Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO3915

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
15-11-2010
Zaaknummer
293346 / HA ZA 07-2534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel. Beperkte strekking lonendheidsberekening in de zin van artikel 23 Woningwet. Bewoners gerechtvaardigd vertrouwd op uitlatingen gemeenteambtenaar inzake maximale kosten bestuursdwang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 293346 / HA ZA 07-2534

Uitspraak: 6 oktober 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [opposant sub 1],

wonende te Rotterdam,

2. [opposant sub 2],

wonende te Capelle aan den IJssel,

3. [opposant sub 3],

wonende te Rotterdam,

4. [opposant sub 4],

wonende te Rotterdam,

5. [opposant sub 5],

wonende te Rotterdam,

6. [opposant sub 6],

wonende te Rotterdam,

7. [opposant sub 7],

wonende te Rotterdam,

8. [opposant sub 8],

wonende te Rotterdam,

9. [opposant sub 9],

wonende te Rotterdam,

opposanten,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. G.J. Houweling,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

geopposeerde,

eiseres in voorwaarderlijke reconventie,

advocaat mr. R.W. van Harmelen.

Partijen blijven aangeduid als “opposanten” respectievelijk “de gemeente”. Zo nodig worden opposanten afzonderlijk met hun achternaam aangeduid.

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis d.d. 27 januari 2010 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- conclusie na tussenvonnis aan de zijde van opposanten, met producties;

- antwoordconclusie na tussenvonnis, met productie.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie

2.1 Bij tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat de vordering in conventie zal worden toegewezen. Het debat in conventie is afgerond.

in reconventie

2.2 Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld op een drietal punten hun stellingen nader te concretiseren. Het gaat om de vraag of alle door de gemeente bij opposanten in rekening gebrachte kosten kunnen worden beschouwd als kosten verbonden aan de toepassing van de bestuursdwang (7.17 van het tussenvonnis), om de vraag of al die kosten redelijkerwijs voor rekening van opposanten behoren te komen (7.18) en om de vraag of opposanten gerechtvaardigd hebben vertrouwd dat de kosten verbonden aan de bestuursdwang per individuele eigenaar niet hoger zouden worden dan

f 20.000,= (7.20). Ten aanzien van de op deze punten bij conclusies na tussenvonnis ingenomen stellingen overweegt de rechtbank als volgt.

2.3 Het gaat in deze zaak om een schuld van de Verenging van Eigenaars [straat I], [straat II] en [straat III] (hierna: de VvE) aan de gemeente in verband met door de gemeente uitgeoefende bestuursdwang. Opposanten zijn leden van de VvE en uit dien hoofde aansprakelijk voor dat deel van de schuld dat overeenkomt met hun respectieve aandeel in de VvE (zie hieromtrent 7.14 en 7.15 van het tussenvonnis).

2.4 De gemeente heeft gesteld dat uit hoofde van het besluit tot toepassing van de bestuursdwang de werkzaamheden zijn verricht die (met de bijbehorende kosten) zijn vermeld op het overzicht van de aannemer Dickhoff-Spindler dat de gemeente bij brief aan de rechtbank van 2 februari 2009 in het geding heeft gebracht (hierna: het overzicht), behoudens de op dat overzicht zwart gearceerde werkzaamheden. Aanvankelijk hebben opposanten ter betwisting aangevoerd dat veel werkzaamheden in rekening zijn gebracht die niet zijn verricht of overbodig waren. Bij conclusie na tussenvonnis hebben opposanten hun betwisting op dit punt uitdrukkelijk beperkt tot enkele algemene kostenposten en de daarop betrekking hebbende werkzaamheden, zoals opname-, kraan- en containerkosten. Dat betekent dat overigens van de juistheid van het overzicht en dus van de daarop vermelde werkzaamheden en bijbehorende kosten moet worden uitgegaan. Het betekent ook dat opposanten kennelijk geen consequenties (meer) verbinden aan de bij verzetdagvaarding gegeven voorbeelden van in hun ogen overbodige werkzaamheden.

