Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO2526

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
01-11-2010
Zaaknummer
10/701095-10 + 01/845473-08 (TUL) + 02/625755-09 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Belaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/701095-10

Parketnummers van de vorderingen TUL VV: 01/845473-08 + 02/625755-09

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

Tegenspraak

VONNIS van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Nieuwegein te Nieuwegein,

raadsman mr. G. Crawfurd, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Huizenga heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede met de bijzondere voorwaarden,

- een meldingsgebod, te weten dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, hem te geven door of namens de Reclassering Nederland;

- een behandelverplichting, te weten dat de verdachte zich zal laten behandelen bij de GGZ Breburg Groep te Breda ([behandelaar]);

- een contactverbod, te weten dat de verdachte wordt verboden contact te hebben met [slachtoffer] en

- een gebiedsverbod rond de woning en de werklocatie van [slachtoffer] zoals weergegeven op een door de officier van justitie overgelegd kaartje.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELINGEN

De officier van justitie heeft voorts - conform de op de vordering als subsidiair geformuleerde grond (overtreding algemene voorwaarde) - gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de aan de verdachte bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd, dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda d.d. 18 januari 2010 onder parketnummer 02/625755-09 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

BEWIJSMOTIVERING

Met betrekking tot het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan:

Op 17 januari 2010 is door [slachtoffer] (hierna aangeefster) aangifte gedaan bij de politie Rotterdam-Rijnmond ter zake van stalking tegen de verdachte, die zij [naam] noemt. Zij heeft onder meer verklaard, dat zij woonachtig is op het adres [adres] te [plaats]. Zij heeft de verdachte eind april 2008 leren kennen en een relatie met hem gehad. In november 2009 heeft zij het contact met de verdachte verbroken. Zij heeft hem toen duidelijk verteld dat zij hem nooit meer wil horen of zien. Sinds november 2009 heeft de verdachte haar dagelijks vele malen op haar mobiele telefoon, haar huistelefoon en haar telefoon op het werk gebeld. De verdachte staat geregeld voor haar woning in haar voortuin of in haar achtertuin. Ook staat hij bij haar naar binnen te kijken.Verder heeft de verdachte haar heel vaak e-mail berichten en SMS’jes gestuurd.

Toen zij de verdachte had gevraagd waarom hij haar lastig viel, heeft hij gezegd dat hij verlatingsangst heeft en mensen niet los kan laten. Zij heeft de verdachte verteld dat zij aangifte zou doen bij de politie, als hij niet zou stoppen met haar lastig te vallen. De verdachte zei toen tegen haar dat hij nog wel wat dingen van haar wist die hij dan openbaar zou maken. Aangeefster denkt dat de verdachte doelde op privé-foto’s van haar die in zijn bezit zijn en waarvan zij niet wil dat deze aan anderen worden getoond. Aangeefster voelde zich hierdoor gechanteerd door de verdachte. Op 27 januari 2010 is de aangeefster wederom gehoord door de politie. De aangeefster heeft toen onder meer verklaard, dat de verdachte haar nog steeds niet met rust liet. De verdachte heeft haar in de nacht van 17 januari op 18 januari 2010 diverse malen telefonisch lastig gevallen. Hij heeft haar gebeld op haar vaste telefoonnummer. Op 18 januari 2010 heeft de verdachte haar ’s avonds nog tweemaal gebeld en tweemaal een mail gestuurd. Op 19 januari 2010 heeft hij haar driemaal gebeld en verder zag zij die dag, dat de verdachte voor het keukenraam van haar woning naar binnen stond te gluren. Diezelfde avond heeft hij haar nog een keer gebeld. Op 21 januari 2010 heeft de verdachte haar overdag een keer gebeld en ’s avonds heeft hij haar nog twee keer gebeld. Op 22 januari 2010 kreeg zij een telefoontje van de verdachte en later die dag stond hij weer voor het keukenraam van haar woning. Op 26 januari 2010 heeft de verdachte haar enkele malen gebeld en zag zij, dat er een kaartje van hem in haar brievenbus lag. Ook zag zij dat hij door de schutting weer naar binnen stond te kijken.

