Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN4959

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
309996 / HA ZA 08-1604
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen aansprakelijkheid wegbeheerder voor verkeersongeval op een kruising waarbij een vrachtauto en een bus waren betrokken. Vraag of de zich op de kruising bevindende verkeersregelinstallatie gebrekkig was, en zo ja, of de aanrijding als gevolg van dat gebrek is ontstaan. Mogelijkheid dat onder bepaalde bijzondere omstandigheden het voor kan komen dat de vrachtauto door groen en de bus door wit licht rijdt en dat het toch tot een botsing komt, rechtvaardigt niet de conclusie dat de kruising gebrekkig is. Ook als kruising daardoor wel gebrekkig zou zijn, kan dat niet tot toewijzing van de vordering leiden aangezien in onderhavig geval niet is komen vast te staan dat voormelde uitzonderingssituatie zich heeft voorgedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaaknummer / rolnummer: 309996 / HA ZA 08-1604

Uitspraak: 7 juli 2010

Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROMERS TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

eiseres,

advocaat mr. E.J. Eijsberg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VLAARDINGEN,

zetelende te Vlaardingen,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen zullen hierna Romers Transport en de Gemeente genoemd worden.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 16 juni 2008 en de daarbij overgelegde producties;

- akte wijziging eis, met productie;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met productie;

- conclusie van dupliek, met producties;

- akte aan de zijde van Romers Transport.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. Op 15 juni 2004 heeft een ongeval plaatsgevonden op de kruising van de Schiedamsedijk met de westelijke oprit van de Rijksweg A4 te Vlaardingen (hierna: de kruising). De kruising, ten aanzien waarvan de Gemeente als wegbeheerder heeft te gelden, was voorzien van een automatisch werkende en verkeers¬¬afhan¬kelijke verkeerslichten¬installatie waarbij het verkeersaanbod op de kruising werd gemeten door middel van in het wegdek aangebrachte detectieapparatuur.

2.2. Bij het ongeval waren betrokken [X] als bestuurder van een aan Romers Transport in eigendom toebehorende vrachtauto, te weten een als kipper uitgevoerde GINAF G 5450 met kenteken [kenteken], en [Y] als bestuurster van een autobus, te weten een Den Oudsten Alliance City met kenteken [kenteken 2] toebehorende aan RET N.V.

De vrachtautochauffeur reed over de Schiedam¬se¬dijk, komende uit de richting van de Vlaardingerdijk te Schiedam en rijdende in de richting van Vlaardingen.

De bestuurster van de bus reed over de parallel aan de Schiedamse¬dijk gelegen busbaan, komende uit de richting van station Vijfsluizen te Schiedam en rijdende in de richting van de Mr. L.A. Kesperweg te Vlaardingen. Op de kruising reed de vrachtautochauffeur rechtsaf teneinde de Rijksweg A4 op te kunnen rijden. De bestuurster van de bus reed rechtdoor op de kruising. Op het kruisingsvlak is het tot een botsing tussen beide voertuigen gekomen als gevolg waarvan de bestuurster van de bus en een aantal inzittenden van de bus

(letsel-)¬¬schade hebben geleden. Voorts is door de botsing aan zowel de vrachtauto als de bus schade ontstaan.

2.3. Ten tijde van het ongeval was de verkeerslichteninstallatie op de kruising in werking. Het voor de bij de aanrijding betrok¬ken bus bestemde verkeerslicht, een zogenaamd negenoog, had nummer 42. Het voor de vracht¬auto bestemde verkeerslicht voor rechtsafslaand verkeer richting de westelijke oprit Rijksweg A4 had nummer 01.

Dit verkeerslicht deed er 7 seconden over om vanuit groen, via geel, over te schakelen naar rood licht waarna een ontruimingstijd van 4 seconden werd gehanteerd. Deze ontruimings¬tijd is conform de door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek opgestelde "Richtlijn Ontruimings¬tijden Verkeers¬installaties" (hierna: de CROW-richtlijn).

De minimale periode tussen het begin van de groentijd van het verkeerslicht 01 en het begin van de wittijd van het verkeerslicht 42 bedroeg dus in totaal 11 seconden.

Bij een wit licht uitstralend verkeerslicht 42 mag een bus de kruising oprijden.

