Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO4053

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
333490 / HA ZA 09-1735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid reisorganisator op grond van artikel 7:507 BW voor busongeval tijdens reis. Reisorganisator heeft voor het vervoer ter plaatse gebruik gemaakt van de hulp van een door een derde ter beschikking gestelde bus(maatschappij). Beroep op overmacht verworpen. Dat de bus onderweg een klapband heeft gekregen, betekent nog niet dat sprake was van overmacht in de zin van artikel 7:504 lid 3 sub b BW. Reisorganisator dient materiële en immateriële schade van reizigers te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/126
VR 2011/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 333490 / HA ZA 09-1735

Vonnis van 20 oktober 2010

in de zaak van

1. [eiser1],

2. [eiser2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. R. Zwiers,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A. Apistola.

Eisers blijven hierna afzonderlijk aangeduid als "[eiser1]" en "[eiser2]" en gezamenlijk als "[eisers]". Gedaagde blijft hierna aangeduid als "[gedaagde]".

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 juni 2010 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de brief d.d. 27 augustus 2010 van mr. Zwiers, met bijlagen;

- de brief d.d. 29 augustus 2010 van mr. Apistola, met bijlagen;

- het proces-verbaal van de op 13 september 2010 gehouden comparitie van partijen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie was onder meer bedoeld om de in voornoemd tussenvonnis onder 4.8 genoemde onderwerpen met partijen te bespreken. Partijen verschillen immers van mening over de vraag of het vervoer ter plaatse onder¬deel uitmaakte van de door [gedaagde] georganiseerde reis.

2.2. [eisers] hebben een zestal schriftelijke verklaringen, waaronder verklaringen van hen zelf en van vier personen die bij hen in de (bij het ongeval betrokken) bus hebben gezeten, in het geding gebracht. In deze (voorgedrukte) verklaringen is het volgende opgenomen: "Dat de kosten van de gemaakte busreis in Januari 2005, tussen de steden Medina en Mekka waren inbegrepen in de totaalprijs en hier dus niet apart voor betaald hoefde te worden. Tevens verklaar ik dat de desbetreffende busreis door Salsabil Travel is geregeld."

Ter comparitie hebben [eisers] met betrekking tot de (totstandkoming van de) reis¬overeenkomst gesteld dat zij naar aanleiding van een flyer de bedevaartsreis bij [gedaagde] geboekt hebben en dat het vervoer van de reis (de vliegtickets en het vervoer ter plaatse), het verblijf ter plaatse en het visum waren inbegrepen. Met betrekking tot het vervoer ter plaatse hebben zij gesteld dat zij met een groep van ongeveer 40 personen waren, dat [gedaagde] en zijn echtgenote daar ook bij waren en dat alle bedevaartsoorden werden bezocht. Volgens [eisers] regelde [gedaagde] alles ter plaatse, ook het instappen in de bus.

2.3. [gedaagde] heeft ter comparitie gesteld dat met [eisers] is afgesproken dat het vervoer ter plaatse werd geregeld. Volgens [gedaagde] hebben hij en zijn echtgenote ook deel genomen aan de door hem georganiseerde reis, was hij groepsleider en heeft hij de groep ter plaatse meegenomen naar de bus. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij contactpersoon was en ter plaatse het vervoer regelde, maar dat hij, gezien het feit dat de bussen door het ministerie van Hajj werden geregeld, geen zeggenschap had over de bus(maatschappij) die de groep, en dus [eisers], ter plaatse zou gaan vervoeren. Volgens [gedaagde] hoefden [eisers] ter plaatse niets meer voor het vervoer te betalen aangezien er geen kosten aan het vervoer ter plaatse waren verbon¬den. [gedaagde] heeft ter comparitie verder nog aangevoerd dat het trans¬port tussen de steden (Mekka en Medina) bij de reis was inbegrepen. Nadat ter comparitie de verklaring van [gedaagde] aan hem werd voorgelezen, heeft [gedaagde] ontkend dat hij heeft gezegd dat het vervoer ter plaatse was inbegrepen.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat het vervoer ter plaatse bij de door [eisers] geboekte reis was inbegrepen. Hierbij betrekt de rechtbank het volgende.

