Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO2658

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-09-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
331200 / HA ZA 09-1455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asbestzaak. Geschil tussen aansprakelijkheidsverzekeraar van een (niet meer bestaande) werkgever en de erfgename van een oud-werknemer over werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW wegens blootstelling van deze werknemer aan asbeststof in de periode januari 1952 tot juni 1964. In het licht van de in het arrest Van Hese/De Schelde (Hoge Raad 28 april 2000, NJ 2000, 430) ontwikkelde gezichtspuntencatalogus wordt beoordeeld of verzekeraar een beroep op verjaring toekomt. Geconcludeerd wordt dat toepassing van de dertigjarige termijn van artikel 3:310 lid 2 BW in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 331200 / HA ZA 09-1455

Vonnis van 29 september 2010

in de zaak van

[eiseres],

handelend voor zichzelf en in haar hoedanigheid van nabestaande en erfgename van

[erflater],

wonende te Oud-Beijerland,

eiseres,

advocaat mr. R.F. Ruers,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Allianz genoemd worden.

1. Het verloop van het geding

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding d.d. 26 mei 2009 en de daarbij overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. [eiseres] is gehuwd geweest met de heer [erflater] (hierna: [erflater]). Tijdens dit huwelijk zijn drie kinderen geboren.

2.2. [erflater], geboren op 24 maart 1936, is van 14 januari 1952 tot 30 juni 1964 (met een onderbreking van ± 2 jaar wegens militaire dienst) als bankwerker in loondienst geweest van De Rotterdamsche Droogdok Maatschappij N.V. (hierna: RDM). Allianz was in deze periode de aansprakelijkheidsverzekeraar van RDM.

2.3. Op 4 januari 2008 is bij [erflater] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Deze diagnose is op 20 februari 2008 door het Nederlands Mesotheliomen Panel bevestigd.

2.4. [erflater] heeft bij brief van 14 januari 2008 RDM aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van zijn ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade.

Deze brief is door Dok- en Werf-Maatschappij Wilton-Fijenoord B.V. doorgezonden aan Maatschappij De Maas B.V., de rechtsopvolger van RDM.

2.5. In verband met een door [erflater] ingediende aanvraag om bemiddeling conform het Convenant Asbestslachtoffers heeft de Stichting Instituut Asbest¬slachtoffers (hierna: het IAS) bij brief van 23 januari 2008 Allianz verzocht om een reactie op de aansprakelijk¬stelling. Bij brief van 28 januari 2008, gericht aan IAS, heeft Allianz te kennen gegeven dat haars inziens de vordering van [erflater] is verjaard.

2.6. [erflater] heeft eind februari 2008 ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (hierna: de regeling TAS) via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) een bedrag ontvangen van € 17.050,--.

2.7. [erflater] is op 18 juni 2008 aan de gevolgen van maligne mesothelioom overleden.

Uit een notariële verklaring van erfrecht d.d. 27 april 2009 blijkt dat [eiseres] zelfstandig bevoegd is te beschikken over de goederen van de wettelijke gemeenschap van goederen die tijdens het huwelijk van [erflater] bestond en de nalatenschap van [erflater].

3. Het geschil

3.1. De (gewijzigde) eis luidt dat de rechtbank, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Allianz veroordeelt tot:

1. vergoeding van de immateriële schade van € 50.000,--, te vermeer¬de¬ren met de wettelijke rente hierover vanaf 14 januari 2008 tot aan de dag van voldoening;

2. vergoeding van de materiële schade krachtens artikel 6:108 BW van € 3.130,57, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juni 2008, althans vanaf

26 mei 2009, tot aan de dag van voldoening;

3. vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 670,11, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 mei 2009 tot aan de dag van voldoening,

alsmede Allianz veroordeelt in de proceskosten.

[eiseres] baseert haar vordering op artikel 7A:1638x (oud) BW (thans artikel 7:658 BW) en stelt daartoe het volgende.

3.2. [erflater] is overleden aan de gevolgen van de ziekte mesothelioom. [erflater] heeft deze ziekte gekregen doordat hij in de periode dat hij in dienst van RDM werkzaam was aan asbest blootgesteld is geweest. In de periode 1952-1964 was RDM op basis van zowel de Veiligheidswet 1934 als het Veiligheidsbesluit 1938 maar ook op basis van de erkenning van asbestose als beroepsziekte in 1949 en de invoering van de Silicosewet 1951 gehouden veiligheidsmaatregelen te nemen ter bescherming van haar werknemers die in hun werk met asbeststof in aanraking kwamen. RDM, als toen¬malig werkgeefster van [erflater], heeft echter in die periode geen veiligheids¬maatregelen genomen waardoor [erflater] aan asbeststof werd blootgesteld. RDM is derhalve jegens [erflater] tekortgeschoten in de op haar rustende zorg¬plicht om hem te bescher¬men tegen de blootstelling aan asbest en is daar¬door jegens (de erven van) [erflater] schade¬plichtig geworden.

