Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO3383

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
10/740224-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt onder andere het verwijt gemaakt van majesteitsschennis. Voor strafbare belediging van de koningin dient op zijn minst aan de eisen van artikel 266 Sr te zijn voldaan. In deze zaak waren de beledigingen echter geadresseerd aan de burgemeester van Rotterdam en niet aan de koningin of één van haar ondersteunende diensten, zodat geen sprake is van een rechtstreeks aangedane belediging en de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/740224-10

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

Tegenspraak; na aanhouding niet verschenen

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

(…),

geboren op (…), ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

(…),

gemachtigd raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

1. Hare Majesteit de Koningin opzettelijk bij geschrift heeft beledigd en/of de Koningin opzettelijk in het openbaar bij geschrift heeft beledigd door het zenden van een e-mail aan de PvdA fractie te Rotterdam;

2. A. Aboutaleb, ambtenaar, te weten de burgemeester van de gemeente Rotterdam, gedurende of ter zake de uitoefening van zijn bediening opzettelijk heeft beledigd door het toesturen van een e-mailbericht;

3. A. Aboutaleb heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door het toezenden van een e-mailbericht.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Blom heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 (zeventig) dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

Namens de verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat ten aanzien van het derde feit de dagvaarding nietig is, aangezien het bestanddeel “met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel zware mishandeling”, niet gedekt wordt door de feitelijke omschrijving van de tenlastelegging. De verdediging betwist dat aan de omschrijving “kapot” voldoende feitelijke betekenis toekomt in de zin van fysiek “kapot” maken, dan wel dat de verdachte de opzet heeft gehad om de heer Aboutaleb te bedreigen.

De in de tenlastelegging opgenomen zinsnede, dat de verdachte A. Aboutaleb kapot zal maken als hij hem te pakken krijgt, is op zichzelf genomen reeds een uiting met een bedreigend karakter. Het verband tussen de zinsneden “te pakken krijg” en “maak ik jou kapot” maken dat gesproken kan worden van bedreiging van fysieke aard.

De rechtbank acht de dagvaarding dan ook niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de daarin vermelde uitlatingen van verdachte een bedreiging kunnen opleveren in de zin van artikel 285 WvSr. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Voor het overige zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die de geldigheid van de dagvaarding aantasten. De dagvaarding is geldig.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Ten aanzien van feit 1:

Op 7 juni 2010 is door een gemachtigde namens de heer A. Aboutaleb aangifte gedaan van belediging. Via het e-mailadres van de PvdA fractie Rotterdam zijn in de periode van 31 mei 2010 tot en met 5 juni 2010 e-mailberichten binnengekomen waarin ondermeer de volgende teksten opgenomen – zakelijk weergegeven –:

- “[tekst 1]”;

- “[tekst 2]”; en

- “[tekst 3]”.

De verklaring van de gemachtigde wordt ondersteund door afschriften van de e-mail berichten die op 3 juni 2010 en 5 juni 2010 zijn ontvangen met daarin onder andere de bovengenoemde teksten.

De tenlastelegging berust op het in artikel 111 Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gestelde. Dit artikel vormt een logische specialis ten opzichte van de in artikel 266 Sr strafbaar gestelde (eenvoudige) belediging. Voor strafbare belediging van de koningin dient op zijn minst aan de eisen van artikel 266 Sr te zijn voldaan. Dat wil zeggen dat de belediging hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift, hetzij in iemands tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden geschrift dient te worden gedaan. Een niet in het openbaar gedane belediging dient rechtstreeks gericht te zijn tegen het slachtoffer. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Verdachte heeft voormelde e-mails immers geadresseerd aan Aboutaleb en verzonden aan het e-mailadres van de PvdA-fractie te Rotterdam en niet aan de Koningin of één van de haar ondersteunende diensten zodat geen sprake is van een rechtreeks aangedane belediging. Verdachte zal van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Zowel de officier van justitie als de verdediging is van mening dat er geen sprake is van een belediging in het openbaar nu de betreffende e-mails waren gericht aan het e-mailadres van de PvdA fractie te Rotterdam. Dit betreft een beperkte groep personen en geen willekeurig, onbepaald, onbeperkt publiek zoals is vereist voor strafbare belediging in het openbaar. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Verdachte dient dus van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Ten aanzien van feit 2

Aangezien de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezen verklaard, heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

1. een ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond d.d. 10 september 2009, nummer 2009314320-1 (verklaring aangever namens A. Aboutaleb);

2. een ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam Rijnmond d.d. 10 september 2009, nummer 2009126656-8 (verklaring verdachte);

3. een geschrift, te weten een afschrift van een e-mail d.d. 2 september 2008, verzonden vanaf het mailadres (...) gericht aan het e-mailadres van de PvdA fractie gemeente Rotterdam.

Ten aanzien van feit 3:

Van de volgende feiten en omstandigheden is uitgegaan:

Op 2 september 2009 is aan het mailadres van de PvdA fractie in het stadhuis te Rotterdam een e-mailbericht verzonden door de verdachte. In dit bericht is ondermeer de volgende tekst opgenomen: “[tekst 4], [tekst 1].”

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar mishandeld zou kunnen worden. Daarbij is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt. Voldoende is dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde e-mail van een voor de geadresseerde onbekende afzender bij de geadresseerde in het algemeen de redelijke vrees kan opwekken dat hij zwaar mishandeld zal worden.

Nu de mail afkomstig was van een onbekende afzender was het voor de burgemeester niet mogelijk om in te schatten of er wellicht sprake was van uitlatingen van woede of onmacht zoals namens de verdachte is gesteld.

Het namens de verdachte gevoerde verweer dat hij geen opzet had om burgemeester A. Aboutaleb te bedreigen wordt onaannemelijk geacht.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

Feit 2

hij in de periode van 02 september 2009 tot en met 10 september

2009 te Rotterdam en te Maastricht

opzettelijk beledigend A. Aboutaleb (ambtenaar, te weten de burgemeester van

de gemeente Rotterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, (middels het toesturen van een e-mailbericht

aan een e-mailadres van de PvdA Rotterdam, van welk e-mailbericht die

Aboutaleb kennis heeft genomen) schriftelijk de teksten heeft

toegevoegd: "[tekst 5]" en "[tekst 6]" en "[tekst 7]";

Feit 3

hij op 02 september 2009 te Rotterdam en te Maastricht,

A. Aboutaleb heeft bedreigd

met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk aan voornoemde

Aboutaleb (middels het toezenden van een e-mailbericht) dreigend de

tekst toegezonden:

"[tekst 4], [tekst 1]".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

feit 2

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 3

bedreiging met zware mishandeling.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft A. Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam, e-mails gestuurd met daarin beledigende en bedreigende teksten. Dit zijn ernstige feiten, te meer omdat geen enkel democratisch land kan zonder mensen die bereid zijn zich voor de publieke zaak in te zetten. Politici en ambtenaren hebben dan ook net als ieder ander het recht gevrijwaard te blijven van strafbare beledigingen en bedreigingen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van in dit geval wat kortere duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 september 2010 niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Hierin wordt aanleiding gezien een aanzienlijk lager gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie d.d. 22 juni 2010 van P.J. Veltman, Forensisch psychiater.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b (oud), 14c, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het de onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en

spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 25 (vijfentwintig) dagen,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 14 (veertien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Sikkel, voorzitter,

en mrs. Van Boven en Everaars, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Naarendorp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 oktober 2010.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 13 oktober 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2010 tot en met 5 juni 2010 te Maastricht

en/of Rotterdam, althans elders in Nederland,

opzettelijk de Koningin, H.M. Beatrix Wilhelmina Armgard Koningin der

Nederlanden, prinses van Oranje-Nassau, prinses van Lippe-Biesterfeld

heeft beledigd

door toen aldaar opzettelijk beledigend bij geschrift, namelijk door middel

van een door verdachte aan de PVDA-fractie te Rotterdam toegezonden en/of

aangeboden e-mailbericht, van welk e-mailbericht de Dienst Koninklijke en

Diplomatieke Beveiliging in kennis is gesteld, die H.M. Beatrix Wilhelmina

Armgard Koningin der Nederlanden toe te voegen de woorden

"[tekst 1]" en/of "[tekst 2]" en/of "[tekst 3]", althans woorden van gelijke beledigende

aard en/of strekking,

en/of

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2010 tot en met 5 juni 2010 te Maastricht

en/of Rotterdam, althans in Nederland,

opzettelijk in het openbaar bij geschrift de Koningin, H.M. Beatrix

Wilhelmina Armgard Koningin der Nederlanden, prinses van Oranje-Nassau,

prinses van Lippe-Biesterfeld heeft beledigd,

immers heeft verdachte opzettelijk beledigend (een) door hem geschreven

e-mailbericht(en) (middels het voor iedereen toegankelijke internet)

verzonden naar en/of aangeboden aan het e-mailadres van de PVDA fractie te

Rotterdam, te weten een voor meerdere personen toegankelijk e-mailadres,

terwijl die/dat e-mailbericht(en) de woorden bevat(ten) "[tekst 1]" en/of "[tekst 2]" en/of "[tekst 3]",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

(artikel 111 Wetboek van Strafrecht);

2.

hij in of omstreeks de periode van 02 september 2009 tot en met 10 september

2009 te Rotterdam en/of te Maastricht, althans in Nederland,

opzettelijk beledigend A. Aboutaleb (ambtenaar, te weten de burgemeester van

de gemeente Rotterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, (middels het toesturen van een e-mailbericht

aan een e-mailadres van de PvdA Rotterdam, van welk e-mailbericht die

Aboutaleb kennis heeft genomen) schriftelijk de woorden/teksten heeft

toegevoegd: "[tekst 5]" en/of "[tekst 6]" en/of "[tekst 7]", althans woorden van gelijke beledigende

aard en/of strekking;

(artikelen 266/267 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 02 september 2009 tot en met 10 september

2009 te Rotterdam en/of te Maastricht, althans in Nederland,

A. Aboutaleb heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk aan voornoemde

Aboutaleb (middels het toezenden van een e-mailbericht) dreigend de

woorden/tekst toegevoegd/toegezonden:

"[tekst 4], [tekst 1]",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

(artikel 285 Wetboek van Strafrecht)