Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN4543

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
353684 - HA ZA 10-1463
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling schadevergoeding wegens gestelde onrechtmatige ontruiming. Vordering is niet duidelijk en richt zich niet tot de executerende deurwaarder zelf maar tot de BV waar hij in dienst is. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 353684 / HA ZA 10-1463

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

[eiser]

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. R. Scheltes,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1]

gevestigd te Rotterdam,

2. de stichting

STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR KOOPVAARDIJ,

gevestigd te Amsterdam,

3. de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE METALEKTRO (PME),

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1], SBK en SPM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis van 12 maart 2010 van de sector kanton van deze rechtbank, waarbij de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard van de vordering kennis te nemen en de zaak naar de sector civiel is verwezen.

1.2. Nadat zich voor partijen advocaten hadden gesteld is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.1. Bij vonnis van de sector kanton van deze rechtbank van 15 april 2008 is [eiser] veroordeeld tot betaling van € 2.342,71 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand oktober 2007. Het is [eiser] daarbij toegestaan om het totaal van de aan SBK en SPM verschuldigde bedragen, inclusief rente en proceskosten, naast de lopende huur binnen één maand na betekening van het vonnis te betalen. Voor het geval [eiser] niet binnen die termijn geheel aan die betalingsverplichtingen zou voldoen is in dat vonnis de huurovereenkomst ontbonden en [eiser] veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. [eiser] is ten slotte veroordeeld tot betaling van € 687,04 per maand met ingang van november 2008 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt.

2.2. Het vonnis van 15 april 2008 is op 25 april 2008 aan [eiser] betekend. In het betekeningsexploot is bevel gedaan tot betaling van € 2.983,48 + PM, rekening houdend met betalingen tot een bedrag van € 4.103,=. Deze betalingen zijn verricht door NTS, de werkgever van [eiser], onder wie beslag was gelegd.

2.3 In het onder 2.2 bedoelde exploot is, voor het geval niet binnen de gestelde betalingstermijn van een maand aan de betalingsverplichtingen zou worden voldaan, aangezegd dat ontruiming zou plaatsvinden op dinsdag 10 juni 2008.

2.4 Het gehuurde is op 10 juni 2008 ontruimd.

3. Het geschil

3.1 [eiser] vordert, zakelijk en samengevat weergegeven:

a een schadevergoeding op grond van onrechtmatige ontruiming door [gedaagde 1];

b de ontruimingskosten en executiekosten van [gedaagde 1] nietig te verklaren;

c het loonbeslag over de executiekosten gericht aan NTS nietig te verklaren, althans dit beslag op te heffen;

d veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure;

e een verklaring dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

3.2 [eiser] betwist dat er te weinig betaald is en daarmee ook dat er grond was voor ontruiming. Hij stelt dat in het exploot een onduidelijke afkorting (PM) staat waardoor het werkelijk gevorderde bedrag (de rechtbank begrijpt het werkelijk verschuldigde bedrag) niet transparant is. [gedaagde 1] heeft bovendien ten onrechte laten ontruimen voor de huurpenningen (gebruiksvergoeding) over de maanden mei en juni 2008 nu [eiser] in het vonnis is veroordeeld tot betaling van de huur met ingang van de maand november 2008.

3.3 Dit heeft er volgens [eiser] toe geleid dat [gedaagde 1] het appartement ten onrechte tegen zeer hoge kosten heeft laten ontruimen en deze kosten afwentelt op [eiser]. [eiser] heeft bovendien extra kosten moeten maken voor de opslag van zijn afgevoerde inboedel, voor beschadigde huisraad, voor inrichting van een nieuwe woning en voor het opnemen van vakantiedagen voor de verhuizing. [eiser] maakt verder melding van emotionele schade en schade aan verloren tijd en stelt dat de totale kosten meer dan

€ 5.000,= bedragen.

3.4 [gedaagde 1], SBK en SPM voeren gemotiveerd verweer dat strekt tot niet ontvankelijk verklaring althans afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het is de rechtbank niet duidelijk wat [eiser] van SBK en SPM vordert. Zijn betoog ter onderbouwing van de verschillende onderdelen van zijn vordering richt zich uitsluitend op [gedaagde 1]. Ook de verschillende onderdelen van die vordering lijken zich uitsluitend tot [gedaagde 1] te richten, althans is niet duidelijk welke onderdelen van de vordering zich tot SBK en SPM richten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] in het petitum alleen [gedaagde 1] noemt en verder slechts het woord gedaagde, enkelvoud, bezigt. Dat moet ertoe leiden dat de vorderingen, voor zover gericht tegen SBK en SPM, als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.2 Voor zover de vorderingen zich tot [gedaagde 1] richten stelt de rechtbank het volgende voorop. De taken en bevoegdheden van de deurwaarder staan beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze regelt het ambt van deurwaarder. De deurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris, met een onafhankelijke positie. Op hem is toezicht en tuchtrecht van toepassing. Als openbaar ambtenaar is hij belast met de uitvoering van een zeer groot aantal, bij diverse wettelijke voorschriften aan hem opgedragen of voorbehouden taken die met name liggen op het gebied van het burgerlijk procesrecht. De belangrijkste van de verschillende ambtsverplichtingen is de ministerieplicht, dat wil zeggen de plicht van de deurwaarder om indien daarom wordt verzocht zijn ambtelijke diensten te verlenen, zoals het ten uitvoer leggen van vonnissen en alles wat daarbij komt kijken.

De deurwaarder moet zelfstandig beoordelen of en in hoeverre hij een bepaalde opdracht zal uitvoeren. Bij het bepalen van zijn beleid moet de deurwaarder de nodige zorgvuldigheid, ook jegens derden, in acht nemen. De ministerieplicht eindigt daar waar de deurwaarder zich door het uitvoeren van de opdracht schuldig zou maken aan onrechtmatig handelen (jegens een derde). De deurwaarder zal zijn ministerie desnoods moeten weigeren, indien een bepaalde wijze of een bepaald onderdeel van de tenuitvoerlegging voor derden – onnodig – vexatoir uitvalt. Bij twijfel staat hem de weg van artikel 438 lid 4 Rv ter beschikking.

Dit betekent dat de deurwaarder als onafhankelijke functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen, en ook de enige die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en onrechtmatig handelen. De verwijten die [eiser] [gedaagde 1] maakt zien allen op de onder de ministerieplicht vallende executie van het vonnis van 15 april 2008. In het licht daarvan valt niet in te zien hoe deurwaarderskantoor [gedaagde 1] juridische zeggenschap (in de zin van instructie- en aanwijzingsbevoegdheid) kan hebben gehad over de gedragingen die Geoffry van Vugt, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van [gedaagde 1], in dat kader heeft verricht.

Dit brengt met zich dat reeds op die grond de vorderingen voor zover gericht tegen deurwaarderskantoor [gedaagde 1] zullen worden afgewezen.

4.3 Ook op andere gronden zouden de tegen [gedaagde 1] gerichte vorderingen moeten worden afgewezen. Geheel ten overvloede zij daartoe het volgende overwogen.

4.3.1 De onderdelen a en b, en het eerste gedeelte van onderdeel c, van de vordering zijn niet voor toewijzing vatbaar, wat er ook zij van de grondslag daarvan.

Uit onderdeel a leidt de rechtbank af dat [eiser] een geldbedrag toegewezen wil krijgen. Hij noemt echter geen bedrag en het behoort niet tot de taak van de rechter om dat te gaan invullen, nog afgezien van het feit dat [eiser] daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Omdat dit onderdeel van de vordering aldus onvoldoende bepaalbaar is komt de rechtbank niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de grondslagen daarvan.

4.3.2 Wat [eiser] met onderdeel b van zijn vordering wil, is de rechtbank niet duidelijk. Als hij bedoelt dat deze kosten ten onrechte op hem verhaald worden dan had hij zijn vordering in de vorm van een vordering tot (terug)betaling van die, niet nader aangeduide, kosten moeten inrichten.

4.3.3 Het eerste gedeelte van onderdeel c van de vordering is evenmin duidelijk.

4.3.4 Het tweede gedeelte van onderdeel c is een vordering tot opheffing van loonbeslag. Ook die vordering is, gelet op het hiernavolgende, niet voldoende duidelijk en bovendien onvoldoende onderbouwd. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] (opnieuw) beslag heeft laten leggen, terwijl [gedaagde 1] stelt dat SBK en SPM executoriaal beslag hebben laten leggen, waarna [eiser] daarop niet meer teruggekomen is en zich slechts tot [gedaagde 1] blijft richten. Het wordt er daarom voor gehouden dat niet [gedaagde 1] maar SBK en SPM beslaglegger zijn. [eiser] richt zich met zijn tot [gedaagde 1] gerichte vordering dan ook tot de verkeerde partij.

4.3.5 Inhoudelijk is de rechtbank van oordeel dat het vonnis van 15 april 2008 een kennelijke misslag bevat. Uit de inleidende dagvaarding in die procedure (productie II bij conclusie van antwoord, welke dagvaarding [eiser] onder ogen heeft gehad) blijkt dat gevorderd werd [eiser] te veroordelen tot betaling van achterstallige huurpenningen, vermeerderd met rente en kosten, en tot betaling van de huur te rekenen van 1 november 2007 tot het tijdstip dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. In het vonnis is geen overweging gewijd aan dit laatste onderdeel van de vordering, of de ingangsdatum daarvan, en is dat onderdeel ook niet afgewezen. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat de in dat vonnis uitgesproken veroordeling tot betaling van “€ 678,04 per maand, met ingang van de maand november 2008 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, ook die laatste maand voor een gehele te rekenen” moet worden gelezen als een veroordeling tot betaling van voornoemd bedrag met ingang van de maand november 2007. Dat vonnis heeft [eiser] zelf onder ogen gezien en gesteld nog gebleken is dat de verplichting om huurpenningen, althans een gebruiksvergoeding, te betalen is opgeschort en evenmin dat [eiser] dat heeft mogen begrijpen.

In het exploot van 25 april 2008 is daarom terecht weergegeven dat [eiser] vanaf de maand november 2007 een gebruiksvergoeding van € 678,04 verschuldigd was voor iedere maand dat hij nog in het gehuurde verbleef. Uit de betreffende passage – het tweede gedachtestreepje onder kopje A – in samenhang met het vonnis blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat sprake is van een doorlopende verplichting en dat voor iedere nieuwe maand, of gedeelte daarvan, € 687,04 verschuldigd werd.

Alle genoemde stukken in onderlinge samenhang beziend blijkt daaruit naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat ten tijde van de ontruiming in juni 2008 ook (nog) een gebruiksvergoeding over de maanden mei en juni 2008 verschuldigd was. Evenzeer blijkt uit de stukken dat die vordering op het tijdstip van de ontruiming nog niet (geheel) voldaan was. Nu er nog een vorderingsrecht bestond had het op de weg van [eiser] gelegen om te stellen en te onderbouwen dat en waarom er geen beslag gelegd mocht worden ter onderbouwing van zijn opheffingsvordering. [eiser] heeft daarover echter niets gesteld of onderbouwd.

4.3.6 Dat betekent dat, voor zover de vordering zich wel tegen de juiste partij zou richten, er ook inhoudelijk geen grond is voor opheffing van het beslag.

4.4 De vorderingen worden derhalve afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de procedure in zijn geheel voor de kantonrechter is gevoerd. Bij de sector civiel hebben zich immers slechts advocaten gesteld en zijn geen proceshandelingen meer verricht.

In deze zaak is sprake van een vordering van onbepaalde waarde waarvoor een tarief van

€ 60,= tot € 800,= per punt geldt. Rekening houdend met de inhoud en de mate van ingewikkeldheid van de vordering zal de rechtbank uitgaan van een tarief van € 200,= per punt.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] , SBK en SPM, worden begroot op:

- vast recht EUR 489,00

- salaris advocaat 400,00 (2 punten × tarief EUR 200,00)

Totaal EUR 898,00

5 De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1], SBK en SPM tot op heden begroot op EUR 489,00 een vast recht en EUR 400,00 aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.?

2009/1963