Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN4549

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
288968 / HA ZA 07-1881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval, aanrijding tussen vrachtauto en bus. Mogelijkheid dat beide voertuigen groen licht hadden. Vrachtautochauffeur heeft in strijd gehandeld met algemeen geldende regel van zorgvuldigheid in het verkeer dat - ook in het geval van een normaal in werking zijnde verkeerslichteninstallatie - een kruising niet mag worden opgereden voordat is gecontroleerd of deze daadwerkelijk vrij is. Omstandigheid dat bij groen licht is weggereden ontsloeg hem niet van zijn verplichting rekening te houden met de mogelijkheid dat rechtdoorgaand verkeer op de busbaan de kruising zou oprijden. Daarnaast had buschauffeuse haar rijgedrag onvoldoende aangepast aan de omstandigheden ter plaatse. Conclusie: vrachtauto 80% en bus 20% aansprakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaaknummer / rolnummer: 288968 / HA ZA 07-1881

Uitspraak: 7 juli 2010

Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap RET N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.W. van Harmelen,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.J. Eijsberg.

Eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, zullen hierna afzonderlijk de Gemeente en RET NV en gezamenlijk de Gemeente c.s. worden genoemd.

Gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, zal hierna Allianz genoemd worden.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 10 juli 2007 en de daarbij overgelegde producties;

- incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

- conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;

- vonnis van deze rechtbank d.d. 19 december 2007 waarbij het Allianz is toegestaan

om de gemeente Vlaardingen te dagvaarden teneinde op de eis in vrijwaring te

antwoorden en voort te procederen;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met

producties;

- vonnis van deze rechtbank d.d. 27 februari 2008 waarbij het vonnis d.d.

19 decem¬ber 2007 is verbeterd;

- conclusie van repliek in conventie tevens verandering van eis en conclusie van

antwoord in reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- akte overlegging stukken tevens conclusie van dupliek in reconventie, met

producties;

- akte uitlating producties tevens akte overlegging producties van Allianz, met

producties;

- akte uitlating producties tevens akte overlegging productie van de Gemeente c.s.,

met productie;

- akte uitlating productie van Allianz.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. Op 15 juni 2004 heeft omstreeks 11.30 uur een ongeval plaatsgevonden op de kruising van de Schiedamsedijk met de westelijke op- en afrit van de Rijksweg A4 te Vlaardingen (hierna: de kruising). De kruising was voorzien van een automatisch werkende en verkeers¬¬afhan¬kelijke verkeerslichten¬installatie waarbij het verkeersaanbod op de kruising werd gemeten door middel van in het wegdek aangebrachte detectieapparatuur.

2.2. Bij het ongeval waren betrokken [X] als bestuurder van een aan Romers Transport B.V. in eigendom toebehorende vrachtauto, te weten een als kipper uitgevoerde GINAF G 5450 met kenteken [kenteken 1], en [Y] als bestuurster van een bus, te weten een Den Oudsten Alliance City met kenteken [kenteken 2].

De vrachtautochauffeur reed over de Schiedam¬se¬dijk, komende uit de richting van de Vlaardingerdijk te Schiedam en rijdende in de richting van Vlaardingen.

De bestuurster van de bus reed over de parallel aan de Schiedamse¬dijk gelegen busbaan, komende uit de richting van station Vijfsluizen te Schiedam en rijdende in de richting van de Mr. L.A. Kesperweg te Vlaardingen. Op de kruising reed de vrachtautochauffeur rechtsaf teneinde de Rijksweg A4 op te kunnen rijden. De bestuurster van de bus reed rechtdoor op de kruising. Op het kruisingsvlak is het tot een botsing tussen beide voertuigen gekomen als gevolg waarvan de bestuurster van de bus en een aantal inzittenden van de bus

(letsel-)schade hebben geleden. Voorts is door de botsing aan zowel de vrachtauto als de bus schade ontstaan.

2.3. Ten tijde van het ongeval was de verkeerslichteninstallatie op de kruising in werking. Het voor de bij de aanrijding betrok¬ken bus bestemde verkeerslicht, een zogenaamd negenoog, had nummer 42. Het voor de vracht¬auto bestemde verkeerslicht voor rechtsafslaand verkeer richting de westelijke oprit Rijksweg A4 had nummer 01.

Dit verkeerslicht deed er 7 seconden over om vanuit groen, via geel, over te schakelen naar rood licht waarna een ontruimingstijd van 4 seconden werd gehanteerd.

De minimale periode tussen het begin van de groentijd van het verkeerslicht 01 en het begin van de wittijd van het verkeerslicht 42 bedroeg dus in totaal 11 seconden.

Een wit licht uitstralend verkeerslicht 42 betekent dat de bus de kruising mag oprijden.

2.4. Naar aanleiding van het ongeval heeft de politie Rotterdam Rijnmond een proces-

verbaal opgemaakt.

2.5. Allianz is de WAM-verzekeraar van de vrachtauto. De Gemeente heeft bij brief van 21 juni 2004 Allianz aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van de aanrijding geleden schade. Allianz heeft bij brief van 2 juni 2005 voor 40 % aansprakelijkheid terzake de schade van de Gemeente erkend en een bedrag van € 8.887,48 (40% van € 22.218,71) aan de Gemeente betaald.

2.6. Met ingang van 1 januari 2007 is de gemeentelijke dienst RET van de Gemeente verzelfstandigd.

2.7. In opdracht van de raadsman van Allianz is op 16 februari 2007 door ir. [Z] van Ongevallen Analyse Nederland (hierna: Fitters) een rapport terzake het ongeval opgesteld. Op 23 april 2008 is in opdracht van de Gemeente c.s. door ing. [A] van Bosscha Ongevallenanalyse B.V. (hierna: Bosscha) terzake het ongeval een rapport opgemaakt.

2.8. In juni 2007 heeft Allianz, in aanvulling op het door haar eerder betaalde bedrag van € 8.887,48, een bedrag van € 25.536,73 aan de Gemeente betaald ter vergoeding van 40 % van de overige door de Gemeente geleden schade.

2.9. Bij brief van 14 mei 2009 heeft City Tec B.V. (hierna: Citytec) een toelichting gegeven op het effect dat uitgaat van inmelding door een bus op de overige conflicterende verkeerslichten op de kruising. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"De bedoelde richtingen 01 en/of 12 zullen niet "Rood" blijven indien één van de richtingen 01, 10 of 12 reeds groen is op het moment van inmelding. Zolang het betreffende verkeerslicht groen is én zich nog in de garantiegroentijd bevindt, zal het andere verkeerslicht nog 'mee' gaan. Dit betekent dat verkeerslicht met nummer 01 – bij wijze van uitzondering – ondanks de businmelding tóch nog kan overschakelen op groen licht indien verkeerslicht 10 en/of 12 groen was toen de businmelding plaatsvond én de garantie groentijd van verkeerslicht 10 en/of 12 nog niet is verstreken.

De garantie groentijd van de richtingen 10 en 12 bedraagt 5 seconden.

[…]

Uiteraard worden de richtingen 01 en/of 12, indien zij Groen zijn, afgebroken (zo snel mogelijk weer naar Rood gestuurd) met inachtname van de garantiegroentijd."

Fitters heeft, in het licht van zijn rapportage d.d. 16 februari 2007, hierop bij brief van

26 juni 2009 gereageerd.

Bosscha heeft bij brief van 27 januari 2010 een reactie gegeven op de brief van 14 mei 2009 van Citytec en de brief van 26 juni 2009 van Fitters.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De gewijzigde eis luidt dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Allianz aansprakelijk is voor het ontstaan van de aanrijding op 15 juni 2004 en dat Allianz gehouden is de daardoor door de Gemeente c.s. geleden en nog te lijden schade te vergoeden;

2. Allianz veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding aan de Gemeente c.s. bestaande uit:

a. een bedrag van € 13.331,23 terzake van de door de Gemeente c.s. geleden schade aan de bus;

b. een bedrag van € 102.017,39 terzake van de door de Gemeente c.s. geleden schade als gevolg van de voor de inzittenden van de bus ontstane letselschade;

c. een bedrag van € 4.112,17 terzake van de door de Gemeente c.s. geleden schade als gevolg van de arbeidsongeschiktheid van de buschauffeuse;

d. een bedrag van € 965,49 terzake van de door de Gemeente c.s. aan de inzittenden van de bus uitgekeerde schadevergoeding terzake geleden materiële schade,

voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2004, althans vanaf 10 juli 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. Allianz voor het overige, voor zover de schade nog niet is vast te stellen, veroordeelt om aan de Gemeente c.s. te vergoeden alle door hen geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeer¬deren met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004, althans vanaf 10 juli 2007, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Allianz veroordeelt tot betaling aan de Gemeente c.s. van een bedrag van € 6.658,35 terzake de factuur van Bosscha, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

23 april 2008 tot de dag der algehele voldoening;

5. Allianz veroordeelt tot betaling aan de Gemeente c.s. van een bedrag van € 2.842,-- terzake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2004, althans vanaf 10 juli 2007 tot de dag der algehele voldoening;

6. Allianz veroordeelt in de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, voor zover niet binnen die termijn betaald, de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf die termijn tot de dag der algehele voldoening, en de nakosten.

3.2. De Gemeente c.s. hebben aan hun vordering het volgende ten grondslag gelegd.

De vrachtautochauffeur heeft onrechtmatig gehandeld doordat hij door rood licht is gereden en mitsdien de aanrijding heeft veroorzaakt.

Indien wordt geoordeeld dat zowel de vrachtauto als de bus door groen/wit licht zijn gereden, dan heeft de vrachtautochauffeur evenzeer onrechtmatig gehandeld doordat hij de voor het fietspad en de busbaan aangebrachte "haaien¬tanden" heeft genegeerd, niet (eerder) heeft gekeken of er vanuit de richting Schiedam verkeer aankwam op de busbaan, en bij het rechtsaf slaan geen voorrang aan de rechtdoorgaande bus heeft verleend. Door aldus te handelen heeft de vrachtautochauffeur de aanrijding veroorzaakt.

Indien wordt geoordeeld dat de buschauffeuse onrechtmatig heeft gehandeld, dan is de schade mede een gevolg van een omstandigheid die aan de vrachtautochauffeur kan worden toegerekend, te weten dat deze op onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen.

