Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3943

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
336839 / HA ZA 09-2244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschadiging leidingen door aannemer tijdens uitvoering graafwerkzaamheden. Aannemer aansprakelijk jegens eigenaar van de leidingen, aangezien er geen Klic-melding is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010/202 met annotatie van P.J.M. Ros
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 336839 / HA ZA 09-2244

Uitspraak: 9 juni 2010

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de rechtspersoon naar publiek recht WATERSCHAP HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD,

2. de stichting STICHTING BEHEER REGISTERGOEDEREN SCHIELAND,

beide gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

- tegen -

[gedaagde ],

gevestigd te [adres],

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Eijsberg.

Eiseressen worden hierna ook wel aangeduid als “het Hoogheemraadschap” respectievelijk “de Stichting”. Gedaagde wordt hierna aangeduid als “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 4 augustus 2009 en de door eiseressen overgelegde producties;

- incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

- incidentele conclusie tot antwoord;

- vonnis van deze rechtbank d.d. 25 november 2009, waarin [gedaagde] is toegestaan de openbare

rechtspersoon Gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle in vrijwaring op te roepen;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 6 januari 2010, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 26 april 2010.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 In september 2000 heeft het Hoogheemraadschap een perceel grond aan de Zuidplasweg te Zevenhuizen (hierna: het terrein) verkocht aan de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: de Gemeente). Het betrof een deel van een waterzuiveringsterrein, waarop zich (onder andere) een buiten werking gestelde waterzuiveringsinstallatie bevond. Op een naastgelegen terrein had het Hoogheemraadschap een nieuw rioolgemaal aangelegd.

2.2 Nadat de Gemeente de eigendom van het terrein had verkregen, is zij overgegaan tot sloop van alle daarop aanwezige opstallen. Deze sloopwerkzaamheden heeft zij destijds uitbesteed aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de door haar verrichte werkzaamheden geen Klic-melding gedaan.

2.3 Op 11 september 2002 zijn een HPE persleiding, een kathodische beschermingskabel en een signaalkabel behorende bij het nieuwe rioolgemaal van het Hoogheemraadschap (hierna: de leidingen) beschadigd.

2.4 Op 16 april 2003 heeft er een bespreking plaatsgevonden omtrent de schade aan de leidingen op het gemeentehuis van de Gemeente, waarbij twee vertegenwoordigers van de Gemeente, de statutair directeur van [gedaagde] en twee vertegenwoordigers van eiseressen aanwezig waren.

2.4 In 2003 is de Stichting overgegaan tot herstel van de leidingen.

2.5 Bij brief d.d. 31 augustus 2006 heeft het Hoogheemraadschap [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade. Bij brief van 23 mei 2007 heeft de Stichting bij [gedaagde] aanspraak gemaakt op betaling van het schadebedrag.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen te betalen aan het Hoogheemraadschap en de Stichting een bedrag van € 63.410,58 te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, alsmede de nakosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben het Hoogheemraadschap en de Stichting aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde] heeft bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden de hiervoor onder 2.3 vermelde schade aan de leidingen veroorzaakt. Nu [gedaagde] geen Klic-melding heeft gedaan, is zij op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk jegens het Hoogheemraadschap en de Stichting.

3.2 Het herstel van de leidingen heeft de Stichting een bedrag van € 63.410,58 gekost.

3.3 De wettelijke rente over voormeld schadebedrag is verschuldigd vanaf 11 september 2002.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hoogheemraadschap en de Stichting in de kosten van het geding. Op het door haar gevoerde verweer zal in het kader van de beoordeling – voor zover nodig – worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Ter comparitie hebben eiseressen toegelicht dat het Hoogheemraadschap de juridische eigenaar is van het gemaal en de Stichting de economische eigenaar. [gedaagde] heeft op zichzelf deze stelling van eiseressen niet betwist, doch slechts gesteld dat zij hiervan geen stukken heeft gezien. De rechtbank heeft echter geen aanleiding aan de juistheid van deze stelling van eiseressen te twijfelen. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat, nu de Gemeente eigenaar is van het perceel, niet valt in te zien waarom zij niet tevens eigenaar is van de leidingen. Gezien het bepaalde in artikel 5:20 lid 2 BW vindt er bij leidingen als de onderhavige echter geen natrekking plaats, zodat de rechtbank aan deze stelling van [gedaagde] voorbijgaat.

