Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN9327

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
243582 / HA ZA 05-2205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Goederen per schip onder cognossement naar Nederland vervoerd en afgeleverd. Wie is de vervoerder? Ingevolge 5 IPR-wet zeerecht Nederlands recht van toepassing. Beide gedaagden moeten als zodanige vervoerder worden aangemerkt. Naar Nederlands recht kunnen als "vervoerder" in de zin van artikel 629 lid 2 onder a Rv alle personen worden verstaan die in artikel 8:461 BW als zodanig worden aangeduid. Iedere zodanige “vervoerder” kan zich jegens ladingbelanghebbenden ingevolge artikel 8:441 lid 2 BW op alle bedingen van de vervoerovereenkomst beroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 243582 / HA ZA 05-2205

Uitspraak: 13 januari 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAN PRODUCTEN ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TYBEX WAREHOUSING,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANDELSVEEM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. B.S. Janssen,

- tegen -

1. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

GUANGZHOU OCEAN SHIPPING COMPANY (COSCO GUANGZHOU),

gevestigd te Guangzhou, Volksrepubliek China,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

CHINA OCEAN SHIPPING COMPANY,

gevestigd te Beijing, Volksrepubliek China,

gedaagden,

advocaat mr. E.A. Bik.

1 Het verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding van 30 mei 1994;

- conclusie van eis;

- conclusie van antwoord mede houdende exceptie van onbevoegdheid, met twee producties, zijdens gedaagde sub 1 (hierna: Cosco Guangzhou);

- conclusie van antwoord mede houdende exceptie van onbevoegdheid, met twee producties, zijdens gedaagde sub 2 (hierna: Cosco);

- conclusie van repliek, tevens conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met achttien producties;

- conclusie van dupliek, met twee producties, zijdens Cosco Guangzhou;

- conclusie van dupliek, met drie producties, zijdens Cosco;

- pleitnota, tevens akte houdende overlegging van negen producties, zijdens eiseressen;

- pleitnota zijdens gedaagden;

- akte bij pleidooi, met vierendertig producties, zijdens gedaagden;

- pleitnota-repliek;

- dupliek (schriftelijk pleidooi);

- akte ter rolle houdende overlegging pleitnota-dupliek, met drie producties.

1.2

Partijen hebben schriftelijke pleidooien gehouden.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

2 De beoordeling

2.1

Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagden hoofdelijk, althans primair Cosco Guangzhou en subsidiair Cosco zal veroordelen om aan eiseres sub 1 te betalen de bedragen van NLG 432.219,79, NLG 11.120,- en NLG 8.160,15 vermeerderd met rente en kosten. Eiseressen voeren daartoe het volgende aan.

Eiseressen houden ieder van de gedaagden aansprakelijk voor schimmelschade aan drie onder cognossementen met nummers 26, 29 en 41 met het zeeschip “Xin An Jiang” van Quingdao, Volksrepubliek China, naar Rotterdam vervoerde en aldaar afgeleverde partijen grondnoten. Eiseressen houden Cosco Guangzhou aansprakelijk als vervoerder omdat zij zich onder de namens haar ondertekende cognossementen tot het vervoer heeft verbonden. Eiseressen houden ook Cosco aansprakelijk als vervoerder omdat de cognossementen op haar cognossementspapier zijn uitgesteld.

De schimmelschade aan de partijen grondnoten is door experts vastgesteld op NLG 432.219,79. Eiseressen hebben expertisekosten opgelopen tot het beloop van NLG 11.120,-. Eiseressen vorderen kosten wegens pogingen buiten rechte betaling te verkrijgen tot het beloop van NLG 8.160,15.

2.2

De conclusies van de gedaagden – die aanvankelijk ieder zelfstandig, maar in grote lijnen overeenstemmend, en later gezamenlijk verweer voeren – strekken tot onbevoegdverklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de eiseressen in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Het meest verstrekkende verweer van ieder van de gedaagden vormt hun beroep op onbevoegdheid van de rechtbank in de zin van het ontbreken van rechtsmacht. Gedaagden doen daartoe beroep op het volgende in elk van de cognossementen opgenomen beding:

“2. JURISDICTION. All disputes arising under or in connection with this Bill of Lading shall be determined by Chinese Law in the courts of, or by arbitration in the People’s Republic of China.”.

Voor zover dat cognossementsbeding de rechter in de Volksrepubliek China bevoegd verklaart en het wegens onvoldoende bepaaldheid ingevolge artikel 629 lid 2 Rv nietig is, treft die nietigheid niet het gedeelte van het beding waarin voor arbitrage in de Volksrepubliek China is gekozen. Derhalve is ingevolge artikel 1074 lid 1 Rv de Nederlandse rechter onbevoegd.