3.3. Op grond van artikel 3 lid 1 WAM is Allianz als WAM-verzekeraar van de aan B.V. in eigendom toebehorende vrachtauto verplicht alle door de Gemeente c.s. geleden schade, inclusief de schade van de inzittenden van de bus, te vergoeden. Deze bestaat uit:

a. schade bus: € 22.218,71

b. (voorlopige) letselschade inzittenden bus: € 127.554,12

c. schade arbeidsongeschiktheid buschauffeuse: € 4.112,17

d. materiële schade inzittenden bus: € 965,49

Totaal: € 154.850,49

Terzake de sub a genoemde schade heeft Allianz in mei 2005 een bedrag van € 8.887,48 betaald zodat nog een bedrag van € 13.331,23 betaald moet worden.

Terzake de sub b genoemde schade heeft Allianz in juni 2007 een bedrag van € 25.536,73 betaald zodat nog een bedrag van € 102.017,39 betaald moet worden.

De letselschade van mevrouw [F], waarvan de hoogte nog niet vaststaat, dient nader te worden opgemaakt bij staat.

Voorts maken de Gemeente c.s. aanspraak op een bedrag van € 6.658,35, zijnde de kosten die door Bosscha in rekening zijn gebracht in verband met zijn rapportage d.d. 23 april 2008.

Tot slot maken de Gemeente c.s. aanspraak op een bedrag van € 2.842,-- terzake buitengerechtelijke kosten.

3.4. Het verweer van Allianz strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de Gemeente c.s. afwijst, met veroordeling van de Gemeente c.s. in de proceskosten, de nakosten, en de kosten ter zake van buitengerechtelijk verweer ad

€ 6.865,82. Allianz voert daartoe het volgende aan.

De Gemeente en RET NV zijn niet beide vorderingsgerechtigd.

Betwist wordt dat de vrachtautochauffeur door rood licht is gereden. Uitgangspunt moet zijn dat beide voertuigen door groen/wit licht zijn gereden. Betwist wordt dat de vrachtauto¬chauffeur voorrang had moeten verlenen aan de bestuurster van de bus. Zo hij wel voorrang had moeten verlenen, dan heeft Allianz met die voorrangsplicht reeds rekening gehouden doordat zij voor 40 % aansprakelijkheid heeft erkend. Allianz betwist voor meer dan 40 % aansprakelijk te zijn aangezien de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd mede een gevolg is van omstandigheden die aan de bestuurster van de bus kunnen worden toegere¬kend. Voor zover de causale afweging niet tot een verdeling van 60-40 leidt, vergt de billijkheid dat de aansprakelijkheid van Allianz wordt beperkt tot 40 %.

in reconventie

3.5. Allianz vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van de kosten van buitengerechtelijk gevoerd verweer ad € 6.865,82, de proceskosten en de nakosten.

Allianz stelt daartoe dat zij na het beschikbaar komen van het proces-verbaal van de politie voor 40 % aansprakelijkheid terzake het ongeval heeft erkend. Omdat de Gemeente c.s. zich op het standpunt stellen dat Allianz voor 100 % aansprakelijk is voor het ongeval, heeft zij juridisch advies moeten inwinnen waarvan de kosten € 1.463,22 bedragen. Voorts is in dat kader het rapport van Fitters opgemaakt waarvan de kosten € 5.402,60 bedragen. Beide kostenposten dienen door de Gemeente c.s. te worden betaald.

3.6. Het verweer van de Gemeente c.s. strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van Allianz afwijst, met veroordeling van Allianz in de proceskosten.

Onder verwijzing naar hetgeen zij in conventie hebben gesteld, voeren de Gemeente c.s. aan dat de aanrijding te wijten is aan een onrechtmatige daad van de vrachtautochauffeur zodat de vordering van Allianz reeds hierom moet worden afgewezen. Bovendien komen de gevorderde advocaat¬kosten niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze buitensporig hoog zijn en de advocaat geen werkzaamheden heeft verricht die de omvang van het gevorderde bedrag rechtvaardigen.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De door Allianz geuite bezwaren tegen de eiswijziging zien hoofdzakelijk op de vorderingsgerechtigheid van de Gemeente c.s., waarop de rechtbank hieronder zal ingaan. Nu Allianz tegen de eiswijziging als zodanig geen bezwaar heeft gemaakt en de rechtbank deze niet in strijd acht met de eisen van een goede procesorde, zal recht gedaan worden op de gewijzigde eis.

4.2. Partijen zijn het erover eens dat RET NV eerst op 1 januari 2007, derhalve ná het onderhavige ongeval, is opgericht. Gelet op deze verzelfstandiging van de (voormalige) gemeentelijke dienst RET gaat de rechtbank er vanuit dat de bus ten tijde van de aanrijding eigendom was van de (gemeentelijke dienst RET van de) Gemeente. Dit betekent dat de Gemeente in beginsel vorde¬rings¬¬gerechtigd is. Allianz heeft echter aangevoerd dat de Gemeente niet vorderings¬gerechtigd is omdat niet zij maar Centraal Beheer Schade N.V. ten tijde van het ongeval de WAM-verzekeraar van de bus was. Derhalve waren er voor de Gemeente geen verplich¬tingen ten opzichte van eventuele claimanten, aldus Allianz.

De Gemeente c.s. hebben gesteld dat de Gemeente voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd is bij Centraal Beheer Achmea in het kader waarvan zij 100 % eigen risicodrager is. Dit betekent dat de Gemeente de schade van claimanten dient te vergoeden, aldus de Gemeente c.s.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Gemeente c.s. door overlegging van de "Beheernota Assurantiën Gemeente Rotterdam" (productie 32, akte overlegging stukken d.d.

30 september 2009), meer in het bijzonder pagina 8 sub 2 waarin aansprakelijk¬heid op grond van de WAM is geregeld, voldoende aannemelijk gemaakt dat de Gemeente haar risico heeft ondergebracht bij Centraal Beheer Achmea. Uit pagina 5 blijkt dat terzake aansprakelijkheid op grond van de WAM voor de Gemeente een eigen risico geldt van

€ 1.000.000,-- per gebeurtenis terwijl op pagina 8 onder "2. Aansprakelijkheidverzekering wagenpark" is vermeld: "Het wettelijk voorgeschreven verzekerde bedrag van € 1.000.000,00 is voor de gemeente gelijktijdig het eigen risicobedrag per gebeurtenis, dat is ondergebracht in de Kostenplaats Verzekeringen. Voor de R.E.T. is per schadegeval een eigen risico van toepassing van € 13.613,41".

Gelet hierop is het de rechtbank niet duidelijk of de Gemeente in verband met de onderhavige schade volledig het eigen risico draagt dan wel haar eigen risico beperkt is tot een bedrag van € 13.613,41. De rechtbank zal de Gemeente dan ook in de gelegenheid stellen zich hieromtrent bij akte (nader) uit te laten, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd aan de hand van relevante bescheiden. Allianz zal in de gelegen¬heid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

4.4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de Gemeente c.s. terzake hebben gesteld niet tot de conclusie kan leiden dat ook RET NV vorderingsgerechtigd is.

Vaststaat dat RET NV ten tijde van het ongeval nog niet was opgericht. Derhalve kon RET NV geen eigenaar zijn van de bus. De enkele stelling dat in verband met de verzelf¬stan¬diging per 1 januari 2007 nog het een en ander verrekend diende te worden tussen de Gemeente en RET NV, acht de rechtbank onvoldoende. Niet gesteld of gebleken is dat de Gemeente haar vordering op Allianz geheel of gedeeltelijk aan RET NV heeft overge¬dra¬gen.

Gezien het vorenoverwogene acht de rechtbank de vordering van RET NV jegens Allianz niet toewijsbaar.

4.5. Voor het geval dat de Gemeente in verband met de onderhavige schade volledig het eigen risico draagt, overweegt de rechtbank het volgende.

De Gemeente heeft primair gesteld dat de vrachtautochauffeur onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij door rood licht is gereden en mitsdien de aanrijding heeft veroorzaakt. Subsidiair heeft zij gesteld dat de vrachtautochauffeur kort voor de aanrij¬ding gevaarzettend en/of onzorgvuldig heeft gehandeld en daardoor de aanrijding heeft veroor¬zaakt.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast. Voor de vordering van de Gemeente betekent dit dat de Gemeente dient te bewijzen dat de vrachtautochauffeur door rood licht is gereden, althans kort voor de aanrij¬ding gevaarzettend en/of onzorgvuldig heeft gehandeld en mitsdien de aanrijding heeft veroor¬zaakt, nu zij daaraan het rechts¬gevolg verbindt dat de vrachtautochauffeur onrecht¬matig heeft gehandeld en Allianz mitsdien verplicht is de door de Gemeente geleden en te lijden schade te vergoeden.

4.6. Volgens de Gemeente is de vrachtautochauffeur door rood gereden aangezien de verkeerslichten ter plaatse zodanig waren afgesteld dat beide chauffeurs niet gelijktijdig groen/wit licht hadden, de verkeerslichteninstallatie destijds naar behoren werkte, en vaststaat dat de bestuurster van de bus door wit licht is gereden. De Gemeente heeft voorts onder verwijzing naar de rappor¬tage d.d. 23 april 2008 en de brief d.d. 27 januari 2010 van Bosscha gemotiveerd gesteld dat de vrachtauto¬chauffeur niet bij groen licht kan zijn weg¬gereden en dus door rood is gereden. De inmelding van de bus op de detec¬tie¬lus, die zich op een afstand van 217 á 221 meter voor de stopstreep bevindt, heeft er voor gezorgd dat het verkeerslicht voor de vracht¬auto op rood is blijven staan en dus niet, zoals de vrachtauto¬chauffeur heeft verklaard, van rood op groen is gesprongen. De inmel¬ding van de bus op de detectie¬lus heeft er voorts toe geleid dat de bus ruim vóór de botsing wit licht kreeg, hetgeen bevestigd wordt door de verklaring van de buschauffeuse en de getuigenverklaringen van de inzittenden van de bus. Een en ander betekent dat de vracht¬auto wel bij rood licht moet zijn weg¬ge¬¬reden. De brief van Citytec d.d. 14 mei 2009 doet, indien de inhoud daarvan al juist zou zijn, daaraan geen afbreuk. Bovendien heeft de daarin genoemde uitzonderingssituatie zich niet voor¬gedaan. Zo dit echter al het geval zou zijn, dan geldt dat de vrachtauto¬chauf¬feur nog steeds 18 á 23 seconden de tijd had om de kruising over te steken vóórdat de bus de kruising opreed, aldus nog steeds de Gemeente.

