Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN5116

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
360349 / HA RK 10-150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van rechter-commissaris in strafzaken niet-ontvankelijk, omdat dit verzoek niet is gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 26 augustus 2010

Zaaknummer: 360349

Rekestnummer: HA RK 10-150

Parketnummer bodemprocedure: 10/960028-10

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn,

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam RC], rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechter-commissaris).

1. Het procesverloop en de processtukken

De meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in deze rechtbank heeft ter zitting van 19 mei 2010 de tegen verzoeker als verdachte aanhangige strafzaak met bovenvermeld parketnummer verwezen naar de rechter-commissaris voor het houden van getuigenverhoren.

Bij faxbericht d.d. 9 augustus 2010 heeft de raadsvrouw van verzoeker, mr. I.A. Groenendijk de rechter-commissaris gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- het faxbericht van mr. Groenendijk aan het kabinet van de rechter-commissaris d.d. 28 juni 2010;

- het e-mailbericht d.d. 29 juni 2010 van griffier [naam griffier] aan mr. Groenendijk;

- het e-mailbericht d.d. 1 juli 2010 van mr. Groenendijk aan griffier [naam griffier];

- het e-mailbericht d.d. 1 juli 2010 van griffier [naam griffier] aan mr. Groenendijk;

- het e-mailbericht d.d. 9 juli 2010 van mr. Groenendijk aan griffier [naam griffier];

- het faxbericht van mr. Groenendijk aan het kabinet RC (mr. [naam collega-RC] danwel [naam RC]) d.d. 19 juli 2010;

- de brief van mr. [naam collega-RC] aan mr. Groenendijk d.d. 22 juli 2010;

- het faxbericht d.d. 26 juli 2010 van mr. Groenendijk aan de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank te Rotterdam;

- het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Rotterdam op 6 augustus 2010;

- het wrakingsverzoek d.d. 9 augustus 2010.

De verzoeker, zijn raadsvrouw, de rechter-commissaris alsmede de officier van justitie mr. G.H. Rip zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van die gelegenheid bij brief d.d. 16 augustus 2010 gebruik gemaakt.

De verzoeker is in de gelegenheid gesteld schriftelijk op voornoemde brief van de rechter-commissaris te reageren. De raadsvrouw van verzoeker heeft bij e-mailbericht d.d. 24 augustus 2010 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 24 augustus 2010, alwaar de gedane wraking is behandeld, is verschenen de officier van justitie. De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt ontstemd te zijn dat verzoeker en diens raadsvrouw niet ter zitting aanwezig zijn en heeft zijn ongenoegen geuit over de omstandigheid dat via deze oneigenlijke weg het getuigenverhoor alsnog is uitgesteld. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot wraking ongegrond dient te worden verklaard, daar dit verzoek niet berust op gronden die tot wraking kunnen leiden.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de raadsvrouw namens verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De rechter-commissaris heeft de aan de verdediging toegewezen getuigen opgeroepen. Na de oproep heeft de raadsvrouw van verzoeker verzocht de door de rechter-commissaris zonder overleg bepaalde datum tot het horen van de getuigen te wijzigen, in een zodanige datum dat de raadsvrouw wel persoonlijk kan verschijnen. De rechter-commissaris heeft vervolgens meegedeeld dat het verhoor niet wordt verzet en dat om praktische reden niet aan de raadsvrouw is gevraagd of zij in de gelegenheid is het verhoor bij te wonen. De rechter-commissaris is bij haar standpunt gebleven, hoewel het gaat om een grote strafzaak, verzoeker er groot belang bij heeft dat zijn vaste advocaat de verhoren bijwoont de verhoren gepland zijn midden in de zomervakantie en op voorhand vragen op schrift stellen geen optie is. De raadsvrouw van verzoeker concludeert dat de rechter-commissaris efficiency/praktische redenen laat prevaleren boven een goede verdediging, terwijl dit volgens de door de raadsvrouw aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2008 (LJN: BD5891) niet is toegestaan.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust. De rechter-commissaris plaatst haar vraagtekens bij de tijdigheid van het verzoek, bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter-commissaris kan opleveren.

3. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter-commissaris. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter-commissaris dient voorop te staan dat een rechter-commissaris uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter-commissaris jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Bij faxbericht d.d. 28 juni 2010 heeft de raadsvrouw van verzoeker aan het kabinet van de rechter-commissaris verzocht om een andere datum te bepalen voor de reeds geplande getuigenverhoren. Vervolgens heeft de griffier van het kabinet van de rechter-commissaris d.d. 29 juni per e-mail aan de raadsvrouw medegedeeld dat de zaak is toebedeeld aan de rechter-commissaris en dat binnen het kabinet RC in Rotterdam al geruime tijd de afspraak is dat verhoren worden ingepland naar aanleiding van de agendaruimte van de rechter-commissaris en er geen overleg meer plaatsvindt met andere partijen. In genoemd e-mailbericht wordt medegedeeld dat de verhoren niet zullen worden geannuleerd en worden enkele suggesties voor alternatieven aangedragen. Hierna heeft verdere correspondentie tussen de raadsvrouw van verzoeker en het kabinet van de rechter-commissaris plaatsgevonden. Bij faxbericht van 22 juli 2010 heeft een ambtgenoot van de rechter-commissaris nogmaals uiteengezet dat en op welke gronden de getuigenverhoren niet zullen worden verzet. Ter terechtzitting van 6 augustus 2010 heeft de verdediging verzocht om bemiddeling van de rechtbank in dezen, waarop de rechtbank te kennen heeft gegeven daar niet in te kunnen treden. Ten slotte heeft de raadsvrouw op 9 augustus 2010, op de dag voor die waarop de getuigenverhoren waren gepland, een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris.

3.3.

Het moet de raadsvrouw van verzoeker, gelet op hetgeen onder 3.2 is overwogen, zo niet op 29 juni 2010, dan toch uiterlijk op 22 juli 2010 onmiskenbaar duidelijk zijn geworden dat de verhoren niet zullen worden verzet. Daarom dient het wrakingsverzoek d.d. 9 augustus 2010, dat nu juist gegrond is op de herhaalde weigering van het kabinet van de rechter-commissaris de getuigenverhoren te verzetten, als te laat gedaan te worden aangemerkt. Immers, artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat een verzoek tot wraking gedaan moet worden zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Daarom kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn wrakingsverzoek.

3.4

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat aan het feit dat uitvoering wordt gegeven aan een in het kabinet van de rechter-commissaris te Rotterdam algemeen gevolgde beleidslijn voor de planning van getuigenverhoren noch in objectieve zin noch in subjectieve zin een aanwijzing voor vooringenomenheid kan worden ontleend ten aanzien van de individuele rechter-commissaris aan wie de betreffende zaak uiteindelijk is toebedeeld.

4. De beslissing

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van [naam RC].

Deze beslissing is gegeven op 26 augustus 2010 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. P.W.E. Wijsman, griffier.