Gezien het voorgaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat het Hoogheemraadschap de juridische eigenaar van de leidingen is en de Stichting de economische eigenaar. [gedaagde] heeft niet betwist dat de Stichting de kosten van herstel op zich heeft genomen. Het vorderingsrecht ter zake deze kosten komt mitsdien aan de Stichting en niet aan het Hoogheemraadschap toe. De vordering van het Hoogheemraadschap ligt dan ook voor afwijzing gereed.

4.2 Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de Stichting haar rechten heeft verwerkt door pas na geruime tijd tot verhaal over te gaan. Bovendien is tijdens de hiervoor onder 2.4 vermelde bespreking ten opzichte van [gedaagde] het vertrouwen gewekt dat de Gemeente de schade zou afwikkelen, aldus [gedaagde].

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het is vaste jurisprudentie dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in casu geen sprake. Ter onderbouwing van haar stelling dat tijdens de hiervoor onder 2.4 vermelde bespreking bij haar het vertrouwen is gewekt dat de Gemeente de schade zou afwikkelen, heeft [gedaagde] slechts aangevoerd dat de Gemeente tijdens de bespreking heeft gezegd dat zij “haar verantwoording zou nemen”. Indien door deze opmerking bij [gedaagde] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, dan is dit vertrouwen kennelijk niet door het Hoogheemraadschap dan wel de Stichting gewekt, zodat de rechtbank reeds om die reden aan deze stelling van [gedaagde] voorbij gaat. [gedaagde] heeft voorts nog aangevoerd dat zij door het tijdsverloop in haar verdediging wordt belemmerd. Ook aan deze stelling gaat de rechtbank voorbij. Het is in zijn algemeenheid juist dat het door tijdsverloop moeilijker wordt om bepaalde feiten en/of omstandigheden te bewijzen. De wetgever heeft deze algemene omstandigheid echter meegenomen bij het vaststellen van de verjaringstermijnen. Dat er in casu bijzondere omstandigheden zijn waardoor door het tijdsverloop bepaalde bewijsstukken verloren zijn gegaan, is gesteld noch gebleken. De rechtbank kan voorts, indien het zover mocht komen, bij de bewijswaardering rekening houden met het feit dat het Hoogheemraadschap en de Stichting in de periode van 16 april 2003 en 31 augustus 2006 geen actie richting [gedaagde] hebben ondernomen.

4.3 Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] degene is geweest die de leidingen heeft beschadigd. De Stichting heeft gesteld dat dit het geval is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de bestuurder van de graafmachine van [gedaagde] op de dag waarop de schade is veroorzaakt tegenover twee medewerkers van het Hoogheemraadschap heeft erkend dat hij de schade had veroorzaakt. Tijdens de hiervoor onder 2.4 vermelde bespreking heeft de statutair directeur van [gedaagde] ook niet ontkend dat [gedaagde] de schade had veroorzaakt. Bovendien heeft slechts [gedaagde] op het deel van het terrein waar de beschadigde leidingen lagen werkzaamheden uitgevoerd, aldus de Stichting.

[gedaagde] heeft betwist dat zij de leidingen heeft beschadigd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij niet eerder dan tijdens de hiervoor onder 2.4 vermelde bespreking heeft vernomen van de schade. [gedaagde] had al in juli 2002 haar werkzaamheden op het terrein afgerond en heeft op de gestelde schadedatum, 11 september 2002, geen werkzaamheden op het terrein uitgevoerd. Nadat [gedaagde] haar werkzaamheden had afgerond, heeft een andere aannemer werkzaamheden op het terrein uitgevoerd.

Gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], rust ingevolge artikel 150 Rv op de Stichting de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] de leidingen heeft beschadigd. Zij zal tot dit bewijs worden toegelaten. Indien de Stichting niet slaagt in dit bewijs liggen haar vorderingen voor afwijzing gereed. Voor het geval de Stichting wel slaagt in dit bewijs wordt het volgende overwogen.

