Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN7294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
16-09-2010
Zaaknummer
334462 - HA ZA 09-1890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanneming van werk, verjaring, opschorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 334462 / HA ZA 09-1890

Vonnis van 9 juni 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Hoogvliet,

eiser,

advocaat mr. R.J. Michielsen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.A. Dronkers.

Partijen zullen hierna “[eiser]” en “[gedaagde]” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 9 juli 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis d.d. 28 oktober 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie d.d. 28 januari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Tussen [gedaagde] en [eiser] is - op basis van een begroting van [eiser] d.d. 5 maart 2002 - een overeenkomst gesloten met betrekking tot de sloop van een oude keuken en de inbouw van een nieuwe keuken in de woning, inclusief de levering van de daarbij behorende apparatuur en materialen (hierna ook te noemen: de “overeenkomst”).

2.2 De tekst van de bovenbedoelde begroting (productie 1 bij de dagvaarding) (hierna te noemen: de “begroting”) luidt als volgt:

“Begroting

Timmerwerk tarief I 25 uur à 21,60 550 Euro

Timmerwerk tarief II 20 uur à 82,00 1.640,00

Timmerwerk tarief III 90 uur à 14,65 1.320,00

Loodgieter 8 uur 27,50 220,00

Elektromonteur 16 uur 27,50 440,00

Stucadoor/tege1zetter 16 uur 27,50 440,00

Subtotaal arbeid 4.610,00

Meubels zonder apparatuur en accessoires 8.000,00

Accessoires, verlichting, 750,00

Materialen loodgieter 100,00

overige materialen elektrische instal1atie 100,00

Tegels + lijm en voegmiddel ca. 6 m2 250,00

Kelderdeur/kozijn 300,00

[F] keukenapparatuur (6 eenheden) 6.100,00

Klein-materiaa1 en onvoorzien 250,00

Granieten aanrechtbladen 2.682,00

Transport 100,00

Franke spoelbak 300,00

SubtotaaI materiaal en apparatuur 18.932,00

Totaal 23.542,00

Rotterdam, 5 maart 2002

[eiser]”

2.3 De werkzaamheden, die ingevolge de overeenkomst door [eiser] uitgevoerd dienden te worden, zouden worden verricht vanaf 25 april 2002. De keuken diende op 5 mei 2002 opgeleverd te worden (zie ook het document “Renovatie keuken [adres]”, eveneens productie 1 bij de dagvaarding).

2.4 [gedaagde] heeft in verband met de overeenkomst op 28 maart 2002 een bedrag van

€ 10.000,00 aan [eiser] voldaan.

2.5 [eiser] heeft vervolgens een document getiteld “Uitgaven nieuwbouwkeuken [gedaagde]” (productie 2 bij de dagvaarding) opgemaakt (hierna te noemen: de “balans”), waarvan de tekst als volgt luidt:

“Uitgaven nieuwbouwkeuken [gedaagde]

Balans op 21 april 2002

Storting op rekening 356 333 620 d.d. 28.03.2002 Euro 10.000,00

Franke rvs. 1½ spoelbak 419,50

Franke afvalsysteem 129,30

548,80 15% 466.48 19% BTW 555,11

[A] - [F]app. 7.544,00 18% 6.186,08

[A] – verw. bijdrage 30,35

[B] - wandtegels 5,5 m2 166,57

[C] - verlichting 8 stuks halogeen 175,00

[C] - schakelmateriaal 127,33

[D] – 2 stuks granieten aanrechtbladen 2.908,60

Totaal 10.149,04

2.6 Op 5 mei 2002 waren nog niet alle werkzaamheden door [eiser] uitgevoerd. [gedaagde] heeft nadien, op 20 mei 2002, nog een bedrag van € 5.000,00 aan [eiser] voldaan.

2.7 Na 23 mei 2002 heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht aan de keuken.

2.8 Bij nota van 5 augustus 2002 (productie 3 bij de dagvaarding) heeft [eiser] de slottermijn ter zake van arbeid en materiaal in rekening gebracht. De tekst van deze nota (hierna te noemen: de “slotfactuur”) luidt als volgt:

“(…)

Balans per 21.04.2002: te voldoen 149,04

Storting op 20.05.2002 5.000,00 -/-

arbeid: timmerman, 18 1/2 uur à 21,60 399,60

18 1/2 uur à 37,32 690,42

stucadoor incl. materiaal 135,00

tegelzetter, 2 man incl. materiaal 400,00

1oodgieter, 2 man incl. materiaal 620,00

electricien, 25 uur à 23,50 587,50

AA PROJECTS, 199 1/4 uur (zie urenstaat) à 12,50 2.490,63

Materiaal:

kasten opgebouwd uit 18 mm gelamineerd multiplex, 2-zijdig

belijmd met Perstorp, hang- en sluitwerk, pannen-carrousel,

uittrekkasten voorzien van verchroomde voorraadkorven etc. 8.282,77

halogeen onderbouw spots op 2 trafo’s 246,73

idem credit 175,00 -/-

electrotechnisch schakelmateriaal, groepenuitbreiding,

wand-contactdozen, oa, spatwater dicht, schakelaars,

flexbuis, kabel en draad, kleinmateriaal 427,58

div. [E] 47,40

voorstrijk, kozijnankers, YTONG binnenmuur blokken 52,84

div. sanitair 35,94

div. kleinmateriaal, wo. permagonvoegsel 37,25

rvs.buis 22 mm/16 mm + S-haken 46,00

[F] grasmaaier 125,95

Totaal 9.599,65

(…).”

2.9 [gedaagde] heeft in november 2002 een derde (afbouw-) werkzaamheden laten verrichten aan de keuken voor een bedrag van € 1.130,30 (zie productie 1 bij de conclusie van antwoord).

2.10 Omdat [gedaagde] het bedrag van de slotfactuur niet voldeed heeft A.W. Veth Gerechtsdeurwaarders namens [eiser] [gedaagde] per brief van 6 april 2004 gesommeerd om binnen vijf dagen een bedrag van € 12.143,82 te voldoen. Het betreft het bedrag van de slotfactuur inclusief - kort gezegd - rente en kosten.

2.11 A.W. Veth Gerechtsdeurwaarders heeft hierna aan [gedaagde] wederom een brief gedateerd 24 februari 2005 verzonden. Deze brief bevat onder meer de volgende passage:

“De heer [eiser] wenst derhalve het bedrag van 8000 euro tegen finale kwijting zoals bij het schikkingsvoorstel van 24 mei 2004 zeer spoedig en wel binnen vijf werkdagen op een der onderstaande rekeningnummers bijgeschreven zien”

Indien mevr. [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, zullen wij namens dhr. [eiser] een gerechtelijke procedure starten.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

een bedrag van € 12.143,82, uitvoerbaar bij voorraad, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2004 tot aan de datum der voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2 De vordering van [eiser] is als volgt opgebouwd:

- hoofdsom € 9.599,65;

- rente € 1.266,80;

- buitengerechtelijke kosten € 1.277,37.

3.3 Tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten heeft [eiser] het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd.

3.4 [eiser] heeft de slottermijn ter zake van arbeid en materiaal van € 9.599,65, die bij nota d.d. 5 augustus 2002 (de slotfactuur) in rekening is gebracht, ondanks sommatie, onbetaald gelaten. [eiser] is in verzuim geraakt op 11 april 2004.

3.5 [eiser] maakt aanspraak op buitengerechtelijke kosten, aangezien [gedaagde] niet vrijwillig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan. [eiser] vordert ten slotte de wettelijke rente vanaf de dag dat [gedaagde] in verzuim is gekomen.

3.7 [gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Op het verweer van [gedaagde] zal hieronder - voor zover van belang- nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Verjaring (artikel 7:28 BW)

4.1. Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard. [gedaagde] heeft daartoe primair aangevoerd dat de korte verjaringstermijn van artikel 7:28 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”) van toepassing is, nu het hier om consumentenkoop gaat. Ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een consumentenkoop heeft [gedaagde] (ter comparitie) aangevoerd dat uit de wet en de memorie van toelichting zou volgen dat in deze zaak het consumentenaspect prevaleert.

4.2 [eiser] heeft betwist dat de korte verjaringstermijn van toepassing is. Ter comparitie heeft [eiser] in dit verband gesteld dat de verjaringstermijn ex artikel 3:307 BW van toepassing is. [eiser] heeft zijn visie dat geen sprake is van een consumentenkoop gemotiveerd met zijn stellingen ter comparitie dat hij en [gedaagde] tot medio 2002 een (zeer) vriendschappelijke relatie hadden en dat de werkzaamheden zijn verricht in het kader van een vriendendienst.

4.3 De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Op zich is juist dat in bepaalde gevallen de bepalingen van consumentenkoop zonodig prevaleren boven andere bepalingen van het BW, zoals bijvoorbeeld de bepalingen ter zake van aanneming van werk (zie MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 809, nr. 3 p. 13). [gedaagde] miskent met haar stelling dat in deze zaak het consumentenaspect zou prevaleren echter, dat de vraag naar welke bepalingen van het BW voorrang hebben pas relevant wordt, indien kan worden vastgesteld dat inderdaad sprake is van een consumentenkoop.

4.4 Artikel 7:5 lid 1 BW definieert consumentenkoop als volgt: “In deze titel wordt verstaan onder ‘consumentenkoop’: de koop met betrekking tot een roerende zaak, elektriciteit daaronder begrepen, die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.”

4.5 Uit de jurisprudentie volgt dat ten aanzien van de vraag of een verkoper in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld beslissend is wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Veel zal afhangen van de manier waarop de verkoper naar buiten treedt. De professionaliteit van het handelen, dient aldus van geval tot geval te worden beoordeeld (vergelijk Gerechtshof Arnhem 6 november 2007, LJN BC2967).

4.6 Daarnaast geldt dat de bewijslast ter zake van de vereisten voor consumentenkoop op de koper rust - in dit geval [gedaagde] - die zich beroept op de (consumenten)bescherming die die kwalificatie oplevert. Volgens [gedaagde] is sprake van een consumentenkoop, omdat - zo begrijpt de rechtbank het verweer - [eiser] in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld.

4.7 Ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van consumentenkoop heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de volgende omstandigheden:

- de bedragen die met de werkzaamheden gemoeid zijn geweest zijn van dien aard, dat [eiser] zijn werkzaamheden niet als vriendendienst kan hebben verricht;

- [eiser] zou naar eigen zeggen meerdere klanten hebben gehad;

- uit de opslag van 40% op de keukenapparatuur die [gedaagde] en [eiser] volgens [eiser] zouden zijn overeengekomen volgt dat geen sprake kan zijn van een vriendendienst.

4.8 Anderzijds geldt evenwel dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord ook heeft gesteld dat afspraken werden gemaakt in de vriendschappelijke sfeer en dat de plaatsing van de keuken een vriendendienst betrof, zij het dat [eiser] ook zelf kon verdienen.

4.9 De rechtbank is van oordeel dat het voorwerp van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] niet is te kwalificeren als consumentenkoop. Het feit dat met de werkzaamheden een aanzienlijk bedrag is gemoeid, is geen onderscheidend criterium voor beroep- of bedrijfsmatig handelen. Zonder nadere motivering is verder evenmin voldoende voor de conclusie dat sprake is van beroep- of bedrijfsmatig handelen de omstandigheid dat [eiser] meerdere klanten had. Ten slotte geldt dat ook de omstandigheid dat [eiser] zou hebben kunnen verdienen aan de inkoop van de keukenapparatuur voor [gedaagde] (de 40% opslag op de keukenapparatuur), niet de conclusie kan rechtvaardigen dat daarom sprake is van beroep- of bedrijfsmatig handelen door [eiser] als verkoper.

4.10 Ook indien de rechtbank de omstandigheden die [gedaagde] heeft aangevoerd in samenhang beziet, brengt dit haar niet tot een ander oordeel, te meer daar niet alleen [eiser] maar ook [gedaagde] zelf heeft aangegeven dat sprake is geweest van een vriendendienst. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bovendien nog eens bevestigd door de verklaring van [gedaagde] ter comparitie dat haar raadsman [eiser] heeft horen zeggen dat bij een reguliere keukenhandelaar de kosten van de keuken een factor 2 tot 3 zouden bedragen, hetgeen [gedaagde] inhoudelijk niet heeft weersproken.

4.11 De rechtbank is daarom van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [eiser] als verkoper heeft gehandeld in de uitoefening van zijn bedrijf, zodat niet is voldaan aan de definitie van consumentenkoop. Het beroep van [gedaagde] op de korte verjaringstermijn van twee jaar slaagt gelet op het voorgaande dan ook niet.

Verjaring (artikel 3:307 BW)

4.12 [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat ook indien een verjaringstermijn van vijf jaren zou gelden, de vordering van [eiser] is verjaard. Volgens [gedaagde] kan de brief van 24 februari 2005 van A.W. Veth gerechtsdeurwaarders - ten aanzien waarvan [eiser] ter comparitie heeft gesteld dat deze brief de verjaring heeft gestuit - niet worden beschouwd als stuitingshandeling, omdat [eiser] zich in deze brief het recht op nakoming niet ondubbelzinnig heeft voorbehouden. Ter comparitie heeft [gedaagde] in dit verband aangegeven dat de in deze brief opgenomen passage “Indien mevr. [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, zullen wij namens dhr. [eiser] een gerechtelijke procedure starten” (zie ook sub 2.11 van dit vonnis) niet voldoende concreet is. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.13 Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 4 juni 2004, nr. C03/221, NJ 2004, 603).

4.14 Ter beantwoording van de vraag of sprake is van een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW geldt voorts dat niet de letterlijke tekst doorslaggevend is, maar dat tevens van belang is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden aan de mededeling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.15 De rechtbank overweegt in dit verband dat de brief van 24 februari 2005 van A.W. Veth gerechtsdeurwaarders niet op zich staat. A.W. Veth gerechtsdeurwaarders heeft [gedaagde] immers eerder, bijvoorbeeld bij brieven van 4 maart 2004 (productie 2 bij de conclusie van antwoord) en 6 april 2004 (productie 4 bij de dagvaarding) tot betaling gesommeerd. In laatstgenoemde brief wordt tevens een schikkingsvoorstel gedaan en worden rechtsmaatregelen strekkende tot verhaal van de vordering aangekondigd, indien betaling van het schikkingsbedrag zou uitblijven. De (toenmalige) raadsvrouwe van [gedaagde] heeft op laatstgenoemde brief per brief van 22 juni 2004 (productie 7 bij de dagvaarding) met een tegenvoorstel gereageerd. Zoals uit de passages opgenomen in sub 2.11 van dit vonnis volgt, bevat ook de brief van 24 februari 2005 weer een schikkingsvoorstel. Deze brief maakt daarbij onmiskenbaar duidelijk dat indien het schikkingsbedrag niet tijdig wordt voldaan, rechtsmaatregelen zullen volgen.

4.16 In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan de mededelingen in de brief van 24 februari 2005 van A.W. Veth gerechtsdeurwaarders redelijkerwijs geen andere uitleg kan worden gegeven dat [eiser] zich hiermee ondubbelzinnig het recht op nakoming van zijn vordering heeft voorbehouden. [gedaagde] is derhalve voldoende gewaarschuwd dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moest houden dat zij de beschikking hield over gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door [eiser] ingestelde vordering behoorlijk zou kunnen verweren.

4.17 De rechtbank concludeert dan ook dat de brief van 24 februari 2005 van A.W. Veth gerechtsdeurwaarders de verjaring heeft gestuit. Het (subsidiaire) beroep op verjaring van [gedaagde] slaagt mitsdien niet. In dit verband is tevens van belang dat [eiser] binnen de na stuiting opnieuw aangevangen verjaringstermijn (tijdig) een inleidende dagvaarding heeft uitgebracht (vergelijk artikel 3:316 BW).

Toerekenbaar tekort schieten

4.18 [gedaagde] heeft verder als verweer tegen de vordering van [eiser] aangevoerd dat [eiser] gebrekkig heeft geleverd en toerekenbaar tekort is geschoten. [gedaagde] heeft gesteld dat zij tussen 6 mei en 23 mei 2002 [eiser] (vergeefs en) herhaaldelijk heeft verzocht zijn werkzaamheden deugdelijk af te ronden. In dit verband heeft [gedaagde] in haar conclusie van antwoord gewezen op diverse werkzaamheden die per 23 mei 2002 niet waren afgerond, die zij uiteindelijk door een derde heeft laten uitvoeren. [eiser] heeft één en ander onbetwist gelaten.

4.19 Voor zover [gedaagde] in relatie tot de vordering van [eiser] heeft bedoeld een beroep te doen op verrekening, kan een dergelijk beroep evenwel niet worden aanvaard. Immers, [gedaagde] zou dan een vordering tot vervangende schadevergoeding wensen te verrekenen (vergelijk artikel 6:87 BW). Los van het feit dat gesteld nog gebleken is dat sprake is geweest van een omzettingsverklaring in de zin van dit artikel, geldt dat in een dergelijk geval niet alleen is vereist dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten, maar ook dat hij in verzuim heeft verkeerd. Dat dit het geval is, heeft [gedaagde] niet gesteld. Zo is gesteld noch gebleken dat [eiser] schriftelijk in gebreke is gesteld in de zin van artikel 6:82 BW, terwijl evenmin is gesteld of gebleken dat een ingebrekestelling achterwege kon blijven, omdat een van de situaties zoals genoemd in artikel 6:83 BW zich heeft voorgedaan. Dat een ingebrekestelling achterwege kon blijven op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft [gedaagde] evenmin gesteld.

Verplichting tot verantwoording van uitgaven

4.20 [gedaagde] heeft verder als verweer gevoerd dat [eiser] tekort is geschoten in zijn verplichting tot - zoals [gedaagde] dit stelt - het afleggen van rekening en verantwoording. Aangezien [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard dat, indien zij een juiste weergave van de kosten had gekregen van [eiser], zij uiteraard betaald had, vat de rechtbank dit verweer op als een beroep op een opschortingrecht. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.21 [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij veelvuldig werkzaamheden voor de Haan heeft verricht, altijd op basis van nacalculatie, en dat hij er van uitging dat ook in dit geval op basis van zijn nacalculatie zou worden afgerekend. [gedaagde] heeft zulks niet betwist en zij heeft ter comparitie ook erkend dat zij [eiser] meerdere malen het woord nacalculatie heeft horen zeggen.

4.22 Vaststaat dat [eiser] zijn uitgaven heeft verantwoord door het verstrekken van de slotfactuur met urenoverzicht en de balans. De rechtbank neemt aan dat [eiser] ook meende aldus aan zijn verplichtingen te hebben voldaan en dat tot afrekening zou kunnen worden overgegaan.

4.23 De rechtbank is van oordeel dat [eiser] op dat moment met deze documenten voorshands voldoende inzicht heeft gegeven in de uitgaven die hij heeft gedaan. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat, behoudens de verantwoorde uren voor de post Timmerwerk tarief III, waarop hieronder nog nader zal worden ingegaan, (de posten op) deze documenten niet in significante mate afwijken van de (posten op de) begroting.

4.24 Ook al rustte op [eiser] de verplichting om, indien [gedaagde] hem daarom verzocht, van de materialen en apparatuur aankoopbonnen te verstrekken, dan rechtvaardigt het niet direct verstrekken van die stukken niet het niet nakomen van de resterende betalingsverplichting door de Haan jegens [eiser]. Dat [gedaagde] er een bijzonder belang bij had dat die stukken (direct) aan haar werden verstrekt en dat zij [eiser] daarop heeft gewezen, is immers gesteld, noch gebleken.

4.25 Het door [gedaagde] gedaagde gedane beroep op een opschortingsrecht wordt op grond van het voorgaande verworpen.

Risico-opslag

4.26 [gedaagde] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen het bedrag dat door [eiser] in rekening is gebracht voor de [F]-keukenapparatuur (zie de balans, sub 2.8 van dit vonnis). Achtergrond hiervan is de door [eiser] niet betwiste stelling dat deze voor de keukenapparatuur een bedrag van € 4.496,00 (ex BTW) aan zijn leverancier heeft betaald, terwijl hij [gedaagde] hiervoor een bedrag van € 6.186,08 (incl. BTW) in rekening heeft gebracht. Kort gezegd is [gedaagde] van mening dat [eiser] hier ten onrechte een risico-opslag in rekening brengt.

4.27 Aangezien [gedaagde] laatstgenoemd bedrag feitelijk heeft voldaan, nu zij immers het bedrag (saldo) van de balans, waarop deze keukenapparatuur is vermeld al (grotendeels) heeft voldaan door de betalingen van € 10.000,00 en € 5000,00 aan [eiser], begrijpt de rechtbank dit verweer aldus dat [gedaagde] hiermee bedoelt een beroep te doen op onverschuldigde betaling (het verschil tussen het bedrag van € 4.496,00 en € 6.186,08) en verrekening met het overigens door haar aan [eiser] verschuldigde. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.28 De tussen partijen gesloten overeenkomst dient te worden aangemerkt als een overeenkomst tot aanneming van werk in de zin van art. 7:750 BW, nu [eiser] zich bij deze overeenkomst verbonden heeft tegen een bepaalde prijs een bepaald werk van stoffelijke aard tot stand te brengen.

4.29 Nu [eiser] zijn aanvankelijk bij dagvaarding geponeerde stelling dat in het kader van de overeenkomst sprake is geweest van een vaste aanneemsom heeft verlaten, door ter comparitie te verklaren dat zou worden afgerekend op basis van nacalculatie, hetgeen [gedaagde] op haar beurt onbetwist heeft gelaten, staat vast dat partijen geen (vaste) prijzen zijn overeengekomen voor de te leveren materialen, zoals de onderhavige keukenapparatuur.

4.30 Artikel 7:752 lid 1 BW bepaalt dat indien bij het sluiten van de overeenkomst geen (vaste) prijs is bepaald, de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd is. De opdrachtgever is eveneens een redelijke prijs verschuldigd, indien slechts een richtprijs is bepaald, doch daarbij geldt volgens artikel 7:752 lid 2 BW dat deze richtprijs in beginsel met niet meer dan 10% mag worden overschreden.

4.31 Tussen partijen is niet in geschil, dat [eiser] de keukenapparatuur heeft geleverd en geïnstalleerd, zodat [gedaagde] aan [eiser] in beginsel een redelijke prijs verschuldigd is, zoals bepaald in artikel 7:752 lid 1 BW. Bij de bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de door [eiser] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.32 Met betrekking tot het eerste criterium betreffende de gewoonlijk bedongen prijzen, stelt [gedaagde] feitelijk niet meer dan dat [eiser] er in is geslaagd om de keukenapparatuur in te kopen bij een leverancier voor een bedrag van € 4.496,00 ex BTW. Zulks brengt echter niet met zich dat die prijs de prijs is, die [eiser] gewoonlijk bedingt in relatie tot zijn opdrachtgevers. Het verweer van [gedaagde] is op dit punt derhalve

onvoldoende concreet onderbouwd.