4.7. Allianz betwist dat de vrachtauto¬chauf¬feur bij rood licht de kruising is opgereden. Zij voert daartoe aan dat, gelet op de rapportages van Fitters en Bosscha, het niet onmoge¬lijk is dat (ook) de vrachtauto¬chauf¬feur met groen licht is gaan rijden. Geen enkele tech¬nische analyse heeft uitgewezen dat verkeerslicht 01 op rood stond toen de vrachtauto wegreed. Voorts heeft geen der getuigen verklaard dat de vrachtauto¬chauf¬feur bij rood licht is gaan rijden. Onder verwijzing naar de brief van 14 mei 2009 van Citytec en de brief van Fitters d.d. 26 juni 2009 heeft Allianz aangevoerd dat kort vóór het onderhavige ongeval sprake is geweest van de in die brief bedoelde uitzonderingssituatie. Dit betekent dat maxi¬maal 5 seconden na inmel¬ding van de bus bij de detec¬tielus het voor de vrachtauto bestemde verkeers¬¬licht nog van rood op groen licht kon springen waardoor de bus pas 11 seconden daarna, en dus 16 seconden na inmel¬ding, wit licht kreeg. Gelet op de rijtijd van de vracht¬auto tot de botsplaats kon de bus die tijdens het naderen van de stopstreep al meerdere seconden wit licht had, toch nog geconfronteerd worden met de vrachtauto die bij groen licht was weggereden, aldus nog steeds Allianz.

4.8. De rechtbank overweegt het volgende.

Fitters heeft in zijn rapport d.d. 16 februari 2007 aangegeven dat er een situatie kan ontstaan waarbij de vrachtauto door groen rijdt én de bus even later ook door wit licht rijdt. Bosscha erkent in zijn rapport d.d. 23 april 2008 dat die mogelijkheid bestaat doch conclu¬deert dat deze situatie niet aan de orde is geweest en dat de vrachtauto door rood is gereden. Volgens Bosscha zal het Vetag/Vecom afstandssignaal dat de bus heeft gegeven aan de regel¬auto¬maat van de verkeerslichten er voor gezorgd hebben dat de bus (ruim vóór het bots¬moment) wit licht kreeg en dat het licht voor de bestuurder van de vrachtauto op rood is blijven staan. Citytec heeft evenwel in haar brief d.d. 14 mei 2009 aangegeven dat verkeers¬licht 01 – bij wijze van uitzondering – ondanks de businmelding tóch nog kon overschake¬len op groen licht indien verkeerslicht(en) 10 en/of 12 groen was (waren) op het moment dat de businmelding plaatsvond én de garantie groentijd van die verkeerslicht(en), die 5 secon¬den bedraagt, nog niet was verstreken. Naar aanleiding hiervan heeft Fitters in zijn brief d.d.

26 juni 2009 aan de hand van een tweetal figuren toegelicht dat, uitgaande van die uitzonde¬rings¬situatie, een buschauffeur die op een bepaalde afstand voor de stopstreep wit licht kreeg, kon worden geconfronteerd met een voertuig in richting 01.

4.9. Indien de door Citytec genoemde uitzonderingssituatie zich kort voor het onder¬havi¬ge ongeval zou hebben voorgedaan en zou worden uitgegaan van de door Fitters beschreven situatie dat de vrachtauto pas na 2 seconden in beweging kwam en vervolgens 12 seconden erover heeft gedaan om de botsplaats te bereiken, welke optrektijd Bosscha aannemelijk voorkomt (pagina 9 sub 4 rapport d.d. 23 april 2008), dan bedroeg de totaaltijd tussen het rijden van de bus over de detectielus en het moment dat de vrachtauto de botsplaats bereikte 19 secon¬den (2 sec. reactietijd + 12 sec. rijtijd + 5 sec. uitzonderingssituatie). In dat geval zou de bus 16 seconden (5 sec. + 11 sec. cyclus verkeerslicht 01) na het passeren van de detectielus wit licht hebben gekregen hetgeen betekent dat de bus niet door rood is gereden. Deze situatie is door Fitters aange¬duid met figuur 2 op pagina 3 van zijn brief d.d. 26 juni 2009. Wil het echter tot een botsing zijn gekomen dan dient de bus het traject tussen de detectielus en de botsplaats eveneens in 19 seconden te hebben afgelegd.

4.10. De vraag is vervolgens of de bus dat traject in 19 seconden kan hebben afgelegd.

Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Op pagina 4 heeft Fitters hieromtrent het volgende vermeld: "Uit figuur 2 volgt reeds een rijtijd voor de bus van 19 seconden en met een nog wat langere reactie- en rijtijd voor de vrachtauto is bijvoorbeeld ook 20 seconden nog prima te verklaren. Dergelijke rijtijden passen bij de metingen die de heer [B] heeft uitgevoerd; de door hem gemeten tijden liepen uiteen van 18 tot 23 seconden en bedroegen gemiddeld ongeveer 20 seconden. Die metingen roepen bij mij overigens enkele vragen op. Allereerst is het mij niet duidelijk of de geklokte bussen ook allemaal ter hoogte van de stopstreep ‘op volle snelheid’ doorreden zoals onderhavige bus […]. […] En dat zou betekenen dat de gemiddelde rijtijd destijds, dus ten tijde van onderhavige c.q. oude regeling, geringer kan zijn geweest dan de 18 á 23 seconden die de heer [B] heeft bepaald."

Bosscha heeft in zijn rapportage d.d. 23 april 2008 berekend dat de bus ongeveer 23,6 á 28,6 seconden erover doet om van de detectielus naar de botsplaats te rijden. Op pagina 5 van zijn brief d.d. 27 januari 2010 heeft Bosscha aangegeven: "Als alle uitgangspunten in de afstelling van de verkeerslichteninstallatie met betrekking tot die eventuele uitzonderingssituatie aan de ondergrens worden gekozen (zodat er voor de vrachtwagen zo veel mogelijk oprijtijd uitkomt) én bij de door de heer [B] geklokte bustijden (18 – 23 seconden) ook de ondergrens wordt aangehouden (18 sec.) zal de beschikbare rijtijd voor de vrachtauto¬chauffeur korter worden, ja zelfs zo kort dat (volgens de heer Fitters) die tijd te kort kan zijn geweest om het kruisingsvlak vrij te maken. In de eerste plaats ben ik niet overtuigd dat sprake kon zijn van een “uitzonderingssituatie” zoals door Citytec genoemd en evenmin dat die “uitzonderingssituatie” in de onderhavige kwestie aan de orde is geweest. Voor die beoordeling heb ik aanvullend materiaal opgevraagd, dat tot op de dag van heden niet verstrekt werd door de gemeente Vlaardingen.

In de tweede plaats is het de vraag op welke wijze de heer [B] de bustijden heeft geklokt. De daaraan verbonden conclusie (zie punt 32 van de Conclusie van Dupliek in de procedure tussen Gemeente Vlaardingen en Allianz) was dat zijn uitkomsten de door ondergetekende genoemde tijden (23,6 á 28,6 seconden, zie blz. 16 van B0802013) onderstreepte. Wat dat betreft verdient het naar mijn overtuiging aanbeveling om uit te blijven gaan van de door mij gestelde 23,6 á 28,6 sec. (welke niet door de heer Fitters zijn betwist)."

In verband met de vrijwaringzaak die bij deze rechtbank onder zaak- en rolnummer

303822 / HA ZA 08-782 (Allianz/gemeente Vlaardingen) aanhangig is, is de rechtbank ambtshalve bekend met de brief van [B], verkeerskundige (hierna: [B]), d.d. 8 augustus 2008. Hierin is namens de gemeente Vlaardingen, voor zover hier relevant, het volgende aan de raadsman van de gemeente Vlaardingen bericht:

"Op uw verzoek heb ik op 5 augustus jongstleden tussen 18.00 uur en 18.30 uur het verkeersgedrag van het busverkeer geobserveerd ter hoogte van de busbaan tussen het metroviaduct Vijfsluizen en het kruispunt Schiedamsedijk – oprit rijksweg A4.

Tijdens deze observatie heb ik onder meer de rijtijden van het busverkeer genoteerd vanaf de passage met de detectielus (gesitueerd onder het viaduct met de rijksweg A4) tot aan de aankomst bij de stopstreep van richting 42.

Door middel van deze brief wil ik u op de hoogte stellen van mijn bevindingen.

Vertrektijd lijnnr. rijtijd (van detectielus onder viaduct A4 tot aan stopstreep)

18.03 lijn 55 19 sec

18:04 lijn 126 21 sec

18:09 lijn 56 18 sec

18:13 lijn 56 21 sec

18:24 lijn 56 23 sec chauffeur vertraagde om iets tegen mij te zeggen

18:28 lijn 56 21 sec

18:30 lijn 55 20 sec bus halteerde op busbaan onder metroviaduct

18:31 lijn 89 21 sec bus halteerde op busbaan onder metroviaduct"

Uit de hierboven weergegeven passages uit de brief van Fitters van 26 juni 2009 en de brief van Bosscha van 27 januari 2010 leidt de rechtbank af dat zowel Fitters als Bosscha bekend zijn met de processtukken die in de procedure met zaak- en rolnummer 303822 / HA ZA 08-782 (Allianz/gemeente Vlaardingen) zijn overgelegd, althans dat zij bekend zijn met de inhoud van de in die procedure overgelegde brief van [B]. Beiden verwijzen in hun brieven immers naar de door [B] geklokte rijtijden – van 18 tot 23 seconden – van het bus¬verkeer welke overeenkomen met de hierboven weergegeven tijden. Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat partijen in de onder¬havige procedure met de inhoud van de brief van [B] bekend zijn. Hoewel zij die brief in de onderhavige procedure niet hebben overgelegd, zal de rechtbank, gelet op het feit dat zowel Fitters als Bosscha de door [B] geklokte rijtijden in hun (nadere) bevindingen hebben betrokken, die tijden in haar beoordeling betrekken.

Volgens de door [B] gemeten rijtijden doet een bus er ongeveer 18 tot 23 seconden over om van de detectielus naar de stopstreep te rijden. De afstand tussen de stop¬streep voor de bus en de botsplaats wordt (volgens Fitters) in ongeveer 0,7 seconden gereden. Om de door [B] gemeten rijtijden (van detectielus tot stopstreep) met de door Bosscha bereken¬de rijtijd (van detectielus tot botsplaats) te kunnen vergelijken, dient 0,7 seconden bij de door [B] geklokte rijtijden te worden opgeteld. Aldus bedraagt de door [B] gemeten rijtijd waarin de afstand van de detectielus tot de botsplaats wordt afgelegd onge¬veer 18,7 tot 23,7 seconden. De hiervoor sub 4.9 berekende totaaltijd van 19 seconden

(2 sec. reactietijd + 12 sec. rijtijd + 5 sec. uitzonderingssituatie) valt daarbinnen. Die totaaltijd valt echter (ruim) buiten de door Bosscha berekende rijtijd van 23,6 á 28,6 seconden.