2.5 Op het overzicht heeft de gemeente met betrekking tot de verschillende gebouwen van de VvE “opnamekosten” vermeld. Opposanten hebben bij conclusie na tussenvonnis gesteld dat deze kosten niet zijn gemaakt omdat de werkzaamheden niet door de aannemer maar al voorafgaande aan het besluit tot toepassing van bestuursdwang door ambtenaren van de gemeente zijn opgenomen. Dit heeft de gemeente bij antwoordconclusie na tussenvonnis weersproken. Zij heeft gesteld dat wel degelijk ook de aannemer de werkzaamheden heeft opgenomen (en dus kosten heeft gemaakt), bijvoorbeeld ten behoeve van het ter plaatse inmeten van kozijnen, ramen en balkons en het vervaardigen van tekeningen. Op deze concrete (nadere) onderbouwing van de gestelde opnamekosten hebben opposanten nog niet kunnen reageren. Omdat de gemeente deze onderbouwing niet eerder dan bij antwoordconclusie heeft gegeven terwijl op haar de stelplicht rust, zal de rechtbank opposanten gelegenheid geven alsnog bij antwoordakte (te nemen na de in 2.15 bedoelde akte aan de zijde van de gemeente) op de stellingen van de gemeente te reageren.

2.6 Onder de noemer “staartkosten” bespreken opposanten bij conclusie na tussenvonnis de blijkens het overzicht door de aannemer gehanteerde percentages voor bouwplaatskosten (14%), algemene kosten (6,5%), winst (3,5%) en CAR-verzekering (0,6%). In totaal heeft de aannemer dus 24,6% aan staartkosten berekend. Opposanten stellen zich op het standpunt dat dit percentage onredelijk hoog is, nu uit informatie afkomstig van internet en van (andere) aannemers blijkt dat een percentage van 15 tot 17 gebruikelijk is. Met name de gehanteerde percentages voor bouwplaatskosten en algemene kosten zijn volgens opposanten te hoog. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat opposanten op zichzelf niet betwisten dat staartkosten als hier bedoeld zijn gemaakt en dat deze gelden als kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, maar dat deze kosten redelijkerwijs niet volledig voor hun rekening behoren te komen. Aldus beroepen zij zich in zoverre op de uitzonderingsclausule van artikel 5:25 lid 1 Awb (oud), ten aanzien waarvan op hen de stelplicht en bewijslast rusten (zie reeds 7.18 van het tussenvonnis).

2.7 De gemeente heeft betwist dat de staartkosten onredelijk hoog zijn. Zij heeft aangevoerd dat de werkzaamheden plaatsvonden in “gecomprimeerd stedelijk gebied”, waardoor “opslag en logistiek” kostbaarder zijn, hetgeen het gehanteerde percentage voor de bouwplaatskosten rechtvaardigt. Voorts heeft zij aangevoerd dat ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden sprake was van een overspannen markt, waardoor het voor de gemeente moeilijk was een andere aannemer te vinden.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat het betoog van opposanten deels slaagt. Anders dan de gemeente hebben zij inzicht gegeven in de bron van hun stellingen ter zake de gebruikelijke percentages, in het kader waarvan zij onder meer een concrete website hebben genoemd. De juistheid van de aan die bron ontleende informatie heeft de gemeente niet (gemotiveerd) betwist. De enkele omstandigheid dat de werkzaamheden in “gecomprimeerd stedelijk gebied” plaatsvonden biedt een onvoldoende concrete verklaring voor het gehanteerde percentage van bouwplaatskosten van 14, welk percentage ook volgens de gemeente “aan de hoge kant” is. Daarbij is van belang dat de door opposanten geraadpleegde bron ruimte laat voor enige afwijking in “staartkosten” (namelijk tussen 15 en 17%), zodat niet zonder meer valt in te zien dat binnen deze marge onvoldoende rekening gehouden kan worden met complicerende plaatselijke omstandigheden. Ook speelt een rol dat het hier gaat om een omvangrijk project – de totale schuld van de VvE beloopt € 951.505,39 (7.16 van het tussenvonnis) en de lijst van werkzaamheden bij het bestuursdwangbesluit omvat ruim 35 pagina’s – en niet zonder meer aannemelijk is dat de kosten voor bijvoorbeeld afzettingen, bedrijfskleding en toiletvoorzieningen (die volgens de gemeente deel uitmaken van de bouwplaatskosten) evenredig met de omvangrijke bouwkosten zijn opgelopen. Hetzelfde geldt voor de kantoorkosten, de kosten voor ondersteunend personeel en de directiekosten, die volgens de gemeente tezamen de algemene kosten vormen. Onbetwist is overigens de stelling van opposanten dat met name het gehanteerde percentage voor algemene kosten te hoog is. De rechtbank passeert als onvoldoende onderbouwd de stelling van de gemeente dat zij vanwege de overspannen markt geen andere aannemer heeft kunnen vinden. Gesteld noch gebleken is immers dat de gemeente daadwerkelijk pogingen heeft gedaan een andere – goedkopere – aannemer in te schakelen.

2.9 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat een deel van de staartkosten in redelijkheid niet voor rekening van opposanten behoort te komen. Opposanten stellen zich op het standpunt dat de staartkosten moeten worden verlaagd tot 15%, waarbij zij kennelijk zijn uitgegaan van de ondergrens van hetgeen volgens de door hen geraadpleegde bronnen gebruikelijk is. Zij hebben dat standpunt niet met feiten onderbouwd. Nu die feiten ontbreken, ziet de rechtbank aanleiding het percentage aan staartkosten die redelijkerwijs voor rekening van de VvE komen te verlagen tot 17. Het door een ieder van opposanten verschuldigde bedrag zal dienovereenkomstig worden verminderd, zodat de vordering voor het meerdere zal worden afgewezen.

2.10 Blijkens het overzicht heeft de aannemer “kraankosten” in rekening gebracht. Bij conclusie na tussenvonnis hebben opposanten gesteld dat deze kosten voor een aanzienlijk deel betrekking hebben op werkzaamheden die niet waren opgenomen in of voortvloeiden uit het bestuursdwangbesluit. Om die reden kan volgens opposanten slechts een deel van die kosten in rekening worden gebracht. De gemeente heeft deze stellingen betwist. Naar het oordeel van de rechtbank hebben opposanten hun betoog onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dat ter uitvoering van het bestuursdwangbesluit kraankosten gemaakt moesten worden, hebben opposanten op zichzelf niet betwist. Dat ligt overigens ook voor de hand, nu de te verrichten werkzaamheden blijkens het bestuursdwangbesluit onder meer betrekking hadden op de vervanging van balkons. Tegen deze achtergrond mocht van opposanten worden verwacht hun betwisting van de bestuursdwangkosten zodanig te concretiseren dat zij ten minste zo concreet mogelijk zouden hebben aangegeven welk deel van de kraankosten al dan niet aan de toepassing van de bestuursdwang verbonden is. Zij hebben op dit punt evenwel niets concreets gesteld. In dit verband bestaat dus geen grond een deel van de vordering van de gemeente af te wijzen.

2.11 Voor de “containerkosten” geldt hetzelfde. Opposanten stellen dat “aannemelijk” is dat de containers “voor een groot gedeelte” zijn gebruikt voor werkzaamheden die geen verband hielden met het bestuursdwangbesluit. Zij hebben evenwel niet gesteld waarom dat aannemelijk zou zijn en om welke reden de containers zouden zijn ingezet voor andere dan de aangeschreven werkzaamheden. Deze concretisering had wel van hen mogen worden verwacht, te meer nu opposanten op zichzelf niet betwisten dat containers nodig waren bij de tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit. Ook onvoldoende onderbouwd is naar het oordeel van de rechtbank de stelling dat ten onrechte 38 kleine containers zijn gebruikt omdat grote containers “veel kosteneffectiever” zouden zijn, met welke stelling zij zich kennelijk beroepen op de uitzonderingsclausule van artikel 5:25 lid 1 Awb (oud). Waar sprake is van werkzaamheden aan verschillende gebouwen en van uiteenlopende aard, valt zonder nadere onderbouwing, die opposanten niet hebben gegeven, niet zonder meer in te zien dat grotere containers tot lagere kosten zouden leiden, laat staan tot zodanig lagere kosten dat het meerdere in redelijkheid niet voor rekening van opposanten behoort te komen.

2.12 Ten aanzien van de kostenpost “steigerhuur en bouwkosten steigers” hebben opposanten gesteld dat een aanzienlijk deel van de werkzaamheden waarvoor de steigers nodig waren (naderhand) niet bij de VvE in rekening zijn gebracht, omdat zij (toch) niet voortvloeiden uit het bestuursdwangbesluit (zie 2.8 van het tussenvonnis). Opposanten hebben in dit verband concreet gewezen op het uithakken, opnieuw voegen en reinigen van de gevels en op een deel van de werkzaamheden aan het dak. Bij antwoordconclusie na tussenvonnis heeft de gemeente aangevoerd dat steigers nodig waren voor verschillende werkzaamheden aan de gevels, de balkons en het dak en dat de steigers zijn gebruikt gedurende de uitvoering van deze werkzaamheden. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

2.13 Opposanten hebben op zichzelf niet betwist dat steigers nodig waren voor de uitvoering van de werkzaamheden waartoe de VvE bij het bestuursdwangbesluit was aangeschreven. Gelet daarop valt niet in te zien dat (een deel van) de bouwkosten voor de steigers geacht zou(den) moeten worden niet aan de uitvoering van het bestuursdwangbesluit verbonden te zijn. De steigers moesten nu eenmaal gebouwd worden, daargelaten of zij vervolgens ook zijn gebruikt voor andere werkzaamheden dan die voortvloeiden uit het bestuursdwangbesluit. Geen grond bestaat dus een deel van de vordering af te wijzen in verband met de bouwkosten voor steigers.

2.14 Dit is anders ten aanzien van de huurkosten voor de steigers. De gemeente heeft niet weersproken de stelling van opposanten dat de steigers mede nodig waren voor werkzaamheden die (achteraf) niet tot de tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit gerekend kunnen worden, waaronder het uithakken, opnieuw voegen en reinigen van de gevels en een deel van de werkzaamheden aan het dak. Daarvan moet dus worden uitgegaan. Dat de steigers voor andere werkzaamheden wel nodig waren en dat de aannemer alleen de werkelijke kosten bij de gemeente in rekening heeft gebracht, doet hieraan niet af. Het gaat om de vraag of die werkelijke kosten in volle omvang kunnen worden beschouwd als kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang. Gelet op het voorgaande moet die vraag voorshands ontkennend worden beantwoord. In beginsel moet immers worden aangenomen dat met de door opposanten genoemde werkzaamheden tijd gemoeid is geweest, zodat in de rede ligt dat de steigers ten behoeve van die werkzaamheden langer moesten worden gehuurd dan het geval zou zijn geweest als alleen de aangeschreven werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. De huurkosten voor die langere periode kunnen niet worden beschouwd als kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang. Die kosten komen dus niet voor rekening van opposanten.

2.15 De processtukken bieden geen inzicht in de verhouding tussen de huurkosten gemoeid met gebruik van de steigers ter uitvoering van het bestuursdwangbesluit en de huurkosten gemoeid met gebruik van steigers voor andere werkzaamheden. Het is aan de gemeente dat inzicht (geconcretiseerd en onderbouwd) te bieden. Op haar rust immers de stelplicht en bewijslast ter zake de vraag of sprake is van kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang. Zij kan in dit verband een akte nemen. Indien zij van mening is dat het in 2.14 bedoelde voorshands gegeven oordeel is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten, dan kan zij de daartoe redengevende feiten (concreet en onderbouwd) eveneens bij akte naar voren brengen. Op de stellingen van de gemeente kunnen opposanten vervolgens bij antwoordakte reageren.

2.16 Bij conclusie na tussenvonnis hebben opposanten een nadere onderbouwing gegeven van hun standpunt dat (een deel van) de kosten van bestuursdwang in redelijkheid niet voor hun rekening behoren te komen. Zij betogen daartoe dat de “redelijkheidsgrens” bepaald wordt door het bedrag dat de gemeente bij de voorbereiding op het bestuursdwangbesluit heeft vastgesteld in de zogenaamde “lonendheidsberekening” op de voet van artikel 23 Woningwet (oud). Bij tussenvonnis heeft de rechtbank al overwogen dat opposanten aan die lonendheidsberekening op zichzelf niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat de bestuursdwangkosten tot het bedrag van die berekening beperkt zouden blijven, nu opposanten pas na de uitvoering van de werkzaamheden met de lonendheidsberekening bekend zijn geworden (7.19 van het tussenvonnis). Het thans ingenomen standpunt begrijpt de rechtbank aldus dat het in de lonendheidsberekening genoemde bedrag in elk geval een indicatie vormt voor (of zelfs een grens stelt aan) het bedrag aan bestuursdwangkosten dat nog in redelijkheid voor rekening van de overtreder kan worden gebracht. De rechtbank volgt opposanten niet in dit betoog. Zij wijst daartoe op het volgende.

2.17 Het lonendheidscriterium zoals dat was neergelegd in artikel 23 Woningwet (oud) strekte ertoe – kort gezegd – te beoordelen of sprake is van een redelijke verhouding tussen de waarde van het desbetreffende gebouw en de ingevolge de Woningwet aan te brengen voorzieningen. Waar die redelijke verhouding ontbreekt, kan dat meebrengen dat het betrokken bestuursorgaan in redelijkheid geen bestuursdwangbesluit mag nemen. De lonendheidsberekening speelt dus een rol bij de afweging van het bestuursorgaan om een dergelijk besluit te nemen alsook bij de (bestuurs)rechterlijke toetsing van die afweging. Dat volgt ook uit het uitvoerige citaat uit de parlementaire geschiedenis, opgenomen in de conclusie na tussenvonnis van opposanten. Dit alles is in de onderhavige procedure een gepasseerd station. De rechtmatigheid van het bestuursdwangbesluit staat immers vast, en daarmee ook de inhoud van de lonendheidsberekening en de wijze waarop het bestuursorgaan deze bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Waar de wetgever het lonendheidscriterium dus uitdrukkelijk voor een zeker beperkt doel in de wet heeft opgenomen, bestaat in beginsel geen grond dit instrument voor een ander doel te hanteren, namelijk als maatstaf voor het bepalen van de redelijkheid van de (uiteindelijke) bestuursdwangkosten. Deze terughoudendheid is te meer passend omdat volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de lonendheidsberekening geen plaats is voor kosten van achterstallig onderhoud, terwijl in het geval van opposanten juist vooral van achterstallig onderhoud sprake is (zoals de gemeente al bij conclusie van antwoord heeft gesteld en nadien niet door opposanten is betwist). Aldus moet worden aangenomen dat de in dit geval gehanteerde lonendheidsberekening hoe dan ook slechts een beperkt beeld geeft van de noodzakelijke werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten.

2.18 Uit het overwogene in 2.17 volgt dat het enkele feit dat de bestuursdwangkosten de lonendheidsberekening overstijgen niet kan leiden tot het oordeel dat die kosten voor het meerdere in redelijkheid niet voor rekening van opposanten behoren te komen. Opposanten hebben geen andere feiten gesteld die tot die conclusie aanleiding geven. Op dit punt bestaat dus geen grond een deel van de vordering af te wijzen.

2.19 Ter comparitie hebben opposanten betoogd dat zij op basis van uitlatingen van ambtenaren van de gemeente gerechtvaardigd hebben vertrouwd dat de bestuursdwangkosten beperkt zouden blijven tot ongeveer f 20.000,= per eigenaar. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank opposanten in de gelegenheid gesteld hun stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Bij conclusie na tussenvonnis hebben opposanten het volgende gesteld:

- de uitlatingen zijn gedaan door de heer [inspecteur], inspecteur van de afdeling Toezicht Gebouwen en projectleider in deze kwestie,

- die gezegd heeft dat bij een “uitvoering van gemeentewege” de kosten worden ingeschat op f 20.000,= per lid van de VvE,

- hetgeen hij gezegd heeft “in gesprekken met de verschillende eigenaars voorafgaande aan de uitvoering van gemeentewege”;

- op het moment van deze uitlatingen wist de heer [inspecteur] dat de VvE overwoog het op tenuitvoerlegging door de gemeente te laten aankomen;

- ter vergadering van 8 januari 2002 heeft de VvE besloten de tenuitvoerlegging van het bestuursdwangbesluit door de gemeente te laten plaatsvinden, waarbij de VvE is uitgegaan van genoemd bedrag van f 20.000,=.