4.33 Met betrekking tot het tweede criterium (de gewekte verwachtingen), geldt het volgende. [eiser] heeft in de begroting voor de keukenapparatuur een post opgenomen van € 6.100,00. Gelet op het bedrag dat uiteindelijk door [eiser] in rekening is gebracht (€ 6.186,08) kan niet worden gesteld dat dit bedrag ernstig uit de pas loopt met de als gevolg van de begroting verwekte verwachtingen. Voor zover het bedrag uit de begroting is op te vatten als een richtprijs geldt voorts dat dit bedrag niet met meer dan 10% is overschreden.

4.34 De rechtbank concludeert dan ook dat het bedrag van € 6.186,08 dat door [eiser] aan [gedaagde] in rekening is gebracht voor de keukenapparatuur een redelijke prijs is. Het beroep op onverschuldigde betaling (verrekening) faalt mitsdien.

4.35 Voor zover [gedaagde] bezwaren heeft ten aanzien van overige in de balans opgevoerde posten heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd dat [eiser] buitensporig hoge prijzen (als gevolg van een risico-opslag) in rekening heeft gebracht, zodat het ervoor moet worden gehouden, dat [eiser] ook hier gangbare prijzen heeft berekend.

De slotfactuur

4.36 De rechtbank komt hiermee tot de (inhoudelijke) beoordeling van de vordering van [eiser] (de slotfactuur).

4.37 Aangezien zoals hiervoor is aangegeven het beroep op onverschuldigde betaling in relatie tot hetgeen naar aanleiding van de balans door [gedaagde] is betaald, faalt, is het restantbedrag ad € 149,04 opgenomen in de slotfactuur toewijsbaar.

4.38 De rechtbank zal onderstaand de posten voor arbeid en materiaal van de slotfactuur beoordelen.

Timmerwerk tarief I

4.39 Ten aanzien van de post “timmerman 18 ½ uur à 21,60” overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uit de begroting volgt gaat het hier om timmerwerk tarief I (zie ook hier de vermelding van het bedrag van € 21,60, zie sub 2.2 van dit vonnis).

4.40 [gedaagde] heeft niet betwist dat de met deze post corresponderende werkzaamheden zijn uitgevoerd en heeft ten aanzien van deze post evenmin het aantal gewerkte uren ter discussie gesteld.

4.41 De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze werkzaamheden ad € 399,60. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

Timmerwerk tarief II

4.42 Ten aanzien van de post “timmerman 18 ½ uur à 37,32” overweegt de rechtbank

als volgt. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat in de begroting bij de post Timmerwerk tarief II abusievelijk een gulden-prijs is opgenomen (ƒ 82,00) en dat in de

slotfactuur de juiste prijs is opgenomen (in euro’s). Gelet op het feit dat [gedaagde] zulks onbetwist heeft gelaten gaat de rechtbank ervan uit dat voornoemde post uit de slotfactuur ziet op het Timmerwerk tarief II uit de begroting (zie sub 2.2. van dit vonnis).

4.43 [gedaagde] heeft niet betwist dat de met deze post corresponderende werkzaamheden zijn uitgevoerd en heeft ten aanzien van deze post evenmin het aantal gewerkte uren ter discussie gesteld.

4.44 De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze werkzaamheden ad € 690,42. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

Stucadoor, tegelzetter, loodgieter en elektricien

4.45 Ten aanzien van de posten “stucadoor incl. materiaal,” “tegelzetter, 2 man incl. materiaal,” “loodgieter 2 man incl. materiaal” en “elektricien 25 uur à 23,50” geldt dat [gedaagde] niet heeft betwist dat de met deze posten corresponderende werkzaamheden zijn uitgevoerd. [gedaagde] heeft evenmin de hoogte van deze posten ter discussie gesteld. Daarenboven kwamen deze posten reeds voor op de begroting die [eiser] eerder opstelde (zie sub 2.2. van dit vonnis).

4.46 De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze werkzaamheden ad respectievelijk € 135,00, € 400,00, € 620,00 en € 587,50. Deze bedragen zijn derhalve toewijsbaar.

Timmerwerk tarief III

4.47 Ten aanzien van de post “AA Projects 199 ¼ uur (zie urenstaat) à 12,50” overweegt de rechtbank als volgt. Zoals uit de begroting volgt gaat het hier om timmerwerk tarief III (zie ook hier de vermelding van het bedrag van € 12,50 in de begroting, zie sub 2.2. van dit vonnis).

4.48 Bedoelde urenstaat (“overzicht uren projecten”), productie 8A bij de dagvaarding, bevat een handgeschreven overzicht van gewerkte uren, waarvan hieronder de weergave:

“Datum Project – naam Omschrijving Tijd start/einde

keuken 6 uur

6 uur laatste drie dagen

6 uur

25.03 [onleesbare passage, toev. rechtbank] 4

26.03 8

27 8

04.04 1

24.04 5

25 14 1/2

26 9

29 1

30 4

31 13 1/2

02 18

03 14 1/4

04 13

05 4

06 11 1/2

7 11 1/2

8 9 1/2

9 9 1/2

10 9 1/2

11 7 3/4

15 3 1/2

16 6 1/2

23 4 3/4

02.04 klok + stoel 2

04.04 stoel 1”

4.49 Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat de bestede 199 (1/4) uren geheel correct zijn weergegeven en dat de uren al zijn werkzaamheden omvatten met betrekking tot de keuken, te weten vanaf het moment van het ontwerpen van de keuken tot de uiteindelijke afwikkeling.

4.50 In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] aangevoerd dat op grond van de begroting 90 uren arbeid benodigd zouden zijn geweest om de oude keuken eruit te slopen en de nieuwe keuken te installeren. Tevens heeft zij betwist dat in de periode tussen 6 mei en 23 mei 2002, zoals volgens [gedaagde] uit de urenstaat volgt, nog eens 93 uur door [eiser] zou zijn gewerkt. Dit acht [gedaagde] onmogelijk. In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] in dit verband verder ook gesteld dat [eiser] zich in de periode na 6 mei 2002 nog wel een aantal keer heeft laten zien in het pand van [gedaagde], maar dat de werkzaamheden niet werden afgerond. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.51 De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] tot en met 5 mei 2002 het aantal uren gewerkt heeft zoals deze volgen uit de urenstaat. De rechtbank zal dit aantal uren - in totaal 117 1/4 - zoals deze volgen uit de urenstaat daarom als vaststaand aannemen. De rechtbank gaat in dit verband voorbij aan de ongemotiveerde stelling van [gedaagde] ter comparitie dat onduidelijk is waarop de urenstaat betrekking heeft. Gelet op de omschrijving van het project (keuken) in de urenstaat en de daarop voorkomende data, moet deze urenstaat geacht worden betrekking te hebben op de onderhavige werkzaamheden, zoals [eiser] ook heeft gesteld.

4.52 Ten aanzien van het aantal uren na 5 mei 2002 op de urenstaat beslist de rechtbank anders. Tegen de achtergrond van gemotiveerde betwisting door [gedaagde] van deze uren is rechtbank van oordeel dat het op de weg van [eiser] had gelegen om - kort gezegd - nader te onderbouwen waarom een dergelijk aantal arbeidsuren in dat stadium nog noodzakelijk is geweest, te meer daar [eiser] ter comparitie zelf heeft gesteld dat bij de uitvoering van de werkzaamheden geen sprake is geweest van onvoorziene omstandigheden (risico’s) en [eiser] voorts onbetwist heeft gelaten de stelling van [gedaagde] dat de werkzaamheden op 5 mei 2002 hadden moeten zijn afgerond. [eiser] heeft op dit punt derhalve zijn gemotiveerde stelplicht verzaakt. In die zin slaagt het verweer

van [gedaagde] ter zake van het door [eiser] na 5 mei 2002 gewerkte uren. [eiser] kan derhalve geen aanspraak maken op vergoeding van deze uren.

4.53 Uit het voorgaande volgt dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van de uren tot en met 5 mei 2002, derhalve 117 ¼ x € 12,50 = € 1.465,62. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

Kasten c.a.

4.54 Ten aanzien van de post “kasten c.a.” ad € 8.282,77 overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft niet betwist dat de betreffende materialen door [eiser] zijn geleverd en geïnstalleerd. [gedaagde] heeft evenmin de hoogte van deze post ter discussie gesteld. Daarenboven kwamen deze post reeds voor op de begroting die [eiser] eerder opstelde (zie “meubels zonder apparatuur en accessoires,” sub 2.2 van dit vonnis).

4.55 De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze materialen ad € 8.282,77. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

Halogeen onderbouw spots

4.56 Ten aanzien van de post “halogeen onderbouw spots” overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze spots zijn geplaatst en evenmin de hoogte van deze post (gemotiveerd) betwist. Daarenboven komt in de begroting ook een post verlichting voor (zie sub 2.2. van dit vonnis).