2.3

Eiseressen voeren verweer tegen het beroep op onbevoegdheid, waarbij zij het volgende aanvoeren.

Het aangehaalde cognossementsbeding is niet een zelfstandig arbitraal beding, maar een jurisdictieclausule in de zin van artikel 629 Rv. Omdat uit het cognossement niet duidelijk kenbaar welke rechter in de Volksrepubliek China bevoegd is, is dat beding ingevolge artikel 629 lid 2 Rv nietig.

Naar het recht van de Volksrepubliek China is voor de geldigheid van een arbitraal beding vereist dat de betreffende arbitragecommissie of het arbitrage-instituut waaraan het geschil dient te worden voorgelegd wordt vermeld. Omdat in het aangehaalde cognossementsbeding geen arbitragecommissie of arbitrage-instituut is vermeld, is dat beding ongeldig. Bovendien voldoet het cognossementsbeding niet aan de vereisten van het verdrag van New York. Derhalve is de rechtbank ingevolge het slot van artikel 1074 lid 1 Rv niet onbevoegd.

2.4.1

De rechtbank overweegt het volgende.

In een geval als het onderhavige, waarin zaken per schip onder cognossement naar Nederland zijn vervoerd en daar afgeleverd, dient ingevolge artikel 5 wet IPR zeerecht, binnenvaartrecht en luchtrecht de vraag wie als vervoerder onder cognossement moet worden aangemerkt te worden beantwoord aan de hand van Nederlands recht.

Tussen partijen is niet in geschil dat zowel Cosco Guangzhou als Cosco als vervoerder onder de cognossementen in de zin van artikel 8:461 lid 1 BW moet worden aangemerkt. Naar Nederlands recht kunnen als "vervoerder" in de zin van artikel 629 lid 2 onder a Rv alle personen worden verstaan die in artikel 8:461 BW als zodanig worden aangeduid. Iedere zodanige “vervoerder” kan zich jegens ladingbelanghebbenden ingevolge artikel 8:441 lid 2 BW op alle bedingen van de vervoerovereenkomst beroepen. Daarom kan zowel Cosco Guangzhou als Cosco beroep doen op het aangehaalde cognossementsbeding.

2.4.2

Artikel 629 lid 2 Rv verklaart nietig een forumkeuzebeding waarbij is afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel, kort gezegd de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot kennisneming van geschillen tussen een vervoerder en een ontvanger, die niet de afzender was, bij vervoer per schip naar een in Nederland gelegen eindbestemming, tenzij zulk een afwijkend beding “bevoegd verklaart een rechter van een met name genoemde plaats gelegen op het grondgebied van de staat waarin hetzij de vervoerder hetzij de ontvanger woonplaats heeft.” Zodanig forumkeuzebeding kan slechts als geldig worden aanvaard indien uit het cognossement duidelijk kenbaar is welke rechter in hetzij het land van de vervoerder hetzij het land van de ontvanger op grond van het beding als de exclusief bevoegde rechter wordt aangewezen. Op omstandigheden die voor de derde cognossementhouder niet uit het cognossement kenbaar zijn, behoort bij beantwoording van de vraag of de exclusief bevoegde rechter voldoende duidelijk is aangewezen, geen acht te worden geslagen.

In het aangehaalde cognossementsbeding worden “the courts of [..] the People’s Republic of China” bevoegd verklaard. Gesteld noch gebleken is dat elders in het cognossement wordt aangegeven in welke plaats in de Volksrepubliek China de bevoegde rechter zetelt. Daarom voldoet het aangehaalde cognossementsbeding niet aan de vereisten van artikel 629 lid 2 Rv, zodat het wat de aanwijzing van een bevoegde rechter betreft nietig is.

2.4.3

Zodanige nietigheid ingevolge artikel 629 lid 2 Rv brengt op zichzelf niet mee dat het gehele beding nietig is.

Artikel 629 Rv is niet van toepassing op arbitrale bedingen.

Gesteld noch gebleken is dat naar het recht van de Chinese Volksrepubliek nietigheid van een deel van een beding nietigheid van het gehele beding meebrengt. Integendeel, gedaagden hebben onderbouwd aangevoerd dat het aangehaalde cognossementsbeding naar dat recht geldig is. Naar Nederlands recht (artikel 3:41 BW) treft de nietigheid van een deel van een beding niet het gehele beding.

