderhavige ondermijnen de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en berokkenen de maatschappij financieel nadeel.

Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van beperkte duur.

In de omstandigheid dat de verdachte naar verhouding niet overmatig geprofiteerd heeft van de winst verkregen uit deze strafbare feiten, alsmede in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 oktober 2008 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, wordt aanleiding gezien de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen. Zoals eerder in dit vonnis overwogen, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Indien deze redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd van zes maanden, in combinatie met een forse onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uur.

Gelet op het vorengaande zal de overwogen gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Nu de termijn is overschreden met tien maanden, zal de rechtbank de op te leggen werkstraf verlagen met 24 uur (10%).

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 216 (tweehonderdzestien) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 210 (tweehonderdtien) uren te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Franken, voorzitter,

en mrs. Sikkel en Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 november 2010.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 15 november 2010.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

in of omstreeks de periode van september 2003 tot en met augustus 2005

te Rotterdam en/of Schiedam en/of Hellevoetsluis en/of Hoogvliet en/of Rucphen

en/of elders in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer andere natuurlijke

pers(o)n(en)

en/of

Kortmanz & Partners Vastgoed B.V. en/of Kortmanz Investments B.V. en/of

een of meerdere andere rechtsperso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven

(in de vastgoedsector),

namelijk

het plegen van valsheid in geschrift

als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

het gebruikmaken van valse geschriften

als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

het plegen van oplichting

als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

het doen opnemen van valse opgave(n) in (een) authentieke akte(n)

als bedoeld in artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht

en/of

het witwassen van geld

als bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht