Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN7127

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
339604 / HA ZA 09-2746
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid. Afsluiting overpad. Vordering jegens niet verschenen gedaagde. Consequenties voor proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 339604 / HA ZA 09-2746

Uitspraak: 14 juli 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te Pernis, gemeente Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. Chr. A. Busquet,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te Pernis, gemeente Rotterdam,

advocaat mr. P. van den Berg,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Pernis, gemeente Rotterdam,

niet verschenen.

Eiser wordt hierna aangeduide als [eiser]. Gedaagden onder 1 en 2 worden hierna in enkelvoud aangeduid als [gedaagde sub 1]. Gedaagde onder 3 wordt aangeduid als [gedaagde sub 3].

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 23 september 2009;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 2 december 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief met bijlagen d.d. 7 januari 2010 van mr. Busquet;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 22 maart 2010.

1.2 Na de comparitie van partijen heeft de zaak enige tijd op de parkeerrol gestaan in verband met een mediationtraject.

2 De vaststaande feiten

2.1 Partijen zijn buren. [gedaagde sub 3] woont op de [adres], op de hoek van een rij woningen. [gedaagde sub 1] woont daarnaast op nummer 70 en daarnaast woont [eiser].

2.2 Ten behoeve van het perceel van [eiser] en ten laste van die van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] is een erfdienstbaarheid gevestigd. Blijkens de vestigingsakte luidt deze erfdienstbaarheid als volgt:

“[…] de erfdienstbaarheid van voetpad, zulks om te voet en al dan niet met aan de hand gevoerde rijwielen, bromfietsen, motorrijwielen, kinderwagens en kruiwagens te komen en te gaan over een pad ter breedte van ongeveer één meter, van en naar de Overhandstraat, volgens de thans bestaande toestand.”

2.3 Het in de vestigingsakte bedoelde voetpad (hierna: het voetpad) staat haaks op de tuinen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] en is halverwege die tuinen gelegen, zodat aan beide zijden van het voetpad een deel van de tuinen is gelegen.

2.4 In 2009 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] op of net naast de erfgrens schuttingen geplaatst, waarin zij ter hoogte van het voetpad deuren hebben geplaatst. De deuren zijn door middel van een grendel of een schuif afsluitbaar. Door het plaatsen van de deuren is het voetpad aldaar versmald tot 90 cm.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – gedaagden bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen de deuren op het voetpad te verwijderen en het voetpad te verbreden tot 1,20 meter, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,= per dag en met proceskostenveroordeling.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Door het plaatsen van de deuren op het voetpad en deze af te sluiten hinderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] de uitoefening van de erfdienstbaarheid van [eiser]. Daarom dienen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] de deuren te verwijderen.

3.2 Het voetpad is feitelijk altijd 1,20 meter breed geweest. De vage aanduiding van de breedte van het voetpad in de vestigingsakte is daarmee ingevuld. Door de plaatsing van de deuren is het voetpad versmald tot 90 cm. [eiser] heeft er aanspraak op dat het voetpad weer tot 1,20 meter wordt verbreed.

4 Het verweer van [gedaagde sub 1]

Het verweer strekt tot nietigverklaring van de dagvaarding dan wel tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde sub 1] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De grondslag van de vordering is in de dagvaarding niet duidelijk omschreven. Deze dient daarom nietig verklaard te worden.

4.2 De afsluiting van het pad hindert de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet. [gedaagde sub 1] sluit de deuren immers pas ’s avonds heel laat en opent ze weer ’s ochtends heel vroeg. Als eigenaar is [gedaagde sub 1] bovendien bevoegd zijn perceel af te sluiten. Hij heeft daarbij belang als anti-inbraakmaatregel.

4.3 Het pad is niet altijd 1,20 meter breed geweest. Ook een pad van 90 cm breed is “ongeveer” een meter breed, zodat ook nu nog voldaan is aan de omschrijving van het voetpad in de vestigingsakte.

5 De beoordeling

5.1 Tussen partijen is het bestaan van de erfdienstbaarheid op zichzelf geen punt van discussie en evenmin dat die erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van [eiser] en ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3].

de vordering jegens [gedaagde sub 1]

5.2 [gedaagde sub 1] stelt dat de dagvaarding nietig is, kennelijk omdat hij meent dat de dagvaarding niet duidelijk maakt op welke grondslag de vordering van [eiser] is gebaseerd. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. Uit de dagvaarding blijkt in voldoende mate op grond waarvan – te weten de erfdienstbaarheid – [eiser] meent een vordering jegens [gedaagde sub 1] te hebben, zoals overigens blijkt uit het terzake door [gedaagde sub 1] gevoerde inhoudelijke verweer.

5.3 [eiser] vordert in de eerste plaats verwijdering van de deuren die [gedaagde sub 1] in het pad heeft geplaatst. Die vordering is als zodanig niet toewijsbaar. [gedaagde sub 1] is als eigenaar van zijn perceel immers bevoegd het perceel af te sluiten (artikel 5:48 BW). Dat is niet anders als op dat perceel een erfdienstbaarheid is gevestigd. In een dergelijk geval zal die eigenaar er wel voor moeten zorgen dat de afsluiting de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet belemmert of hindert. In verband daarmee geldt het volgende.

5.4 [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat hij het pad in de nachtelijke uren afsluit bij wijze van anti-inbraakmaatregel. Ter comparitie is – op basis van foto’s en de verklaringen van partijen – gebleken dat die afsluiting geschiedt door middel van een grendel of schuif. De rechtbank neemt aan dat die grendel zich bevindt aan de kant van de tuin van [gedaagde sub 1]. Daarmee staat vast dat [gedaagde sub 1] de uitoefening van de erfdienstbaarheid verhindert. Dat is niet toegestaan. Niet van belang is dat [gedaagde sub 1] de deuren slechts in de nachtelijke uren vergrendelt. Uit de tekst van de akte met betrekking tot de erfdienstbaarheid kan immers niet worden afgeleid dat de erfdienstbaarheid niet geldt in de nachtelijke uren.

5.5 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [gedaagde sub 1] veroordelen ervoor zorg te dragen dat de deuren in het voetpad, voor zover op zijn perceel gelegen, niet worden afgesloten op een zodanige manier dat deze niet door [eiser] en/of zijn huisgenoten zijn te openen. De rechtbank beschouwt dit als een minder vergaande veroordeling dan de in het petitum van de dagvaarding gevorderde verwijdering van de deuren, zodat de rechtbank bevoegd is deze veroordeling uit te spreken. [eiser] heeft nog altijd belang bij deze veroordeling, ook al heeft [gedaagde sub 1] ter comparitie verklaard dat hij de grendel inmiddels van de deur naar de tuin van [eiser] heeft gehaald. Zonder rechterlijke veroordeling kan [eiser] er immers niet op vertrouwen dat [gedaagde sub 1] de grendel weer op de deur plaatst, nog daargelaten dat op de door [eiser] overgelegde foto’s de grendel nog zichtbaar is. Bovendien behoort [gedaagde sub 1] [eiser] ook gelegenheid te geven het voetpad vanaf de straat naar zijn huis te gebruiken, zodat de grendel op de deur naar de tuin van [gedaagde sub 3] ook in strijd is met de erfdienstbaarheid.

5.6 Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat de in 5.4 bedoelde veroordeling niet betekent dat [gedaagde sub 1] zijn tuin niet langer tegen inbraak zou kunnen beschermen. Hij mag zijn tuin immers afsluiten, zolang hij er maar voor zorgt dat de deuren steeds door [eiser] en zijn huisgenoten zijn te openen. Denkbaar is bijvoorbeeld dat [gedaagde sub 1] een slot op de deuren plaatst en aan [eiser] en zijn huisgenoten de sleutel ter beschikking stelt.

5.7 In de tweede plaats vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde sub 1] het voetpad te verbreden tot 1,20 meter. Uit de door [eiser] gegeven toelichting blijkt dat hij hier het oog heeft op de ruimte tussen de door [gedaagde sub 1] geplaatste deuren, die door die deuren beperkt is tot 90 cm in plaats van de voorheen bestaande 1,20 meter. [gedaagde sub 1] heeft zich verweerd met de stelling dat het voetpad blijkens de notariële akte “ongeveer” een meter breed moet zijn en dat een breedte van 90 cm ook nog als “ongeveer” een meter moet worden beschouwd. De rechtbank overweegt als volgt.

5.8 De inhoud van een erfdienstbaarheid wordt bepaald door de vestigingsakte (artikel 5:73 lid 1 BW). Vast staat dat de akte spreekt van een voetpad van “ongeveer” een meter. Zolang [gedaagde sub 1] een pad met een breedte van “ongeveer” een meter in stand houdt, voldoet hij in beginsel aan zijn verplichtingen op grond van de erfdienstbaarheid. Niet gezegd kan worden dat een feitelijke breedte van 90 cm niet meer kan worden beschouwd als “ongeveer” een meter. [eiser] heeft dat op zichzelf ook niet gesteld. In beginsel bestaat dus geen grond voor een veroordeling van [gedaagde sub 1] het pad te verbreden tot 1,20 meter.