Partijen zijn het erover eens dat [eisers] zelf niets hoefden te regelen voor het vervoer ter plaatse en dat zij daarvoor ook niets (meer) ter plaatse hoefden te betalen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [gedaagde] ter comparitie heeft gesteld dat het vroeger zo was dat iedere pelgrim een eigen coupon voor het vervoer ter plaatse moest regelen, maar dat op enig moment de reisorganisator alle coupons kon krijgen waardoor de wachttijd verminderd werd. Hieruit leidt de rechtbank af dat [gedaagde] als reisorganisator de coupons van de deelne¬mers aan de reis van tevoren heeft geregeld en heeft ontvangen zodat [eisers] niet zelf een coupon voor het vervoer ter plaatse hoefden te regelen.

[gedaagde] was niet alleen reisorganisator maar hij was tevens de contactpersoon ter plaatse. Uit dien hoofde regelde hij voor de groep die bij hem de reis had geboekt, en dus ook voor [eisers], dat in een bus kon worden gestapt die hen naar de betreffende bedevaarts¬oorden zou brengen.

De omstandigheid dat de bussen vanuit het ministerie van Hajj ter beschikking werden gesteld en [gedaagde] derhalve geen zeggenschap had over en/of invloed had op de bus(maat¬schappij) die zijn groep naar de bedevaartsoorden zou brengen, doet aan het vorenstaande niet af. Weliswaar kon de bus(maat¬schappij) daar¬door niet door [gedaagde] worden uitgezocht, doch dit laat onverlet dat [gedaagde] ter plaatse heeft geregeld dat een van die door het minis¬terie ter beschikking gestelde bussen zijn groep naar de bedevaartsoorden zou brengen.

2.5. Nu vaststaat dat het vervoer ter plaatse bij de reis(som) was inbegrepen, dient te worden beoordeeld of [gedaagde] aansprakelijk is voor het aan [eisers] overkomen busonge¬val en de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.

2.6. In voornoemd tussenvonnis is onder 4.6 overwogen dat de tussen partijen gesloten overeen¬komst gekwalificeerd dient te worden als een reisovereenkomst in de zin van artikel 7:500 BW en derhalve titel 7A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op deze overeen¬komst van toepassing is. In artikel 507 lid 1 BW is bepaald dat de reisorganisator verplicht is tot uitvoering van de reisovereenkomst overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben. Indien de reis niet verloopt overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de reisovereenkomst rede¬lijkerwijs mocht hebben, is de reisorganisator verplicht de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming in de nakoming niet aan hem is toe te rekenen noch aan de persoon van wiens hulp hij bij de uitvoering van de overeen¬komst gebruik maakt, omdat (a) de tekortkoming in de uitvoering van de reisovereenkomst is toe te rekenen aan de reiziger, (b) de tekortkoming in de uitvoe¬ring van de reisovereenkomst die niet te voorzien was of kon worden opgehe¬ven, is toe te rekenen aan een derde die niet bij de levering van de in de reis begrepen diensten is betrok¬ken, of (c) de tekortkoming in de uitvoering van de overeen¬komst is te wijten aan overmacht als bedoeld in artikel 504 lid 3 onder b BW dan wel aan een gebeur¬tenis die de organisator of degene van wiens hulp hij bij de uitvoering van de reisovereen¬komst gebruik maakt, met inachtneming van alle mogelijke zorgvuldigheid niet kon voorzien of verhelpen (art. 507 lid 2 BW).

2.7. Toepassing van artikel 507 lid 2 BW op het onderhavige geval leidt ertoe dat [gedaagde] als reisorganisator in beginsel aansprakelijk is voor de door [eisers] tengevolge van het busongeval geleden schade tenzij de tekortkoming niet aan hem is toe te rekenen, noch aan de persoon van wiens hulp hij bij de uitvoering van de reis gebruik maakt. Toerekening kan op de in artikel 507 lid 2 BW onder a, b en c genoemde gronden ontbreken. De reisorgani¬sator dient het ontbreken van toerekening te bewijzen.