Op 11 februari 2010 is de aangeefster nogmaals gehoord door de politie. Zij heeft toen onder meer verklaard, dat de verdachte haar op 29 januari 2010 tien keer heeft gebeld op het vaste telefoonnummer van haar woning. Ook heeft hij die dag twee maal voor de voordeur van haar woning gestaan en aangebeld. Op 30 januari 2010 heeft de verdachte drie keer en tussen 31 januari 2010 en 1 februari 2010 ook drie keer gebeld naar de vaste nachtlijn van het zorgcentrum waar zij werkzaam is. Op 1 februari 2010 heeft de verdachte vijf keer, op 2 februari vijf keer, op 3 februari dertien keer, op 4 februari acht keer, op 5 februari twee keer, op 6 februari vijf keer, op 7 februari acht keer en op 9 februari twee keer gebeld op de vaste telefoonlijn van haar woning. Op 9 februari 2010 heeft zij gezien dat de verdachte in de buurt van haar woning stond.

Op 10 februari 2010 heeft zij weer gezien dat de verdachte voor de woning stond en naar binnen gluurde.

Op 21 maart 2010 is de aangeefster andermaal gehoord door de politie. Zij heeft toen onder meer verklaard, dat de verdachte op 20 maart 2010 is aangehouden, terwijl hij weer bij haar voor de deur stond. Aangeefster heeft toen de politie gebeld, omdat zij wil dat de verdachte op zou houden met zijn gedrag. Door de aangeefster zijn toen een aantal mailtjes die zij van de verdachte heeft ontvangen aan de politie overhandigd. Ook heeft zij een dag/logboek bijgehouden van wat er is gebeurd tussen 3 maart en 20 maart 2010, waarvan zij een kopie heeft overhandigd aan de politie.

Op 21 maart 2010 heeft [slachtoffer] mondeling bij de politie Rotterdam-Rijnmond een klacht ingediend ter zake van herhaaldelijk lastig vallen. De klaagster heeft toen verklaard aangifte te doen tegen haar ex-vriend [verdachte] (verdachte), ter zake van stalking.

Op 20 maart 2010 is de verdachte door de politie aangetroffen op het fietspad gelegen naast de woning [adres] te [plaats]

Hij verklaarde huilend dat hij alleen met zijn ex-vriendin wilde praten omdat hij haar zo miste.Vervolgens is de verdachte door de politie aangehouden.

Op 9 april 2010 is de aangeefster wederom gehoord door de politie. Zij heeft toen onder meer verklaard, dat de verdachte haar telefonisch weer heeft lastig gevallen terwijl hij vast zat. Zo werd zij op 24 maart 2010 en 31 maart 2010 weer (meerdere keren) door de verdachte opgebeld. Zij zei hem toen dat hij haar niet meer lastig moest vallen. De verdachte vertelde haar dat hij vast zat, maar dat wanneer hij weer vrij zou komen, hij haar zou komen opzoeken zodat zij alles met elkaar uit konden praten.

Tenslotte is de aangeefster nog op 28 april 2010 gehoord door de politie.

Zij heeft toen onder meer verklaard, dat zij vanaf december 2009 tegen de verdachte heeft verteld dat zij aangifte zou gaan doen als hij door bleef gaan met haar lastig te vallen. Zij heeft hem nooit meer gebeld na eind november 2009 of een SMS gestuurd of gemaild. Zij heeft geen enkel initiatief meer genomen richting de verdachte. Verder heeft zij verklaard een brief te hebben ontvangen van de verdachte. Er stond een detentienummer op de brief en op de enveloppe stond zijn naam.

In het verhoor bij de rechter-commissaris van de aangeefster heeft zij in grote lijnen haar eerder gedane aangiftes bevestigd. Zij heeft tevens verklaard dat de verdachte steeds belde om te zeggen dat hij nog steeds van haar hield, dat hij toekomstplannen met haar had en dat hij de relatie weer wilde opstarten. Bovendien heeft zij verklaard dat zij soms de telefoon “er naast” heeft gelegd en dat het mogelijk is dat hij de indruk had dat zij nog gewoon aan de lijn was, omdat hij steeds door praatte.

Op 3 mei 2010 is nog een collega van de aangeefster, [collega], door de politie gehoord. Deze getuige heeft toen onder meer verklaard, dat zij een collega van [slachtoffer] is en dat zij soms samen nachtdiensten draaien. Zij kent de ex-vriend van [slachtoffer], dat is [verdachte]. Zij heeft hem een paar keer zien staan toen zij bij [slachtoffer] in de woning was. Hij stond toen op het pleintje voor het huis van [slachtoffer]. Ook zag zij hem meerdere keren staan op de hoek bij de schutting van haar achtertuin. [verdachte] stond daar en bleef maar staren. Een keer klopte hij tegen het raam. Dat was begin januari 2010. Zij was er twee keer bij toen [verdachte] ineens opdook naast [slachtoffer], toen zij met [slachtoffer] samen naar het werk liep. Dat was in januari/februari 2010. Ook belde [verdachte] [slachtoffer] op het werk vaak ’s nachts op. Zij hoorde [slachtoffer] dan zegggen: “[verdachte] ik wil niet met je praten.”. Dat gebeurde meerdere keren.