Derhalve dient het aangehaalde cognossementsbeding te worden gelezen met weglating van het nietige gedeelte ervan “the courts of”.

2.4.4

Vervolgens dient, om te bepalen of beroep wordt gedaan op een geldig arbitraal beding in de zin van artikel 1074 Rv waarin partijen zijn overeengekomen hun geschil aan een scheidsgerecht in de Volksrepubliek China voor te leggen, te worden onderzocht of het beding geldig is naar het toepasselijke recht, ingevolge het aangehaalde cognossemenstbeding: het recht van de Volksrepubliek China; daarover zijn partijen het eens.

Eiseressen voeren aan dat het cognossementsbeding niet geldig is naar het recht van de Volksrepubliek China, omdat daarin niet wordt bepaald in welke plaats en bij welk arbitrage-instituut of welke arbitragecommissie de vorderingen aanhangig gemaakt moeten worden. Voorts voeren eiseressen aan dat het cognossementsbeding niet voldoet aan de vereisten van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken van New York, 10 juni 1958 (Trb. 1959/58; hierna: Verdrag van New York).

Gedaagden betogen, onder overlegging van onder meer een opiniebrief van de jurist Yufang Gua/Jomec van 12 januari 2009, dat het cognossementsbeding een geldig arbitraal beding bevat en dat het recht van de Volksrepubliek China noch het Verdrag van New York voorschrijven dat in het arbitraal beding de plaats van arbitrage, het arbitrage-instuut of de arbitrage commissie wordt vermeld.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het Verdrag van New York stelt (in artikel II) geen andere vereisten dan een schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden alle of bepaalde geschillen aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen. Het aangehaalde cognossemenstbeding voldoet aan die vereisten. Eiseressen hebben ook niet gesteld in welk opzicht het cognossementsbeding niet aan die vereisten voldoet.

In 1993 en 1994 was in de Volksrepubliek China ten aanzien van arbitrage van kracht (in vrije Engelse vertaling) de Law of Civil Procedure of the People’s Republic of China adopted by the Fourth Session of the Seventh National People’s Congress van 9 april 1991 (hierna: LCP). Hoofdstuk XXVIII van Deel Vier van de LCP, bestaande uit de artikelen 257 tot en met 261, bevat bepalingen inzake arbitrage. Geen van die bepalingen schrijft voor dat in het arbitraal beding de plaats van arbitrage, het arbitrage-instuut of de arbitrage commissie wordt vermeld.

Eiseressen beroepen zich op artikel 257 LCP. Dat artikel luidt in de Engelse vertaling als volgt:

“With respect to contract disputes arising from the foreign economic, trade, transport or maritime activities of China, if the parties have stipulated clauses on arbitration in the contract or have subsequently reached a written agreement on arbitration, they shall submit such disputes for arbitration to the arbitration agency on foreign-related disputes of China, and they shall not bring a suit in a people's court.

If the parties have not stipulated clauses on arbitration in the contract or have not subsequently reached a written agreement on arbitration, they may file a lawsuit in the people's court.”

Anders dan eiseressen betogen, bevat die wetsbepaling niet de door eiseressen gestelde vereisten.

In het onderhavige geval hebben de contractsluitende partijen, Cosco Guangzhou en de afzender(s), “stipulated clauses on arbitration in the contract”, die in het cognossement zijn vastgelegd. Bovendien is in dat cognossementsbeding bepaald dat de arbitrage in de Volksrepubliek China dient plaats te vinden. Daarmee voldoet het cognossemenstbeding aan de destijds in de Volksrepubliek China ten aanzien van arbitrale bedingen geldende vereisten.

Eiseressen zijn als derden-houders van de cognossementen gebonden aan dat geldige arbitrale beding, nu het voldoende duidelijk in het cognossement is opgenomen.

Derhalve vormt het aangehaalde cognossementsbeding een geldig arbitraal beding in de zin van artikel 1074 Rv.

2.5

De slotsom is dat de rechter in Nederland onbevoegd is om van de vorderingen van eiseressen kennis te nemen.

2.6

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen eiseressen in de aan de zijde van gedaagden gevallen proceskosten worden veroordeeld. De kostenveroordeling zal voor wat betreft het salaris van de advocaat worden gebaseerd op 4 punten in Liquidatietarief VI en zal, als gevorderd en niet bestreden, bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.

3 De beslissing

De rechtbank,

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van eiseressen kennis te nemen;

veroordeelt eiseressen in de aan de zijde van gedaagden gevallen proceskosten, tot deze uitspraak bepaald op € 6.012,58 aan verschotten (griffierecht) en € 8.000,- aan salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1928