4.11. De rechtbank acht de door [B] geklokte rijtijden representatief voor de door de bestuurster van de bus gereden rijtijd. Hierbij betrekt de rechtbank het volgende.

Door Bosscha en Fitters is niet gesteld dat de wijze waarop die rijtijden zijn gemeten onjuist is geweest. Dit is evenmin gebleken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de door [B] verrichte metingen correct zijn uitgevoerd.

[B] heeft van acht lijnbussen de rijtijden gemeten. Geen van de door hem geklokte bus¬sen, zelfs niet de bus die even vertraagde (lijnbus 56, 18.24 uur, 23 sec.), heeft er 23,7 tot 28,6 seconden over gedaan om de afstand van de detec¬tielus tot de botsplaats af te leggen. Niet gesteld of gebleken is dat Bosscha de door hem berekende rijtijd van 23,7 tot 28,6 seconden heeft geverifieerd aan de hand van door hem zelf geklokte (gemiddelde) rijtijden. Bosscha is voor de door hem berekende rijtijd van 23,6 á 28,6 seconden uitgegaan van een gemiddelde snelheid van 25 tot 35 km/uur. Hij heeft in zijn rapport evenwel niet aange¬geven waarop hij die snelheid baseert.

4.12. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de bus de afstand van de detec¬tie¬lus tot de botsplaats in 19 seconden kan hebben afgelegd.

4.13. Het vorenstaande betekent dat het in een situatie waarin (i) de door Citytec beschre¬ven uitzonderingssituatie zich voordoet, (ii) de vrachtauto pas laat reageert en (iii) de bus met een hoge snelheid rijdt, het voor kan komen dat de vrachtauto door groen en de bus door wit licht rijdt en dat het toch tot een botsing komt. De Gemeente heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de uitzon¬derings¬situatie niet bestaat, althans dat die situatie zich in het onderhavige geval niet heeft voorgedaan. Hetgeen zij heeft gesteld met betrek¬king tot getuige Jansen is daartoe onvoldoende. De enkele omstandigheid dat het voor Jansen bestemde verkeerslicht 08 groen was, leidt immers nog niet tot de conclusie dat de daarmee conflicterende verkeerslichten 10 en/of 12 rood waren op het moment dat de bus over de detectielus reed.

De Gemeente heeft weliswaar gesteld dat de bestuurster van de bus de kruising naderde terwijl het voor haar bestemde verkeerslicht al geruime tijd wit licht uitstraalde, doch zij heeft niet (exact) aangegeven hoeveel seconden dat licht op wit stond voor het botsmoment. Bosscha heeft in zijn rapport van 23 april 2008 op pagina 17 onder het kopje "Vergelijking tijden/kleur verkeerslicht" aangegeven dat zijn analyse het aannemelijk maakt dat het voor de buschauffeuse bestemde verkeerslicht op ruime afstand voor de botsplaats op wit heeft gestaan, doch bij die analyse, die – kort samengevat – erop neerkomt dat de inmelding van de bus heeft plaatsgevonden terwijl het licht voor de vrachtauto nog op rood stond en in die situatie het rood zal worden vastgehouden, is geen rekening gehouden met de door Citytec genoemde uitzonderingssituatie en de door [B] geklokte rijtijden.

De buschauf¬feuse heeft verklaard: "Op een afstand zie ik altijd al dat het wit licht is, vandaag was dat ook het geval.". Hoewel hieruit kan worden afgeleid dat het negenoog niet kort voor het passeren van de stopstreep op wit sprong blijkt daaruit niet hoeveel meter voor de botsplaats de buschauffeuse het negenoog op wit zag staan en/of hoeveel seconden dat licht op wit stond voor het botsmoment. Ook de tegenover de politie afgelegde getuigen¬verklaringen van de inzittenden van de bus bieden op dit punt geen opheldering. Alleen de heer [R], chauffeur van beroep, heeft verklaard dat hij ongeveer 20 meter voor het verkeerslicht zag dat het verkeerslicht voor de bus wit was.

Het vorenstaande betekent dat de mogelijkheid bestaat dat de vrachtauto door groen en de bus door wit licht is gereden.

4.14. Op grond van het vorenoverwogene kan hetgeen de Gemeente ter zake heeft gesteld niet de conclusie dragen dat de vrachtautochauffeur door rood licht is gereden. Derhalve dient de rechtbank er vanuit te gaan dat (ook) de vrachtautochauffeur door groen licht is gereden. Daarmee komt de rechtbank toe aan de subsidiaire stelling van de Gemeente inhoudende dat de bestuurder van de vrachtauto onrechtmatig heeft gehan¬deld doordat hij de voor het fietspad en de busbaan aangebrachte "haaien¬tanden" heeft genegeerd, niet (eerder) heeft gekeken of er vanuit de richting Schiedam verkeer aankwam op de busbaan, en bij het rechtsaf slaan geen voorrang heeft verleend aan de rechtdoorgaande bus.

4.15. De rechtbank overweegt het volgende.

Indien de vrachtautochauffeur onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden, volgt uit de artikelen 5 WVW en 6:162 BW dat hij aansprakelijk is tegenover de Gemeente.

4.16. Fitters heeft in zijn rapportage d.d. 16 februari 2007 vermeld dat als de rechter breedtespiegel van de vrachtauto juist stond afgesteld, de vrachtautochauffeur de naderende bus kort na en moge¬lijk zelfs al voor het moment van wegrijden (bij diens stopstreep) via deze spiegel had kunnen zien. Omdat de naderende bus, gezien de ligging van het negenoog, op dit vroegst mogelijke waarneemmoment voor hem nog geen reële ongevalsdreiging vormde, had de vrachtautochauffeur uiterlijk ongeveer 1,5 seconde voor de botsing c.q. ongeveer 5,5 meter voor het midden van de busbaan moeten gaan reageren om de voorzijde van zijn voertuig nog voor de busbaan tot stilstand te kunnen brengen. Op dat moment zal de neus van de naderende bus vermoedelijk net waarneembaar zijn geweest door de rechter zijruit van de cabine van zijn vrachtauto. Als de vrachtauto¬chauffeur op dat moment die kant op zou hebben gekeken, dan had hij een aanrijding kunnen voorkomen, aldus nog steeds Fitters. Bosscha heeft aangegeven dat op het moment dat de vrachtauto¬chauffeur had moeten beseffen dat hij geen voorrang zou krijgen, hij het front van de vrachtauto nog juist ter hoogte van de busbaan tot stilstand zou hebben kunnen brengen en zodoende de aanrijding had kunnen voorkomen.

4.17. Volgens het door de politie opgemaakte proces-verbaal heeft de vrachtautochauffeur op 15 juni 2004 het volgende aan de politie verklaard:

"Ik heb in eerste instantie naar rechts gekeken om te kijken of er geen fietsers rechts naast mij op het fietspad stonden. Ik zag dat er geen fietsers of voetgangers rechts naast mij stonden. Ik zag dat het verkeerslicht voor de fietsers en voetgangers op rood stond.

Ik ben na het wegrijden een klein stukje rechtdoor gereden omdat de oprit naar de Rijksweg A4 enkele meters na het verkeerslicht is gelegen. […] Ik reed op dat moment voor mijn gevoel ongeveer 20 kilometer per uur.

Tijdens het wegrijden keek ik naar het fietspad en de busbaan welke gelegen zijn parallel aan de rijbaan van de Mr L.A. Kesperweg. Ik zag dat er vanuit de richting van Vlaardingen geen bus of fietsers op respectievelijk de busbaan en het fietspad reden. Ik ben vervolgens rechtsaf naar de oprit van de Rijksweg A4 gereden. Op het moment dat ik de bocht instuurde heb ik naar rechts gekeken. Ik keek door het rechter zijraam van mijn cabine. Ik keek naar de busbaan om te kijken of er nog een bus uit de richting van Schiedam kwam. Het is voor mij een gewoonte om te kijken of de busbaan echt vrij is. Op dat moment zag ik plotseling vanaf rechts een bus aankomen. Ik kon op dat moment niet meer reageren. Ik kon niet meer remmen en heb dan ook niet geremd."

De rechtbank leidt hieruit af dat de vrachtauto¬chauffeur pas op het moment dat hij de bocht instuurde om de oprit van de Rijksweg A4 op te rijden naar rechts gekeken heeft om te zien of er op de busbaan verkeer naderde uit de richting van Schiedam en eerst op dat moment de bus zag waarop hij niet meer tijdig kon reageren.

4.18. Het vorenstaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de vracht¬autochauffeur in strijd heeft gehandeld met de algemeen geldende regel van zorgvuldigheid in het verkeer dat – ook in het geval van een normaal in werking zijnde verkeerslichten¬installatie – een kruising niet mag worden opgereden voordat is gecontro¬leerd of deze daad¬werkelijk vrij is. De omstandigheid dat de vrachtautochauffeur bij groen licht is wegge¬reden ontsloeg hem niet van zijn verplichting rekening te houden met de mogelijkheid dat recht¬door¬gaand verkeer op de busbaan komende vanuit de richting Schiedam de kruising zou op¬rij¬den. In aanmerking nemende de omstandigheid dat de vrachtautochauffeur een zwaar beladen vrachtauto bestuurde, hij langzaam is opgetrokken en met een snelheid van slechts 18 km/per uur reed, had hij bovendien rekening moeten houden met de mogelijk¬heid dat het voor hem bestemde verkeerslicht intussen weer op rood was gesprongen en het rechtdoor¬gaan¬de verkeer op de busbaan mogelijk al wit licht had gekregen. Gelet hierop had de vrachtauto¬chauffeur, alvorens de kruising met de busbaan op te rijden, zich ervan moeten vergewissen of het kruisingsvlak volledig vrij was door goed te kijken of zich rechts van hem verkeer op de busbaan bevond. Gelet op de rapportages van Fitters en Bosscha had hij in dat geval de naderende bus eerder kunnen zien en de vrachtauto nog tijdig tot stil¬stand kunnen brengen teneinde een aanrijding te voorkomen. Nu de vrachtautochauffeur de kruising is opgereden zonder te controleren of deze daad¬werkelijk vrij was, heeft hij gevaarzettend gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.