Op grond van artikel 7:954 BW heeft [eiseres] als erfgename van [erflater] jegens Allianz een directe actie. Allianz is mitsdien gehouden de immateriële schade van [erflater] en de door [eiseres] geleden materiële schade te vergoeden. Voorts maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van haar buitengerechtelijke kosten ad € 670,11 die eveneens door Allianz vergoed dienen te worden.

3.3. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de kosten van het geding, met rente.

Allianz heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.3.1. De vordering is ingevolge artikel 3:310 lid 2 BW verjaard. De in het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, NJ 2000, 430 (Van Hese/De Schelde) ontwikkelde gezichtspunten a tot en met g kunnen niet ten nadele van RDM worden uitgelegd. Voorts is voor de beoordeling daarvan van belang dat Allianz als verzekeraar, die in een verder verwijderd verband van de door [eiseres] gestelde gebeurtenissen staat dan RDM, wordt aangesproken.

3.3.2. Allianz betwist voorts dat RDM op grond van artikel 7:658 BW jegens [erflater] aansprakelijk is. Bij gebrek aan wetenschap betwist Allianz dat [erflater] daadwerkelijk tijdens zijn werkzaamheden voor RDM blootgesteld is aan asbest.

Tot in de eerste helft van de jaren tachtig was niet bekend dat het werken met wit asbest tot de ziekte mesothelioom kon leiden. Indien sprake is geweest van blootstelling aan wit asbest kan RDM, gezien ook het arrest Gemex/Van Oostrum (HR 4 juni 2004, JAR 2004, 287) daarvoor niet aansprakelijk zijn. Het is dan ook aan [eiseres] om te bewijzen dat [erflater] tijdens zijn werkzaamheden voor RDM aan bruin of blauw asbest is blootgesteld. Indien zij daarin slaagt, geldt het volgende. Betwist wordt dat RDM haar zorgplicht jegens [erflater] heeft geschonden. In het onderhavige geval gaat het uitsluitend om de vraag naar de bekendheid van het gevaar van mesothelioom dat reeds door een kortdurende/incidentele blootstelling aan asbeststof kan worden veroorzaakt. In de periode 1952 tot en met 1964 was RDM niet bekend en behoefde zij redelijkerwijs ook niet bekend te zijn met het feit dat asbest mesothelioom kon veroorzaken. In die periode rustte op RDM derhalve geen verplichting om veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van het – destijds nog niet bekende – risico van mesothelioom.

Ten slotte wordt de (omvang van de) gevorderde schade betwist.

4. De beoordeling

Is [erflater] bij RDM aan asbest blootgesteld en heeft hij hierdoor de ziekte mesothelioom

gekregen?

4.1. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of, zoals [eiseres] stelt, [erflater]

tijdens zijn werkzaamheden voor RDM aan asbest is blootgesteld en of dit heeft geleid tot

de ziekte mesothelioom.

4.2. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] verwezen naar het Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest d.d. 1 februari 2008 van het IAS. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

"Bevindingen

Op 22 januari 2008 heeft een telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen de heer [erflater] en ondergetekende. Tijdens dit onderhoud is met name uitvoerig gesproken over het arbeidsverleden van de heer [erflater], waarbij per werkgever is stilgestaan bij de mogelijkheid van directe en/of indirecte blootstelling aan asbest.

[…]

Arbeidshistorie

14 januari 1952 tot 30 juni 1964 RDM Rotterdamsche Droogdok Maatschappij

[…]

De heer [erflater] verklaart dat zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit het verrichten van verschillende werkzaamheden aan een schip waaronder het plaatsen en het afstellen van machines, motoren en hulpwerktuigen. Deze machines, motoren en hulpwerktuigen werden door de heer [erflater] geplaatst in de (machine)kamers en in ketelruimtes van schepen.

De heer [erflater] verklaart dat er tijdens het verrichten van werkzaamheden dikwijls andere collega’s/medewerkers aanwezig waren die in zijn nabijheid onder meer bouwwerkzaamheden, isolatiewerkzaamheden en schoonmaakwerkzaamheden verrichtten.

Zodoende verklaart de heer [erflater] dat hij uit hoofde van zijn functie dagelijks werkzaam is geweest in de ruimtes/kamers waar er door collega’s met asbesthoudend materiaal is gewerkt. De heer [erflater] verklaart voorts dat er geen afzuiging aanwezig was. Voorts verklaart de heer [erflater] dat er pijpleidingen werden aangelegd in ketelruimtes, in machinekamers en van en naar de turbines van een schip.