De gemeente heeft deze stellingen betwist. Ook heeft zij betwist dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van opposanten. De rechtbank overweegt als volgt.

2.20 De stellingen bij conclusie na tussenvonnis met betrekking tot de inhoud van de mededelingen van de heer [inspecteur] zijn in wezen een herhaling van hetgeen opposanten al ter comparitie hadden aangevoerd. De rechtbank acht die stellingen te vaag. Zoals al bij tussenvonnis overwogen, hangt het antwoord op de vraag of opposanten op bepaalde mededelingen mochten vertrouwen onder meer af van wat er precies is gezegd, waarop de uitlatingen concreet betrekking hadden en van het kader waarbinnen en het moment waarop die mededelingen zijn gedaan. Zo maakt het bijvoorbeeld wezenlijk verschil of een bepaalde uitlating slechts en passant is gedaan bij gelegenheid van een (toevallige) ontmoeting bij de gebouwen van de VvE of dat sprake is van een uitdrukkelijke mededeling ter gelegenheid van een vergadering van de VvE die in het teken stond van het bestuursdwangbesluit. Opposanten hebben daaromtrent niets concreets gesteld, ondanks de bij tussenvonnis geboden gelegenheid. De notulen van de vergadering van 8 januari 2002 bieden op dit punt geen helderheid. Zij spreken slechts over een toelichting van een kennelijk door de VvE ingeschakelde deskundige en de mogelijkheid voor de leden vragen aan die deskundige te stellen, waarna mevrouw [opposant sub 3] (opposante onder 3) opmerkt dat het niet mogelijk is “een dergelijke grote investering” van f 20.000,= te doen. Aan uitlatingen van gemeenteambtenaren refereren de notulen niet. Deze verslaglegging wijst er niet op dat dergelijke mededelingen zijn gedaan, laat staan waarop die mededelingen concreet betrekking hadden en binnen welk kader zij zijn gedaan. Ook hebben opposanten niets gesteld omtrent de vraag waarom zij menen aan (mondelinge) uitlatingen van een gemeenteambtenaar als de heer [inspecteur] enig vertrouwen te hebben mogen ontlenen. Dat ligt bij een grootschalig project als hier aan de orde niet zonder meer voor de hand, te minder nu aan de gestelde uitlatingen al een uitvoerig en gedetailleerd bestuursdwangbesluit vooraf was gegaan en de VvE kennelijk aanleiding had gezien een ‘second opinion’ door een deskundige te laten uitvoeren.

2.21 Het overwogene in 2.20 leidt de rechtbank tot de conclusie dat opposanten hun stellingen op dit punt onvoldoende hebben geconcretiseerd en onderbouwd, zodat niet geoordeeld kan worden dat opposanten gerechtvaardigd hebben vertrouwd dat de kosten beperkt zouden blijven tot f 20.000,= per eigenaar. Bewijsvoering op dit punt komt dus niet aan de orde.

2.22 In het tussenvonnis heeft de rechtbank een overweging gewijd aan de door de gemeente gevorderde beheerskosten. De rechtbank heeft onder meer overwogen een beslissing op dit punt aan te houden, nu de totale schuld van de VvE nog niet vast staat. Dat is nog altijd niet het geval. De rechtbank houdt haar beslissing dus nog aan. De op dit punt door partijen bij conclusies na tussenvonnis ingenomen stellingen zal de rechtbank in een later stadium beoordelen.

2.23 In afwachting van de in 2.5 en 2.15 bedoelde aktewisseling zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

in reconventie

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 3 november 2010 voor een akte als bedoeld in 5.15 aan de zijde van de gemeente, waarna opposanten een antwoordakte als bedoeld in 5.5 en 5.15 mogen nemen;

in conventie en (voorts) in reconventie

houdt iedere (verdere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/336