2.4. Naar aanleiding van het ongeval heeft de politie Rotterdam Rijnmond een proces-

verbaal opgemaakt.

2.5. In opdracht van de raadsman van Romers Transport is op 16 februari 2007 door

[Z] van Ongevallen Analyse Nederland (hierna: [Z]) een rapport terzake het ongeval opgesteld. Op 23 april 2008 is in opdracht van de gemeente Rotterdam door ing. [A] van Bosscha Ongevallenanalyse B.V. (hierna: Bosscha) terzake het ongeval een rapport opgemaakt.

2.6. [B], verkeerskundige (hierna: [B]), heeft namens de Gemeente bij brief van 8 augustus 2008, voor zover hier van belang, het volgende aan de raadsman van de Gemeente bericht:

"Op uw verzoek heb ik op 5 augustus jongstleden tussen 18.00 uur en 18.30 uur het verkeersgedrag van het busverkeer geobserveerd ter hoogte van de busbaan tussen het metroviaduct Vijfsluizen en het kruispunt Schiedamsedijk – oprit rijksweg A4.

Tijdens deze observatie heb ik onder meer de rijtijden van het busverkeer genoteerd vanaf de passage met de detectielus (gesitueerd onder het viaduct met de rijksweg A4) tot aan de aankomst bij de stopstreep van richting 42.

Door middel van deze brief wil ik u op de hoogte stellen van mijn bevindingen.

Vertrektijd lijnnr. rijtijd (van detectielus onder viaduct A4 tot aan stopstreep)

18.03 lijn 55 19 sec

18:04 lijn 126 21 sec

18:09 lijn 56 18 sec

18:13 lijn 56 21 sec

18:24 lijn 56 23 sec chauffeur vertraagde om iets tegen mij te zeggen

18:28 lijn 56 21 sec

18:30 lijn 55 20 sec bus halteerde op busbaan onder metroviaduct

18:31 lijn 89 21 sec bus halteerde op busbaan onder metroviaduct"

3. Het geschil

3.1. De gewijzigde eis luidt dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente, de naamloze vennootschap RET N.V. en [Y] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 63.138,51, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Romers Transport baseert haar vordering op de artikelen 6:174 BW en 6:162 BW en stelt daartoe het volgende.

De Gemeente is als wegbeheerder – en daarmee als verantwoor¬delijke voor de inrichting van de kruising en de program¬mering van de verkeersregelinstallatie ter plaatse – tekort geschoten en derhalve ingevolge artikel 6:174 BW (mede) aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. De zich op de kruising bevin¬den¬de verkeers¬regel¬installatie, zoals die op

15 juni 2004 in werking was, was gebrek¬kig omdat de onderhavige botsing kon plaatsvinden terwijl de vrachtauto door groen en de bus door wit licht reed. De Gemeente heeft nagelaten de verkeersregelinstallatie ter plaatse zodanig te program¬meren dat deze (ook) rekening hield met situaties zoals de onderhavige waarbij zwaar geladen vracht-/werkverkeer trager optrekt dan "normaal" verkeer.

Voorts heeft de Gemeente de op haar rustende verplichting, te weten de verkeersregel¬installatie ter plaatse zodanig te regelen en te laten functioneren dat daardoor de veiligheid die wegge¬bruikers daarvan redelijkerwijs mogen verwachten ook wordt geboden, geschon¬den. Mitsdien heeft de Gemeente in strijd gehandeld met de haar in het maatschap¬pelijk verkeer betaamde zorgvuldigheid door een voor haar kenbaar en door haar in het leven geroepen risico van schade als gevolg van de werking van de verkeersregelinstallatie te laten voort¬bestaan. Nu dit risico de kans op een aanrijding heeft vergroot en dit risico zich op 15 juni 2004 heeft verwezenlijkt, is de Gemeente (tevens) aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW.

De door Romers Transport als gevolg van het ongeval geleden schade dient door de Gemeente, de naamloze vennootschap RET N.V. en [Y] te worden vergoed. De schade is als volgt opgebouwd:

Omzetderving: € 21.181,50

Schade aan de vrachtauto: € 30.500,-- (excl. BTW)

Aanvullende schade: € 3.182,50

3.3. Het verweer van de Gemeente strekt tot afwijzing van de vordering met veroor¬deling, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van Romers Transport in de kosten van het geding met de verplichting dat Romers Transport de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij deze niet binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis heeft betaald. De Gemeente voert daartoe het volgende aan.

