Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN4441

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
1039196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk na bemiddeling door een derde. Een zzp’er (eiser) heeft na bemiddeling van een derde werkzaamheden verricht voor een opdrachtgever (gedaagde). De opdrachtgever heeft de urenspecificatie van de zzp’er niet geaccordeerd, als gevolg waarvan het bemiddelingsbureau de zzp’er niet uitbetaalt. De zzp’er vordert betaling van de opdrachtgever (en niet van het bemiddelingsbureau), aanvankelijk op grond van een bemiddelingsovereenkomst tussen de opdrachtgever en het bemiddelingsbureau, maar later op grond van een overeenkomst tot aanneming van werk tussen de zzp’er en de opdrachtgever. De opdrachtgever heeft tegen beide grondslagen als verweer aangevoerd dat er geen contractuele relatie tussen haar en de zzp’er bestaat. Nu de opdrachtgever niet heeft betwist dat ook zij een bemiddelingsovereenkomst heeft gesloten met het bemiddelingsbureau en mede gelet op de feitelijke situatie, moet geoordeeld worden dat er wel een contractuele relatie (aanneming van werk) tussen de zzp’er en opdrachtgever bestaat. De vordering wordt daarom toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2009,

gemachtigde: A. Bosveld te Amersfoort,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.P. Gasseling te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het exploot van dagvaarding met vijf producties;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek met twee producties;

- de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende vast:

- [eiser] heeft een bemiddelingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met Randstad Technoflex B.V. (hierna: Bouwflex). De bemiddeling heeft tot doel het samenbrengen van een opdrachtgever en een ondernemer in de bouwsector en tussen hen ‘een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand te brengen’ (artikel 6.2 van de overeenkomst).

- Na bemiddeling van Bouwflex heeft [eiser] voor [gedaagde] werkzaamheden verricht bij een particulier. [gedaagde] heeft de urenspecificatie van het door [eiser] verrichte werk niet aan Bouwflex gestuurd. Omdat Bouwflex geen urenspecificatie van [gedaagde] heeft ontvangen, weigert zij op grond van de overeenkomst [eiser] uit te betalen.

3. De stellingen van partijen

3.1. [eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van in totaal € 1.233,50 vermeerderd met rente en kosten. Aan haar vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde], ondanks sommaties, in gebreke is gebleven met betaling van de overeengekomen vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden tot een bedrag van € 1.000,00. Naast dit bedrag maakt [eiser] aanspraak op buitengerechtelijke kosten ad € 150,00 en op vervallen rente ad € 83,50.

3.2. [gedaagde] heeft tegen de eis aangevoerd dat zij niet tevreden was over de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden. Zij heeft daarom geen urenspecificatie aan Bouwflex doen toekomen. [gedaagde] is niet tot betaling aan [eiser] gehouden, omdat er tussen hen geen contractuele relatie bestaat. [eiser] heeft immers een overeenkomst met Bouwflex, en niet met [gedaagde].

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Beoordeeld moet worden of [gedaagde] aangesproken kan worden voor betaling voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden.

4.2. Gelet op het verweer van [gedaagde] moet beoordeeld worden of de vordering van [eiser] steunt op een deugdelijke grondslag. Opgemerkt wordt dat [eiser] de grondslag van de vordering heeft gewijzigd. Bij dagvaarding stelde [eiser] immers dat de vordering op [gedaagde] voortvloeit uit de met Bouwflex gesloten bemiddelingsovereenkomst. Bij repliek stelt [eiser] echter dat de vordering voortvloeit uit de tussen partijen (na bemiddeling) tot stand gekomen overeenkomst van aanneming. Bij dupliek betwist [gedaagde] zowel de eerstgenoemde grondslag alsook de stelling dat tussen partijen rechtstreeks een overeenkomst van aanneming tot stand is gekomen.

4.3. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] geen rechten jegens [gedaagde] kan ontlenen aan de door [eiser] met Bouwflex gesloten bemiddelingsovereenkomst. [gedaagde] is daarin immers geen partij.

4.4. Voorts is weliswaar juist dat er tussen partijen niet rechtstreeks een overeenkomst van aanneming tot stand is gekomen, maar dat laat de vaststelling onverlet dat tussen partijen – na bemiddeling – een overeenkomst van aanneming tot stand is gekomen. [gedaagde] betwist immers niet eveneens met Bouwflex de door [eiser] gestelde bemiddelingsovereenkomst gesloten te hebben. Op grond van die overeenkomst is na bemiddeling van Bouwflex een overeenkomst van aanneming tot stand gekomen tussen [gedaagde] en [eiser]. De feitelijke situatie duidt eveneens op een overeenkomst van aanneming van werk: [eiser] heeft buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand gebracht, waarvoor [gedaagde] een prijs in geld betaalt.

4.5. Door in deze omstandigheden uitsluitend het verweer te voeren dat [gedaagde] niets verschuldigd is omdat zij geen partij is in de door [eiser] gestelde overeenkomst, heeft [gedaagde] de vordering van [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Er zal daarom in rechte vanuit worden gegaan dat de relatie tussen [gedaagde] en [eiser] beheerst wordt door een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van titel 12 van Boek 7 BW.

4.6. Een eventuele wanprestatie van [eiser] ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting. Zij heeft wel het recht [eiser] te vragen gebreken te herstellen, maar hiervan, noch van een ingebrekestelling of mededeling tot opschorting, is iets gesteld of gebleken. [gedaagde] heeft evenmin gesteld dat zij al bevrijdend aan Bouwflex heeft betaald en heeft ook niet te kennen gegeven dat zij het niet eens is met de door [eiser] opgestelde urenspecificatie. Als gevolg hiervan moet geconcludeerd worden dat [gedaagde] in verzuim is ten aanzien van haar betalingsverplichting. De door [eiser] gevorderde hoofdsom ad € 1.000,00, waarvan de hoogte niet door [gedaagde] is weersproken, zal daarom worden toegewezen.

4.7. Nu [gedaagde] in verzuim is, is zij de wettelijke handelsrente verschuldigd. Het door [eiser] gevorderde bedrag aan vervallen rente (€ 83,50) is niet weersproken en zal worden toegewezen. De te verschijnen rente is eveneens toewijsbaar vanaf de dag der dagvaarding.

4.8. [eiser] heeft vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd. De in de dagvaarding opgesomde activiteiten zijn niet nader geconcretiseerd en zijn bovendien niet allemaal als buitengerechtelijke werkzaamheden aan te merken (onderzoek naar de verhaalsmogelijkheden, correspondentie met de cliënt). Hierdoor is onvoldoende gesteld dat de door (de gemachtigde van) [eiser] verrichte werkzaamheden een aparte vergoeding rechtvaardigen. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.

4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 1.083,50 (duizend drieëntachtig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 1.000,00 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 230,25 aan verschotten en € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.