Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN7773

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
21-09-2010
Zaaknummer
336830 / HA ZA 09-2237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring consumentenkoop, artikel 7:28 BW. Vertegenwoordiging. Koper heeft nagelaten feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat het voor verkoper kenbaar was dat koper niet voor zichzelf handelde, maar voor een ander.

Koper draagt bewijslast van de door hem gestelde betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 336830 / HA ZA 09-2237

Vonnis van 21 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMSTERDAM DIAMOND CENTER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. E.F. Seunke,

tegen

[gedaagde],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. M.D. Winter.

Partijen zullen hierna respectievelijk “ADC” en “[gedaagde]” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding d.d. 12 augustus 2009 en de door ADC overgelegde producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 18 november 2009;

- de brief van mr. Seunke d.d. 15 januari 2010 met bijlagen;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 februari 2010 met aangehecht de stukken zoals die ter comparitie zijn overgelegd door mr. Seunke en mr. Winter en met aangehecht de brief van mr. Seunke d.d. 18 februari 2010;

- de akte van ADC met producties, tevens vermeerdering van de eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. In een fax d.d. 20 januari 2003 van de heer [X], werkzaam bij ADC, aan [gedaagde] staat vermeld, voor zover van belang:

“Bij dezen fax ik u hier de bevestiging van het door u bestelde horloge.

Het gaat om de Rolex Daytona witgoud met saffieren baguette lunette en diamanten pave wijzerplaat.(..)

Graag vraag ik u om het door ons telefonisch afgesproken aanbetaling bedrag over te maken”

2.2. Op een factuur d.d. 25 februari 2003 van ADC, die op naam staat van [gedaagde], staat voor het in de voormelde fax d.d. 20 januari 2003 genoemde horloge een bedrag van € 46.343,00 vermeld.

2.3. Op 3 maart 2003 heeft [gedaagde] aan ADC in mindering op het in de voormelde factuur d.d. 25 februari 2003 genoemde bedrag een bedrag van € 1.000,00 betaald.

2.4. Op 20 oktober 2003 heeft N.V. Sun Rice aan ADC in mindering op het in de voormelde factuur d.d. 25 februari 2003 genoemde bedrag een bedrag van € 37.444,00 betaald. Tevens heeft N.V. Sun Rice op 20 oktober 2003 een bedrag van € 37.450,00 van [gedaagde] Holding B.V. ontvangen.

2.5. Op verzoek van [gedaagde] is ter zake van het in de voornoemde fax d.d. 20 januari 2003 genoemde horloge door ADC een nieuwe factuur, gedateerd op 26 oktober 2003, op naam van [I] (hierna: [I]) opgemaakt. Tevens staat op deze factuur bij “tax refund” het bedrag van € 6.835,00 vermeld, met daaronder de tekst “for taxrefund purpose, stamp here”.

2.6. Op een factuur d.d. 29 oktober 2003 van ADC, die op naam staat van [I], staat voor het horloge HG RG 0 JLC MASTER COMPRESSOR een bedrag van € 11.885,00 vermeld.

2.7. Op 22 februari 2005 heeft [gedaagde] per bank een bedrag van € 3.000,00 aan ADC betaald.

2.8. Op een factuur d.d. 26 juli 2006 van ADC, die op naam staat van [gedaagde], staat voor het horloge HS ST 0 JLC M.COMPRESSOR WORLD een bedrag van € 7.500,00 vermeld. Tevens staat op deze factuur vermeld dat een bedrag van € 4.500,00 contant is voldaan en dat een bedrag van € 3.000,00 resteert.

2.9. [toenmalig directeur], toenmalig directeur van ADC, heeft een brief, gedateerd 6 januari 2009, aan [gedaagde] gestuurd waarin staat vermeld, voor zover van belang:

“Voor de goede orde herinneren wij u er nogmaals aan dat er in totaal nog een bedrag van € 19.784,00 open staat van aankopen door u gedaan in 2003 en 2006. (..)