Uit onderzoek van de politie is gebleken, dat in de periode van 15 november 2009 tot en met 12 april 2010, er 537 keer contact (telefonisch of per SMS) is gezocht met mobiele telefoonnummers in gebruik bij de verdachte naar het mobiele telefoonnummer van de aangeefster.

Verder is uit onderzoek van de politie gebleken, dat in de periode van 9 januari 2010 en 20 maart 2010, er 655 keer en in de periode van 14 januari 2010 en 23 maart 2010, er 7 keer contact is gezocht met mobiele telefoonnummers in gebruik bij de verdachte naar de vaste lijn van de aangeefster.

De verdachte heeft ter terechtzitting met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde onder meer verklaard, dat de relatie door de aangeefster volgens hem pas op 23 december 2009 is beëindigd, dat hij haar inderdaad erg veel heeft gebeld, omdat hij haar miste en hoopte dat het goed zou komen tussen hen, dat hij een keer bij haar heeft aangebeld, dat hij spullen kwam brengen en voor de woning is langsgelopen en naar binnen heeft gekeken, dat hij haar veel e-mailberichten heeft gestuurd, waaronder een e-mail op 21 februari 2010, waarin hij schrijft privé/naaktfoto’s van de SDC (Swingers Date Club)-site van haar naar haar werk te zullen sturen en dat hij op 20 maart 2010 door de politie is aangehouden, toen hij bij het huis van de aangeefster rondliep.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de verdachte onder meer verklaard , dat hij de aangeefster inderdaad heeft gebeld toen hij vastzat, maar dat hij niet wist dat hij haar niet mocht bellen en dat hij haar ook een brief heeft geschreven.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de pleegperiode, zoals vermeld in het onder 1 tenlastegelegde, verkort van 4 december 2009 tot en met 20 maart 2010, nu uit de door de providers verstrekte historische gegevens niet is gebleken, dat de aangeefster na 3 december 2009 zelf nog (telefonische) contacten met de verdachte heeft gezocht. Door de officier van justitie is berekend, dat gedurende die pleegperiode de verdachte in totaal 838 keer via de telefoon/SMS contact met de aangeefster heeft gezocht.

Namens de verdachte is door zijn raadsman vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe onder meer -kort zakelijk weergegeven- aangevoerd, dat de verdachte niet het opzet heeft gehad om wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk te maken op de privacy van de aangeefster, omdat hij haar met betrekking tot het niet wensen van contact niet goed heeft begrepen. Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht om voor wat betreft de strafmaat daarbij in zwaarwegende mate mee te laten wegen, de door aangeefster eerder afgegeven wisselende signalen, het onvermogen van de verdachte om daarmee adequaat om te gaan samenhangend met zijn persoonlijkheidsstoornis en tot uiting komend in de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

De rechtbank is op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel, dat de verdachte zich aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde, te weten belaging, heeft schuldig gemaakt. Met betrekking tot de onder 1 vermelde pleegperiode is de rechtbank met de officier van justitie eens, dat de pleegperiode dient te worden ingekort van 4 december 2009 tot en met 20 maart 2010, nu uit de door de providers verstrekte historische gegevens is gebleken, dat de aangeefster na 3 december 2009 zelf geen contacten meer met de verdachte heeft gezocht en dat het voor de verdachte in ieder geval vanaf dat tijdstip duidelijk moet zijn geweest, dat zij geen contact meer met hem wenste.

Desondanks heeft de verdachte nog honderden keren telefonisch contact met de aangeefster opgenomen dan wel proberen op te nemen en heeft hij haar nog vele e-mailberichten en SMS-berichten gestuurd.

