Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BO0058

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
10/661185-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV6396, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor brandstichtingen tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging, ondanks weigering mee te werken aan onderzoek naar geestesgesteldheid. Aan verdachte was eerder wegens brandstichtingen een dergelijke maatregel opgelegd. Promis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/661185-09

Datum uitspraak: 11 oktober 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te Rotterdam,

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Huis van Bewaring ‘De Schie’ te Rotterdam,

raadsvrouw mr. K.S. Kort, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte

(1) brand zou hebben gesticht bij een café, waarbij er gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was;

(2) brand zou hebben gesticht bij een personenauto van het merk Mazda, waarbij ook gevaar voor in de buurt geparkeerd staande auto’s te duchten was;

(3) brand zou hebben gesticht bij een personenauto van het merk Fiat, waarbij gevaar voor omliggende woningen en in de buurt geparkeerde auto’s te duchten was;

(4) brand zou hebben gesticht bij een bromscooter, waarbij er gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was;

(5) brand zou hebben gesticht bij een balkon van een woning waarbij er gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was en

(6) een luchtdrukwapen in bezit zou hebben gehad.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Heemst heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest, alsmede terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging ter zake de feiten 1, 2, 3 en 5;

- oplegging van een geldboete van 150 euro, subsidiair 3 dagen hechtenis ter zake feit 6.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is om tot de conclusie te kunnen komen dat de verdachte zich toen en daar aan deze brandstichting schuldig heeft gemaakt.

Het onder feit 4 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de raadsvrouw hiertoe hebben geconcludeerd en de rechtbank geen redenen ziet zich hierover ambtshalve uit te laten, zal dit niet nader worden gemotiveerd.

Het onder feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde is, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Er is onvoldoende wettig bewijs voorhanden om tot een veroordeling voor dit feit te kunnen komen.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Bewijsmiddelen

Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs hebben bijgedragen.

Bewijsbeslissing feit 1

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er in de nacht van 27 op 28 juli 2009 bij café [naam café], gevestigd aan [adres] te Rotterdam brand is gesticht. De eigenaresse van het café, [eigenaresse café], heeft verklaard dat het gehele terras en de binnenzijde van het pand in brand stonden. Op het terras stonden vier stapels rieten stoelen in brand en door de hitte van de brand is een ruit van het café stukgegaan, waarop de brand het café is binnengedrongen. Haar bevindingen worden bevestigd door de bevindingen van de Forensische Opsporing. [eigenaresse café] heeft verder verklaard dat er een hoop schade is ontstaan in haar café, maar ook in de bovengelegen woningen, waar op dat moment mensen lagen te slapen. Dat laatste wordt ondersteund door de verklaring van [bewoner bovengelegen woning], eigenaar van de woning aan [adres], gelegen boven café [naam café]. Hij heeft verklaard dat hij, zijn vriendin en zijn dochter lagen te slapen toen hij buiten veel herrie hoorde. Toen hij naar het raam in de woonkamer liep en hij hoge vlammen en veel rook zag, hoorde hij dat het glas van de balkondeur kraakte en dat er rook in de woning kwam. Hij heeft zijn vriendin en dochter toen mee naar buiten genomen om hen in veiligheid te brengen. Hij had veel last van de rook. Hij heeft ook nog verklaard dat zijn woning veel schade heeft opgelopen. Zijn huis werd even later door de brandweercommandant onbewoonbaar verklaard vanwege de rookschade die zijn woning had opgelopen.

Door de bewakingscamera’s van het café zijn opnamen gemaakt. Bij het uitkijken daarvan is vastgesteld dat een man naar de vier stapels stoelen op het terras liep, een voorwerp tussen de stapels stoelen wegstopte, een sigaret opstak, zich voorover boog, met de linkerhand een brandende sigaret tussen de stapels stoelen legde en vervolgens met een aansteker een aantal keren vuur deed ontbranden tussen de stapel stoelen. Hierna is er brand ontstaan. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 27 juli 2009 de hem bekende [verdachte] in de nis bij café [naam café] heeft zien staan, dat die [verdachte] toen wegliep en dat een en ander toen in brand stond. Hij heeft geen andere personen in de buurt van het café gezien.

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij op de camerabeelden van [eigenaresse café] heeft gezien dat hij stoelen in brand heeft gestoken en dat daar een flinke brand op volgde.

Op grond van het voorgaande wordt bewezen geacht dat de verdachte brand heeft gesticht in café [naam café], terwijl er naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar voor personen te duchten was.

De raadsvrouwe heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan, inhoudende dat wanneer de rechtbank zou komen tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten was’, de analyse hiervan alsnog dient te worden uitgevoerd door een deskundige. Dit verzoek wordt afgewezen. Naar algemene ervaringsregels is het immers voorzienbaar dat het in de nachtelijke uren in brand steken van onroerend goed waarboven zich woningen bevinden, levensgevaar voor anderen op kan leveren. Uit de bewijsmiddelen komt voorts ook ruim voldoende duidelijk naar voren dat er daadwerkelijk levensgevaar voor een ander te duchten was, zodat er geen aanleiding wordt gevonden voor het gelasten van nader onderzoek hieromtrent.

Bewijsbeslissing feit 3

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [aangever] aangifte heeft gedaan van brandstichting van zijn Fiat Cinquecento. Hij heeft verklaard zijn auto op maandag 29 juni 2009 geparkeerd te hebben op een parkeerplaats ter hoogte van [adres] te Rotterdam. Op dinsdag 30 juni 2009 is hij door politiepersoneel gewezen op zijn uitgebrande auto.

De getuige [getuige 2], een goede kennis van de verdachte, heeft verklaard dat de verdachte hem heeft gezegd dat hij een personenauto, die voor zijn woning geparkeerd stond, in brand had gestoken op de dag dat getuige [getuige 2] in de woning van de verdachte was geweest en dat hij er daarna voor het raam naar had liggen kijken. Uit een mutatierapport van de politie blijkt dat dit de avond van 29 juni 2009 was, de dag waarop de verdachte ruzie had met zijn vriendin. Zowel de verdachte, zijn vriendin als de getuige [getuige 2] zijn die dag door de politie aangetroffen in de woning van de verdachte aan [adres] te Rotterdam.

De politie heeft de omgeving van de uitgebrande Fiat onderzocht. Aan de achterzijde van het voertuig waren meerdere bosschages aanwezig. Tussen deze bosschages stonden meerdere bomen. Deze stonden dusdanig dichtbij aangrenzende woningen, dat er een aannemelijke kans bestaat dat wanneer deze bomen vlam zouden vatten, de aangrenzende woningen eveneens vlam zouden vatten. Voorts stond de auto in de buurt van andere geparkeerd staande voertuigen. De brandweer heeft vastgesteld dat het zeer waarschijnlijk een aangestoken brand betrof.

Op grond van het voorgaande wordt vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de personenauto van de aangever [aangever] in brand heeft gestoken.

Bewijsbeslissing feit 6

Aangezien de verdachte dit feit heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, die in de bijlage II bij dit vonnis is opgenomen.

Bewezenverklaring

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij

in de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009

te Rotterdam

opzettelijk brand heeft gestichtbij een café, gelegen aan [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur

in aanraking gebracht met rieten stoelen

ten gevolge waarvan brand is ontstaan

en dat café gedeeltelijk is verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- dat café en de in dat café aanwezige goederen en

- de boven dat café gelegen woningen en daarin

aanwezige goederen, en

levensgevaar voor de in de boven dat café gelegen

woningen aanwezige personen te duchten was;

3. primair

hij

in de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 juni 2009

te Rotterdam

op of aan de openbare weg, het [adres],

opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een aldaar geparkeerd staande

personenauto merk/type Fiat Cinquecento, immers heeft verdachte toen

opzettelijk vuur in aanraking gebracht met (een)

brandbare stof(fen) en/of die brandbare/brandende stof(fen) in

aanraking gebracht met die personenauto, ten gevolge waarvan brand is

ontstaan en die personenauto geheel is verbrand, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor een of meer in de nabijheid geparkeerd staande

auto's en woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was;

6.

(437350-09)

hij

op 26 juli 2009 te Rotterdam

op of aan de weg, te weten het [adres], een luchtdrukwapen, zijnde (een)

voorwerp als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie,

heeft gedragen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3 primair

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

6

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht bij een horecapand en bij een auto. Bij het horecapand heeft hij rond middernacht enkele stapels terrasstoelen in brand gestoken. Door de ontstane hitte is een ruit van het café kapotgegaan, waarop de vlammen het café hebben kunnen binnendringen. Door deze brandstichting is gevaar voor goederen en levensgevaar voor de omwonenden ontstaan. Vrijwel de gehele inventaris van dit café moest als verloren worden beschouwd. Boven het café bevonden zich woningen. In de precies boven het café gelegen woning lagen op dat moment drie personen te slapen, waaronder een klein kind. Doordat een van de bewoners wakker is geworden van het lawaai buiten, heeft hij zichzelf en de andere bewoners in veiligheid kunnen brengen. Er kwam rook de woonkamer binnen en deze woning heeft dusdanig veel rookschade opgelopen dat deze door de brandweer onbewoonbaar werd verklaard. Ongeveer een maand daarvoor heeft de verdachte opzettelijk brand gesticht bij een personenauto. Deze auto is volledig uitgebrand. Deze auto stond in de buurt van woningen en bomen geparkeerd. Tenslotte is bewezen verklaard dat de verdachte op de openbare weg een luchtdrukwapen bij zich heeft gehad.

Verdachte heeft bij deze feiten personen – te weten de eigenaresse van het café, de bewoners van de daar bovengelegen woning en de eigenaar van de personenauto – getroffen. Door het plegen van dergelijke feiten is niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelden, maar is ook ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van hen. Bovendien veroorzaken brandstichtingen als deze grote maatschappelijke onrust en een groot gevoel van onveiligheid. De verdachte heeft zich daar niets aan gelegen laten liggen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Voorts zal bezien moeten worden of er aanleiding is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

In de onderhavige zaak is de verdachte opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (PBC) voor een onderzoek naar zijn geestvermogens. De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan dit onderzoek. Als gevolg daarvan konden de rapporteurs van het PBC de aan hen voorgelegde vragen over een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte, over de toerekeningsvatbaarheid, over de kans op herhaling en eventuele behandelingsmogelijkheden niet beantwoorden. Verwezen wordt naar het PBC-rapport van 15 april 2010, opgemaakt door psycholoog E. Stam en psychiater F.R. Kruisdijk.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende, eerder over de verdachte uitgebrachte rapporten:

- het Pro Justitia-rapport van drs. B.W. Roelofs - van Bon, gz-psycholoog en vast gerechtelijk deskundige d.d. 7 juli 2004;

- het Pro Justitia-rapport van N.W. Pesman, psychiater en vast gerechtelijk deskundige d.d. 12 juli 2004.

Het psychologische Pro Justitia-rapport uit 2004 spreekt over een borderline persoonlijkheidsstoornis gecombineerd met overmatig gebruik van alcohol. Ten gevolge van de persoonlijkheidsstoornis is er bij de verdachte sprake van tekortschietend verantwoordelijkheidsgevoel, een lacunair functionerend geweten met onvoldoende rem op impulsen en agressie, resulterend in een terugkerend patroon van grensoverschrijdend agressief gedrag. Geadviseerd werd de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De recidivekans wordt hoog ingeschat. Gelet op het mislukken van behandeling op vrijwillige basis in het verleden, concludeerde de psychologe ter voorkoming van recidive tot een behandeling in het kader van TBS met dwangverpleging.

Het psychiatrische Pro Justitia-rapport uit 2004 spreekt over een borderline persoonlijkheidsstoornis, gecombineerd met misbruik van alcohol. Geadviseerd werd de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De kans op herhaling werd als aanzienlijk ingeschat. Hulpverlening diende volgens de rapporteur plaats te hebben in een klinische setting. Geadviseerd werd oplegging van TBS met dwangverpleging.

Bij vonnis van 3 augustus 2004 heeft deze rechtbank de verdachte – mede aan de hand van de zojuist genoemde rapporten – onder meer veroordeeld tot TBS met dwangverpleging. De rechtbank heeft op 4 september 2006 de TBS met twee jaar verlengd.

In de geneeskundige verklaring van de kliniek waar de verdachte werd behandeld, opgesteld met het oog op de vordering tot verlenging van de TBS die ter zitting van 18 september 2008 is behandeld, kwam naar voren dat de verdachte voor wat betreft ziektebesef en ziekte-inzicht nauwelijks vooruitgang had geboekt. Het recidive-risico werd onaanvaardbaar hoog geacht en het advies werd gegeven de TBS opnieuw met twee jaar te verlengen. Bij uitspraak van 18 september 2008 heeft de rechtbank de vordering tot verlenging van de terbeschikingstelling met dwangverpleging evenwel afgewezen, nu in dit geval gelet op artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht de terbeschikkingstelling niet langer dan vier jaar kon duren.

Thans staat vast dat de verdachte zich binnen een jaar na zijn ontslag uit de TBS opnieuw heeft schuldig gemaakt aan brandstichtingen.

De gang van zaken zoals hiervoor geschetst overziend, concludeert de rechtbank dat aannemelijk is dat de persoonlijkheidsstoornis die destijds door de deskundigen is vastgesteld nog steeds aanwezig was ten tijde van het plegen van de thans bewezen verklaarde feiten. Aangenomen wordt verder dat er een verband bestaat tussen die stoornis en het plegen van de feiten. De verdachte wordt om die reden verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Dat er een verhoogde kans op herhaling van strafbare feiten bestaat als de verdachte niet wordt behandeld is duidelijk.

In aanmerking is genomen het feit dat de verdachte al eerder is veroordeeld. In het bijzonder wordt verwezen naar de hiervoor genoemde veroordeling voor brandstichtingen op 3 augustus 2004 en de veroordeling voor een poging tot brandstichting, op 16 oktober 2002.

Voorts is kennis genomen van het reclasseringsrapport van Bouman GGZ, van 1 juli 2010.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het hoge recidiverisico, de ernst van de onderhavige delicten en de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen eisen dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

De verdachte heeft bepleit dat hem een behandeling in een minder ingrijpend kader dan TBS wordt opgelegd. De rechtbank acht behandeling in een minder dwingend kader echter niet opportuun, nu uit de overgelegde rapporten blijkt dat de vele eerdere vormen van hulpverlening niet hebben geleid tot een structureel resultaat. Bovendien is een als noodzakelijk aan te merken onderzoek naar eventuele behandelalternatieven niet mogelijk geweest door de weigering van de verdachte mee te werken aan een onderzoek naar zijn geestestoestand.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht voor de feiten 1 primair en 3 primair.

Gelet op het bovenstaande zal ter zake feit 6 de verdachte schuldig worden verklaard zonder oplegging van straf.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], wonende te Krimpen aan den IJssel, terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.000,00.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte ter zake feit 2 geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9a, 37, 37a, 57, 62, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 54 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 3 primair en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

terzake de feiten 1 en 3:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (TWEE) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

terzake feit 2:

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die door de verdachte zijn gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil;

terzake feit 6:

verklaart de verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. De Bruijn en Poell, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2010.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 11 oktober 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009

te Rotterdam

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een café/pand, gelegen aan of

nabij de [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een of meer (rieten) stoel(en)

op het terras van dat café/pand aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur

in aanraking gebracht met een of meer (rieten) stoel(en) en/of dat café/pand,

althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan

en/of dat café/pand geheel of gedeeltelijk is verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- dat café/pand en/of de in dat café/pand aanwezige goederen en/of

- de boven en/of naast dat café/pand gelegen woning(en)/pand(en) en/of daarin

aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

levensgevaar voor de in de boven en/of naast dat café/pand gelegen

woning(en)/pand(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor

een ander of anderen, te duchten was;

(art. 157 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 27 juli 2009 tot en met 28 juli 2009

te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk een of meer gebouw(en), te weten een café en/of

een of meer woning(en), althans pand(en), gelegen aan of nabij de

[adres], en/of een of meer in die gebouw(en)/pand(en) aanwezige

goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam café] en/of [eigenaresse café] en/of [aangever], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en /

of onbruikbaar gemaakt door een of meer (rieten) stoel(en) op het terras van

dat café/pand aan te steken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te

brengen met een of meer (rieten) stoel(en) en/of dat café/pand en/of dat/die

woning(en);

(art. 352 jº 350 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij

op of omstreeks 28 juli 2009 te Rotterdam

op of aan de openbare weg, het [adres], in elk geval een openbare weg,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (aldaar geparkeerd staande)