Wij gaan ervan uit dat u begrijpt dat er een einde komt aan ons geduld. Indien de betaling niet voor 1 februari 2009 in ons bezit is zijn wij genoodzaakt juridische stappen te ondernemen.”

2.10. [gedaagde] heeft op 10 februari 2009 contant een bedrag van € 2.000,00 aan ADC betaald.

2.11. Mr. Seunke heeft een brief, gedateerd 29 juni 2009, aan [gedaagde] gestuurd waarin staat vermeld, voor zover van belang:

“Namens cliënte verzoek ik u – en voor zover nodig sommeer ik u- dit laatste bedrag ad € 17.784,00 nu binnen tien dagen na heden over te maken op onderstaand rekeningnummer (..) bij gebreke waarvan ik cliënte zal adviseren een procedure tegen u aanhanging te maken.”

2.12. Op 21 augustus 2009 heeft [gedaagde] per bank een bedrag van € 1.200,00 aan ADC betaald.

3. De vordering

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven- om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan ADC tegen kwijting te betalen een bedrag van € 16.584,00, te vermeerderen met de wettelijke rente primair vanaf 1 februari 2009, subsidiair vanaf 9 juli 2009 tot aan de dag van de voldoening, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft ADC aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1. [gedaagde] heeft in totaal drie horloges bij ADC gekocht op respectievelijk 25 februari 2003, 29 oktober 2003 en 26 juli 2006 ten bedrage van respectievelijk € 46.343,00, € 11.885,00 en € 7.500,00. [gedaagde] is uit hoofde van deze koopovereenkomsten nog een totaalbedrag van € 16.584,00 (€ 2.899,00 (horloge d.d. 25 februari 2003) + € 11.885,00 (horloge d.d. 29 oktober 2003) + € 1.800,00 (horloge d.d. 26 juli 2006)) verschuldigd.

3.2. [gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd over het totaal gevorderde bedrag van € 16.584,00 vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Primair is [gedaagde] in verzuim vanaf 1 februari 2009 en subsidiair vanaf 9 juli 2009.

4. Het verweer

Het verweer strekt primair tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot niet-ontvankelijk verklaring van ADC in haar vordering met betrekking tot de koop van de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van ADC in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1. [gedaagde] heeft namens [I] de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003 gekocht, zodat [I] aangesproken dient te worden en niet [gedaagde].

4.2. [gedaagde] is niets verschuldigd ten aanzien van de koop van het horloge op 26 juli 2006. Het gestelde openstaande bedrag van € 1.800,00 is al betaald door tussenkomst van de heer [Z] van ADC.

4.3. Subsidiair en voor zover [gedaagde] aangesproken kan worden voor het gevorderde bedrag ten aanzien van de koop van de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003 dient ADC niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering omdat deze is verjaard.

4.4. Voor zover [gedaagde] aangesproken kan worden voor het gevorderde bedrag ten aanzien van de koop van het horloge op 25 februari 2003 is [gedaagde] niets verschuldigd, omdat [gedaagde] geen BTW verschuldigd is over de koopsom en het resterende bedrag al is betaald.

4.5. Voor zover [gedaagde] aangesproken kan worden voor het gevorderde bedrag ten aanzien van de koop van het horloge op 29 oktober 2003 staat nog slechts een bedrag van € 2.488,00 open.

4.6. De gevorderde wettelijke rente is hooguit vanaf de dag van dagvaarding verschuldigd omdat de rente niet is aangezegd.

5. De beoordeling

Ten aanzien van de koop van de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003

5.1. [gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat de vordering met betrekking tot de koop van de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003 is verjaard.

Nu de koop van deze horloges een koop betreft van roerende zaken die is gesloten door een verkoper, die handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, betreft deze koop een consumentenkoop op grond van artikel 7:5 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Rechtsvorderingen als de onderhavige verjaren op grond van artikel 7:28 BW door verloop van twee jaren. De verjaring vangt aan op het moment dat de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar wordt. Nu niet is gesteld noch is gebleken dat partijen een termijn voor nakoming van de koopprijs van de horloges hebben afgesproken, volgt uit artikel 7:26 lid 2 BW dat de betaling van de koopprijs in beginsel moet geschieden ten tijde en ter plaatse van de aflevering.

Met betrekking tot de koop van het horloge op 25 februari 2003 heeft ADC gesteld dat [gedaagde] het horloge op 25 februari 2003 heeft ontvangen. [gedaagde] heeft dit betwist en aangevoerd dat hij het horloge in oktober 2003, na de betaling van het bedrag van € 37.444,00 op 20 oktober 2003 door N.V. Sun Rice aan ADC, heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat in geval het horloge op 25 februari 2003 aan [gedaagde] is geleverd, de koopprijs vanaf die datum opeisbaar was en dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:313 BW op 26 februari 2003 is aangevangen. De rechtbank is voorts van oordeel dat in geval het horloge in oktober 2003 aan [gedaagde] is geleverd, de koopprijs vanaf dan opeisbaar was en dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:313 BW de dag volgend op die dag is aangevangen. In dit stadium zal de rechtbank nog niet nader ingaan op de precieze aanvang van de verjaring. Indien dit noodzakelijk is, zal dit later aan de orde komen.

Met betrekking tot de koop van het horloge op 29 oktober 2003 heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat hij dit horloge op 12 december 2003 tijdens de Miljonair Fair heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de koopsom van dit horloge vanaf dan opeisbaar is en dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:313 BW op 13 december 2003 is aangevangen.

De rechtbank zal moeten beoordelen of de verjaring vanaf 26 februari 2003/oktober 2003 respectievelijk 13 december 2003 steeds tijdig is gestuit, waarbij wordt opgemerkt dat gelet op het tijdsverloop meerdere stuitingshandelingen nodig zijn.

5.2. De verjaring van een rechtsvordering wordt, gelet op artikel 3:317 lid 1 BW, gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Op degene die zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar tot de geadresseerde gerichte verklaring, rust de stelplicht en de bewijslast dat deze verklaring de geadresseerde ook (tijdig) heeft bereikt.

Voorts kan de verjaring van een rechtsvordering ingevolge artikel 3:318 BW worden gestuit door een erkenning van de schuld. Een erkenning van een schuld kan onder meer besloten liggen in het doen van een aanbod tot betaling, het betalen van een gedeelte van een schuld of het vragen van uitstel van betaling. Ten aanzien van het feit dat sprake is van een stuiting van de verjaring door erkenning rusten de stelplicht en bij betwisting de bewijslast ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtvordering (hierna: Rv) eveneens op ADC.

5.3. ADC heeft allereerst gesteld dat de verjaring van de onderhavige vordering ten eerste is gestuit door een bombardement van telefoontjes tussen 2003 en 2009 waarin [gedaagde] is aangemaand om de openstaande bedragen te betalen. Deze stelling kan ADC echter niet baten, nu deze gestelde telefoongesprekken niet voldoen aan het in artikel 3:317 lid 1 BW genoemde schriftelijke vereiste voor de stuiting van de verjaring.

Ten tweede heeft ADC de aanmaningsbrieven van 6 januari 2009 en 29 juni 2009 overgelegd. Deze brieven voldoen aan de vereisten voor een stuitingsbrief. [gedaagde] heeft voorts niet weersproken dat hij deze brieven heeft ontvangen en dat aan de inhoud van de brieven als zodanig stuitende werking toekomt. De rechtbank is van oordeel dat deze brieven stuiting van de verjaring opleveren, maar dat deze stuiting te laat is gelet op de hiervoor onder 5.1 besproken lengte en aanvang van de verjaringstermijn. Dit is anders wanneer komt vast te staan dat de verjaring voor 6 januari 2009 steeds tijdig is gestuit. Niet is gesteld, noch is gebleken dat voor 6 januari 2009 brieven zijn gestuurd die de verjaring kunnen hebben gestuit. Dit dient dus op andere wijze te zijn geschied.