Er was, mede gelet op de door de Gemeente – conform de CROW-richtlijn – gehanteerde ontruimingstijd ter plaatse geen sprake van een gebrekkig ingerichte kruising en/of een gebrekkige verkeersregel¬installatie. Ook in de praktijk voldeed de verkeersregelinstallatie. Voorts ontbreekt het causaal verband tussen de lengte van de gehanteerde ontruimingstijd en het onderhavige ongeval. Daarnaast is sprake van eigen schuld aan de zijde van de vracht¬autochauffeur. Tot slot wordt de hoogte van de schade betwist.

4. De beoordeling

4.1. Aangezien Romers Transport in de onderhavige procedure de naamloze vennootschap RET N.V. en [Y] niet heeft gedagvaard, dienen de jegens hen ingestelde vorderingen te worden afgewezen.

4.2. De rechtbank acht de eiswijziging, waartegen de Gemeente geen bezwaar heeft gemaakt, niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal mitsdien recht doen op de gewijzigde eis.

4.3. Artikel 6:174 BW vereist voor aansprakelijkheid van de wegbe¬heer¬der onder meer dat de openbare weg, daaronder mede begrepen het weglichaam alsmede de weguitrusting (lid 6), niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandig¬heden mag stellen (lid 1) of, anders gezegd, niet in goede staat verkeert (lid 2), en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert en voorts dat dit gevaar zich verwezenlijkt.

In dit kader dient te worden beoordeeld of de Gemeente als wegbeheerder aanspra¬ke¬lijk is voor de door de aanrijding ontstane schade. Daartoe dient onder meer de vraag te worden beantwoord of de inrichting van de kruising c.q. de verkeers¬regelinstallatie op de kruising ten tijde van de aanrijding op 15 juni 2004 gebrekkig was, en zo ja, of de aanrijding als gevolg van dat gebrek is ontstaan. Indien de aanrijding voortvloeide uit een gebrekkige toestand van de kruising, althans van de zich daarop bevindende verkeers¬regel¬installatie, dan is de Gemeente als wegbeheerder in beginsel aansprakelijk voor de door Romers Transport als gevolg van de aanrijding geleden schade.

4.4. Vaststaat dat de ontruimingstijd ter plaatse in beginsel voldeed aan de CROW-richtlijn. Romers Transport heeft echter aangevoerd dat deze richtlijn voorts voorschrijft dat in specifieke omstandigheden de wegbeheerder specifieke maatregelen dient te nemen. Romers Transport stelt dat in het onderhavige geval sprake was van dergelijke specifieke omstandig¬heden. De verkeerssituatie ter plaatse was immers niet veilig omdat de onder¬havige botsing heeft kunnen plaatsvinden terwijl de vrachtauto door groen en de bus door wit licht is gereden. De bus kreeg 13 seconden nadat het licht voor de vrachtauto op groen sprong, wit licht. Wanneer voor de vrachtauto wordt uitgegaan van een reactietijd van 2 seconden en een rijtijd van 12,5 seconden tot aan de botsplaats, had de vrachtauto de botsplaats reeds bereikt toen het licht voor de bus al 1,5 seconden wit was. Daarmee was de beschikbare tijd om het kruisings¬vlak volledig vrij te maken voor de vrachtauto te kort, aldus nog steeds Romers Transport. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Romers Transport verwezen naar het rapport van [Z]. Hierin is op pagina’s 9, 10, 11 en 19 het volgende vermeld:

"De verkeerslichtenregeling

[…]

Uit de verkregen informatie blijkt dat voor richting 01 de minimale groentijd 4 s bedroeg, de geeltijd 3 s bedroeg en de zogenaamde allesroodtijd ‘van’ richting 01 ‘naar’ richting 42 eveneens 4 s bedroeg. Deze tijden impliceren dat het mogelijk was dat richting 42 (de bus) 11 s na start groen op richting 01 (de vrachtauto) c.q. 7 s na einde groen op die richting al wit licht krijgt. […] Dit betekent dat de conclusie van de politie, namelijk dat er een situatie kan ontstaan waarbij de Ginaf door groen rijdt én de bus even later ook door wit rijdt, inderdaad juist is.