BEWEZENVERKLARING

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 04 december 2009 tot en met 20 maart 2010

te [plaats] en/of [plaats],

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer],

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, en/of te dulden

, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode

- die [slachtoffer] een groot aantal keren gebeld en

- zich voor/nabij de woning en in de tuin

van die [slachtoffer] opgehouden en

- meermalen naar binnen in de woning van die [slachtoffer] gegluurd en

- een groot aantal email-berichten en sms-berichten

aan die [slachtoffer] gestuurd en

- die [slachtoffer] verteld dat hij privé-foto's van die [slachtoffer] openbaar zou maken

als zij aangifte zou doen bij de politie;

2.

hij in de periode van 24 maart 2010 tot en met 12 april 2010

te [plaats] en/of [plaats],

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer],

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en/of

te dulden ,

immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode

- die [slachtoffer] een aantal keren gebeld en

- een brief gestuurd aan die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

T.a.v. feit 1:

belaging;

T.a.v. feit 2:

belaging.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van bijna vier maanden aangeefster, met wie hij eerder een relatie had, stelselmatig lastig gevallen, met name door haar buitensporig veel te bellen en haar vele e-mailberichten en SMS-berichten te sturen en zich in de nabijheid van haar woning op te houden, terwijl zij daar niet van gediend was. Ondanks dat aangeefster hem dat meerdere keren heeft medegedeeld ging de verdachte door met zijn pogingen contact met haar te krijgen. Zelfs nadat de verdachte was aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen, heeft hij aangeefster nog een aantal keren gebeld en haar een brief gestuurd. De verdachte deed dit kennelijk met het doel om zo alsnog de relatie met haar te herstellen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. De verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen belangen, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor de aangeefster.Deze handelwijze van de verdachte moet voor de aangeefster een zenuwslopende ervaring geweest zijn, die zij niet snel zal vergeten. De ervaring leert dat een slachtoffer van stalking daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kan ondervinden.

Op dergelijke feiten dient in beginsel te worden gereageerd met het opleggen van een vrijheidsstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen, dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2010 reeds eerder is veroordeeld, onder meer in 2006 en 2009, voor soortgelijke strafbare feiten als thans bewezenverklaard.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFPP) d.d. 7 april 2010, in welke rapportage wordt geadviseerd multidisciplinair omtrent de verdachte te laten rapporteren.

Op 16 juli 2010 is omtrent de verdachte gerapporteerd door drs. S.F.I. van Toor, psychiater in opleiding en dr. A.J.W.M. Trompenaars, justitieel forensisch psychiater. In dit rapport staat onder meer vermeld, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsverandering door een schedeltrauma, met daaruit voortkomend cognitief functieverlies. Voorts heeft hij afhankelijke persoonlijkheidstrekken. De rapporteurs adviseren om de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive wordt door de rapporteurs als aanzienlijk ingeschat.

Factoren die van belang kunnen zijn voor de kans op recidive zijn (1) het feit dat de aandoening (verworven hersenletsel) niet te genezen valt, reeds zeer lang bestaat en tot blijvende beperkingen leidt, (2) de daaruit voortkomende (en eveneens blijvende) beperkte mogelijkheden om adequaat met spanningen en frustraties om te gaan anders dan door impulsieve en emotionele uitbarstingen en (3) de overige beperkingen in het cognitief functioneren. De verdachte heeft een voortgezette behandeling nodig, waarbij de behandeling bij voorkeur dient plaats te vinden in een instelling die gespecialiseerd is in de behandeling van mensen met niet aangeboren hersenletsel. Met betrekking tot het te geven advies ten aanzien van maatregelen om de kans op herhaling in de toekomst te voorkomen of te beperken is het aangewezen, dat de verdachte de behandeling voortzet bij de forensische polikliniek van GGZ [naam], die hij reeds heeft bij de heer [behandelaar].

De verdachte is pas enkele maanden in behandeling aldaar en er lijkt sprake van een constructief behandelcontact.