(personen)auto (merk/type Mazda 2), immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk één of meer lap(pen) stof aangestoken, althans opzettelijk (open)

vuur in aanraking gebracht met één of meer lap(pen) stof, althans (een)

brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die lap(pen) stof, althans die

brandbare/brandende stof(fen) in aanraking gebracht met die (personen)auto,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die (personen)auto geheel of

gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer (in

de nabijheid geparkeerd staande) auto('s), in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

(art. 157 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 28 juli 2009 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk/type Mazda 2),

geparkeerd staande op of nabij het [adres], en/of een of meer in die

(personen)auto aanwezige goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [autobedrijf], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of

onbruikbaar gemaakt door één of meer lap(pen) stof, althans (een) brandbare

stof(fen) en/of die (personen)auto aan te steken, althans opzettelijk (open)

vuur in aanraking te brengen met één of meer lap(pen) stof, althans (een)

brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die lap(pen) stof, althans die

brandbare/brandende stof(fen) in aanraking te brengen met die (personen)auto;

(art. 350 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij

in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 juni 2009

te Rotterdam

op of aan de openbare weg, [adres], in elk geval een openbare weg,

opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een (aldaar geparkeerd staande)

(personen)auto (merk/type Fiat Cinquecento), immers heeft verdachte toen

aldaar opzettelijk (een) brandbare stof(fen) en/of die (personen)auto

aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een)

brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die brandbare/brandende stof(fen) in

aanraking gebracht met die (personen)auto, ten gevolge waarvan brand is

ontstaan en/of die (personen)auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor een of meer (in de nabijheid geparkeerd staande)

auto('s) en/of woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te

duchten was;

(art. 157 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 29 juni 2009 tot en met 30 juni 2009

te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (merk/type Fiat Cinquecento),

geparkeerd staande op of nabij het [adres], en/of een of meer in die

(personen)auto aanwezige goed(eren), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt

door (een) brandbare stof(fen) en/of die (personen)auto aan te steken, althans

opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen)

en/of (vervolgens) die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking te brengen

met die (personen)auto;

(art. 350 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij

op of omstreeks 26 juli 2009 te Rotterdam

opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een geparkeerd staande bromscooter in

de hal van een portiekwoning, gelegen aan of nabij [adres], immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk (een) brandbare stof(fen) en/of die

bromscooter aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht

met (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die brandbare/ brandende

stof(fen) in aanraking gebracht met die bromscooter, ten gevolge waarvan brand

is ontstaan en/of die bromscooter geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor die portiekwoning en/of de boven en/of naast die

portiekwoning gelegen woning(en) en/of daarin aanwezige goederen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, en / of levensgevaar voor de in die portiekwoning

en/of de boven en/of naast die portiekwoning gelegen woning(en) aanwezige

perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten

was;

(art. 157 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 26 juli 2009 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk een bromscooter, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [getuige], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar

gemaakt door (een) brandbare stof(fen) en/of die bromscooter aan te steken,

althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare

stof(fen) en/of (vervolgens) die brandbare/brandende stof(fen) in aanraking te

brengen met die bromscooter;

(art. 350 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij

op of omstreeks 27 juli 2009 te Rotterdam

opzettelijk brand heeft gesticht aan/bij een woning/pand, gelegen aan of nabij

de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een plastic

tas inhoudende een of meer servet(ten) tussen/bij (de spijlen van) het balkon

van die woning geplaatst en/of (vervolgens) die tas en/of (een) servet(ten)

aangestoken, althans opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een tas

inhoudende een of meer servet(ten) en/of (de spijlen van) het balkon van die

woning, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is

ontstaan en/of die/dat tas en/of servet(ten) en/of balkon geheel of

gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die

woning/dat pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen,

en/of de in die woning/dat pand aanwezige perso(o)n(en), in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

(art. 157 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 27 juli 2009 te Rotterdam

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te

stichten in/bij een woning/pand, gelegen aan of nabij [adres], terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gemeen gevaar voor personen te

duchten was, met dat opzet een plastic tas inhoudende een of meer servet(ten)

tussen/bij (de spijlen van) het balkon van die woning heeft geplaatst en/of

(vervolgens) die tas en/of (een) servet(ten) heeft aangestoken, althans

opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met een tas inhoudende een

of meer servet(ten) en/of (de spijlen van) het balkon van die woning/dat pand,

althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 157 jº 45 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 27 juli 2009 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk (de spijlen van) het balkon van een

woning/pand, gelegen aan of nabij [adres], in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Woningbouwvereniging Woonstad Rotterdam,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en /

of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt door een plastic tas inhoudende een

of meer servet(ten) tussen/bij (de spijlen van) het balkon van die woning te

plaatsen en/of (vervolgens) die tas en/of (een) servet(ten) aan te steken,

althans opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met een tas inhoudende

een of meer servet(ten) en/of (de spijlen van) het balkon van die woning/dat

pand;

(art. 350 Wetboek van Strafrecht)

6.