[…]

Strikt genomen voldoet de ontruimingstijd […] aan de betreffende richtlijn. Het theoretische rekenmodel

van die richtlijn voorziet echter niet in een aantal extreme situaties. In dergelijke specifieke gevallen dient de

wegbeheerder specifieke maatregelen te nemen, aldus diezelfde richtlijn.

Naar mijn oordeel is hier om de volgende twee redenen sprake van een uitzonderlijk geval.

? Allereerst was hier sprake van een relatief langzaam optrekkende vrachtauto. Hiervoor is al toegelicht dat onderhavige vrachtauto tussen ongeveer 12,5 s (scenario A) en 11,0 s (scenario B) nodig heeft gehad om de botsplaats te bereiken. Voor het volledig ontruimen van het betreffende conflictvlak, zou deze zelfs nog zo’n 2 s meer tijd nodig hebben gehad. Er dient derhalve rekening te worden gehouden met een benodigde tijd van zo’n 13 á 14,5 s. […]

? Als tweede reden kan de busbaan worden genoemd, en in het bijzonder het typische gebruik daarvan door vele buschauffeurs. Buschauffeurs die over dergelijke busbanen rijden, vertrouwen er doorgaans op dat zij automatisch tijdig wit licht krijgen. […] Bij het berekenen van de ontruimingstijden dient […] rekening te worden gehouden met scenario’s waarbij buschauffeurs een dusdanige snelheid aanhouden dat ze net op tijd, dus kort bij de stopstreep, wit licht krijgen. Het gevolg is dan dat ze op volle snelheid de stopstreep passeren. […]

Voornoemde tijden impliceren dat de ten tijde van het ongeval ingestelde ontruimingstijd van 4 s in dit soort

gevallen veel te kort kan zijn. Naar mijn oordeel had de wegbeheerder, teneinde dit soort aanrijdingen te

voorkomen, óf andere tijden moeten instellen óf voor een andere regeling […] moeten kiezen.

[…]

13. Is het aannemelijk c.q. in hoeverre is het juist dat de buschauffeuse bij een voor haar geldend wit licht

de kruising is opgereden?

Langs puur technische weg kan niet worden achterhaald bij welke kleur licht de buschauffeuse de kruising is opgereden. Dit geldt ook voor de stand van het voor de vrachtautobestuurder geldende verkeerslicht op het moment dat hij wegreed bij zijn stopstreep.

Op grond van de beschikbare verklaringen is het zeer aannemelijk dat de buschauffeuse bij een voor haar geldend wit licht de kruising is opgereden.

Op grond van de tachograafschijfanalyse en de verklaring van de vrachtautobestuurder is het eveneens zeer aannemelijk dat de vrachtautobestuurder bij een voor hem geldend groen licht is weggereden vanaf diens stopstreep.

Als gevolg van de afstelling van de verkeerslichten heeft het desondanks tot een botsing kunnen komen. Bij het ontwerpen van de destijds geldende regeling heeft men kennelijk geen rekening gehouden met het scenario dat zich in onderhavig geval heeft voorgedaan."

4.5. De Gemeente heeft aangevoerd dat de tijd tussen het inmelden van de bus bij de detec¬tielus van de verkeerslichteninstallatie en het bereiken van het negenoog substantieel langer bedroeg dan 11 seconden, de totale duur van de cyclus van het voor de vrachtauto bestemde verkeerslicht met nummer 01. Volgens de Gemeente betekent dit dat de vracht¬auto in de praktijk veel langer de tijd had om de kruising over te steken voordat de bus de kruising zou oprijden. Ter onderbouwing hiervan heeft de Gemeente verwezen naar het rapport van Bosscha. Hierin is op pagina 6 het volgende vermeld:

"Bij een afstandsinmelding (met Vecom/Vetag) wordt het groen van richting 01 direct afgebroken, dat wil zeggen geen groenverlenging maar wel met in achtname van de garantiegroentijd (4 sec), de geeltijd (3 sec) en de ontruimingstijd van richting 01 naar richting 42 (4 sec).