4.19. De vraag is vervolgens in welke mate dit verkeersgedrag het onderhavige ongeval heeft veroorzaakt. Allianz heeft immers aangevoerd dat het onderhavige ongeval (mede) is veroorzaakt doordat de bestuurster van de bus onrechtmatig heeft gehandeld. Daarmee heeft Allianz een beroep gedaan op eigen schuld. Derhalve dient thans te worden beoordeeld of de bestuurster van de bus onvoorzichtig de kruising is opgere¬den.

4.20. Volgens het door de politie opgemaakte proces-verbaal heeft de buschauffeuse op 15 juni 2004 het volgende aan de politie verklaard:

"Ter hoogte van de kruising gekomen alwaar de aanrijding heeft plaatsgevonden reed ik ongeveer 40-45 km per uur. […] Op de kruising gekomen met de oprit naar de Rijksweg A4 richting de Beneluxtunnel reed ik dan ook de kruising op, om mijn weg te vervolgen richting station Vlaardingen Oost. Ik keek daarbij naar rechts, in de richting van de oprit en de afrit van de Rijksweg A4 Vlaardingen Oost. Ik heb dan ook niets gezien van de linker kant. Plotseling zag ik een blauwe flits van links en draaide ik mijn stuur naar de rechterkant om het aankomende voertuig te ontwijken. Ik wist nog niet wat het was, omdat alles zo snel ging. Nadat ik mijn stuur naar rechts had gedraaid, voelde ik dat de bus van de linkerkant geraakt werd. […] Nadat ik de klap tegen de linkerkant van de bus voelde, voelde ik ook een klap aan de voorzijde van de bus. Vervolgens was de bus tot stilstand gekomen en keek ik in de bus. […] Ik heb daarop de deuren geopend, zodat de passagiers de bus uit konden gaan. De twee deuren achter gingen open en de deur aan de voorzijde kon niet meer open. Ik keek daarop naar het voertuig dat mijn bus had geraakt en zag dat de bus was geraakt door een vrachtwagen."

Uit deze verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de bestuurster van de bus bij het naderen van de kruising, mede doordat zij naar rechts keek richting de op- en afrit van de Rijksweg A4, niet naar links gekeken heeft en derhalve niet naar het eventuele vanuit die richting komende en nade¬rende verkeer. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat de bestuurster van de bus de vrachtauto eerst kort voor de aanrijding heeft waar¬genomen op een moment dat zij de bus niet meer tijdig tot stilstand kon brengen, althans een aanrijding niet meer kon voorkomen.

4.21. De Gemeente heeft onder verwijzing naar de in het proces-verbaal opgenomen getuigenverklaringen van [C], [D] en [E] aangevoerd dat de bestuurster van de bus, anders dan zij zich kan herinneren, wél naar links heeft gekeken, de vrachtauto heeft gezien en door middel van claxonneren geprobeerd heeft een aanrijding te voorkomen. Voorts heeft zij aangevoerd dat de bestuurster van de bus niet hard reed, dat zij vóór de botsing heeft geremd en dat zij naar rechts heeft gestuurd teneinde de vrachtauto te ontwijken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze getuigenverklaringen niet worden afgeleid dat de bestuurster van de bus naar links heeft gekeken en op welk moment zij dat heeft gedaan. Voorts kan daaruit niet worden afgeleid dat en op welk moment zij haar snelheid heeft aange¬past en op welk moment zij geclaxoneerd en geremd heeft. De rechtbank is voorts van oordeel dat het feit dat getuige S. Altintas heeft verklaard dat de bus wat zachter reed toen deze het verkeerslicht naderde, niet wordt ondersteund door de andere getuigen¬verklaringen. Integendeel, getuige B. Sarpdag heeft dienaangaande verklaard: "Ik voelde dat de bus snel reed, vergeleken met de andere bussen waarin ik gezeten heb" en [E] heeft verklaard: "Ik wil u nog verklaren dat naar mijn mening de buschauffeuse erg hard reed."

4.22. Het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de bestuurster van de bus haar rijgedrag onvoldoende had aangepast aan de omstan¬dig¬heden ter plaatse. Zij is de kruising met een onvoldoende aangepaste snelheid genaderd en heeft onvoldoende opgelet op het verkeer dat haar rijrichting zou kunnen krui¬sen. Nu het te dezen ging om een overzichtelijke kruising en de buschauffeuse derhalve, als zij tijdig naar links zou hebben gekeken, had kunnen zien dat de vrachtauto wegreed bij het voor hem bestemde verkeerslicht en de kruising wilde opdraaien, had zij rekening moeten houden met de mogelijk¬heid dat de vrachtauto haar geen voorrang zou verlenen en zou doorrijden. Gelet hierop had de bestuurster van de bus haar snelheid moeten verminderen zodat zij, indien nodig, de bus tijdig tot stilstand zou kunnen brengen en daarmee een aanrij¬ding zou kunnen voorkomen. De omstandigheid dat het voor de bus bestemde verkeers¬licht wit licht uitstraalde toen de buschauffeuse de kruising naderde doet aan het voren¬staande niet af. Die omstandigheid ontsloeg haar immers niet van haar verplichting om in het verkeer de vereiste zorgvuldig¬heid in acht te nemen en derhalve een kruising niet op te rijden voordat gecontroleerd is of deze daadwerkelijk vrij is en daarbij rekening te houden met eventuele fouten van andere weg¬gebruikers.

4.23. De vraag is vervolgens in welke mate welke gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het onderhavige ongeval en de als gevolg daarvan ontstane schade.

Fitters heeft in zijn rapport d.d. 16 februari 2007 hieromtrent onder meer het volgende vermeld:

"De vermijdbaarheidsmogelijkheden

Hierdoor zal iemand die richting 01 volgt en daar bij groen licht is weggereden, lang blijven denken dat een naderende bus nog wel zal stoppen. Andersom geldt dit naar mijn oordeel niet of in ieder geval veel minder. […] De naderende buschauffeuse zou, in tegenstelling tot de vrachtautochauffeur, wel direct rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de vrachtauto door zou blijven rijden. De vrachtauto was zijn verkeerslicht […[ immers reeds gepasseerd. […]

De buschauffeuse

Hiervoor is al toegelicht dat de buschauffeuse de vrachtauto in feite voortdurend heeft kunnen zien. Afhankelijk van het scenario zal de vrachtauto tussen ongeveer 12,5 en 11,0 s voor de botsing zijn weggereden (vanaf diens stopstreep). Het behoeft denk ik geen betoog dat de buschauffeuse, als zij op dat moment was gaan remmen, ruimschoots in de gelegenheid zou zijn geweest om een aanrijding te voorkomen.

Het is echter de vraag of een dergelijke reactie op dat moment al van haar had mogen worden verwacht. […]

De vraag wanneer de naderende vrachtauto voor haar een reële ongevalsdreiging vormde, is echter vooral ook een juridische. […] Uit deze frames volgt dat de buschauffeuse, teneinde een botsing afstandmatig nog te kunnen voorkomen, uiterlijk zo’n 2,4 á 2,5 s voor de botsing had moeten gaan reageren.

[…]

De vrachtautobestuurder

[…]

Geconcludeerd kan dus worden dat de vrachtautobestuurder, aannemende dat hij de bus op zijn vroegst mogelijke moment zou hebben gezien, een aanrijding zeker had kunnen voorkomen.

Dit is echter niet reëel omdat de naderende bus op dit ‘vroegst mogelijke waarneemmoment’ nog geen reële ongevalsdreiging vormde.

[…]

Op grond van […] kan worden gesteld dat de bestuurder van de vrachtauto een aanrijding had kunnen voorkomen als hij direct was gaan reageren na het verschijnen van de bus in zijn rechter zijraam. Als hij op dat moment inderdaad die kant op zou hebben gekeken, dan had hij een aanrijding dus kunnen voorkomen. Op de vraag of van hem mag worden verwacht dat hij op dat moment in die richting kijkt, meen ik verder niet te moeten ingaan omdat dat vooral een juridische kwestie is."

Bosscha heeft in zijn rapport d.d. 23 april 2008 omtrent de vermijdbaarheid van de aanrijding het volgende vermeld:

"[X]

[…]

Echter, de bus vormde voor [X] op dat moment nog geen ongevalsdreiging. Die dreiging zal er pas komen als hem duidelijk wordt dat de bus niet gaat stoppen. […] Dus toen de bus op minder dan 25 meter van het kruisingsvlak verwijderd was (op ca. 2 sec. vóór het botsmoment) was er voor [X] aanleiding om te gaan beseffen dat hij geen voorrang ging krijgen. […] Met een vertraging van ruim 3m/s2 zou [X] het front van de vrachtwagen nog juist ter hoogte van de door Van der Mijn gevolgde rijstrook tot stilstand kunnen hebben gebracht (en zodoende de aanrijding hebben kunnen voorkomen).

Van der Mijn

[…]

Uit een vergelijking van deze tijden blijkt dat Van der Mijn de gehele optrekmanoeuvre van de vrachtwagen (redelijk goed) gezien moet kunnen hebben […]. Had mevr. Van der Mijn eerder (en doeltreffender) kunnen reageren?

[…] Dat betekent dat zij op tijdstip 2,4 sec. (vóór het botsmoment) had moeten gaan reageren om nog vóór het kruisingsvlak tot dat de buschauffeuse het punt voorbij reed waarop zij nog vóór het kruisingsvlak tot stilstand te komen. Op tijdstip 2,4 bevond het front van de vrachtwagen zich ongeveer aan het begin van de strook welke gesitueerd is tussen het fietspad en de buslijn. Op dat moment zou de vrachtwagenchauffeur nog remmend tot stilstand kunnen komen juist vóór de buslijn.

Oftewel: voor mevr. Van der Mijn zal er toen nog geen directe dreiging van een ongeval zijn geweest. Die kwam er direct daarna, maar toen was zij al niet meer in staat om nog vóór het kruisingsvlak tot stilstand te komen.

Voor haar lijken er in de gegeven omstandigheden derhalve geen reële mogelijkheden te zijn geweest om deze aanrijding te voorkomen."

4.24. De rechtbank is van oordeel dat, gelet ook op de rapportages van Fitters en Bosscha, de vrachtauto meer kans had om het ongeval te vermijden dan de bus. Hierbij betrekt de rechtbank met name de omstandigheid dat de vrachtauto langzaam (18 km/uur) reed waardoor hij rekening had moeten houden met de mogelijk¬heid dat het voor hem bestemde verkeerslicht intussen weer op rood was gesprongen en het rechtdoor¬gaan¬de verkeer op de busbaan mogelijk al wit licht had gekregen. Doordat de vrachtauto langzaam reed, had de vrachtauto¬chauffeur, gelet ook op de bevindingen van Fitters en Bosscha op dit punt, op het moment dat voor hem duidelijk had moeten zijn dat de bus niet zou gaan stoppen, zijn voertuig nog juist voor de busbaan tot stilstand kunnen brengen.