Niet in geschil is dat [gedaagde] voor wat betreft het vervoer ter plaatse gebruik gemaakt heeft van de hulp van een door het ministerie van Hajj ter beschik¬king gestelde bus(maatschap¬pij). Niet gesteld of gebleken is dat de situaties zoals genoemd onder a en b van artikel 507 lid 2 BW in het onder¬havige geval van toepassing zijn. Ter comparitie heeft [gedaagde] een beroep op overmacht gedaan. Volgens hem is sprake van overmacht omdat het busongeluk een gevolg was van een klapband. Gelet hierop dient door de rechtbank te worden beoor¬deeld of de omstandigheid zoals genoemd onder c van artikel 507 lid 2 BW zich in het onderhavige geval voordoet, dus of de tekortkoming in de uitvoering van de reisovereen¬komst te wijten is aan overmacht als bedoeld in artikel 504 lid 3 onder b BW dan wel aan een gebeurtenis die de organisator of degene van wiens hulp hij bij de uitvoering van de reisovereenkomst gebruik maakt, met inachtneming van alle mogelijke zorgvuldigheid niet kon voorzien of verhelpen. Ingevolge artikel 504 lid 3 sub b BW worden onder overmacht in titel 7A van boek 7 BW verstaan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die onafhan¬ke¬lijk zijn van de wil van degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaat¬regelen niet konden worden vermeden.

2.8. Gelet op het vorenstaande is voor de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor het busonge¬val van belang of het busongeval veroorzaakt is door abnormale en onvoorziene omstandigheden die onafhan¬ke¬lijk zijn van de wil van [gedaagde] en/of de betrokken persoon van wiens hulp hij bij de uitvoering van de reis gebruik gemaakt heeft. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

2.9. Met betrekking tot de toedracht van het busongeval zijn partijen het erover eens dat de bus onderweg een klapband heeft gekregen en dat de buschauffeur (te) hard gereden heeft. Het enkele feit dat de bus onderweg een klapband heeft gekregen, leidt nog niet tot de conclusie dat sprake was van overmacht in de zin van artikel 504 lid 3 sub b BW.

Een klapband doet zich per definitie onverwachts voor doch ontslaat de bestuurder niet onmiddellijk en automatisch van iedere aansprakelijkheid. Het hebben van een klapband is immers niet in alle gevallen, dus ongeacht de omstandigheden, aan te merken als een abnor¬male en onvoorzienbare omstandig¬heid waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgs¬maat¬regelen niet konden worden vermeden. [gedaagde] heeft geen concrete feiten en omstandig¬heden gesteld waaruit volgt dat in het onderhavige geval de klapband niet het gevolg kan zijn geweest van het hande¬len van de bestuurder en/of de busmaatschappij. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk wat de technische staat (bandenspanning, uitlijning, (over)belasting in gewicht, etc.) van de (geklapte) band was voor het ongeval. Voorts acht de recht¬bank het aannemelijk dat de gevolgen van een klapband ernstiger zijn indien er met een hoge snel¬heid wordt gereden op een slechte weg. [eisers] hebben in dit verband onbetwist gesteld dat de chauffeur van de bus meer dan 120 km per uur heeft gereden op een slechte (verharde) weg. Het onderhavige ongeval, het van de weg raken van de bus, is het gevolg geweest van een klapband in combinatie met een voor op een slechte (verharde) weg wel heel hoog gereden snelheid. De gevolgen van de klapband zouden minder ernstig geweest zijn indien de bestuurder van de bus minder hard zou hebben gereden.

Gelet op het vorenoverwogene gaat de rechtbank aan het beroep op overmacht voorbij.

2.10. [gedaagde] heeft ter comparitie nog gesteld dat hij niet aansprakelijk is voor de schade van [eisers] aangezien door partijen is afgesproken dat zodra [eisers] een vergoe¬ding via de rechtbank in Medina zouden ontvangen, de zaak daarmee zou zijn afgehandeld. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser1] met het voor [eiser2] voorge¬stelde bedrag heeft ingestemd en dat hij daarom geen bezwaar gemaakt heeft tegen de uitspraak van de rechtbank in Medina. [eisers] hebben deze stellingen weersproken.