Als de inmelding heeft plaatsgevonden op het moment dat richting 01 nog rood was, dan zou richting 01 rood blijven (vastgehouden worden). Als de inmelding is gebeurd terwijl de groenfase van richting 01 reeds verlengd werd, zou het groen van richting 01 direct afgebroken worden met inachtname van de garantiegroentijd (4 sec), de geeltijd (3 sec) en de ontruimingstijd van richting 01 naar richting 42 (4 sec)."

Voorts is op pagina’s 16 en 17 van het rapport van Bosscha vermeld:

"kan er derhalve vanuit worden gegaan dat de bus op ca. 23,6 á 28,6 seconden vóór het botsmoment de melding heeft gedaan bij de regelautomaat van de verkeerslichten.

Manoeuvre/melding vrachtwagen/lezing Quak

[…]

Voor de bepaling van de duur van deze manoeuvre kan er naar mijn mening vanuit worden gegaan dat Quak daar ca. 11,1 – 12,5 seconden voor nodig heeft gehad (zie punt 5 van hoofdstuk VI). De vrachtauto botst in deze voorstelling met een snelheid van ca. 18 km/u (zie tachograafschijf) tegen de linkerflank van de bus.

Als er rekening wordt gehouden met ongeveer 1 seconde reactietijd, ligt het voor de hand om (in de lezing van Quak) er vanuit te gaan dat het voor hem bestemde verkeerslicht (nr. 1) op ca. 12,1 á 13,5 sec. vóór het botsmoment zou moeten zijn overgegaan van rood naar groen.

Vergelijking tijden/kleur verkeerslicht

Als de tijden worden vergeleken waarop de afstandsinmelding (met Vecom/Vetag) door de bus heeft plaatsgevonden (ca. 23,6 á 28,6 sec. vóór het botsmoment) en het moment waarop het licht voor de vrachtwagenchauffeur op groen zou moeten zijn gegaan (ca. 12,1 á 13,5 sec. vóór het botsmoment) kan gesteld worden dat de inmelding van de bus is gebeurd terwijl het licht voor de vrachtwagen nog op rood stond."

Bij conclusie van dupliek heeft de Gemeente een brief van City Tec B.V. (hierna: Citytec) d.d. 14 mei 2009 overgelegd waarin een toelichting wordt gegeven op het effect dat uitgaat van inmelding door een bus op de overige conflicterende verkeerslichten op de kruising. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"De bedoelde richtingen 01 en/of 12 zullen niet "Rood" blijven indien één van de richtingen 01, 10 of 12 reeds groen is op het moment van inmelding. Zolang het betreffende verkeerslicht groen is én zich nog in de garantiegroentijd bevindt, zal het andere verkeerslicht nog 'mee' gaan. Dit betekent dat verkeerslicht met nummer 01 – bij wijze van uitzondering – ondanks de businmelding tóch nog kan overschakelen op groen licht indien verkeerslicht 10 en/of 12 groen was toen de businmelding plaatsvond én de garantie groentijd van verkeerslicht 10 en/of 12 nog niet is verstreken.

De garantie groentijd van de richtingen 10 en 12 bedraagt 5 seconden.

[…]

Uiteraard worden de richtingen 01 en/of 12, indien zij Groen zijn, afgebroken (zo snel mogelijk weer naar Rood gestuurd) met inachtname van de garantiegroentijd."

De Gemeente heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat, gezien deze brief, de beschikbare ontruimingstijd mogelijkerwijs met maximaal bijna 5 seconden moet worden verminderd. Deze tijd van bijna 5 seconden betrof een maximale tijd die alleen kon worden behaald in de zeer uitzonderlijke situatie waarin toevalligheden elkaar opstapelden en waarbij (i) verkeers¬licht 10 of 12 pas kort (bijvoorbeeld 0,01 seconde) groen licht uitstraalde op het moment van de businmelding, en (ii) verkeerslicht 01 rood licht uitstraalde op het moment van de businmel¬ding en pas op het allerlaatste moment (bijvoorbeeld 0,01 seconde vóór de einde groentijd van verkeerslicht 10 of 12) overschakelde op groen licht. Zelfs indien deze uitzonderlijke situatie zich zou hebben voorgedaan, dan zou de vrachtauto nog (steeds) voldoende tijd hebben om de kruising over te steken, aldus nog steeds de Gemeente.