4.57 De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze materialen ad € 246,73. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

Electrotechnisch schakelmateriaal c.a.

4.58 Ten aanzien van de post “electrotechnisch schakelmateriaal c.a.” overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft niet heeft betwist dat deze materialen zijn gebruikt en evenmin de hoogte van deze post (gemotiveerd) betwist.

4.59 De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze materialen ad € 427,58. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

Overige posten.

4.60 Ten aanzien van de overige posten van de slotfactuur overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat de materialen zoals opgevoerd bij de posten zijn gebruikt en evenmin de hoogte van deze posten (gemotiveerd) betwist. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de vergoeding van deze posten ad € 47,40, € 52,84, € 35,94, € 37,25,

€ 46,00 en € 125,95. Deze bedragen zijn derhalve toewijsbaar.

4.61 Uit al het voorgaande volgt dat van de slotfactuur de volgende posten toewijsbaar zijn:

- restantbedrag € 149,04

- Timmerwerk tarief I € 399,60

- Timmerwerk tarief II € 690,42

- Stucadoor € 135,00

- Tegelzetter € 400,00

- Loodgieter € 620,00

- Elektricien € 587,50

- Timmerwerk tarief III € 1.465,63

- Kasten c.a. € 8.282,77

- Halogeen onderbouw spots € 246,73

- Elektrotechnisch schakelmateriaal c.a. € 427,58

- div. [E] € 47,40

- voorstrijk, kozijnankers YTONG blokken € 52,84

- div. sanitair € 35,94

- div. kleinmateriaal € 37,25

- rvs buis 22 mm/16 mm + S-haken € 46,00

- [F] grasmaaier € 125,95

_________

Subtotaal € 13.749,65

credit -/- € 5000,00 (zie ook sub 2.8 van dit vonnis)

credit -/- € 175,00 (zie ook sub 2.8 van dit vonnis)

_________

Totaal € 8.574,65

4.62 Van de slotfactuur is derhalve in totaal een bedrag van € 8.574,65 toewijsbaar.

Buitengerechtelijke (incasso-) kosten

4.63 [eiser] heeft een vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd. [gedaagde] heeft de aanspraak op deze vergoeding betwist, omdat een specificatie ontbreekt alsmede omdat sprake is van kosten die onder de vergoeding ex artikel 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtvordering (“Rv”) vallen.

4.64 Voor zover [eiser] buitengerechtelijke (incasso-) kosten vordert in verband met werkzaamheden van zijn advocaat geldt dat [eiser] niet heeft gesteld dat door hem buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die niet worden gedekt door de definitieve toevoeging die hem is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.

4.65 Voor zover [eiser] vergoeding verlangt van andere werkzaamheden (door derden) geldt dat hij verzuimd heeft deugdelijk te stellen dat sprake is van daadwerkelijk redelijke en redelijkerwijs gemaakte buitengerechtelijke incassokosten dan wel van andere kosten dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Dit onderdeel van de vordering zal dus - mede gelet op de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II - worden afgewezen.

Wettelijke rente

4.66 [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente niet betwist. De rechtbank begrijpt evenwel dat zij wel bezwaar maakt tegen het feit dat [eiser] twee maal wettelijke rente vordert, aangezien in het bedrag van € 12.143,82 reeds een rente- bedrag van € 1.266,80 is begrepen, en [eiser] over eerstgenoemd bedrag de wettelijke rente vordert vanaf 11 april 2004. Dit verweer van [gedaagde] is gegrond. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente dan ook toewijzen over het hierboven genoemde bedrag van € 8.574,65, te rekenen - zoals gevorderd - vanaf 11 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.67 [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

-dagvaarding € 85,98;

-betaald vast recht € 79,00;

-in debet gesteld vast recht € 237,00;

-salaris advocaat € 768,00 (2,0 punten x tarief € 384,00);

Totaal € 1.169,98

Aangezien [eiser] met toevoeging procedeert, zullen de kosten aan de griffier van de rechtbank moeten worden voldaan met uitzondering van dat deel van het vast recht dat niet in debet is gesteld.

5. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.574,65, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW te rekenen vanaf 11 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.169,98 en veroordeelt [gedaagde] om te voldoen:

a) aan de griffier van deze rechtbank:

- € 85,98 voor kosten van de dagvaarding;

- € 237,00 voor in debet gesteld vast recht;

- € 768,00 voor salaris van de advocaat van [eiser],

totaal derhalve € 1.090,98, met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

b) aan [eiser]:

- € 79,00 voor niet in debet gesteld vast recht;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Stalenberg en in het openbaar uitgesproken op

9 juni 2010. ?

2166/1729