De heer [erflater] merkt op dat deze pijpleidingen destijds bekleed/geïsoleerd werden met asbesthoudende schalen. Deze schalen werden daarna ingesmeerd met een asbesthoudend mengsel/pap. De heer [erflater] verklaart dat het op maat maken van de schalen in dezelfde ruimte/kamer werd gedaan. Hierbij kwam er asbeststof vrij. De heer [erflater] verklaart dat voorgenoemde werkzaamheden nagenoeg dagelijks in zijn nabijheid door medewerkers/collega’s verricht werden. De heer [erflater] verklaart op deze wijze nagenoeg dagelijks op indirecte wijze aan asbest te zijn blootgesteld.

[…]

Voorts verklaart de heer [erflater] dat er gedurende dit dienstverband geen persoonlijke beschermingmiddelen zijn verstrekt/gebruikt in het kader van bescherming tegen asbestblootstelling. "

4.3. Voor wat betreft de blootstelling van [erflater] aan asbest(stof) in de arbeids¬situatie bij RDM en het ontbreken van beschermende maatregelen daartegen heeft [eiseres] voorts verwezen naar de door haar overgelegde schriftelijke verklaringen van [X] en [Y].

[X] heeft verklaard dat hij in de jaren vijftig bij RDM met [erflater] heeft samengewerkt, dat zij werkten op de schepen waar destijds door de firma Hertel gewerkt werd met asbest en dat er geen voorzieningen waren om de blootstelling aan asbest tegen te gaan.

[Y] heeft verklaard dat hij in de jaren vijftig bij RDM werkte, dat "wij" in die jaren werden blootgesteld aan asbest die door de firma Hertel werd aangebracht op schepen waar "wij" in dezelfde ruimten werkten, dat er toen geen beschermende kleding was, dat de asbest met water in tonnen werd aangemaakt, dat door het legen van de balen veel stofdeeltjes vrijkwamen, dat de asbest in de kleding ging zitten en dat het werd ingeademd.

4.4. Allianz heeft aangevoerd dat op basis van voornoemde verklaringen niet kan worden vastgesteld dat [erflater] tijdens zijn werkzaamheden voor RDM blootgesteld is aan asbest. Het IAS heeft haar onderzoek slechts gebaseerd op een telefonisch afgelegde verklaring van [erflater] zelf. [X] en [Y] hebben niet aangegeven bekend te zijn met welke frequentie [erflater] zou zijn blootgesteld aan asbest(stof), aldus nog steeds Allianz.

Voorts heeft Allianz aangevoerd dat zij, gezien het grote tijdsverloop, geen middelen meer heeft om de gestelde blootstelling gemotiveerd te betwisten.

4.5. De rechtbank overweegt het volgende.

Gelet op het sub 4.2 weergegeven rapport van het IAS en de schriftelijke verklaringen van

[X] en [Y] had het op de weg van Allianz gelegen om de gestelde asbestblootstelling

gemotiveerd te betwisten. Dit heeft Allianz evenwel nagelaten. Zij heeft de gestelde

blootstelling slechts bij gebrek aan wetenschap betwist. Naar het oordeel van de rechtbank

kon Allianz hiermee, ook indien het tijdsverloop in ogenschouw wordt genomen, niet

volstaan. Allianz heeft, gezien haar brief van 25 augustus 2008 aan de raadsman van [erflater]

(productie 14, dagvaarding), erkend dat in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de

scheeps¬¬¬¬bouw veelvul¬dig met asbest werd gewerkt. Derhalve moet worden aangenomen dat

Allianz over de nodige kennis beschikt omtrent hetgeen in die periode te doen gebruikelijk

was in die branche. Gelet hierop acht de rechtbank het niet uitgesloten dat door Allianz

(verdere) infor¬matie kan worden verkregen omtrent de door [erflater] verrichte

werkzaam¬heden en de omstandig¬heden waaronder hij de werkzaamheden heeft verricht.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat [erflater] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor RDM aan asbest(stof) is blootgesteld.

4.7. De rechtbank gaat er vanuit dat deze blootstelling aan asbest tot de ziekte mesothelioom heeft geleid. In het kader van het door het IAS uitgevoerde arbeidshistorisch onderzoek heeft [erflater] aangegeven tijdens andere dienstverbanden niet aan asbest(stof) te zijn blootgesteld. Allianz heeft hiertegenover geen c.q. onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat [erflater] blootgesteld is aan asbest(stof) op een ander moment dan tijdens zijn werkzaamheden bij RDM. Daarbij geldt ingevolge artikel 6:99 BW nog het volgende. Indien de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeur¬tenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vast staat dat de schade door ten minste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.

Toepassing van dit artikel in het onderhavige geval brengt mee dat Allianz feiten en omstandigheden dient te stellen waaruit volgt dat de ziekte van [erflater] niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor RDM aansprakelijk is. De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat Allianz geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit kan volgen dat [erflater] op een ander moment dan gedurende zijn werkzaamheden voor RDM is blootgesteld aan asbest(stof) en dat daardoor zijn ziekte is veroorzaakt; dergelijke feiten en omstandigheden zijn ook niet gebleken.