4.4 De Stichting heeft gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat [gedaagde] voorafgaand aan het uitvoeren van haar werkzaamheden geen Klic-melding heeft gedaan. [gedaagde] heeft betwist dat dit enkele feit, gezien de aard van het uit te voeren werk, met zich brengt dat zij onrechtmatig jegens de Stichting heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt als volgt. Alvorens grondwerkzaamheden uit te voeren, rust in beginsel op een aannemer de verplichting onderzoek te doen naar de vraag of er leidingen in de grond liggen en zo ja, van wie deze leidingen zijn en waar deze precies liggen. Dit onderzoek kan ook door een Klic-melding op eenvoudige wijze plaatsvinden. Vast staat dat [gedaagde] deze melding niet heeft gedaan. Zij heeft gesteld dat zij deze melding niet hoefde te doen, gezien de opdracht die zij van de Gemeente had gekregen, namelijk het geheel leegruimen van het terrein. De rechtbank is van oordeel dat op een aannemer een zelfstandige onderzoeksplicht rust, ongeacht de opdracht dan wel mededelingen die hij van zijn opdrachtgever krijgt. De tussen de aannemer en opdrachtgever gesloten overeenkomst regardeert een derde niet en een eventuele opdracht en/of mededelingen ontslaan de aannemer dan ook niet van zijn aansprakelijkheid jegens derden in geval er schade ontstaat. Dit is niet anders in het geval deze opdracht is gegeven dan wel deze mededelingen zijn gedaan door een bestuursorgaan dat wellicht uit dien hoofde geacht moet worden op de hoogte te zijn van de aanwezigheid van eventuele leidingen in een terrein. Voorts rust op de eigenaar van de leidingen geen verplichting om, indien zij weet dat er op een terrein waarin haar leidingen liggen, werkzaamheden uitgevoerd gaan worden, de aannemer uit zichzelf te informeren omtrent deze leidingen, zoals [gedaagde] heeft gesteld. De eigenaar mag erop vertrouwen dat een aannemer zorgvuldig onderzoek zal doen alvorens aan zijn werkzaamheden te beginnen. Voor zover [gedaagde] met onderhavige stelling een beroep op eigen schuld aan de zijde van de Stichting heeft willen doen, wordt dit beroep verworpen.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens de Stichting heeft gehandeld door geen Klic-melding te doen alvorens met haar werkzaamheden op het terrein te beginnen. Indien komt vast te staan dat [gedaagde] de leidingen heeft beschadigd, is zij mitsdien gehouden de schade die de Stichting daardoor heeft geleden volledig te vergoeden.

4.5 [gedaagde] heeft het causaal verband tussen het nalaten een Klic-melding te doen en de schade aan de leidingen betwist, daartoe stellende dat ook als de Klic-melding zou zijn gedaan de ligging van de leidingen niet zou zijn gebleken. De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij. Normaal gesproken zou bij een Klic-melding de aanwezigheid van leidingen als de onderhavige bekend moeten worden. Het had daarom op de weg van [gedaagde] gelegen feiten en/of omstandigheden aan te voeren op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat dit in onderhavig geval anders ligt. [gedaagde] heeft dit echter niet gedaan.

4.6 [gedaagde] heeft voorts de hoogte van de schade betwist. De rechtbank is van oordeel dat partijen hieromtrent nog onvoldoende hebben gedebatteerd. Partijen zullen derhalve in de gelegenheid worden gesteld om in hun conclusie na enquête hun stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Van de Stichting wordt verwacht dat zij daarbij in ieder geval ingaat op het verweer van [gedaagde] ter zake de damwand (punt 15 conclusie van antwoord) en de vraag of de Stichting btw kan verrekenen en voorts dat zij een nadere toelichting geeft op de specificatie van de interne uren

4.7 De rechtbank houdt iedere overige beslissing aan in afwachting van de bewijslevering.

5 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt de Stichting op het bewijs dat [gedaagde] de leidingen heeft beschadigd;

bepaalt dat indien de Stichting dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Fiege;

bepaalt dat de advocaat van de Stichting binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank – sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam – opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden augustus tot en met oktober 2010 en dat de advocaat van [gedaagde] binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204/106