Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO1535

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
325554 / HA ZA 09-583
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvaring; schadevaring; aanraking van drijvende bok met hoogspanningskabels art. 8:541 jo. art. 8:546 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 325554 / HA ZA 09-583

Uitspraak: 18 augustus 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te Kapelle,

eiseres,

advocaat mr. B.S. Janssen,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BONN & MEES DRIJVENDE BOKKEN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.F. van der Stelt.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "Bonn & Mees".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 20 februari 2009 en de door [eiseres] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 10 juni 2009, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 15 september 2009, met aangehechte producties;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [eiseres] overgelegde

akte met producties;

- akte aan de zijde van Bonn & Mees, met productie;

- akte aan de zijde van [eiseres].

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast.

2.1 Bonn & Mees is eigenaresse van de zeegaande stalen drijvende bok Matador (brandmerk 12640 Z Rott 1968; 45,05x20,10x3.60m; bj. 1968-1970), zijnde een werkponton met vaste hijskraan.

2.2 Op 3 oktober 2006 is de Matador ter hoogte van het sluizencomplex te Hansweert tijdens hijswerkzaamheden ten behoeve van de sluis in aanraking gekomen met één of meer hoogspanningsleidingen. Als gevolg van de aanraking zijn één of meer hoogspanningsleidingen beschadigd waardoor de stroomvoorziening in een deel van Zeeland geruime tijd is onderbroken.

2.3 [eiseres] is eigenaresse van een fabriek die voedingsmiddelen (groente en fruit) conserveert. Het productieproces van [eiseres] is door de onderbreking van de stroomvoorziening enige tijd stilgevallen.

3. De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat Bonn & Mees aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] die het gevolg is van de schadevaring die plaatsvond op 3 oktober 2006;

- Bonn & Mees te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 34.364,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag na de schadevaring, zijnde 4 oktober 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der voldoening;

- Bonn & Mees te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten overeenkomstig rapport Voorwerk II begroot op € 1.000,-;

- Bonn & Mees te veroordelen in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering, verkort weergegeven, de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.1 [eiseres] heeft door de onderbreking van de stroomvoorziening en het als gevolg daarvan stil komen liggen van het productieproces schade geleden. De expert van de verzekeraars van Bonn & Mees, GAB Robins Takkenberg B.V., heeft van het voorval een rapport opgesteld en daarbij de door [eiseres] geleden schade begroot op € 34.364,- excl. BTW.

3.2 De Matador is een zeeschip als bedoeld in artikel 8:2 lid 1 BW. Bonn & Mees is als eigenaresse van de Matador op grond van artikel 8:544 BW verplicht de schade te vergoeden die [eiseres] lijdt, nu de schade is veroorzaakt door de schuld van de Matador.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

Bonn & Mees heeft daartoe, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd.

4.1 Bij gebrek aan wetenschap betwist Bonn & Mees dat [eiseres] voor haar productieproces afhankelijk is van de toelevering van elektriciteit. Aangenomen mag worden dat een bedrijf zorg draagt voor een deugdelijke back-up zoals één of meer noodgeneratoren, ingeval zij volledig afhankelijk is van haar elektriciteitsvoorziening.

4.2 Bonn & Mees is niet aansprakelijk voor de schade, nu niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. De maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm dat geen schade mag worden toegebracht c.q. veroorzaakt aan goederen van een ander, strekt niet mede tot bescherming van de belangen van alle afnemers van elektriciteit, die op de toevoer van elektriciteit zijn aangewezen.

4.3 Er is geen, althans onvoldoende, causaal verband tussen de schadevaring en de door [eiseres] geleden schade.

4.4 Bonn & Mees is niet aansprakelijk voor de schade, omdat de schade niet voorzienbaar was voor Bonn & Mees. Gezien de waterstand in het kanaal, de op de zeekaart aangegeven vrije doorvaarthoogte van 45 meter en het feit dat de Matador op de betreffende dag voor het voorval reeds een aantal malen zonder problemen onder de hoogspanningskabels was doorgevaren, was niet voorzienbaar dat de Matador bij het onder de hoogspanningskabels doorvaren met de kabels in aanraking zou komen.

Evenmin was voorzienbaar dat bij het licht raken van de hoogspanningskabels, deze zodanig zouden zijn beschadigd dat er een elektriciteitsuitval zou plaatsvinden.

4.5 De hoogte van de door de expert begrootte schade wordt betwist.

4.6 Er zijn geen buitengerechtelijke kosten gemaakt door [eiseres], nu slechts één stuitingbrief, één sommatiebrief en een rappèl is ontvangen. De gevorderde kosten zien bovendien op werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten.