(437350-09)

hij

op of omstreeks 26 juli 2009 te Rotterdam

op of aan de weg, te weten [adres], een luchtdrukwapen, zijnde (een)

voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie,

heeft gedragen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(art. 27 Wet wapens en munitie)

Bijlage II bij vonnis van 11 oktober 2010:

Bewijsmiddelen

Feit 1.

-1

Een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door verbalisant van den Ende, nummer 2009260902-1 d.d. 28 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [eigenaresse café]:

Op maandag 27 juli 2009 bevond ik mij in mijn woning te Rotterdam. Ik ben eigenaar van eetcafé [naam café], gevestigd aan [adres] te Rotterdam. Ik werd gebeld door de alarmcentrale, dat het glas stuk zou zijn. Ik liep naar het café toe en zag dat het gehele terras en binnenzijde van het pand in brand stond. Voor het café bevindt zich een terras. Daar stonden vier stapels rieten stoelen. Op de camerabeelden zag ik dat een man iets tussen de rieten stoelen stak. De brand is vervolgens het eetcafé in geslagen. Binnen in het café is een hoop schade door de brand ontstaan. Ook de bovengelegen woningen hebben schade opgelopen.

-2

Een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door verbalisant Linssen, nummer 2009263911-1 d.d. 30 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [aangever]:

Ik ben eigenaar van de woning aan de [adres] te Rotterdam. Ik bevond mij op 27 juli 2009 in mijn woonkamer met mijn vriendin en mijn kind van acht maanden oud. Wij lagen te slapen. Ik hoorde een hoop herrie van buiten komen. Ik ben toen gaan kijken. Ik ben naar het raam in de woonkamer gelopen om te kijken wat er aan de hand was. Ik zag hoge vlammen en veel zwarte rook. Ik hoorde dat het glas van de balkondeur kraakte. Ik zag dat er allemaal rook in mijn woning kwam. Ik heb mijn vriendin en mijn kind mee naar buiten genomen om hen veilig te stellen. Ik had veel last van de rook. Het balkon is beschadigd, het glas van mijn slaapkamer en balkondeur is gebroken en de kleding in mijn kasten zijn zwart en stinken naar rook. Ook de meubels in mijn woning zijn zwartgeblakerd, de muren en het plafond zijn zwart.

-3

Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten Laurens en Nijhoff, nummer 2009260902-13 d.d. 31 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op dinsdag 28 juli 2009 gingen wij naar [adres] te Rotterdam, alwaar een brand zou zijn ontstaan. De directe woningen waren deels al door de brandweer ontruimd. Het ging hier om de huisnummers [nummer] en [nummer]. Huisnummer [nummer] werd door de brandweer vanwege de rookschade, onbewoonbaar verklaard. De brandweercommandant verklaarde aan ons dat zij net op tijd waren anders waren de gevolgen, zeker voor de woningen boven het restaurant, niet te overzien geweest.

-4

Een proces-verbaal van bevindingen (Forensische Opsporing) opgemaakt door verbalisanten van Pelt en Bos, nummer 2009260902-3 d.d. 28 juli 2009, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Het eetcafé [naam café] is gelegen aan [adres] te Rotterdam. Het gevelelement, bestaande uit een kunststof raamkozijn met daarin een dubbelglasruit, was ten gevolge van de inwerking van vuur en hitte gesprongen. In het gedeelte van het eetcafé wat zich daar direct achter bevond was het meubilair, de wanden en het plafond ten gevolge van de hitte en het vuur aangetast.

-5

Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant Van den Berg, nummer 2009260902-10 d.d. 29 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik stelde een onderzoek in naar de bewakingscamera’s van café [naam café]. Ik zag dat op 27 juli 2009 omstreeks 23:19:35 uur een man een voorwerp, gelijkend op een stuk krant tussen een stapel stoelen wegstopte. Omstreeks 23:21:12 boog de man zich voorover naar de stapel stoelen en legde een brandende sigaret tussen die stoelen. Ik zag dat hij een aansteker een aantal keren ontbrandde tussen de stapel stoelen. Omstreeks 23:21:30 sloeg het vuur om zich heen en om 23:28:16 stonden alle stapels stoelen in brand. Ik merk op dat deze tijdstippen in werkelijkheid 50 minuten later waren.

-6

Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten Van Son en Huijben, nummer 2009260902-7 d.d. 29 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De ons ambtshalve bekende [getuige], verklaarde dat hij gisterenavond getuige was geweest van het feit dat de hem bekende [verdachte] voor eetcafé [naam café] in een nis stond. Hij zag dat [verdachte] toen wegliep het een en ander in de brand stond voor het café en dat er geen andere personen in de buurt van het café waren. Met [verdachte] wordt waarschijnlijk bedoeld de ons ambtshalve bekende [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1982 te Rotterdam.

-7

De verklaring van de verdachte op de terechtzitting, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Het is dat ik de camerabeelden van de brand bij eetcafé [naam café] te Rotterdam in de nacht van 27 op 28 juli 2009 heb gezien. Ik zag mijzelf op die beelden stoelen in brand steken. Er is een flinke brand op gevolgd, helaas.

Feit 3.

-8

Een proces-verbaal van aangifte, opgemaakt door verbalisant van Wijngaarden, nummer 2009224141-1 d.d. 30 juni 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [aangever]:

Ik doe aangifte van brandstichting van mijn personenauto, merk Fiat, type Cinquecento. Op maandag 29 juni 2009 heb ik mijn auto in goede orde en onbeschadigd geparkeerd achtergelaten op [adres] te Rotterdam. Op dinsdag 30 juni 2009, omstreeks 05:15 uur, stond er politiepersoneel voor mijn woning. Ik ben toen naar mijn personenauto gelopen en ik zag dat deze volledig uitgebrand was. Ik kan u verklaren dat ik maandag 29 juni 2009 bij de politie een melding heb gedaan. Bij mijn directe bovenburen vond een vechtpartij plaats.

-9

Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant Van Son, nummer 2009224141-2 d.d. 27 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik sprak met [getuige]. Hij zei dat [verdachte] een paar weken terug tegen hem had gezegd dat hij een personenauto, die voor zijn woning geparkeerd stond, in brand had gestoken en dat hij vanuit zijn woning had toegekeken hoe de auto uitbrandde. [getuige] zei dat de brand had plaats gevonden op de dag dat hij in de woning van [verdachte] was geweest en [verdachte] ruzie had gehad met zijn vriendin. Daar was toen ook politie ter plaatse gekomen. Bij het raadplegen van Xpol zag ik, verbalisant, dat de politie op maandag 29 juni 2009, omstreeks 16.35 uur, naar [adres] te Rotterdam was gegaan in verband met een ruzie in de woning. Ter plaatse bleek toen dat [verdachte] in zijn woning ruzie had gekregen met zijn vriendin.

-10

Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant Meijboom, nummer 2009224141-4 d.d. 27 september 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op dinsdag 30 juni 2009 werd ik gestuurd naar het [adres] te Rotterdam. Ik zag dat er een voertuig in brand stond. Ik zag dat het voertuig met de achterzijde richting bosschages stond. Tevens zag ik dat er tussen deze bosschages meerdere bomen stonden. Ik zag dat deze bomen dusdanig in de buurt van aangrenzende woningen stonden dat er aan aannemelijke kans bestond dat wanneer deze bomen vlam zouden vatten, de aangrenzende woningen eveneens vlam zouden vatten. Ik zag dat het voertuig in de buurt van andere geparkeerd staande voertuigen stond. Ik zag dat de brandweer moeite had met blussen.

Feit 6.

-11

Een proces-verbaal van overtreding opgemaakt door verbalisant Van Son, nummer 2009259328-1 d.d. 26 juli 2009 (als bijlage gevoegd bij het algemeen proces-verbaal);

-12

De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting.

De bewijsmiddelen worden, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop zij betrekking hebben.