Zoals hiervoor onder 5.2 overwogen kan een rechtsgeldige stuiting op grond van artikel 3:318 BW ook plaatsvinden door erkenning van de vordering. ADC heeft in dit kader gesteld dat [gedaagde] in telefoongesprekken en bij de betaling van het bedrag van € 2.000,00 op 10 februari 2009 heeft erkend dat hij de openstaande bedragen is verschuldigd. [gedaagde] heeft dit betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde erkenning op 10 februari 2009 eveneens te laat is gelet op de hiervoor besproken lengte en aanvang van de verjaringstermijn. De gestelde erkenning van [gedaagde] tijdens telefoongesprekken kan ADC slechts baten als dit heeft plaatsgevonden in de periode tussen 26 februari 2005/oktober 2005 respectievelijk 13 december 2005 tot 6 januari 2009 en er bovendien gelet op de verjaringstermijn sprake is van meerdere erkenningen die de verjaring telkens tijdig hebben gestuit.

Behalve dat [gedaagde] uitdrukkelijk (mondeling) aan ADC de vordering kan hebben erkend, kan betaling van een deel van de schuld ook een erkenning van de schuld inhouden die de verjaring stuit. De rechtbank stelt vast dat in mindering op de koopsommen van de onderhavige horloges op 3 maart 2003, 20 oktober 2003 en 22 februari 2005 de bedragen van respectievelijk € 1.000,00, € 37.444,00 en € 3.000,00 aan ADC zijn betaald. De rechtbank overweegt dat in het geval de betaling van 22 februari 2005 als erkenning van de schuld kan worden aangemerkt, deze betaling dient te gelden als tijdige stuiting van de verjaring, maar dat de nieuwe verjaringstermijn daarna voor 22 februari 2007 wederom moet zijn gestuit. Deze stuiting dient dan te bestaan uit een uitdrukkelijke erkenning door [gedaagde] omdat niet is gesteld noch is gebleken dat er in deze periode betalingen in mindering op de onderhavige koopsommen zijn verricht.

De rechtbank zal partijen de gelegenheid geven zich over het vorenstaande uit te laten en de zaak zal verwezen worden naar de rol voor het nemen van een conclusie. ADC zal eerst in de gelegenheid worden gesteld om zich nader uit te laten over de vraag of de betaling van 22 februari 2005 als erkenning van de schuld, die de verjaring kan hebben gestuit, kan worden aangemerkt en op welke vordering deze erkenning dan ziet. Tevens dient ADC zich uit te laten over de vraag of en zo ja wanneer in de periode tussen 26 februari 2003/oktober 2003 respectievelijk 13 december 2003 tot 6 januari 2009 de vordering (telkens) tijdig is gestuit door een uitdrukkelijke erkenning van [gedaagde]. Ook dient ADC zich uit te laten over de vraag of de betaling van de bedragen op 3 maart 2003 respectievelijk 20 oktober 2003 de verjaring hebben gestuit. ADC dient voorts een expliciet bewijsaanbod te doen. [gedaagde] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.

5.4. Indien niet vast komt te staan dat de verjaring (telkens) tijdig is gestuit dan dient ADC niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering ten aanzien van de koop van de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003. Voor het geval wel vast komt te staan dat de verjaring (telkens) tijdig is gestuit, overweegt de rechtbank als volgt.

5.5. Tussen partijen is in geschil met wie ADC de koop van de horloges op 25 februari 2003 en 29 oktober 2003 is aangegaan en wie uit hoofde daarvan de gevorderde bedragen is verschuldigd. De rechtbank zal eerst de koop van het horloge op 25 februari 2003 bespreken.

