Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN7880

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
324535 / HA ZA 09-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijslevering; bewijsopdracht; bewijsbeoordeling. Nieuw inzicht waarmee de rechtbank ten tijde van het voorafgaande tussenvonnis niet bekend was en waarmee zij bij het formuleren van de bewijsopdracht geen rekening heeft gehouden. In zoverre berust het bij voormeld tussenvonnis opgedragen bewijs op een onjuiste feitelijke grondslag. Er is geen aanleiding om partijen de gelegenheid te geven zich nog eens uit te laten over deze kwestie, nu zij dit blijkens de door hen genomen aktes na tussenvonnis al hebben gedaan. De goede procesorde verzet zich er tegen dat de rechtbank in het onderhavige geval aan de aldus geformuleerde bewijsopdracht gebonden blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 324535 / HA ZA 09-414

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. Dijkema,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.M. Peet.

Partijen zullen hierna ABN AMRO en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 februari 2010, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de akte overlegging nadere productie na tussenvonnis aan de zijde van ABN AMRO;

- de akte uitlaten producties aan de zijde van [gedaagde].

2. De verdere beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

2.1. De rechtbank heeft in voormeld tussenvonnis ABN AMRO opgedragen te bewijzen dat op de woning van[adres]an de [adres]) executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning.

2.2. ABN AMRO heeft ter voldoening aan deze bewijsopdracht bij akte na tussenvonnis een beslagexploit van 14 juli 2006 van de Dienst Stedebouw & Volkshuisvesting Rotterdam (hierna: DS&V) in het geding gebracht. Uit dit beslagexploit blijkt dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd, aldus ABN AMRO. ABN AMRO heeft voorts aangevoerd dat dit beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij op een aan [gedaagde] in eigendom toebehorende woning op het adres [adres II]. Nu hieruit volgt dat DS&V een vordering heeft verkregen op [gedaagde] en derhalve beslag heeft gelegd op de aan [gedaagde] toebehorende woningen, waaronder de woning op de [adres], brengt dit met zich mee dat [gedaagde] niet te goeder trouw is geweest, aldus ABN AMRO.

2.3. [gedaagde] heeft aangevoerd dat ABN AMRO niet in de bewijslevering is geslaagd, nu vast staat dat sprake is geweest van ontmanteling van een wietkwekerij in de woning aan de [adres II], en dus niet aan de [adres]. Voorts blijkt uit het door ABN AMRO in het geding gebrachte beslagexploit niet dat het executoriaal beslag betrekking heeft op de ontmanteling van een wietkwekerij, aldus [gedaagde]. [gedaagde] heeft ten slotte aangevoerd dat wegens een wietplantage in een andere woning geen sprake kan zijn van eigen schuld of niet te goeder trouw zijn ten aanzien van de woning aan de [adres].

2.4. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals bij voormeld tussenvonnis onder r.o. 7.8 overwogen, is ABN AMRO gerechtigd de restantvordering bij [gedaagde] te innen, indien komt vast te staan dat [gedaagde] ten aanzien van het niet kunnen betalen van de hypothecaire geldlening niet te goeder trouw is geweest. In die omstandigheden is immers door toedoen van [gedaagde] de woning aan de [adres] uiteindelijk openbaar verkocht, hetgeen heeft geleid tot een verkoopopbrengst die verre van toereikend is om de hypothecaire geldlening af te lossen.