5. De beoordeling

5.1 [eiseres] grondt haar vordering op de in boek 8 titel 6 afdeling 1 neergelegde (zee)aanvaringsregeling. Voor de bepaling of de Matador, zijnde een ponton met kraan (drijvende bok), al dan niet als zeeschip moet worden aangemerkt, is in beginsel van doorslaggevend belang de inschrijving in de openbare registers.

[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat de Matador als zeeschip staat ingeschreven in het Zeeschepenregister, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan en de Matador zal aanmerken als een zeeschip als bedoeld in artikel 8:2 BW.

Nu alle belanghebbenden onderdaan van Nederland zijn, is het Verdrag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende aanvaring (Brussel, 23 september 1910, Stb. 1913,74) ingevolge artikel 12 lid 2 sub 2° niet van toepassing, zodat het geschil aan de hand van de in boek 8 BW neergelegde aanvaringsregeling moet worden beoordeeld.

5.2 Vaststaat dat de Matador tegen de hoogspanningskabels is gevaren. Ingevolge artikel 8:541 BW vindt de in boek 8 titel 6 afdeling 1 neergelegde aanvaringsregeling eveneens toepassing indien schade door een zeeschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring (aanraking van schepen met elkaar) heeft plaatsgevonden. Welke schade voor vergoeding in aanmerking komt en wie als schuldeisers kunnen optreden is in deze afdeling niet nader geregeld, zodat hiervoor de bepalingen van boek 6 BW gelden.

5.3 Nu de toedracht van het schadevoorval gelegen is in de aanraking van de top van de bok met één of meer hoogspanningskabels, een vaste zaak ter plaatse, is ingevolge artikel 8:546 BW het vermoeden gerechtvaardigd dat sprake is van schuld van het schip.

Hiertegen staat in beginsel tegenbewijs open. Ter comparitie is zijdens Bonn & Mees echter erkend dat sprake was van een fout van de bemanning van de Matador. Zijdens Bonn & Mees is daarbij aangegeven dat de doorvaarthoogte in beginsel 47 meter is en dat normaal gesproken de bok dan op 39 meter wordt afgetopt, hetgeen in dit geval niet was gebeurd.

Nu gesteld noch gebleken is dat deze fout niet aan het schip is toe te rekenen en de oorzaak van de aanvaring niet gelegen was in de schuld van het schip, is tegenbewijs niet aan de orde. Bonn & Mees is derhalve als eigenaresse van het schip aansprakelijk voor de geleden schade.

5.4 Anders dan Bonn & Mees betoogt, strekt de door de aanraking met de hoogspanningskabels geschonden norm - van de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid - niet alleen tot bescherming van het eigenaarbelang, maar mede tot bescherming van het belang dat afnemers als [eiseres] hebben bij een ongestoorde voorziening van elektriciteit.

5.5 Bonn & Mees heeft ter comparitie aangegeven dat de omvang van de schade niet in geding is. De rechtbank begrijpt hieruit dat Bonn & Mees de hoogte van de schade niet langer betwist. Wel heeft Bonn & Mees in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade ten verwere aangevoerd dat de door [eiseres] geleden schade naar objectieve maatstaf bezien voor Bonn & Mees niet voorzienbaar was. Dit verweer faalt desalniettemin.

Bonn & Mees had bedacht moeten zijn op het belang dat derden hebben bij een ongestoorde elektriciteitstoelevering. Het is een feit van algemene bekendheid dat met name het bedrijfsleven in hoge mate afhankelijk is van voorzieningen als elektriciteit en dat uitval van een dergelijke voorziening kan leiden tot schade zoals thans aan de orde is.

Met betrekking tot het door Bonn & Mees (gedocumenteerd) onderbouwde verweer dat de waterstand ten tijde van de aanvaring circa 34 cm boven NAP was en dat met dat gegeven in samenhang bezien met de onderdoorvaarthoogte van 45m NAP, de aanvaring voor de schipper niet te verwachten was, oordeelt de rechtbank dat dergelijke omstandigheden – wat daar ook van zij – niet zodanig abnormaal zijn dat Bonn & Mees daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. De rechtbank acht de ten processe bedoelde schade derhalve een voorzienbaar gevolg van het onrechtmatig handelen van Bonn & Mees.

5.6 Hieruit volgt dat zowel de gevorderde verklaring voor recht als de vordering in hoofdsom zullen worden toegewezen. Eveneens zal worden toegewezen de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 oktober 2006. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] deze kosten heeft gemaakt.

5.7 Bonn & Mees zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat Bonn & Mees aansprakelijk is voor de ten processe bedoelde door [eiseres] geleden schade die het gevolg was van de schadevaring die plaatsvond op 3 oktober 2006;

veroordeelt Bonn & Mees om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 34.364,- (zegge: vierendertigduizend driehonderd vierenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2006 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt Bonn & Mees in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 780,- aan vast recht, op € 72,25 aan overige verschotten en op € 1.737,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Scheffers.

Uitgesproken in het openbaar.

1182/1278