Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN4435

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/2518 BC-T2
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ7426, Niet bevoegd
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2012:BV3699, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De minister heeft het door eiser ingediende verzoek de Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting tot identificatie op grond van artikel 2 lid 6 Wet identificatie bij dienstverlening (Wid) andermaal afgewezen nadat de ABRvS bij uitspraak 6 mei 2009 (LJN BI2968) de eerdere beslissing op bezwaar van de minister had vernietigd. In aanmerking nemend dat de Afdeling niet zelf de zaak finaal heeft beslecht doch de minister opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, verstaat de rechtbank de hierboven geciteerde overwegingen van de Afdeling aldus dat er voor eiser geen beletselen waren een aanvraag te doen als bedoeld in artikel 2 lid 6 Wid (zoals die bepaling luidde voor 1 augustus 2008) om Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting eiser te identificeren. De minister heeft tevens overwogen dat de verzochte ontheffing tevens diende te worden afgewezen omdat de Postbank in casu geen zekerheid van eiser heeft kunnen krijgen over zijn identiteit. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze subsidiaire grondslag van het bestreden besluit in rechte stand houden. Voor een verregaande belangenafweging zoals eiser die voorstaat, ziet de rechtbank gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 2 van de Wid (zoals die bepaling luidde voor 1 augustus 2008) geen ruimte. Met betrekking tot de na het dictum op te nemen de rechtsmiddelenclausule stelt de rechtbank voorop dat het haar gelet op hetgeen zij dienaangaande heeft overwogen in haar uitspraak van 27 juni 2008 en op de overwegingen in rubriek 5.2 van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 23 november 2009 (LJN BK4209) voorkomt dat het laatstgenoemde college bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep en niet de Afdeling. Gelet op de omstandigheid dat de Afdeling zich in haar uitspraak van 6 mei 2009 blijkbaar bevoegd heeft geacht kennis te nemen van deze zaak, zal de rechtbank thans in de rechtsmiddelenclausule verwijzen naar de Afdeling als hoger beroepsrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2518 BC-T2

Uitspraak in het geding tussen

[A], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg,

en

de minister van Financiën, verweerder (hierna: de minister).

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 15 december 2006 heeft de minister het door eiser ingediende verzoek de Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting tot identificatie op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening (hierna: Wid) afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft de minister het door eiser daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2008 (LJN BD6922), heeft de rechtbank het door eiser daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2009 (LJN BI2968) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2008 gegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van de minister van 10 april 2007 alsnog gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2006 alsnog ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 12 oktober 2009 heeft de rechtbank het beroep onder toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig indienen van de gronden waarop het beroep rust.

Bij uitspraak van 20 mei 2010 heeft de rechtbank het verzet van eiser tegen de uitspraak van 12 oktober 2009 gegrond verklaard omdat de griffier bij het bieden van een hersteltermijn had nagelaten op voet van artikel 8:38, eerste lid, van de Awb de brief alsnog per gewone post aan eiser te versturen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2010. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.W. van Schijndel en mr. drs. A.J.T. de Jong.

2 Overwegingen

2.1 Eiser betoogt dat de minister er ten onrechte van heeft afgezien eiser te horen alvorens op het bezwaar te beslissen. Dit betoog faalt. Eiser heeft eerder aangegeven af te zien van een hoorzitting. De enkele vernietiging van de daarop volgende beslissing op bezwaar van 10 april 2007 brengt niet met zich dat de minister gehouden was eiser opnieuw uit te nodigen voor een hoorzitting. De rechtbank is niet gebleken dat zich bijkomende feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat de minister uit een oogpunt van zorgvuldigheid eiser niettemin in de gelegenheid had dienen te stellen om alsnog op een hoorzitting te verschijnen alvorens het bestreden besluit te nemen.

2.2 Eiser betoogt dat de minister ten onrechte artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) bij zijn beoordeling heeft betrokken omdat eerst met die wetgeving per 1 augustus 2008 uitsluitend voor instellingen is voorzien in de mogelijkheid om een ontheffingsverzoek als het onderhavige te doen. Voorts stelt eiser dat de minister heeft verzuimd het belang van eiser bij de gevraagde ontheffing te betrekken, terwijl de Afdeling heeft vastgesteld dat er geen beperkingen zijn die in de weg staan aan de toepassing van artikel 3:4 van de Awb.