Is RDM aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW?

4.8. Nu vaststaat dat [erflater] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor RDM

aan asbest(stof) is blootgesteld en die blootstelling tot de ziekte mesothelioom heeft geleid,

dient te worden beoordeeld of RDM ingevolge artikel 7:658 BW jegens [erflater]

aansprakelijk is.

4.9. Als werkgever rustte op RDM de zorgplicht om die maatregelen te nemen die

redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [erflater] in de uitoefening van zijn

werkzaamheden schade zou lijden. Tussen partijen is in geschil of RDM in deze zorgplicht

tekortgeschoten is. [eiseres] stelt dat dit het geval is omdat RDM geen voorzorgsmaat¬-

regelen heeft genomen tegen de blootstelling aan asbest. Allianz betoogt dat gedurende het

dienstverband van [erflater] van RDM niet kon worden gevergd veiligheidsmaatregelen te

nemen om iedere blootstelling aan asbest te voorkomen aangezien RDM in de periode 1952

tot en met 1964 niet bekend was en niet bekend hoefde te zijn met het feit dat (kortdurende)

blootstelling aan asbest een ernstige ziekte als mesothelioom kon veroorzaken. Dit werd pas

veel later bekend. RDM kon en behoefde in dat verband dus ook geen maatregelen te

nemen.

Maatregelen ter bescherming van werknemers tegen asbestose gaven allerminst een garantie

op (ook) bescherming van werknemers tegen mesothelioom. Aldus leidt het feit dat

lang¬durige blootstelling aan asbeststof asbestose zou kunnen veroorzaken niet tevens tot de

conclusie dat de werkgever met het nemen van maatregelen ter voorkoming van asbestose

ook mesothelioom had kunnen voorkomen, aldus nog steeds Allianz.

4.10. Vooropgesteld wordt dat vanaf ongeveer de jaren vijftig bekend was dat men door inademing van asbest(stof) het risico liep een asbestziekte te krijgen, zoals onder meer blijkt uit de door [eiseres] bij dagvaarding overgelegde publicaties. Tot de bekende ziektes behoorde in eerste instantie nog niet mesothelioom. Pas rond 1969 kwam het risico van die ziekte in Nederland in beeld, enkele geïsoleerde publicaties waarmee RDM niet bekend behoefde te zijn buiten beschouwing latend. In dat jaar publiceert dr. J. Stumphius in Nederland zijn proefschrift over de relatie tussen asbest en mesothelioom. In de periode daaraan voorafgaande is dan ook sprake van een onbekend gevaar, maar dat impliceert niet dat werkgevers daarvoor niet aansprakelijk kunnen zijn. In het arrest Cijsouw/De Schelde I (HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686) heeft de Hoge Raad aangegeven dat de werkgever aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van het destijds onbekende gevaar van mesothelioom indien hij in de betrokken periode heeft nagelaten de vereiste veiligheidsmaatregelen te nemen ter voorkoming van de verwezenlijking van de wel bekende gevaren en de kans op het zich verwezenlijken van een onbekend gevaar daardoor in aanzienlijke mate wordt verhoogd. Dit is slechts anders indien de werkgever aannemelijk maakt dat het nemen van de destijds vereiste veiligheids¬maatregelen met betrekking tot deze wel bekende gevaren de verwezenlijking van het onbekende gevaar waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen.

4.11. In het licht van het vorenstaande overweegt de rechtbank het volgende.

Door Allianz is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat in de relevante periode (1952-1964) RDM wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden en dat in ieder geval over de gevaren van asbestose en (asbestose met) longkanker consensus bestond. Allianz heeft weliswaar aangevoerd dat die risico’s destijds niet algemeen bekend waren en dat geen consensus bestond over de gevaren van asbest, maar zij heeft haar verweer dienaangaande voornamelijk toegespitst op de bekendheid met het gevaar van mesothelioom. Zo heeft Allianz terzake de door [eiseres] overgelegde publicaties van vóór het proefschrift van Stumphius, waaruit volgens [eiseres] blijkt dat in de relevante periode consensus bestond over het risico van asbestose, enkel aangegeven dat die niet van betekenis zijn omdat [erflater] aan mesothelioom leed en dat daarmee is aangetoond dat vóór 1964 geen consensus bestond over de relatie tussen asbestblootstelling en mesothelioom. Allianz heeft verder nog aangegeven dat een aantal van de bij dagvaarding overgelegde publicaties betrekking hebben op isolatiewerkzaamheden/asbestisoleerders en dat [erflater] een bankwerker was die zelf niet met asbest werkte. Nog daargelaten dat zulks onverlet laat dat met die publicaties werd gewezen op de gezondheidsgevaren van blootstelling aan asbest, treft dit verweer geen doel. [erflater] werkte als bankwerker immers in ruimten waar isolatiewerkzaamheden met asbest werden uitgevoerd.