De bestuurster van de bus had rekening moeten houden met de omstandigheid dat de vrachtauto het voor hem bestemde verkeerslicht had gepasseerd en wellicht dus meende ongehinderd de kruising te kunnen oversteken. Echter, op het moment dat zij zou moeten gaan reageren om nog vóór het kruisings¬vlak tot stilstand te komen, vormde de vrachtauto nog geen directe bedreiging voor haar omdat het in haar beleving op dat moment nog (steeds) mogelijk zou zijn geweest dat de vrachtauto vóór de busbaan tot stilstand had kunnen komen. Gelet ook op de hierboven weergegeven bevindingen van Fitters en Bosscha op dit punt, acht de rechtbank het aannemelijk dat op het moment dat er een ongeval dreigde de vrachtauto¬bestuurder nog wel doch de bestuurster van de bus geen reële mogelijkheden (meer) had om de aanrijding te voorkomen.

4.25. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vrachtauto voor

80 % en de bus voor 20 % heeft bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding en de als gevolg daarvan ontstane schade. Het feit dat de vrachtautochauffeur bezig was een afslaande manoeuvre uit te voeren op een groot en druk kruispunt en dat hij daarbij zijn aandacht moest verdelen over meerdere rij¬rich¬tingen en verkeersdeelnemers, vormt, anders dan Allianz heeft aangevoerd, geen omstan¬digheid op grond waarvan een andere verdeling van de schade zou moeten plaatsvinden. Met de Gemeente is de rechtbank van oordeel dat voor alle verkeers¬deelnemers geldt dat van hen verwacht mag worden hun aandacht te verdelen over meerdere rijrichtingen en verkeersdeelnemers omdat zulks inherent is aan het deelnemen aan het verkeer.

4.26. Uit het vorenstaande vloeit voort dat Allianz, als WAM-verzekeraar van de vrachtauto, gehouden is om 80 % van de door de Gemeente geleden schade te vergoeden. De billijkheid leidt niet tot een andere verdeling.

De rechtbank zal in het navolgende ingaan op de door de Gemeente gestelde (omvang van de) schade.

Schade aan de bus (€ 22.218,71)

4.27. Aangezien Allianz de (omvang van de) schade aan de bus heeft erkend en zij voor 80 % daarvoor aansprakelijk is, is zij de Gemeente een bedrag van € 17.774,97

(80 % * € 22.218,71) verschuldigd. Vaststaat dat Allianz terzake deze schade in mei 2005 een bedrag van € 8.887,48 heeft betaald. Derhalve dient nog een bedrag van € 8.887,49

(€ 17.774,97 minus € 8.887,48) door Allianz aan de Gemeente te worden betaald.

Terzake de onder 3.1.2. sub a gevorderde schade is derhalve een bedrag van € 8.887,49 toewijsbaar.

Letselschade inzittenden van de bus (€ 127.554,12)

4.28. De Gemeente heeft voor dit onderdeel van haar vordering onder andere verwezen naar de als producties 29 en 30 bij conclusie van repliek in conventie tevens verandering van eis en conclusie van antwoord in reconventie overgelegde schade¬over¬zichten d.d.

28 mei 2008. Het verweer van Allianz dat de Gemeente terzake bepaalde schadeposten niet vorderings¬gerechtigd is en/of bepaalde schadeposten niet op Allianz kunnen worden verhaald omdat deze tegen finale kwijting zijn betaald, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden verwor¬pen. De Gemeente heeft immers gemotiveerd en onweersproken gesteld dat zij terzake de letselschade van de inzittenden van de bus aansprakelijk is gesteld en dat zij, als eigenrisicodrager, die schade heeft vergoed. Voorts geldt dat Allianz, gelet op het feit dat zij in juni 2007 een bedrag van € 25.536,73 aan de Gemeente heeft betaald ter vergoeding van 40 % van de letselschade van de inzittenden van de bus, de Gemeente terzake die schade kennelijk ook vorderings¬gerechtigd acht.

Ten aanzien van het verweer van Allianz dat de Gemeente niet vorderingsgerechtigd is terzake de declaraties die door Gemeente¬werken Rotterdam zijn voldaan, heeft de Gemeente gemotiveerd gesteld dat Gemeente¬werken Rotterdam een onderdeel (dienst/afdeling) van de Gemeente is zonder rechts¬persoon¬lijkheid en dat het dus de Gemeente is die betrokken is geweest bij de afwikkeling van die declaraties. Aangezien Allianz dit niet heeft betwist en haar verweer op dit punt enkel heeft herhaald, gaat de rechtbank er vanuit dat de Gemeente (ook) vorderingsgerechtigd is terzake de declaraties die door Gemeentewerken Rotterdam zijn voldaan.

4.29. De rechtbank zal thans, zoveel mogelijk aan de hand van het als productie 30 overgelegde schadeoverzicht d.d. 28 mei 2008 (CvR/CvA), op dit onderdeel van de vordering ingaan.

Groeneveld & Partners (€ 26.801,45)

4.30. De Gemeente stelt dat deze schade betrekking heeft op kosten die door Groeneveld & Partners B.V. zijn gemaakt in verband met de afwikkeling van (door derden) gevorderde letselschade. Allianz voert aan dat niet bewezen is dat deze kosten voldoen aan de dubbele redelijk¬heidstoets. Voorts voert Allianz aan dat deze kosten niet toewijsbaar zijn omdat de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden behoren tot de normale bedrijfs¬uitvoering van de Gemeente en dienen tot het voeren van verweer en het beoordelen van gevorderde schadeposten.

4.31. De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de als producties 23 bij dagvaarding overgelegde facturen van Groeneveld & Partners B.V. aan de Gemeente blijkt dat de hier gevorderde schade betrekking heeft op expertise¬kosten die zijn gemaakt in verband met de afwikkeling van door pas[D]F], [G], [H] en [I] gevorderde (letsel)schade. Aangezien Allianz haar verweer dat niet vaststaat dat deze kosten voldoen aan de dubbele redelijk¬heidstoets op geen enkele wijze heeft onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien dat de werkzaamheden die aan de gemaakte expertisekosten ten grondslag liggen werkzaamheden betreffen die tot de normale bedrijfsvoering van de Gemeente behoren. Het gaat immers om werkzaamheden die verband houden met het vaststellen van (de omvang van) de letselschade. Derhalve dient ook dit verweer te worden verworpen.

Aangezien Allianz de hoogte van het gevorderde totaalbedrag ad € 26.801,45 niet heeft betwist, acht de rechtbank 80 % van dat bedrag toewijsbaar, derhalve € 21.441,16.

[F] passagier (€ 37.500,--)

4.32. Partijen zijn het erover eens dat [F] als gevolg van het ongeval ernstig letsel heeft opgelopen. De Gemeente heeft gesteld dat terzake de schade van [F] op

9 februari 2005 een voorschot van € 2.500,-- is betaald en dat nadien nog een voorschot van € 5.000,-- is betaald. Voorts heeft de Gemeente gesteld dat de schade van [F] nog niet vast¬staat en nader moet worden opgemaakt bij staat. In het schadeoverzicht d.d. 28 mei 2008 is terzake deze schade opgenomen een voorschot d.d. 9 februari 2005 van € 2.500,--, een voorschot d.d. 1 juni 2006 van € 5.000,--, een voorschot d.d. 14 septem¬ber 2006 van

€ 5.000,-- en een "slotuitkering" d.d. 31 maart 2008 van € 25.000,--.

Gelet op het vorenstaande is het de rechtbank niet duidelijk of met de "slotuitkering" van

€ 25.000,-- de omvang van deze schade (definitief) is komen vast te staan en derhalve in totaal een bedrag van € 37.500,-- beloopt. Voorts heeft de Gemeente geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij de slotuitkering van € 25.000,-- aan [F] heeft betaald. De Gemeente zal dan ook in de gelegenheid wor¬den gesteld zich omtrent het vorenstaande bij akte uit te laten, een en ander zoveel mogelijk onder¬bouwd aan de hand van relevante stukken. Allianz zal in de gelegen¬heid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

Elmers advocaten ([F]) (€ 17.560,--)

4.33. De Gemeente vordert dit bedrag in verband met de advocaatkosten die zij betaald heeft aan [K], de belangenbehartiger van [F].

Volgens Allianz voldoen deze kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets.

Door [K] is onevenredig veel tijd besteed aan de kwestie ten opzichte van de door die inspanningen verkregen voorschotten ad in totaal € 7.500,--. Bovendien zijn geen werk¬zaamheden verricht die de omvang van het gevorderde bedrag rechtvaardigen, aldus nog steeds Allianz.

4.34. De rechtbank overweegt het volgende.

Niet gesteld of gebleken is dat op de Gemeente niet de verplichting rustte om (ook) de advocaatkosten te vergoeden.

De belangenbehartiger van [F] heeft werkzaamheden moeten verrichten teneinde de door haar geleden (en nog te lijden) letselschade vergoed te krijgen. Gelet op het sub 4.32 overwogene is in verband met die letselschade in ieder geval een bedrag van € 12.500,-- aan voorschotten betaald en is althans zal (nog) een aanvullend bedrag aan [F] worden betaald.

Onder voornoemde feiten en omstandig¬heden kunnen geen zware eisen worden gesteld aan het bewijs van de redelijkheid van de schade¬afwikkeling door [K]. Allianz kan de Gemeente evenmin in redelijkheid tegenwerpen dat zij de door [K] gedeclareerde bedragen heeft voldaan. Daarnaast heeft Allianz, gelet ook op het vorenoverwogene, haar stelling dat de kosten van de verrichte werkzaam¬heden niet in verhouding staan tot de aan [F] uitgekeerde bedragen, niet, althans onvoldoende, onder¬bouwd.

4.35. Blijkens het schadeoverzicht d.d. 28 mei 2008 is onder het kopje "Elmers advocaten ([F])" een bedrag van € 1.704,86 opgenomen. Dit bedrag komt evenwel overeen met de door de Gemeente als productie 21 bij dag¬vaar¬ding overgelegde declaratie d.d. 9 juni 2006 terzake door Berntsen Mulder in rekening gebrachte advocaatkosten in verband met de belangenbehartiging van [H]. Derhalve valt niet uit te sluiten dat dit bedrag in het schadeoverzicht per abuis onder het kopje "Elmers advocaten (Balcoka)" is opgenomen.

Voorts is in het schadeoverzicht een bedrag van € 6.000,-- als "slotuitkering" d.d. 26 maart 2008 opgenomen. Het is de rechtbank, gelet ook op hetgeen hiervoor onder 4.32 is over¬wogen, niet duidelijk op welke schade dit bedrag betrekking heeft en of, en zo ja wanneer en aan wie, dit bedrag is betaald en hoe dit bedrag zich verhoudt tot de stelling van de Gemeente dat de defini¬tieve schade van [F] nog niet vaststaat en bij staat moet worden opge¬maakt. De Gemeente heeft dienaangaande ook geen stukken in het geding gebracht.

In verband met het vorenstaande zal de Gemeente in de gelegenheid worden gesteld zich met betrekking tot de in het schadeoverzicht opgenomen bedragen van € 1.704,86 en

€ 6.000,-- bij akte uit te laten, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd aan de hand van relevante stukken. Allianz zal in de gelegen¬heid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

Stadermann Advocaten ([F]) (€ 4.889,89)

4.36. De Gemeente vordert dit bedrag in verband met de advocaatkosten die zij heeft betaald aan Stadermann Luiten Advocaten. Deze kosten zijn gemaakt in verband met een door [F] aanhangig gemaakt kort geding waarin zij betaling van een voorschot op de door haar gevorderde (letsel)schade heeft gevorderd. De Gemeente heeft ter onderbouwing van deze kosten verwezen naar de als producties 31 bij conclusie van repliek overgelegde processtukken en de declaratie d.d. 21 maart 2005 ad € 4.889,89 van Stadermann Luiten Advocaten.

Volgens Allianz is zij niet aansprakelijk voor deze kosten aangezien het kort geding is geëntameerd vanwege het feit dat door de Gemeente kennelijk was besloten om het door [F] gevorderde voorschot op haar immateriële schade niet te betalen en dit besluit niet in verband staat met het onderhavige ongeval. Bovendien is het Allianz niet bekend wat de uitspraak van de voorzieningenrechter in het kort geding is geweest. De redelijkheid van de (omvang van de) advocaatkosten kan derhalve niet (goed) worden getoetst. Voorts is onbekend of een proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden en aan wie die is toegeval¬len. Daarnaast zijn de in rekening gebrachte uurtarieven van € 315,-- en € 210,-- voor respectievelijk werkzaamheden van mr. K.A. Baggerman en mr. C.I.J ten Thije-Gerding buitensporig. Hetzelfde geldt voor de door hen bestede tijd, aldus nog steeds Allianz.

4.37. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stellingen van de Gemeente en de daaraan ten grondslag gelegde stukken niet worden afgeleid wat de uitkomst van het door [F] aangespannen kort geding is geweest en wat ten aanzien van de proceskosten is overwogen en beslist. Hierbij betrekt de rechtbank mede het feit dat N.V. Holding Rotterdamse Elektrische Tram in die procedure is gedagvaard (en niet de Gemeente).

Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat de betreffende zaak geroyeerd is. Niet uit te sluiten valt dat zulks verband houdt met een getroffen schikking. Verder is het de recht¬bank, het sub 4.32 overwogene mede in aanmerking nemende, niet duidelijk waarom de Gemeente het door [F] gewenste voorschot van € 5.000,-- niet wenste te betalen. De Gemeente zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld zich omtrent het voren¬staande bij akte uit te laten, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd aan de hand van relevante stukken. Allianz zal in de gelegen¬heid worden gesteld bij antwoord¬akte te reageren.

Blanken med. adv. ([F]) (€ 81,38)

4.38. Door de Gemeente is bij dagvaarding onder andere overgelegd een declaratie van Blanken Medisch Adviseurs d.d. 29 maart 2005 ad € 81,38 inzake onderzoek en advies [F] (productie 16). Gelet hierop en op het feit dat Allianz dit onderdeel van de vorde¬ring niet heeft betwist, acht de rechtbank 80 % van dat bedrag toewijsbaar, derhalve

€ 65,10.

[I] passagier (€ 1.750,--)

4.39. De Gemeente heeft onder verwijzing naar de als productie 19 bij dagvaarding overgelegde e-mailwisseling gesteld dat [I] bij het ongeval gewond is geraakt aan haar gezicht, schouder, arm, knie en voet en dat met haar een slotuitkering is afgesproken van € 1.750,--. Volgens Allianz heeft de Gemeente hiermee haar vordering onvoldoende onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van de politie dat [I] als gevolg van het ongeval gewond is geraakt. Voorts blijkt uit voornoemde e-mailwisseling dat [I] met Groeneveld & Partners B.V. een slotuitkering van € 1.750,-- heeft afgesproken en dat deze afspraak zou worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Hoewel de specificatie van dit bedrag summier is, acht de rechtbank het op basis van de beschikbare informatie gerechtvaardigd dat de Gemeente dit bedrag met [I] is overeengekomen. Indien de schade op deze wijze wordt geregeld door middel van een vaststelling kan genoegen worden genomen met een enigszins summiere specificatie van betreffende kosten mits het totaalbedrag van de vaststelling redelijk is te achten en dat is in de visie van de rechtbank het geval.

Het vorenoverwogene brengt mee dat 80 % van € 1.750,--, zijnde € 1.400,--, toewijsbaar is.

[H] passagier (€ 11.500,--)

4.40. Volgens de Gemeente is in verband met het letsel dat [H] als gevolg van het ongeval aan de nek en aan de rechterborstzijde heeft opgelopen een vaststellings¬overeen¬komst tussen [H] en haar gesloten. De schade van [H] is hierbij vastgesteld op een totaalbedrag van € 11.800,--, waarvan een bedrag van € 300,-- terzake materiële schade en een bedrag van € 11.500,-- terzake letselschade, aldus de Gemeente.

Allianz betwist het causaal verband tussen het gestelde letsel en het ongeval.

4.41. De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat [H] als gevolg van het ongeval gewond is geraakt. Uit de brief van Groeneveld & Partners B.V. aan de Gemeente d.d. 19 juni 2007 (productie 20, dagvaarding) kan worden afgeleid dat [H] in de periode van 15 juni 2004 tot 31 april 2005 arbeidsongeschikt is geweest. Aangezien het ongeval op 15 juni 2004 heeft plaatsgevonden valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat die arbeids¬ongeschiktheid niet het gevolg zou zijn geweest van het onderhavige ongeval en het daardoor ontstane letsel. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [H] als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen.

De Gemeente heeft voor de (hoogte van de) letselschade van [H] verwezen naar de als producties 20 en 21 bij dagvaarding overgelegde bescheiden. Hierbij is de tussen de Gemeente en [H] gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 12 september 2006 overgelegd. Volgens het schadeoverzicht d.d. 28 mei 2008 is in totaal een bedrag van

€ 11.500,-- betaald, te weten een voorschot d.d. 15 augustus 2006 van € 1.500,-- en een slotuitkering d.d. 14 september 2006 van € 10.000,--.

Hoewel ook hier geldt dat de specificatie van het gevorderde bedrag summier is, acht de rechtbank het op basis van de beschikbare informatie gerechtvaardigd dat de Gemeente dit bedrag met [H] is overeengekomen. Indien de schade op deze wijze wordt geregeld door middel van een vaststelling kan genoegen worden genomen met een enigszins sum¬miere specificatie van betreffende kosten mits het totaalbedrag van de vaststelling redelijk is te achten hetgeen in de visie van de rechtbank het geval is.

Het vorenoverwogene brengt mee dat 80 % van € 11.500,--, zijnde € 9.200,--, toewijsbaar is.

UWV ([H]) (€ 15.131,49)

4.42. Onder verwijzing naar de brief van Groeneveld & Partners B.V. aan de Gemeente d.d. 19 juni 2007 en de brief van UWV d.d. 7 juni 2007 aan Groeneveld & Partners B.V. inzake "Regres ZW inzake de heer M.G. [H]" (producties 20, dagvaarding) stelt de Gemeente dat [H] als gevolg van het letsel dat hij heeft opgelopen tijdelijk arbeids¬ongeschikt is geweest en hij ingevolge de Ziektewet een bedrag van € 15.131,49 van UWV heeft ontvangen en dat de Gemeente dit bedrag aan UWV heeft betaald.

Allianz betwist de (duur van de) gestelde tijdelijke arbeidsonge¬schikt¬heid van [H] alsmede het causaal verband met het onderhavige ongeval.

4.43. De rechtbank overweegt het volgende.

Zoals hiervoor onder 4.41 overwogen, kan uit de brief van Groeneveld & Partners B.V. aan de Gemeente d.d. 19 juni 2007 worden afgeleid dat [H] in de periode van 15 juni 2004 tot 31 april 2005 arbeidsongeschikt is geweest en gaat de rechtbank er vanuit dat die arbeids¬ongeschiktheid door het onderhavige ongeval is veroorzaakt.

Hoewel de brief van UWV d.d. 7 juni 2007 aan Groeneveld & Partners B.V. niet helder is, acht de rechtbank, gelet op hetgeen daarover is opgemerkt in de brief van Groeneveld & Partners B.V. aan de Gemeente d.d. 19 juni 2007 en in aanmerking nemende de periode van arbeidsongeschiktheid (ruim tien maanden), het totaalbedrag van € 15.131,49 redelijk.

Uit de brief van de Gemeente aan UWV d.d. 25 juni 2007 met als onderwerp "Vergoeding ziekengeld de heer [H]" kan worden afgeleid dat voornoemd bedrag door de Gemeente aan UWV is betaald.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank een bedrag van € 12.105,19

(80 % * € 15.131,49) toewijsbaar.

Berntsen advocaten ([H]) (€ 3.839,91)

4.44. De Gemeente vordert dit bedrag in verband met de advocaatkosten die zij betaald heeft aan de belangenbehartiger van [H].

Volgens Allianz voldoen deze kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets, zijn er geen werkzaamheden verricht die de omvang van het gevorderde bedrag rechtvaardigen, staan de gemaakte kosten niet in een redelijke verhouding tot de tussen [H] en de Gemeente bereikte schaderegeling, heeft de zaakwaarnemer onevenredig veel tijd besteed aan de kwestie en komen de als producties 21 overgelegde declaraties niet overeen met het gestelde in noot 5 bij punt 22 van de dagvaarding.

4.45. De rechtbank overweegt het volgende.

De Gemeente heeft bij dagvaarding gesteld dat zij terzake de kosten voor de zaakwaarnemer van [H] een bedrag van € 3.444,77 heeft voldaan, zijnde de somma van € 759,--,

€ 980,91 en € 1.704,86, en in verband daarmee verwezen naar de als producties 21 overgelegde declaraties. Uit deze declaraties en de daarbij behorende speci¬ficaties kan worden afgeleid dat deze betrekking hebben op kosten die door Berntsen Mulder zijn gemaakt in het kader van de afwikkeling van de letselschade van [H] en dat deze kosten door de Gemeente zijn betaald. De bedragen van € 759,-- en € 980,91 zijn in het schade¬overzicht opgenomen onder het kopje "Berntsen advocaten ([H])". Het bedrag van

€ 1.704,86 is evenwel opgenomen onder het kopje "Elmers advocaten (Balcoka)".

Onder 4.35 is reeds overwogen dat de Gemeente zich daaromtrent bij akte kan uitlaten. Voorts is het de rechtbank niet duidelijk waarop het in het schadeoverzicht vermelde bedrag van € 2.100,-- betrekking heeft en of – en zo ja wanneer en aan wie – de Gemeente dit bedrag heeft betaald. De Gemeente zal in de gelegenheid worden gesteld zich hier¬om¬trent bij akte uit te laten, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd aan de hand van relevante stukken. Allianz zal in de gelegen¬heid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

[D] passagier (€ 3.500,--)

4.46. Onder verwijzing naar de als productie 22 bij dagvaarding overgelegde vaststel¬lings¬overeenkomst d.d. 20 november 2006 stelt de Gemeente dat aan [G] een bedrag van € 3.500,-- is betaald in verband met letsel bestaande uit enkel-, rug,- en hoofd¬pijnklachten waardoor zij niet in staat was om de door haar gewenste horeca¬opleiding te volgen.

Volgens Allianz ontbreekt het bewijs van de omvang en de ernst van de gestelde klachten en heeft de Gemeente de door haar gestelde schade onvoldoende onderbouwd.

4.47. De rechtbank overweegt het volgende.

Uit het proces-verbaal van de politie en de brieven van [P], chirurg rgs, d.d.

20 april 2005 en 13 juli 2005 (producties 15, dagvaarding) kan worden afgeleid dat [G] als gevolg van het ongeval gewond is geraakt. Hoewel ook hier geldt dat de specificatie van het gevorderde bedrag summier is, acht de rechtbank het op basis van de beschikbare informatie gerechtvaardigd dat de Gemeente dit bedrag met [G] is overeengekomen. Indien de schade op deze wijze wordt geregeld door middel van een vaststelling kan genoegen worden genomen met een enigszins sum¬miere specificatie mits het totaalbedrag van de vaststelling redelijk is te achten hetgeen in de visie van de rechtbank het geval is.

Het vorenoverwogene brengt mee dat 80 % van € 3.500,--, zijnde € 2.800,--, toewijsbaar is.

Schade arbeidsongeschiktheid buschauffeuse (€ 4.112,17)

4.48. Onder verwijzing naar de als producties 6 bij dagvaarding overgelegde bescheiden stelt de Gemeente dat de buschauffeuse als gevolg van het onderhavige ongeval in de periode van 15 juni 2004 tot 15 september 2004 arbeidsongeschikt is geweest en dat het netto loon over die periode € 4.112,17 bedroeg. Omdat de buschauffeuse ten tijde van de aanrijding in dienst was van de (gemeentelijke dienst RET van de) Gemeente heeft de Gemeente het loon (door)betaald.

Allianz betwist dat de gestelde arbeidsongeschiktheid veroorzaakt is door het onderhavige ongeval.

4.49. De rechtbank overweegt het volgende.

De Gemeente heeft de door haar gestelde schade toegelicht aan de hand van de brief van Achmea d.d. 2 augustus 2004 waarin is vermeld dat de buschauffeuse als gevolg van het onderhavige ongeval sinds 15 juni 2004 volledig ziek is voor haar werk als buschauffeur, de e-mail¬correspondentie d.d. 27 april 2007 waarin is vermeld dat de buschauffeuse van 15 juni 2004 tot 15 september 2004 arbeidsongeschikt is geweest, de salarisspecificaties over die periode en het "Overzicht loonvordering". Gelet hierop had het op de weg van Allianz gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het onderhavige ongeval ontbreekt. Nu Allianz dat niet heeft gedaan en enkel heeft volstaan met een algemene betwisting, gaat de rechtbank aan dat verweer voorbij.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat een bedrag van € 3.289,74

(80 % * € 4.112,17) toewijsbaar is.

Materiële schade inzittenden bus (€ 965,49)

4.50. De Gemeente heeft voor dit onderdeel van haar vordering verwezen naar de als producties 15 overgelegde bescheiden. Daaruit blijkt dat in verband met het onderhavige ongeval door de (gemeentelijke dienst RET van de) Gemeente de volgende bedragen zijn betaald:

- € 350,-- aan [R] (beschadigde bril);

- € 300,-- aan [H] (voorschot schade en inkomstenderving);

- € 40,69 aan [G] (onkosten);

- € 115,-- aan Medas 2005 (medisch onderzoek en advies inzake [G]);

- € 24,80 aan huisarts [S] (onderzoek inzake [G]);

- € 135,-- aan Medas 2005 (medisch onderzoek en advies inzake [G]).

In totaal is derhalve een bedrag van € 965,49 aan materiële schade door de Gemeente betaald.

Allianz betwist dat de Gemeente vorderingsgerechtigd is terzake de gestelde schade van passagiers [R], [H], en [G] aangezien de overgelegde aktes van cessie vanwege het ontbreken van de mededeling aan Allianz niet rechtsgeldig zijn en onvoldoende duidelijk zijn om vast te stellen wat wordt geleverd en of causaal verband met het onderhavige ongeval bestaat.

4.51. De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente, indien zij in verband met de onderhavige schade volledig het eigen risico draagt, vorderingsgerechtigd is terzake de hier bedoelde schade. Reeds hierom kan in het midden blijven of de overgelegde aktes van cessie rechtsgeldig zijn.

De Gemeente heeft de materiële schade onderbouwd aan de hand van de als producties 15 bij dagvaarding overgelegde bescheiden. Gelet hierop had het op de weg van Allianz gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dar het causaal verband met het ongeval ontbreekt. Nu zij dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank er vanuit dat de gevorderde materiële schade ontstaan is als gevolg van het onderhavige ongeval. Derhalve acht de rechtbank een bedrag van € 772,39 (80 % * € 965,49) toewijs¬baar.

Factuur Bosscha d.d. 23 april 2008 (€ 6.658,35)

4.52. Allianz betwist de verschuldigdheid van deze factuur aangezien de vrachtauto¬chauffeur niet onrechtmatig heeft gehandeld en de gevorderde kosten niet vallen onder artikel 6:96 BW. Het betreffen immers kosten die gemaakt zijn ter instructie van de zaak en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen, aldus Allianz.

4.53. Omdat in beginsel binnen de grenzen van artikel 6:98 BW aansprakelijkheid bestaat voor alle schade die een benadeelde lijdt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor aanspra¬ke¬lijkheid bestaat, kunnen de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprake¬lijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. Wel moet er causaal verband (sine-qua-non-verband) bestaan tussen de gebeurtenis en (het maken van) de kosten, welk verband in beginsel door de benadeelde moet worden aangetoond. Een en ander geldt eveneens voor de vraag of kosten van deskundige bijstand als een gevolg van de aanrijding voor vergoe¬ding in aanmerking komen, met dien verstande dat wat betreft de vraag of deze schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijk¬heid berust, dat deze aan de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden toegerekend, dient te worden beoordeeld of het redelijk was in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de aanrijding deskundige bijstand in te roepen en of de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

De Gemeente vordert de kosten van de door haar ingeroepen bijstand van Bosscha als door de aanrijding veroorzaakte schade. Naar het oordeel van de rechtbank komen die kosten in het kader van de beantwoording van de vraag of de vrachtauto¬chauffeur de onderhavige aanrijding heeft veroorzaakt voor vergoeding in aanmerking. Om de aansprakelijkheid van de vrachtautochauffeur te kunnen vaststellen was het redelijk om een onderzoek te laten verrichten naar de toedracht van de aanrijding.

Allianz heeft de redelijkheid van de gevor¬der¬de kosten niet betwist. Nu de rechtbank, gelet op (de omvang en inhoud van) het rapport van Bosscha, de gevorderde kosten redelijk acht en Allianz gehouden is om 80 % van de door de Gemeente geleden schade te vergoeden, acht de rechtbank een bedrag van € 5.326,68 (80 % * € 6.658,35) toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten (€ 2.842,--)

4.54. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. De Gemeente heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat deze kosten daadwer¬kelijk zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanma¬¬ning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.55. De rechtbank houdt iedere (verdere) beslissing aan.

in reconventie

Kosten rapport Fitters (€ 5.402,60)

4.56. Uit hetgeen de rechtbank in conventie onder 4.25 heeft overwogen, vloeit voort dat de Gemeente gehouden is om 20 % van de door Allianz geleden schade te vergoeden.

Nu de Gemeente de (omvang van de) gevorderde kosten niet heeft betwist, acht de rechtbank een bedrag van € 1.080,52 (20 % * € 5.402,60) toewijsbaar.

Kosten juridisch advies (€ 1.463,22)

4.57. Volgens de Gemeente komen de gevorderde advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze kosten buitensporig hoog zijn. De advocaat van Allianz heeft geen werkzaamheden verricht die de omvang van het gevorderde bedrag rechtvaardigen, aldus de Gemeente.

4.58. Allianz heeft ter onderbouwing van haar vordering verwezen naar de als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie overge¬legde specificatie waarin een omschrijving van de verrichte werkzaamheden, de daaraan bestede tijd en het uurtarief zijn weergegeven. Gelet hierop had het op de weg van de Gemeente gelegen concrete feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat de hier gevorderde kosten buitensporig hoog zijn en de verrichte werkzaam¬heden de omvang van het bedrag niet rechtvaardigen. Nu de Gemeente dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank er vanuit dat de gevorderde kosten niet buitensporig hoog zijn.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank een bedrag van € 292,64 (20 % * € 1.463,22) toewijsbaar acht.

4.59. De rechtbank houdt iedere (verdere) beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 augustus 2010 voor een akte aan de zijde van de Gemeente zoals hierboven weergegeven onder 4.3, 4.32, 4.35, 4.37 en 4.45;

in conventie en in reconventie

houdt iedere (verdere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.?