2.2.1 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.2.2 Aan haar uitspraak van 6 mei 2009 heeft de Afdeling de volgende motivering ten grondslag gelegd:

“2.3. [Appellant] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zijn bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Hij betoogt dat zijn verzoek is aan te merken als aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Voor zover de instelling aan hem ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wid geen dienst mag verlenen, is hij immers rechtstreeks in zijn belang getroffen.

2.4. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] belanghebbende is bij een besluit als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wid. Het belang van [appellant] bij een dergelijk besluit is daarin gelegen dat hij thans niet in staat is zichzelf te legitimeren, waardoor de Postbank zijn identiteit niet kan vaststellen en aldus geen diensten aan hem kan verlenen. [Appellant] wordt hierdoor getroffen in zijn maatschappelijke en financiële positie. Dit belang is rechtstreeks bij het besluit betrokken. [Appellant] is belanghebbende, zodat zijn verzoek de Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting tot identificatie op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wid, een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en een beslissing van de minister hierop een besluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Het betoog van [appellant] slaagt.”

2.2.3 Bij het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat in het kader van artikel 2, zesde lid, van de Wid uitsluitend een aanvraag om ontheffing kon worden verleend op verzoek van een instelling als bedoeld in artikel 1 van die wet en dat artikel 3, zevende lid, van de per 1 augustus 2008 in werking getreden Wwft geen begunstigend effect voor eiser heeft. Voorts heeft verweerder overwogen dat de Postbank in casu geen zekerheid van eiser heeft kunnen krijgen over zijn identiteit en dat het maatschappelijk belang dat wordt gediend door het kunnen identificeren en verifiëren van de identiteit van een cliënt door een financiële instelling zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser bij het verlenen van een ontheffing aan de Postbank als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wid.

2.2.4 In aanmerking nemend dat de Afdeling niet zelf de zaak finaal heeft beslecht doch de minister opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, verstaat de rechtbank de hierboven geciteerde overwegingen van de Afdeling aldus dat er voor eiser geen beletselen waren een aanvraag te doen als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wid (zoals die bepaling luidde voor 1 augustus 2008) om Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting eiser te identificeren. Voorts diende de minister, gelet op artikel 40 van de Wwft, de heroverweging te verrichten op de grondslag van de Wid. Hieruit volgt echter niet reeds dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De minister heeft immers tevens overwogen dat de verzochte ontheffing tevens diende te worden afgewezen omdat de Postbank in casu geen zekerheid van eiser heeft kunnen krijgen over zijn identiteit. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze subsidiaire grondslag van het bestreden besluit in rechte stand houden. Voor een verregaande belangenafweging zoals eiser die voorstaat, ziet de rechtbank gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 2 van de Wid (zoals die bepaling luidde voor 1 augustus 2008) geen ruimte.

2.3 Eiser heeft ten slotte betoogd dat de minister ten onrechte heeft verzuimd een beslissing te nemen op het verzoek om toepassing van artikel 7:15 van de Awb. Ook dit betoog faalt. Nu de minister de beslissing van 15 december 2006 niet heeft herroepen en ook niet diende te herroepen, hetgeen een voorwaarde is voor toepassing van artikel 7:15 van de Awb, kon de minister voorts een expliciete beslissing op het verzoek artikel 7:15 van de Awb toe te passen achterwege laten. In de ongegrondverklaring van het bezwaar ligt aldus een impliciete afwijzing van het verzoek om toepassing van 7:15 van de Awb besloten.

2.4 Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

2.5 Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

2.6 Met betrekking tot de na het dictum op te nemen de rechtsmiddelenclausule stelt de rechtbank voorop dat het haar gelet op hetgeen zij dienaangaande heeft overwogen in haar uitspraak van 27 juni 2008 en op de overwegingen in rubriek 5.2 van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 23 november 2009 (LJN BK4209) voorkomt dat het laatstgenoemde college bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep en niet de Afdeling. Gelet op de omstandigheid dat de Afdeling zich in haar uitspraak van 6 mei 2009 blijkbaar bevoegd heeft geacht kennis te nemen van deze zaak, zal de rechtbank thans in de rechtsmiddelenclausule verwijzen naar de Afdeling als hoger beroepsrechter.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond,

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, en door deze en mr. dr. R. Stijnen, griffier, ondertekend.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 12 augustus 2010.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en de minister kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.