4.12. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat RDM in de periode dat [erflater] voor haar werkzaam was wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden en dat in ieder geval over de gevaren van asbestose en asbestose met longkanker consensus bestond. RDM had met het oog op die bekendheid veiligheidsmaatregelen moeten nemen ter voorkoming van de destijds wel bekende gevaren van asbestose en asbestose met longkanker. Zelfs indien destijds de precieze oorzaak van en meest effectieve mogelijkheden van preventie tegen asbestose en asbestose met longkanker nog niet bekend waren, laat dat onverlet dat RDM verplicht was om de blootstelling aan asbest zoveel mogelijk terug te dringen. Gesteld noch gebleken is dat RDM destijds aan die verplichting heeft voldaan.

4.13. [eiseres] stelt dat vanwege het feit dat destijds veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van de wel bekende gezondheidsrisico’s achterwege gelaten zijn, [erflater] gedurende zijn dienstverband bij RDM blootgesteld is geweest aan asbest(stof) hetgeen de kans op het ontstaan van mesothelioom aanzienlijk heeft verhoogd. Tegenover deze stelling heeft Allianz niet aannemelijk gemaakt dat maatregelen met betrekking tot de wel bekende gezondheidsrisico’s de verwezenlijking van mesothelioom niet hadden kunnen voorkomen. Zij heeft haar stelling dienaangaande immers niet aan de hand van concrete feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Zo is door Allianz niet gesteld dat voor bescher¬ming tegen mesothelioom andere maatregelen vereist waren dan voor bescherming tegen asbestose en asbestose met longkanker. Dat voor asbestose een langdurige(re) blootstelling vereist is dan voor mesothelioom, is niet relevant, nu [erflater] bij RDM langere tijd aan asbest is blootgesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het achterwege laten van maatregelen met betrekking tot de wel bekende gezondheidsrisico’s de kans op het zich verwezenlijken van de nog onbekende asbestziekte mesothelioom in aanzienlijke mate heeft vergroot.

4.14. Allianz heeft nog aangevoerd dat blootstelling aan wit asbest geen aansprakelijkheid van RDM meebrengt en dat het aan [eiseres] is om te bewijzen aan welke kleur asbest hij destijds blootgesteld is. Nu Allianz dit verweer enkel in verband heeft gebracht met mesothelioom, deze ziekte destijds nog onbekend was en gesteld noch gebleken is dat haar verweer (ook) voor asbestose van betekenis is, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het beroep van Allianz op het arrest Gemex/Van Oostrum (HR 4 juni 2004, JAR 2004, 287) treft evenmin doel aangezien de feiten en omstandigheden in dat arrest niet vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak. In die zaak ging het immers om de vraag of Gemex in de periode 1965–1979 op de hoogte had moeten zijn van het risico dat blootstelling aan wit asbest kan leiden tot het optreden van mesothelioom.

4.15. De conclusie is dat RDM in de relevante periode geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen met het oog op de toen bekende gevaren van blootstelling aan asbest(stof) waardoor de kans op de (destijds nog niet bekende) asbestziekte mesothelioom vergroot is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat RDM jegens [erflater] tekort is geschoten in de op haar op grond van destijds artikel 7A:1638x BW en thans artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en daardoor jegens (de erven van) [erflater] schadeplichtig is geworden.

Komt Allianz een beroep op verjaring toe?

4.16. Allianz betoogt dat de vordering van [eiseres] is verjaard. [eiseres] betwist dit niet,

doch stelt dat het beroep van Allianz op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en

billijkheid onaanvaardbaar is.

4.17. Of Allianz een beroep op verjaring toekomt, dient te worden beoordeeld in het licht

van de in het arrest Van Hese/De Schelde (Hoge Raad 28 april 2000, NJ 2000, 430)

ontwikkelde gezichtspuntencatalogus. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat de objectieve verjaringstermijn van, in dat geval, dertig jaar, in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing kan blijven voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:2 lid 2 BW). Als gezichtspunten waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken, heeft de Hoge Raad genoemd:

a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmee – of de gevorderde schade¬vergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;

b. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;

c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;

d. in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;

e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren, waarbij niet van belang is door welke oorzaken eventueel bewijsmateriaal verloren is gegaan en of dit aan de aangesprokene valt toe te kennen;

f. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;

g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

4.18. Allianz heeft aangevoerd dat voor de beoordeling van deze gezichtspunten van belang is dat Allianz, en niet de voormalig werkgever van [erflater], de aangesproken partij is. RDM is opgehouden te bestaan en omtrent de concrete werkomstandigheden van destijds is, gelet ook op het tijdsverloop, niets meer bekend en nagenoeg niets meer te achterhalen, aldus Allianz.

Dat de gestelde asbestblootstelling Allianz niet kan worden verweten, spreekt naar het oordeel van de rechtbank voor zich. De positie van de aansprakelijkheidsverzekeraar is echter per definitie een van haar verzekerde afgeleide. Hieraan doet niet af dat RDM niet meer bestaat. Weliswaar is aannemelijk dat het voeren van verweer door Allianz hierdoor bemoeilijkt wordt, doch anderzijds acht de rechtbank, zoals reeds hiervoor onder 4.5 is overwogen, niet uitgesloten dat door Allianz (verdere) infor¬matie kan worden verkregen omtrent de door [erflater] te verrichten werkzaam¬heden en de omstandigheden waaronder hij die werkzaamheden heeft verricht. Allianz heeft erkend dat in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de scheepsbouw veelvuldig met asbest werd gewerkt. Mede gelet hierop moet worden aangenomen dat Allianz als verzekeraar van RDM beschikt over de nodige kennis omtrent hetgeen in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw te doen gebruikelijk was in de scheeps¬bouw.

Voorts wijst de rechtbank erop dat het niet in de rede zou liggen om hetgeen onder gezichtspunt f (het nog bestaan van verzekeringsdekking) in het voordeel van de benadeelde werkt, onder gezichtspunt c terug te nemen op de grond dat de verzekeraar geen rechtstreeks verwijt kan worden gemaakt. Indien een beroep van RDM op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou dienen te worden geacht, dient dat naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor een dergelijk verweer van de zijde van Allianz. Dat Allianz geen rechtstreeks verwijt treft, acht de rechtbank derhalve niet relevant bij de beoordeling van gezichtspunt c.

Gezichtspunt a: aan wie komt de schadevergoeding ten goede en wat is de aard van de gevorderde schade

4.19. Voor een deel is de schadevergoeding ten goede gekomen aan [erflater]. Het deel van de schadevergoeding dat overeenkomt met de uitkering op grond van de regeling TAS ad € 17.050,-- heeft [erflater] immers – door die uitkering, die in zoverre als voorschot fungeerde – reeds bij leven ontvangen. Dat [erflater] is overleden op het moment waarop de vordering ten gronde door de rechter wordt beoordeeld, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om dit element anders te waarderen. Verder is van belang dat de nabestaande aan wie de schadevergoeding voor het overige toekomt geen willekeurige erfgenaam is, maar de weduwe van [erflater] met wie hij in gezinsverband heeft samengeleefd en aan wie [erflater] de schadevergoeding ook kennelijk ten goede heeft willen laten komen. Verder komt belang toe aan de aard van de schade die wordt gevorderd. [eiseres] vordert zowel materiële als immateriële schade.

Gezichtspunt b: aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde

4.20. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat terzake de gestelde immateriële schade aanspraak gemaakt kan worden op een uitkering uit anderen hoofde dan het voorschot ad

€ 17.050,-- op grond van de regeling TAS. Terzake de gestelde materiële schade is door [eiseres] gesteld dat de begrafeniskosten, na aftrek van een door RVS Levensverzekering uitgekeerd bedrag van € 4.318,18, per saldo € 2.630,57 bedragen. Derhalve resteert nog steeds een te vorderen bedrag van € 2.630,57 aan materiële schade.

Gezichtspunt c: de mate van verwijtbaarheid

4.21. Uit hetgeen hiervoor onder 4.8 tot en met 4.15 is overwogen, volgt dat RDM kan worden verweten dat, hoewel zij vanaf ongeveer de jaren vijftig wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden, zij in de relevante periode (1952-1964) geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen ter voorkoming van de bekend te veronderstellen gezondheidsrisico’s. Hierdoor is [erflater] destijds blootgesteld geweest aan asbest(stof) en daardoor is de kans op mesothelioom in aanzienlijke mate verhoogd. RDM heeft dus verwijtbaar gehandeld jegens [erflater]. In de relatie tussen [eiseres] en Allianz kan deze verwijtbaarheid worden tegengeworpen aan Allianz, gelet op haar afgeleide positie als verzekeraar. Anders dan Allianz is de rechtbank niet van oordeel dat voor gezichtspunt c alleen een hoge mate van verwijtbaarheid relevant is.

Gezichtspunt d: de voorzienbaarheid van mogelijke aansprakelijkheid

4.22. Naar het oordeel van de rechtbank diende RDM ook vóór het verstrijken van de verjaringstermijn op 30 juni 1994 rekening te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat

– gelet op de publicatie van het proefschrift van dr. J. Stumphius uit 1969 – het verband tussen asbest en mesothelioom sedert 1969 bekend was (zodat vanaf 1969 mogelijk relevant bewijsmateriaal had kunnen worden vastgelegd en/of bewaard) en dat al vrij lang vóór

30 juni 1994 in de rechtspraak was aanvaard dat bij niet-inachtneming van een veiligheidsvoorschrift de overtreder aansprakelijk is voor de schade, ook al manifesteert deze zich op een wijze die niet voorzienbaar was.

Gezichtspunt e: de mogelijkheid verweer te voeren

4.23. Zoals reeds hiervoor onder 4.5 en 4.18 is overwogen, acht de rechtbank niet uitgesloten dat door Allianz (verdere) infor¬matie kan worden verkregen omtrent de door [erflater] te verrichten werkzaamheden en de omstandigheden waaronder hij de werkzaamheden heeft verricht.

Gezichtspunt f: verzekeringsdekking

4.24. Niet in geschil is dat de eventuele aansprakelijkheid van RDM is gedekt door een verzekering.

Gezichtspunt g: redelijke termijn

4.25. Volgens [eiseres] dient bij de beoordeling van de redelijke termijn de periode waarover de bemiddeling door het IAS heeft plaatsgevonden, namelijk de maanden januari tot en met april 2008, niet te worden meegeteld. Zij heeft hiervoor verwezen naar de circulaire van het Verbond van Verzekeraars van 5 september 2008 (productie 39, CvR). Volgens Allianz is de vordering, ook indien voornoemde periode niet wordt meegeteld, te laat ingesteld aangezien de bemiddeling door het IAS op 9 april 2008 was afgesloten terwijl de dagvaarding eerst op 26 mei 2009 is uitgebracht, derhalve 13 maanden later.

4.26. De rechtbank overweegt het volgende.

Op 4 januari 2008 is bij [erflater] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. [erflater] heeft bij brief van 14 januari 2008 RDM aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van zijn ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade. Vervolgens heeft het IAS van januari 2008 tot en met april 2008 bemiddeld in het geschil tussen [erflater] en RDM/Allianz. Nadat die bemiddeling in april 2008 was beëindigd, heeft de raadsman van [erflater] bij brief van 16 juni 2008 (productie 13, dagvaarding) Allianz verzocht (alsnog) aansprakelijkheid te erkennen. Allianz heeft in antwoord daarop bij brief van 25 augustus 2008 (productie 14, dagvaarding) haar standpunt ten aanzien van de verjaring gehandhaafd. [eiseres] heeft bij brief van 31 oktober 2008 (productie 15, dagvaarding) Allianz meegedeeld dat tot dagvaarding zal worden overgegaan. Vervolgens is Allianz op 26 mei 2009 door [eiseres] gedagvaard. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat na het aan het licht komen van de schade op 4 januari 2008 binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schade¬vergoeding is ingesteld. In zoverre is de positie van Allianz in deze procedure niet nadelig beïnvloed door het tijdsverloop.

Slotsom ten aanzien van de verjaring

4.27. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gezichtspunt e (mogelijkheid verweer) op zich zichzelf genomen pleit vóór toepassing van de verjaringsregel, maar dat de gezichtspunten c (verwijtbaarheid) en d (voorzienbaarheid) en tot op zekere hoogte ook gezichtspunt f (verzekeringsdekking) daaraan in de weg staan. De gezichtspunten a en b zijn in de totale afweging als neutraal meegewogen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in dit uitzonderlijke geval van iemand die pas 44 jaar na beëindiging van het dienstverband geconfronteerd wordt met mesothelioom en alle gevolgen van dien, toepassing van de dertigjarige termijn van artikel 3:310 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Allianz komt daarom geen beroep op verjaring toe.

Schade

4.28. Gelet op het voorgaande staat thans vast dat Allianz gehouden is de schade die is geleden door [erflater] en [eiseres] te vergoeden.

Immateriële schade

4.29. Artikel 6:106 BW bepaalt – kort gezegd – dat iemand die letselschade heeft opgelopen recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat. Volgens vaste rechtspraak moet bij de begroting van deze immateriële schade rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Deze toets omvat onder meer de aard van de aansprakelijkheid, de intensiteit van de pijn en het verdriet, waaronder die over een kortere levensverwachting, de gederfde levensvreugde van de benadeelde, en de duur van de periode waarin de immateriële schade is geleden.

4.30. Tot de omstandigheden van dit geval behoort allereerst dat bij [erflater] in januari 2008 de (voorlopige) diagnose mesothelioom is vastgesteld. Hij was toen 71 jaar. Deze diagnose is kort daarna bevestigd. Inherent aan deze diagnose is dat [erflater] moet hebben geweten dat hij niet lang meer te leven zou hebben. Aangenomen kan worden, gelet op algemene ervaringsregels, dat dit een grote psychische belasting voor hem heeft betekend. Een half jaar later, op 18 juni 2008, is [erflater] overleden aan de gevolgen van mesothelioom. Op grond van algemene ervaringsregels kan aangenomen worden dat de ziekte in dat jaar een grote invloed op hem heeft gehad. Dat [erflater] immateriële schade heeft geleden, is dan ook evident.