2.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] tegenover de betwisting van [eisers] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen dat zodra [eisers] een vergoeding via de rechtbank in Medina zouden ontvangen, de zaak daarmee zou zijn afgedaan. Derhalve gaat de rechtbank aan die stelling voorbij. Voorts wijst de rechtbank erop dat reeds in voornoemd tussenvonnis onder 4.3 is overwogen dat het enkele feit dat reeds door [eiser2] in verband met het busongeval een procedure is gevoerd en dat zij in het kader daarvan een schadever¬goe¬ding heeft ontvangen, onvoldoende is voor de stelling van [gedaagde] dat [eisers] geen recht en belang (meer) hebben bij de onderhavige vordering.

Het vorenstaande brengt mee dat dit verweer van [gedaagde] niet slaagt.

2.12. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde] als reisorga¬nisator verplicht is de schade te vergoeden die [eisers] ten gevolge van het busongeval hebben geleden. Daarmee komt de rechtbank toe aan de (hoogte van de) door [eisers] gevorderde schade.

2.13. In totaal vorderen [eisers] een bedrag van € 25.010,--. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Immateriële schade [eiser2]: € 17.000,--

Materiële schade [eiser2]: € 510,--

Schade [eiser1]: € 7.500,--

Immateriële schade [eiser2]

2.14. De rechtbank overweegt het volgende.

Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in

vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, letsel heeft opgelopen. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij dient de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding in aanmerking te worden genomen.

2.15. Voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel van [eiser2] staat vast dat zij ten gevolge van het busongeval zodanig ernstig letsel aan haar rechter onderbeen had opgelo¬pen dat deze moest worden geamputeerd. Op grond van algemene ervaringsregels kan aangeno¬men worden dat dit letsel zowel fysiek als psychisch een grote invloed op haar heeft.

[eiser2] heeft in verband met de amputatie gedurende een lange periode revalidatie gehad en beschikt over een prothese. Uit de door [eisers] bij conclusie van repliek overge¬leg¬de medische stukken van Riagg Rijnmond, die [gedaagde] niet heeft betwist, kan worden afgeleid dat [eiser2] ten gevolge van het ongeval een posttrauma¬tische stressstoornis heeft ontwik¬keld en dat zij voor haar psychische klachten in behandeling is bij een arts.

Dat [eiser2] immateriële schade heeft geleden, is derhalve evident.

2.16. Voor wat betreft de hoogte van het gevorderde smartengeld hebben [eisers] gesteld dat sprake is van een medische eindsituatie en dat aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen daaromtrent in gelijkwaardige gevallen staat vermeld in "de Smartengeldbundel" waarvan "nummer 107" een vergelijkbaar geval betreft. Volgens [gedaagde] is niet gebleken van een medische eindsituatie en is de door [eisers] overgelegde casuspositie uit de Smar¬ten¬geldgids, gelet op het verschil in leeftijd en de mate van blijvende invaliditeit, niet vergelijkbaar met het onderhavige geval.

2.17. De rechtbank begroot het smartengeld, gelet op de omstandigheden van het geval, zoals hiervoor onder 2.15 weergegeven, naar billijkheid op een bedrag van € 17.000,--. Dit bedrag is – rekening houdende met geldontwaarding – in lijn met de bedragen die door Nederlandse rechters in min of meer vergelijk¬bare situaties zijn toegekend.

2.18. Partijen zijn het erover eens dat het bedrag dat [eiser2] via de rechtbank in Medina heeft ontvangen, in mindering moet worden gebracht op de schade. [eisers] hebben ter comparitie gesteld dat zij in verband met de procedure in Medina in april 2009 27.000 Riyal hebben ontvangen en dat zij dit bedrag in Rotterdam hebben omgewisseld voor ongeveer

€ 4.600,--. Volgens [gedaagde] was het bedrag dat [eisers] hebben ontvangen omgerekend

€ 5.100,--. Partijen hebben geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid wat de wisselkoers was op het moment van ontvangst van het via de procedure in Medina verkregen bedrag. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van beide bedragen, zijnde € 4.850,--. Derhalve resteert een door [gedaagde] nog te betalen bedrag van

€ 12.150,-- (€ 17.000,-- minus € 4.850,--).

Materiële schade [eiser2]

2.19. [eisers] hebben gesteld dat [eiser2] in verband met haar beenletsel haar no-claim over de jaren 2005 en 2006, zijnde € 510,-- (2 * € 255,--), niet heeft ontvangen.

[gedaagde] heeft dit betwist. Volgens hem staat niet vast dat [eisers] geen no-claim hebben ontvangen in verband met zorgkosten die naar aanlei¬ding van het ongeval zijn gemaakt.

2.20. Uit de door [eisers] overgelegde brief van maart 2006 en de "Specificatie no-claim 2005" d.d. 4 maart 2006 van Agis Zorgverzekeringen leidt de rechtbank af dat [eiser2] voor 2005 niet in aanmerking kwam voor een no-claim teruggave omdat in dat jaar meer dan

€ 255,-- aan zorgkosten is gemaakt. Gelet op het feit dat het ongeval in januari 2005 heeft plaatsgevonden en in aanmerking nemende de door [eisers] in het geding gebrachte (medische) bescheiden, waaronder stukken van Thuiszorg Rotterdam en Erasmus MC, is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om zorgkosten die als gevolg van het busongeval zijn gemaakt. Hoewel een specificatie ontbreekt van het bedrag van € 255,-- dat wordt gevorderd in verband met niet ontvangen no-claim over 2006, acht de rechtbank, gelet op het door [eiser2] opgelopen letsel, voldoende aannemelijk dat ook in 2006 meer dan € 255,-- aan zorgkosten is gemaakt in verband met het busongeval. Derhalve dient ook dit bedrag door [gedaagde] te worden vergoed.

2.21. Onder verwijzing naar producties 20 en 21 hebben [eisers] bij conclusie van repliek gesteld dat ook over 2007 (€ 255,--) en 2009 (€ 256,42) geen no-claim is ontvangen. Aangezien [eisers] dienaangaande geen eisvermeerdering hebben ingesteld, komen deze bedragen niet voor toewijzing in aanmerking.

2.22. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 510,-- toewijsbaar.

Schade [eiser1]

2.23. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eisers] dat [eiser1] bedragen aan Agis Zorgverzekeringen heeft betaald in verband met zijn eigen risico nu niet duidelijk is welk bedrag [eisers] op grond van die stelling vorderen.

2.24. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.

[eisers] hebben onder verwij¬zing naar producties 3 en 4 bij dagvaarding en producties 14 bij conclusie van repliek gesteld dat [eiser1] als gevolg van het busongeluk van 9 tot en met 14 januari 2005 in het ziekenhuis in Medina heeft gelegen en dat bij hem psychisch letsel is ontstaan. De hierdoor veroorzaakte immateriële schade dient gesteld te worden op

€ 7.500,--, aldus [eisers]

[gedaagde] betwist dat [eiser1] ten gevolge van het busongeval psychische schade heeft geleden.

2.25. De rechtbank overweegt het volgende.

[eisers] hebben bij dagvaarding een intakeverslag d.d. 30 augustus 2005 opgesteld door Riagg Rijnmond overgelegd. Onder het kopje "Conclusie" is in het intakeverslag aangegeven dat sprake is van symptomen van PTSS. Hierop is door [gedaagde] niet inhoudelijk gereageerd. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] enkel aangevoerd dat de bij dagvaarding overge¬leg¬de medische gegevens gedateerd zijn aangezien die uit 2005 stammen.

Vervolgens hebben [eisers] bij conclusie van repliek een door Riagg Rijnmond opgesteld behandelplan d.d. 1 februari 2010 overgelegd (productie 14). In dit behandelplan, gericht aan [de huisarts], huisarts, is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Samenvatting problematiek (volgens intake c.q. vorig behandelplan):

Depressieve en PTSS klachten waarbij lusteloosheid, slaapproblemen, somberheid, nachtmerries en spanningsklachten op de voorgrond staan.