5.6. ADC heeft gesteld dat zij met [gedaagde] de koop van het horloge op 25 februari 2003 is aangegaan omdat [gedaagde] het horloge heeft besteld, gekocht en opgehaald. ADC heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de onder 2.1 en 2.2 vaststaande feiten. Tevens heeft ADC aangevoerd dat [gedaagde] op 3 maart 2003 per bank een bedrag van € 1.000,00 aan ADC heeft betaald en dat via de rekening van het bedrijf Sun Rice N.V. door [gedaagde] een bedrag van € 37.444,00 is betaald op 20 oktober 2003. [gedaagde] heeft de stelling van ADC betwist en gesteld dat hij namens [I] het horloge heeft gekocht. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat uit de gewijzigde factuur d.d. 26 oktober 2003 op naam van [I] volgt dat [I] het horloge heeft gekocht en dat [I] het bedrag van € 37.444,00 heeft betaald van de rekening van Sun Rice N.V. Van dit bedrijf was [I] op dat moment eigenaar.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 3:35 BW had het voor ADC kenbaar moeten zijn dat [gedaagde] niet voor zichzelf maar voor [I] het horloge heeft gekocht. In het licht van de opdrachtbevestiging van 20 januari 2003, de factuur van 25 februari 2003, de betaling van 3 maart 2003 en het feit dat [gedaagde] steeds alleen bij ADC verscheen, lag het op de weg van [gedaagde] om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat het voor ADC kenbaar was dat [gedaagde] niet voor zichzelf handelde maar voor een ander. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] dit, zelfs nadat hem daarnaar ter comparitie expliciet is gevraagd, nagelaten.

Weliswaar is de factuur d.d. 26 oktober 2003 op naam van [I] gesteld, maar uit deze tenaamstelling volgt niet zondermeer dat [gedaagde] namens [I] het horloge heeft gekocht. Hierbij acht de rechtbank relevant dat de tenaamstelling pas acht maanden na de koop van het horloge en op verzoek van [gedaagde] is gewijzigd. Daar komt bij dat ADC heeft gesteld dat de tenaamstelling van de factuur is gewijzigd zodat [gedaagde] via [I] het horloge kon laten uitvoeren waardoor hij recht kreeg op de BTW-korting en deze stelling wordt onderbouwd door de tekst “for taxrefund purpose, stamp here” op de factuur van 26 oktober 2003. Deze tekst staat niet op de factuur van 25 februari 2003. De rechtbank acht deze stelling van ADC niet onaannemelijk.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Hiermee is komen vast te staan dat ADC met [gedaagde] de koop van het horloge op 25 februari 2003 is aangegaan en dat [gedaagde] uit hoofde van deze koopovereenkomst de resterende koopsom is verschuldigd.

5.7. Met betrekking tot het door ADC gevorderde en door [gedaagde] betwiste bedrag van € 2.899,00 overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat vast dat het horloge voor een bedrag van € 46.343,00 is gekocht. Tevens staat tussen partijen vast dat de BTW van dit bedrag niet verschuldigd is indien het horloge door een niet-ingezetene wordt uitgevoerd en de factuur met stempel van de douane aan ADC wordt geretourneerd. Niet is komen vast te staan dat de gestempelde factuur door ADC is ontvangen en [gedaagde] heeft hiervan ook geen bewijs aangeboden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] de BTW wel verschuldigd is en daardoor de gehele koopsom van € 46.343,00. Hierop dienen de reeds betaalde bedragen van € 1.000,00 d.d. 3 maart 2003 en € 37.444,00 d.d. 20 oktober 2003 in mindering te worden gebracht. [gedaagde] heeft voorts niet weersproken dat hij bij de door hem aan ADC betaalde bedragen van € 3.000,00 d.d. 22 februari 2005 en € 2.000,00 d.d. 10 februari 2010 niet aan ADC heeft aangewezen op welke verbintenis deze betalingen zien. Gelet op het bepaalde in artikel 6:43 BW is ADC dan ook gerechtigd om deze bedragen in mindering te brengen op de oudste schuld en dus op de koopsom van het horloge dat op 25 februari 2003 is gekocht. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat, gelet op het overzicht van bedragen dat door hem als productie 4 bij conclusie van antwoord is overgelegd, ook een bedrag van € 1.500,00 in mindering op de onderhavige koopsom is betaald, overweegt de rechtbank als volgt. ADC heeft betwist dat zij het bedrag van € 1.500,00 heeft ontvangen en dat dit uit het door [gedaagde] overgelegde overzicht van bedragen voortvloeit. ADC heeft betwist dat zij dit bedrag als aanbetaling op het overzicht heeft geschreven. In het licht van deze betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. [gedaagde] heeft nagelaten om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat het bedrag van € 1.500,00 aan ADC is betaald in mindering op de onderhavige koopsom. Van [gedaagde] had op zijn minst verwacht mogen worden dat hij had onderbouwd op welke datum en op welke manier (bank/contant) het bedrag is betaald. De stelling van [gedaagde] is derhalve niet voldoende onderbouwd. Hiermee staat niet vast dat het bedrag van € 1.500,00 is betaald.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 2.899,00 (€ 46.343,00- € 1.000,00- € 37.444,00- € 3.000,00 - € 2.000,00) is verschuldigd. Dit bedrag is, mits de verjaring van deze vordering tijdig is gestuit, toewijsbaar.