5.9 [eiser] stelt evenwel dat het pad al sinds 1976 een breedte van 1,20 meter heeft gehad, waardoor het begrip “ongeveer” uit de akte is “ingevuld”. [gedaagde sub 1] heeft deze stelling betwist. Wat van deze stelling ook zij, een grondslag voor toewijzing van de vordering kan zij niet bieden. Dat het voetpad gedurende een zekere tijd een bepaalde breedte heeft gehad, kan op zichzelf niet leiden tot wijziging van de inhoud van de erfdienstbaarheid. Voor wijziging van de inhoud van de erfdienstbaarheid staan [eiser] andere middelen ten dienste, zoals een vordering strekkende tot wijziging (vergelijk artikel 5:80 BW). Een dergelijke vordering heeft [eiser] echter niet ingesteld, nog daargelaten of een eventuele vordering toewijsbaar zou zijn. Bij dit alles speelt ook een rol dat op voorhand het belang van [eiser] bij een verbreding van het pad tot 1,20 meter niet valt in te zien. Blijkens de vestigingsakte is de erfdienstbaarheid immers bedoeld om over het voetpad te komen en te gaan (al dan niet) met “rijwielen, bromfietsen, motorrijwielen, kinderwagens en kruiwagens”. Dergelijke zaken passen in de regel ook over een pad van 90 cm breed. Dat geldt ook voor meubels, “al dan niet rechtop staand en met een draai”, zoals [eiser] ter comparitie heeft erkend.

5.10 De vordering met betrekking tot de breedte van het voetpad zal dus worden afgewezen.

5.11 Nu [eiser] en [gedaagde sub 1] over en weer deels in het gelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

de vordering jegens [gedaagde sub 3]

5.12 [gedaagde sub 3] heeft geen verweer gevoerd. Jegens hem is de vordering dus toewijsbaar tenzij deze de rechtbank ongegrond of onrechtmatig voorkomt. Ten aanzien van de gevorderde verwijdering van de deuren geldt – gelet op artikel 5:48 BW – dat een grondslag ontbreekt. Deze vordering kan in zoverre dus niet worden toegewezen. Wel is het mindere toewijsbaar, op dezelfde voet als in het geschil tussen [eiser] en [gedaagde sub 1]. Ten aanzien van de gevorderde verbreding van het voetpad tot 1,20 meter geldt dat [eiser] – gegeven de beslissing in zijn geschil met [gedaagde sub 1] (zie onder 5.8-5.10) – bij toewijzing daarvan geen belang meer heeft. Zou [gedaagde sub 3] immers gehouden zijn het pad op zijn perceel (weer) te verbreden tot 1,20 meter, dan zou [eiser] in de tuin van [gedaagde sub 1] vervolgens weer stuiten op een pad van 90 cm breed. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde verbreding ook jegens [gedaagde sub 3] af te wijzen.

5.13 De rechtbank zal [gedaagde sub 3] veroordelen in de proceskosten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vordering inzake de afsluiting van het voetpad deels wordt toegewezen, terwijl de afwijzing van de gevorderde verbreding van het voetpad slechts te danken is aan het verweer ter zake van [gedaagde sub 1] en aan de feitelijke omstandigheid dat het voetpad over het perceel van [gedaagde sub 3] doorloopt in het pad over het perceel van [eiser].

ten overvloede

5.14 Uit de inhoud van de processtukken en de verklaringen ter comparitie leidt de rechtbank af dat het conflict tussen partijen verder gaat dan alleen op het punt van de afsluiting en de breedte van het voetpad. Kennelijk stoort [gedaagde sub 1] zich met name aan de intensiteit waarmee [eiser] en zijn bezoekers het voetpad gebruiken. Ter comparitie heeft hij verklaard dat [eiser] zijn voordeur nooit gebruikt, ook niet voor bezoek, hetgeen [eiser] heeft bevestigd. [gedaagde sub 1] heeft er echter (bewust, zo blijkt uit de conclusie van antwoord) voor gekozen geen eis in reconventie in te stellen. Dat betekent dat de rechtbank niet in de positie is een beslissing te geven over het gebruik van het voetpad door [eiser], dus ook niet over de vraag of van [eiser] (gelet op het bepaalde in artikel 5:74 BW) verwacht mag worden meer gebruik te maken van zijn voordeur in plaats van het voetpad.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] binnen twee weken na betekening van dit vonnis ervoor zorg te dragen dat de deuren in het voetpad, voor zover op hun perceel gelegen, niet zijn of worden afgesloten op een zodanige manier dat deze niet door [eiser] en/of zijn huisgenoten zijn te openen, op verbeurte van een dwangsom van € 200,= per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan;

compenseert de kosten in het geschil tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] aldus dat zij ieder hun eigen kosten dragen;

veroordeelt [gedaagde sub 3] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 799,98, waarvan te voldoen:

a aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 56.99.90.688, ten name

van MvJ Arrondissement Rotterdam [545]), onder vermelding van zaak- en rolnummer):

€ 196,50 aan in debet gesteld vast recht;

€ 85,98 aan in debet gestelde kosten voor de deurwaarder;

€ 452,00 aan salaris voor de advocaat;

-------- +

€ 734,48

b aan de advocaat van [eiser]:

€ 65,50 voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/1581