4.31. Schade als deze kan naar zijn aard moeilijk in geld worden gewaardeerd. De rechtbank kiest er als uitgangspunt voor om aansluiting te zoeken bij het normbedrag dat in 2008 als smartengeld voor mesothelioomslachtoffers door het IAS werd gehanteerd, zijnde (afgerond) € 50.000,--. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat in deze zaak een lager of hoger bedrag op zijn plaats zou zijn. De rechtbank zal, alle hiervoor genoemde omstandigheden meewegend, daarom een bedrag van € 50.000,-- als immateriële schadevergoeding toewijzen.

Materiële schade

4.32. In totaal bedraagt de vordering terzake materiële schade € 3.130,57 (€ 2.630,57 +

€ 500,--). [eiseres] heeft bij conclusie van repliek gesteld dat RVS Levensverzekering N.V. op grond van een levensverzekering in totaal € 4.318,18 (ƒ 9.500,--) heeft uitgekeerd waardoor terzake de begrafeniskosten ad € 6.948,75 per saldo nog een vordering van

€ 2.630,57 (€ 6.948,75 minus € 4.318,18) resteert. Voorts vordert [eiseres] in verband met de aanschaf van een nieuw bed een bedrag van € 500,--.

Allianz heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.33. Hoewel een specificatie ontbreekt van het bedrag van € 500,-- dat wordt gevorderd

in verband met de aanschaf van een nieuw bed, acht de rechtbank het gerechtvaardigd dat

dit bedrag door Allianz wordt vergoed. Het is voldoende aannemelijk dat een nieuw bed is

aangeschaft omdat het oude bed door de ziekte en het overlijden van [erflater] niet langer

bruikbaar was. Nu de rechtbank de hoogte van het gevorderde bedrag niet onredelijk

voorkomt, zal het bedrag van € 500,-- worden toegewezen.

4.34. [eiseres] heeft de gestelde begrafeniskosten aan de hand van de nota d.d. juli 2008 van Moree Uitvaartverzorging ad € 6.584,75 en de nota d.d. 18 juli 2008 van [I] ad € 364,-- onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de (resterende) begrafeniskosten, die haar niet onredelijk voorkomen, ingevolge artikel 6:108 lid 2 BW door Allianz vergoed moeten worden. Derhalve acht de rechtbank het bedrag van € 2.630,57 toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten

4.35. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank niet toewijsbaar. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Wettelijke rente

4.36. Ten aanzien van de gevorderde rente wordt als volgt overwogen.

De wettelijke rente over de immateriële schade is in overeenstemming met de vordering toewijsbaar vanaf 14 januari 2008. Ten aanzien van de materiële schadeposten geldt dat [eiseres] rente vordert vanaf 18 juni 2008, de datum van overlijden van [erflater], althans vanaf de datum van de dagvaarding. Nu blijkens de door [eiseres] overgelegde specificaties (producties 40, CvR) het met name gaat om kosten die zijn gemaakt in juli 2008 en op de nota d.d. juli 2008 van Moree Uitvaart¬verzorging ad € 6.584,75 handgeschreven is vermeld dat die nota op 1 augustus 2008 is voldaan, acht de rechtbank toewijzing van de rente over het gehele bedrag aan materiële schade, zijnde € 3.130,57 (€ 2.630,57 + € 500,--), vanaf

1 augustus 2008 om praktische redenen gerechtvaardigd.

4.37. Allianz zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op:

- dagvaarding: € 86,--

- betaald vast recht: € 119,--

- in debet gesteld vast recht: € 981,--

- salaris advocaat: € 1.788,-- (2 punten * tarief van € 894,-- per punt)

Totaal: € 2.974,--

5. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Allianz tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 53.130,57 (zegge

drieënvijftigduizend honderd dertig euro en zevenenvijftig eurocent), te ver¬meer¬¬deren met

de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over een bedrag van € 50.000,--

vanaf 14 januari 2008 en over een bedrag van € 3.130,57 vanaf 1 augustus 2008 tot aan de

dag der algehele voldoening;

veroordeelt Allianz in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot aan deze uitspraak

bepaald op een bedrag van € 2.974,--, waarvan te voldoen:

a. aan de griffier (door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.688 ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam [545] onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer):

€ 981,-- aan in debet gesteld vast recht;

€ 1.788,-- aan salaris voor de advocaat;

€ 86,-- aan overige verschotten;

-------- +

€ 2.855,--

b. aan de advocaat van [eiseres]:

€ 119,-- voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op

29 september 2010.?