5.8. De rechtbank zal voorts de koop van het horloge op 29 oktober 2003 bespreken. ADC heeft gesteld dat [gedaagde] deze koop met ADC is aangegaan en dat [gedaagde] uit hoofde daarvan de koopsom van € 11.885,00 is verschuldigd. ADC heeft ter onderbouwing aangevoerd dat [gedaagde] degene is geweest die het horloge heeft besteld en in ontvangst heeft genomen. [gedaagde] heeft de stelling van ADC betwist en gesteld dat hij namens [I] het horloge heeft gekocht. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat uit de op naam van [I] gestelde factuur van 29 oktober 2003 volgt dat [I] de koop van het horloge is aangegaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.6 ligt het ook bij de koop van dit horloge op de weg van [gedaagde] om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat het voor ADC kenbaar was dat [gedaagde] niet voor zichzelf handelde maar voor een ander. Hoewel daartoe eveneens in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] dit, zelfs nadat hem daarnaar ter comparitie expliciet is gevraagd, nagelaten. Het feit dat de onderhavige factuur op naam staat van [I] is niet van doorslaggevend belang nu, zoals hiervoor overwogen onder 5.6, het niet onaannemelijk is dat de factuur op naam van [I] is gezet zodat [gedaagde] via [I] het horloge kon laten uitvoeren waardoor [gedaagde] recht kreeg op de BTW-korting.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Hiermee is komen vast te staan dat ADC met [gedaagde] de koop van het horloge op 29 oktober 2003 is aangegaan en dat [gedaagde] uit hoofde van deze koopovereenkomst de koopsom is verschuldigd.

5.9. Met betrekking tot het door ADC gevorderde en door [gedaagde] betwiste bedrag van € 11.885,00 overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat vast dat het horloge voor een bedrag van € 11.885,00 is gekocht. Ten aanzien van de verschuldigdheid van de BTW over de koopsom overweegt de rechtbank dat net als bij de koop van het horloge op 25 februari 2003 niet is komen vast te staan dat de gestempelde factuur door ADC is ontvangen. [gedaagde] heeft hiervan ook geen bewijs aangeboden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] de BTW wel verschuldigd is en daardoor de gehele koopsom van € 11.885,00. De rechtbank stelt voorts vast dat nu de door [gedaagde] aan ADC betaalde bedragen van € 3.000,00 d.d. 22 februari 2005 en € 2.000,00 d.d. 10 februari 2010 reeds in mindering zijn gebracht op de koopsom van het horloge dat is gekocht op 25 februari 2003, deze bedragen niet in mindering kunnen worden gebracht op de onderhavige koopsom. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat hij in mindering op de onderhavige koopsom een bedrag van € 2.500,00 als aanbetaling aan ADC heeft betaald. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een reçu overgelegd. ADC heeft betwist dat zij dit bedrag van € 2.500,00 van [gedaagde] heeft ontvangen en tevens heeft ADC betwist dat dit volgt uit het door [gedaagde] overgelegd reçu. De rechtbank overweegt dat dit reçu geen betaalbewijs is. Het lag op de weg van [gedaagde] om zijn stelling nader te onderbouwen. [gedaagde] heeft nagelaten om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat het bedrag van € 2.500,00 aan ADC is betaald in mindering op de onderhavige koopsom. Daar komt bij dat [gedaagde] ter comparitie heeft aangevoerd dat hij geen bewijs heeft van de storting van € 2.500,00. De stelling van [gedaagde] is derhalve niet voldoende onderbouwd. Hiermee staat niet vast dat het bedrag van € 2.500,00 is betaald. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 11.885,00 is verschuldigd. Dit bedrag is, mits de verjaring van deze vordering tijdig is gestuit, toewijsbaar.

Ten aanzien van de koop van het horloge op 26 juli 2006

5.10. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] op grond van de koop van het horloge op 26 juli 2006 nog een bedrag is verschuldigd. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] op 26 juli 2006 een bedrag van € 4.500 en op 21 augustus 2009 een bedrag van € 1.200,00 in mindering heeft betaald op de koopsom van € 7.500,00. ADC heeft gesteld dat [gedaagde] het nog openstaande bedrag van € 1.800,00 is verschuldigd. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en hij heeft aangevoerd dat hij dit bedrag contant, in drie briefjes van € 500,00 en voor het overige in briefjes van € 50,00, via zijn neef de heer [Z] aan de heer [X] van ADC heeft betaald.

De rechtbank is van oordeel dat, nu [gedaagde] zich beroept op het door hem ingeroepen rechtsgevolg van de gestelde betaling, [gedaagde] de bewijslast draagt van deze stelling. [gedaagde] heeft hiervan ook expliciet bewijs aangedragen. Nadat de hiervoor onder 5.3 genoemde conclusie-wisseling heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank [gedaagde] toelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat hij het bedrag van € 1.800,00 aan ADC heeft betaald.

De gevorderde rente

5.11. Met betrekking tot de door ADC gevorderde rente overweegt de rechtbank als volgt. ADC heeft overeenkomstig artikel 6:119 BW de wettelijke rente te rekenen vanaf primair 1 februari 2009, subsidiair 9 juli 2009 gevorderd. [gedaagde] heeft betwist dat hij de gevorderde wettelijke rente vanaf die data verschuldigd is. Hij heeft aangevoerd dat de wettelijke rente hooguit toewijsbaar is vanaf de dag van dagvaarding omdat de wettelijke rente niet is aangezegd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:81 BW, de wettelijke rente kan worden toegewezen vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is. Voor het intreden van verzuim is overeenkomstig artikel 6:82 lid 1 BW een schriftelijke aanmaning (ingebrekestelling) vereist waarbij [gedaagde] een redelijke termijn voor de nakoming wordt gegeven. In de brief van 6 januari 2009 wordt [gedaagde] een termijn tot 1 februari 2009 gegeven om het bedrag van € 19.784,00 te betalen voor de aankopen die [gedaagde] in 2003 en 2006 heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat deze brief hiermee aan de door de wet gestelde vereisten van een ingebrekestelling voldoet, nu de brief een aanmaning tot betalen bevat met een duidelijke termijn, die redelijk is, en dat duidelijk is wat wordt gevorderd en op grond waarvan. Uit het voorgaande vloeit voort dat in het geval [gedaagde] veroordeeld wordt tot het betalen van een bedrag hij vanaf 1 februari 2009 in verzuim was en hij over het toe te wijzen bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 februari 2009.

5.12. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2010 voor het nemen van een conclusie aan de zijde van ADC als hiervoor bedoeld onder 5.3;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.?