2.5. Uit het door ABN AMRO in het geding gebrachte beslagexploit blijkt dat uit kracht van een op 16 mei 2006 ten behoeve van DS&V tegen [gedaagde] uitgevaardigd dwangbevel de aan [gedaagde] in eigendom toebehorende woningen aan de [adres II], de [adres] en de [adres III] te Rotterdam in executoriaal beslag zijn genomen. Voorts staat, als door ABN AMRO gesteld en door [gedaagde] erkend, vast dat de wietkwekerij is ontmanteld in de woning aan de [adres II]. Ten slotte staat als door ABN AMRO gesteld, en door [gedaagde] erkend, vast dat de vordering van DS&V betrekking had op de ontmanteling van een wietkwekerij. De rechtbank acht op grond van deze vaststellingen voldoende aannemelijk dat het door DS&V gelegde beslag is uitgevaardigd in verband met de ontmanteling van de wietkwekerij op de [adres II]. [gedaagde] heeft bedoeld verband weliswaar betwist, maar heeft nagelaten zijn betwisting nader feitelijk te onderbouwen, waar dit gelet op de door ABN AMRO in het geding gebrachte stukken wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank gaat aan deze betwisting derhalve voorbij.

2.6. Dat [gedaagde] niet alleen eigenaar is (geweest) van de woning aan de [adres], maar kennelijk van meerdere woningen, is een nieuw inzicht waarmee de rechtbank ten tijde van voormeld tussenvonnis niet bekend was en waarmee zij bij het formuleren van de bewijsopdracht geen rekening heeft gehouden. In zoverre berust het bij voormeld tussenvonnis aan ABN AMRO opgedragen bewijs dat op de woning aan de [adres] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning op een onjuiste feitelijke grondslag. Er is geen aanleiding om partijen de gelegenheid te geven zich nog eens uit te laten over deze kwestie, nu zij dit blijkens de door hen genomen aktes na tussenvonnis al hebben gedaan.

De goede procesorde verzet zich er tegen dat de rechtbank aan de aldus geformuleerde bewijsopdracht gebonden blijft. Nu immers vaststaat dat DS&V er in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in de woning aan de [adres II] toe is overgegaan (tevens) executoriaal beslag te leggen op de woning aan de [adres], moet het er voor worden gehouden dat de woning aan de [adres] door toedoen van [gedaagde] uiteindelijk openbaar is verkocht als gevolg van de aanwezigheid van een wietkwekerij in een andere woning van [gedaagde]. Daaruit volgt dat [gedaagde] ook ten aanzien van de woning aan de [adres] niet te goeder trouw is geweest in de in r.o. 2.4 bedoelde zin. Dit zou wellicht anders zijn indien zou blijken dat de exploitatie van de wietkwekerij in de woning aan de [adres II] niet aan [gedaagde] zou kunnen worden toegerekend, maar dit is gesteld noch gebleken.

2.7. Geconcludeerd moet worden dat ABN AMRO in de bewijslevering is geslaagd. De rechtbank acht gelet daarop, onder verwijzing naar hetgeen zij daarover bij voormeld tussenvonnis onder r.o. 7.8 en 7.9 heeft overwogen, de door ABN AMRO in conventie gevorderde hoofdsom van € 51.295,35 te vermeerderen met de overeengekomen rente vanaf 11 september 2007 over € 50.358,47 toewijsbaar.

2.8. De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis onder r.o. 7.14 ten aanzien van de door [gedaagde] ingestelde reconventionele vordering overwogen dat, ingeval ABN AMRO slaagt in het bewijs van haar stelling dat op de woning van [gedaagde] executoriaal beslag is gelegd in verband met de ontmanteling van een wietkwekerij in die woning, daaruit volgt dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [gedaagde]. Alsdan is de omvang van de eigen schuld aan de zijde van [gedaagde] zodanig dat door hem geleden schade volledig voor zijn eigen rekening dient te blijven. Nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat ABN AMRO is geslaagd in de bewijslevering komt aan [gedaagde] geen beroep op schadevergoeding toe. De reconventionele vordering zal derhalve worden afgewezen.

2.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan ABN AMRO te betalen een bedrag van € 51.295,35 (zegge: éénenvijftigduizendtweehonderdvijfennegentig euro en vijfendertig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente over € 50.358,47 vanaf 11 september 2007 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 1.130,-- aan vast recht, op € 72,25 aan overige verschotten en op € 2.235,-- aan salaris voor de advocaat,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 894,-- aan salaris voor de advocaat,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.?