Op 23 juli 2010 is omtrent de verdachte gerapporteerd door drs. A.F.J.M. Zwegers, GZ-psycholoog. In dit rapport staat onder meer vermeld, dat er een ziekelijke stoornis van de geestvermogens werd vastgesteld. Er is sprake van een persoonlijkheidsverandering door hersenletsel, waarbij affectlabiliteit en afhankelijke trekken aanwezig zijn. Verder is er sprake van een cognitieve stoornis NAO, eveneens door hersenletsel, waarbij een geheugendefect werd aangetoond, evenals een gebrekkige impulsbeheersing en cognitief verval. De verdachte functioneert door het verlies van capaciteit op zwakbegaafd niveau. Er zijn aanwijzingen voor misbruik van verschillende psycho-actieve middelen. De mogelijkheden om impulsen te beheersen zijn zeer beperkt. Door de verstandelijke beperkingen beschikt de verdachte niet over voldoende mogelijkheden om problemen op te lossen. Geadviseerd wordt om de feiten in sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Impulsiviteit vormt een belangrijke risicofactor voor de kans op recidive, maar ook de afhankelijkheid van de verdachte en zijn verstandelijke beperkingen dragen bij aan een hoge recidivekans. Drugsgebruik vormt een toegevoegd risico. Verder krijgt de verdachte vanuit zijn levensomstandigheden onvoldoende structuur en sturing aangeboden om zijn leven richting te geven. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde, dat hij zijn behandeling bij de GGZ [plaats] (de heer [behandelaar]) voortzet en dat hij verplicht wordt tot het opvolgen van de aanwijzingen van de reclassering.

Tenslotte is omtrent de verdachte d.d. 19 augustus 2010 gerapporteerd door de Reclassering Nederland. In dit rapport staat onder meer vermeld, dat de verdachte een recidiverende verdachte is met ernstige psychische problematiek, als gevolg waarvan hij wederom met justitie in aanraking is gekomen. Eerder ingezette behandeling heeft deels als gevolg van de korte duur en deels als gevolg van de weinig coöperatieve houding van de verdachte slechts een beperkt resultaat gehad. Hierbij vormt de beperkte leerbaarheid van de verdachte een extra complicerende factor. Gelet op het beperkte zelfinzicht,de psychische problemen waarmee de verdachte kampt en de mate van recidive in de afgelopen jaren, wordt de kans op recidive als hooggemiddeld ingeschat. Hierbij is tevens in ogenschouw genomen de beperkte leerbaarheid waarmee de verdachte kampt. Ingeschat wordt voorts dat er een laag/gemiddeld risico op onttrekken aan voorwaarden is.

Eerdere behandelingen van de verdachte zijn om diverse redenen niet vlekkeloos verlopen. Echter, met zijn huidige behandelaar lijkt hij een werkbare relatie te hebben, waardoor de kans op onttrekking als minder groot ingeschat wordt dan voorheen. De heer [behandelaar] van de GGZ [naam] te [plaats] heeft de verdachte geaccepteerd voor continuering van zijn behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden. Mede gelet op het feit dat de eerdere behandeling van de verdachte bij de GGZ [naam] te [plaats] te kort geduurd heeft om enig effect te kunnen sorteren en gelet op het feit dat de verdachte openstaat voor begeleiding en behandeling is de reclassering van mening, dat de verdachte een allerlaatste kans dient te krijgen.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd:

- een meldingsgebod:

de verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

- een behandelverplichting:

de verdachte dient zich te laten behandelen door de heer [behandelaar] van de GGZ [naam] te [plaats];

- een contactverbod:

de verdachte wordt verboden contact te (laten) leggen met mevrouw [slachtoffer].

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en zij verenigt zich met het door de deskundigen en de reclassering gegeven advies met betrekking tot de strafmodaliteit.

Gelet op het bovenstaande en om niet alleen te bevorderen dat de verdachte op korte termijn de eerder ingezette en noodzakelijke behandeling kan voortzetten, maar ook om hem er van te weerhouden in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een stevig deel van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, zodat het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen vrijheidsstraf bijna gelijk zal zijn aan de tijd, die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen vrijheidsstraf de bijzondere voorwaarden verbinden, dat verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal gedragen naar de aanwijzingen, die zullen worden gegeven door of namens de reclassering, onder meer inhoudende een meldingsgebod, een behandelverplichting en een contactverbod, zoals omschreven in voormeld reclasseringsrapport d.d. 19 augustus 2010, alsmede een gebiedsverbod, zoals gevorderd door de officier van justitie. Het kaartje met daarop ingetekend het relevante gebied in [plaats] wordt als bijlage A aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

De door de rechtbank aan de verdachte op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zijn behandeling door de GGZ [naam] te [plaats] (de heer [behandelaar]) zo snel mogelijk dient te hervatten.