4.6. Romers Transport heeft in reactie hierop gesteld dat kort vóór het onderhavige ongeval sprake zal zijn geweest van de in de brief van Citytec bedoelde uitzonderings¬situa¬tie waardoor de ontruimingstijd ter plaatse met maximaal bijna 5 seconden moet worden verminderd. Gelet op de door [B] geklokte rijtijden geldt dat in de meest extreme situa¬tie, waarin de bus in slechts 18 seconden van de detectie¬lus naar de botsplaats zou zijn gere¬den, de voor de vrachtauto beschikbare tijd slechts 13 seconden (18-5 = 13) bedroeg terwijl de benodigde rijtijd om het kruisingsvlak volledig vrij te maken minimaal 14 á 15,5 secon¬den bedroeg. De voor de vrachtauto beschikbare tijd zou zelfs minder kunnen zijn dan 13 seconden indien rekening ge¬houden wordt met de mogelijkheid dat bussen het betreffende traject vanaf de plaats van de businmelding destijds wezenlijk sneller aflegden, aldus nog steeds Romers Transport.

4.7. De rechtbank overweegt het volgende.

[Z] heeft in zijn rapport op pagina’s 10 en 11 aan de hand van figuur 5 toegelicht dat de vrachtautochauffeur, rekening houdende met 2 seconden reactietijd (het reageren op groen licht) en uitgaande van het gegeven dat de vrachtauto ongeveer 12,5 seconden nodig heeft gehad om de botsplaats te bereiken, ongeveer 14,5 seconden na het krijgen van groen licht de botsplaats moet hebben bereikt. Bosscha heeft hieromtrent gesteld dat deze tijd hem aannemelijk lijkt (hoofdstuk VII punt 4, pagina 8).

Indien er vervolgens van uitgegaan wordt dat de door Citytec genoem¬de uitzon¬de¬rings¬situatie (5 secon¬den minder ontruimingstijd) zich kort voor het onderhavige ongeval heeft voorge¬daan, dan bedroeg de totaaltijd tussen het rijden van de bus over de detectielus en het moment dat de vrachtauto de botsplaats bereikte 19,5 seconden (5 sec. minder ontruimings¬tijd + 14,5 sec. reactie- en rijtijd vrachtauto). In dat geval zou de bus 16 secon¬den (5 secon¬den + 11 secon¬den cyclus verkeerslicht 01) na het passeren van de detectielus wit licht hebben gekregen hetgeen betekent dat de bus niet door rood is gere¬den. Wil het echter tot een botsing zijn gekomen dan dient de bus het traject tussen de detectielus en de botsplaats eveneens in 19,5 seconden te hebben afgelegd.

4.8. De vraag is vervolgens of de bus dat traject in 19,5 secon¬den kan hebben afgelegd. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Bosscha heeft in zijn rapportage d.d. 23 april 2008 berekend dat de bus ongeveer 23,6 á 28,6 seconden erover doet om van de detectielus naar de botsplaats te rijden.

Volgens de door [B] gemeten rijtijden doet een bus er ongeveer 18 tot 23 seconden over om van de detectielus naar de stopstreep te rijden. De afstand tussen de stop¬streep voor de bus en de botsplaats wordt (volgens [Z]) in ongeveer 0,7 seconden gereden. Om de door [B] gemeten rijtijden (van detectielus tot stopstreep) met de door Bosscha berekende rijtijd (van detectielus tot botsplaats) te kunnen vergelijken, dient 0,7 seconden bij de door [B] geklokte rijtijden te worden opgeteld. Aldus bedraagt de door [B] gemeten rijtijd waarin de afstand van de detectielus tot de botsplaats wordt afgelegd onge¬veer 18,7 tot 23,7 seconden. De hiervoor sub 4.7 berekende totaaltijd van 19,5 seconden (2 sec reactietijd + 12,5 sec. rijtijd + 5 sec. uitzonderingssituatie) valt daarbinnen. Die totaaltijd valt echter (ruim) buiten de door Bosscha berekende rijtijd van 23,6 á 28,6 seconden.

4.9. De rechtbank acht de door [B] geklokte rijtijden representatief voor de door de bestuurster van de bus gereden rijtijd. Partijen hebben de juistheid van deze tijden niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de door [B] verrichte metingen correct zijn uitgevoerd.

[B] heeft van acht lijnbussen de rijtijden gemeten. Geen van de door hem geklokte bus¬sen, zelfs niet de bus die even vertraagde (lijnbus 56, 18.24 uur, 23 sec.), heeft er 23,7 tot 28,6 seconden over gedaan om de afstand van de detec¬tielus tot de botsplaats af te leggen. Niet gesteld of gebleken is dat Bosscha de door hem berekende rijtijd van 23,7 tot 28,6 seconden heeft geverifieerd aan de hand van door hem zelf geklokte (gemiddelde) rijtijden. Bosscha is voor de door hem berekende rijtijd van 23,6 á 28,6 seconden uitgegaan van een gemiddelde snelheid van 25 tot 35 km/uur. Hij heeft in zijn rapport evenwel niet aange¬geven waarop hij die snelheid baseert.

4.10. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bus de afstand van de detec¬tie¬lus tot de botsplaats in 19,5 seconden kan hebben afgelegd.

4.11. Het vorenstaande betekent dat het in een situatie waarin (i) de door Citytec beschre¬ven uitzonderingssituatie zich voordoet, (ii) de vrachtauto pas laat reageert en (iii) de bus met een hoge snelheid rijdt, het voor kan komen dat de vrachtauto door groen en de bus door wit licht rijdt en dat het toch tot een botsing komt.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze mogelijkheid niet de conclusie rechtvaardigt dat de kruising een gebrekkige kruising was. De kruising hoefde immers niet zodanig ingericht te worden dat deze te allen tijde 100 % zekerheid bood. In dat kader heeft de Gemeente terecht aangevoerd dat indien een extreem lange ontruimingstijd zou worden gehanteerd, dat de veiligheid (vanwege de afnemende "roodlicht discipline") en de capaciteit van de krui¬sing niet ten goede zou komen. Voormelde mogelijkheid deed zich slechts in een dermate uitzonderlijke situatie voor – namelijk indien (i) de uitzonde¬ringssituatie van 5 seconden minder ontruimingstijd zich voordeed, (ii) de vrachtauto pas laat op het voor hem bestemde verkeerslicht reageerde en (iii) de bus met een hoge snel¬heid reed – dat de krui¬sing, gelet op voormelde overige verkeers¬belangen, niet zodanig ingericht diende te worden dat hiermee rekening werd gehouden.

Nu van een gebrekkige kruising geen sprake was, ligt de vordering van Romers Transport voor afwijzing gereed.

4.12. De rechtbank is overigens van oordeel dat ook als de kruising wel gebrekkig was dit niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. Hiertoe dient immers ook vast te komen staan dat voormelde situatie zich in het onderhavige geval daadwerkelijk heeft voorgedaan. Op basis van de overgelegde stukken is dit niet komen vast te staan. Er zijn geen aanwij¬zin¬gen dat de uitzonde¬ringssituatie van 5 seconden minder ontruimingstijd zich heeft voorge¬daan, dat de vrachtauto laat heeft gereageerd op het groene licht en relatief langzaam is opgetrokken, althans de vrachtauto¬chauffeur heeft dat niet verklaard. Voorts staat niet vast dat de bus met een hoge snelheid heeft gere¬den. Dit is ook niet aannemelijk. In de verklarin¬gen van de getuigen is hiervoor in ieder geval onvoldoende houvast te vinden.

De stelplicht en bewijslast terzake rusten op Romers Transport. Zij heeft op dit punt echter geen bewijs aangeboden.

4.13. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van Romers Transport niet toewijsbaar is.

4.14. Romers Transport zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank,

wijst de vordering af;

veroordeelt Romers Transport in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente bepaald op € 1.390,-- aan vast recht en op € 1.788,-- aan salaris voor de advocaat;

veroordeelt Romers Transport, indien Romers Transport niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,-- aan nakosten, verhoogd met € 68,-- aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan Romers Transport tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.?