Conclusies uit een aanvullend onderzoek:

Depressieve en PTSS klachten bij een 54-jarige Marokkaanse man ontwikkeld na een bus ongeluk een aantal jaren terug.

[…]

Actuele beschrijvende diagnose:

Depressieve klachten en klachten passende bij een Posttraumatische stressstoornis bij een 54-jarige Marokkaanse man, die overbelast wordt door de zorg voor zijn partner na het auto ongeluk een aantal jaren terug bij een bezoek aan Mekka."

Gelet op deze onderbouwing van de door [eisers] gestelde immateriële schade van [eiser1] lag het op de weg van [gedaagde] om zijn betwisting daarvan te motiveren. Dit heeft [gedaagde] evenwel niet gedaan. Hij heeft bij conclusie van dupliek niet inhoudelijk gereageerd op het behan¬delplan. [gedaagde] heeft enkel aangevoerd dat niet vaststaat dat de gestelde psychische klachten in verband staan met het ongeval omdat [eiser1] ook voor het ongeval ziek was. De recht¬bank gaat hieraan voorbij. In het intakeverslag d.d. 30 augustus 2005 wordt geen melding gemaakt van al voor het ongeval bestaande psychische klachten. Wel wordt daarin vermeld dat [eiser1] aangeeft al langer last te hebben van astma en maagklachten. Die klachten zijn evenwel niet van psychische aard. Voorts wordt in het door [eisers] overgelegde behan¬delplan evenmin melding gemaakt van reeds voor het ongeval bestaande psychische klach¬ten.

2.26. Gelet op het vorenoverwogene staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat sprake is van psychische schade bij [eiser1]. De rechtbank begroot het smartengeld, mede gelet op het hiervoor weergegeven behandelplan, naar billijkheid op een bedrag van

€ 3.000,--. Dit bedrag is – rekening houdende met geldontwaarding – in lijn met de bedragen die door Nederlandse rechters in min of meer vergelijk¬bare situaties zijn toegekend.

2.27. [eisers] hebben onder verwijzing naar productie 22 bij conclusie van repliek gesteld dat zij ter zake juridische bijstand een bedrag aan AKD betaald hebben. Voorts hebben [eisers] gesteld dat zij vergoeding wensen van eigen bijdragen die zij in verband met de aan hen verleende toevoeging aan het kantoor van mr. Zwiers betaald hebben, in totaal € 188,--.

Aangezien [eisers] dienaangaande geen eisvermeerdering hebben ingesteld, komen deze bedragen niet voor toewijzing in aanmerking.

2.28. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat van het door [eisers] gevorderde bedrag van € 25.010,-- in totaal een bedrag van € 15.660,-- toewijsbaar is.

2.29. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade (€ 12.150,-- en € 3.000,--) acht de rechtbank wettelijke rente verschuldigd vanaf 9 januari 2005, zijnde de datum van het busongeval. Ten aanzien van de materiële schade van [eiser2] acht de rechtbank wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 juni 2009, de dag van de dagvaarding.

2.30. [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten bedragen:

- dagvaarding (in debet gesteld): € 103,95

- betaald vast recht: € 119,--

- in debet gesteld vast recht: € 431,--

- salaris advocaat: € 1.356,--

Totaal: € 2.009,95

3. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 15.660,-- (zegge: vijftienduizend zeshonderd en zestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over een bedrag van € 15.150,-- vanaf 9 januari 2005 en over een bedrag van € 510,-- vanaf 18 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot aan deze uitspraak bepaald op een bedrag van € 2.009,95, waarvan te voldoen:

a. aan de griffier (door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.688 ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam [545] onder vermelding van "proceskosten¬veroordeling" en het zaak- en rolnummer):

€ 103,95 aan in debet gestelde kosten dagvaarding;

€ 431,-- aan in debet gesteld vast recht;

€ 1.356,-- aan salaris voor de advocaat;

-------- +

€ 1.890,95

b. aan de advocaat van [eisers]:

€ 119,-- voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.?