Nu het wettelijke maximum voor de duur van de proeftijd bij de algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, eerste lid en de gedragsvoorwaarde als bedoeld in artikel 14c, tweede lid sub 5 van het Wetboek van Strafrecht op twee jaar is gesteld, kan de officier van justitie niet worden gevolgd in haar eis tot de oplegging van een proeftijd van drie jaar.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: mevrouw [slachtoffer], wonende te ([postcode]) [plaats], [adres],

terzake van de feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van €53,04 en immateriële schade tot een bedrag van € 2.150,00.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht. Behoudens de gevorderde reiskosten in verband met het getuigenverhoor bij de

rechter-commissaris, die de benadeelde partij aldaar had kunnen claimen, komt de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering ad €48,24 zal worden toegewezen.

Voorts is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde straf¬bare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade kan naar maatstaven van billijkheid ten minste worden vastgesteld op €500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard en dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08, is de verdachte ter zake van belaging veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarde, dat hij zich gedurende voornoemde proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, Regio ’s-Hertogenbosch, zolang deze instelling zulks noodzakelijk acht en met de opdracht aan de Reclassering als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Blijkens de mededeling voorwaardelijke veroordeling is de proeftijd ingegaan op 24 april 2009. De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Tevens is de verdachte bij op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter in de Rechtbank Breda d.d. 18 januari 2010 onder parketnummer 02/625755-09, ter zake van mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Blijkens de mededeling voorwaardelijke veroordeling is de proeftijd ingegaan op 2 februari 2010. De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn deels na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte de aan de voormelde vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de beide voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, niet alleen omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte zo snel mogelijk zijn behandeling door de GGZ [naam] in [plaats] kan hervatten, maar ook omdat aannemelijk is dat het niet tijdig van de grond komen van de ook toen al noodzakelijk geachte behandeling na het vonnis in 2009 voornamelijk is gelegen in oorzaken buiten de verdachte om.

Wel wordt aanleiding gezien de bijzondere voorwaarden verbonden aan het vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08 op grond van artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht in die zin te wijzigen dat aan die voorwaarden eveneens de behandelverplichting wordt verbonden die bij dit vonnis zal worden opgelegd.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen

14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 298 (tweehonderdachtennegentig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* de verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- een meldingsgebod:

de verdachte dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

- een behandelverplichting:

de verdachte dient zich te laten behandelen bij de GGZ [naam] te [plaats] (de heer [behandelaar]);

- een contactverbod:

de verdachte mag op geen enkele wijze contact leggen met mevrouw [slachtoffer];

- een gebiedsverbod;

de verdachte mag zich niet begeven in het gebied, zoals weergegeven op de aan dit

vonnis aangehechte bijlage A;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van €548,24 (zegge: vijfhonderd achtenveertig euro en vierentwintig eurocent) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting te betalen aan: mevrouw [slachtoffer], wonende te ([postcode]) [plaats], [adres];

verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt, dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd, te betalen €548,24 (zegge: vijfhonderd achtenveertig euro en vierentwintig eurocent),

bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande, dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij voornoemd tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08, aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

wijzigt de bijzondere voorwaarde verbonden aan het vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 9 april 2009 onder parketnummer 01/845473-08 in die zin dat daaraan tevens de volgende bijzondere voorwaarde wordt verbonden:

- een behandelverplichting:

de verdachte dient zich te laten behandelen bij de GGZ [naam] te [plaats] (de heer [behandelaar]);

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Breda d.d. 18 januari 2010 onder parketnummer 02/625755-09, aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Trotman, voorzitter en

mrs. Van Nijen en De Vreede, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hartgers, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2010.

Bijlage bij vonnis van 06 oktober 2010:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2009 tot en met 20 maart 2010

te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats],

in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer],

met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of

vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode

- die [slachtoffer] een groot aantal keren en/of dagelijks gebeld, en/of

- zich vele malen voor/nabij de woning en/of in de tuin en/of het voor het

werk van die [slachtoffer] opgehouden, en/of

- meermalen naar binnen in de woning van die [slachtoffer] heeft gegluurd, en/of

- een groot aantal email-berichten en/of sms-berichten en/of msn-berichten

en/of (digitale) kaarten aan die [slachtoffer] gestuurd, en/of

- die [slachtoffer] verteld dat hij privé-foto's van die [slachtoffer] openbaar zou maken

als zij aangifte zou doen bij de politie;

(artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2010 tot en met 12 april 2010

te [plaats] en/of [plaats], in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander,

met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen,

niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode

- die [slachtoffer] een groot aantal keren gebeld, en/of

- een brief gestuurd aan die [slachtoffer];

(artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht)