Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3932

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
10/820012-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW 1994. Politieagent die in de uitoefening van zijn taak, waarbij het snelheidsmaximum aanzienlijk werd overschreden en waarbij geen zwaailicht en/of sirene werd gebruikt, twee kinderen heeft aangereden.

De verweren van de raadsman zijn verworpen.

In het bijzonder is het verweer gevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hem een beroep toekomt op de vrijstelling RVV 1990.

De rechtbank stelt ter zake daarvan voorop dat niet moet worden getwijfeld aan de op zichzelf genomen juiste bedoelingen van de verdachte nadat hij kennis had genomen van de melding dat iemand onwel was geworden.

Tegelijkertijd kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake was van noodzakelijk handelen van de verdachte.

Voorts moet worden geconstateerd dat de verdachte tijdens dat handelen het daarvoor geldende veiligheidsprotocol heeft genegeerd, waardoor niet kan worden gezegd dat de verdachte de veiligheid van (anderen in) het verkeer zoveel mogelijk heeft gewaarborgd.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat hetgeen de verdachte heeft gesteld omtrent de onwerkbaarheid van de richtlijnen in de dagelijkse praktijk te denken geeft over de aansluiting tussen de theorie en de praktijk, maar dat dit de verdachte niettemin niet ontslaat van zijn verplichting om de met het oog op de verkeersveiligheid door het politiekorps zelf opgestelde richtlijnen in acht te nemen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2010-08-12
Wegenverkeerswet 1994 175, geldigheid: 2010-08-12
Wegenverkeerswet 1994 179, geldigheid: 2010-08-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/89 met annotatie van Van Eekelen
NJFS 2010/291

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/820012-10

Datum uitspraak: 12 augustus 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] te [plaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman: mr. P.C. Verloop, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het primair ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte zich als bestuurder van een personenauto zodanig heeft gedragen in het verkeer, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor twee kinderen ten val zijn gekomen en één van die kinderen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

De verdachte wordt subsidiair verweten dat hij door zijn gedrag gevaar op de weg heeft gecreëerd en/of het verkeer heeft gehinderd.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. Pols, heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen. Hij heeft tevens gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden, met een proeftijd voor de duur van 2 jaar.

BEWIJSMOTIVERING

Inleiding

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, welke in een bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen, gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

De verdachte is op 21 juni 2009 in zijn functie van politieagent afgegaan op een melding van een onwelwording. Hij draaide op dat moment in Rotterdam een zogenoemde wisseldienst, wat ondermeer inhield dat hij zich verplaatste in een onherkenbaar politievoertuig. Op de Pretorialaan heeft hij, zonder gebruikmaking van zwaailicht en/of sirene, zijn snelheid opgevoerd tot een waarde gelegen tussen 66 en 72 kilometer per uur terwijl aldaar een maximum snelheid gold van 30 kilometer per uur. Langs de Pretorialaan stonden op dat moment autovoertuigen geparkeerd en verder bevonden zich voetgangers op de trottoirs, waaronder de 5-jarige [slachtoffer 1] en zijn 7-jarige zusje [slachtoffer 2]. Terwijl de verdachte over de Pretorialaan reed, staken zij plots de weg over, waarna zij door de verdachte zijn aangereden. [slachtoffer 1] geraakte daardoor in coma en naderhand is in het ziekenhuis hersenletsel vastgesteld. Hoewel hij sindsdien enigszins herstellende is, blijft [slachtoffer 1] thans aangewezen op een rolstoel, omdat hij niet zelfstandig kan lopen.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

Namens de verdediging is op meerdere gronden vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. De bespreking daarvan vindt hieronder in een andere dan bepleite volgorde plaats, nu dit de leesbaarheid van het vonnis ten goede komt.

Causaal verband

De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen nu er geen causaal verband bestaat tussen de (verweten) gedragingen van de verdachte en het ongeval. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn plotseling de Pretorialaan opgerend op een punt waar het voor verdachte onmogelijk was om hen eerder te zien en ook kan niet worden vastgesteld of een ongeval bij een andere, lagere, snelheid vermijdbaar zou zijn geweest.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de verdachte met een forse overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid heeft gereden en dat hij in combinatie met ondermeer het gegeven dat:

- er in de nabijheid voetgangers aanwezig waren in een ook overigens druk gebied;

- er geparkeerde auto’s langs de Pretorialaan stonden;

- de verdachte in een onherkenbare politieauto reed zonder optische- en geluidsignalen te voeren,

een situatie in het leven heeft geroepen waarbij twee kinderen die tussen de geparkeerde auto’s vandaan schoten om over te steken, geen schijn van kans hadden en waarbij één van hen ernstig letsel opliep.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer.

Voor de vaststelling of sprake is van het door de raadsman bestreden causaal verband staat de vraag centraal of het verkeersongeval in redelijkheid is toe te rekenen aan de verdachte. Ten aanzien daarvan slaat de rechtbank acht op de forse snelheidsovertreding in combinatie met de feiten en omstandigheden, zoals door de officier van justitie naar voren zijn gebracht en die ook uit de bewijsmiddelen blijken. De verdachte heeft bewust verkeers- en veiligheidsnormen overtreden die met het oog op de voorkoming van ongevallen zijn opgesteld. Daaruit volgt dat de verdachte zelf met zijn handelen onder de genoemde omstandigheden een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd met fatale afloop als gevolg. Niet kan derhalve worden gezegd dat de verwezenlijking van het opgetreden gevolg onvoorzienbaar is geweest. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het gevolg ook feitelijk, gelet op de verkeersituatie ter plaatse - 30 kilometer-zone, voetgangers op het trottoir, geparkeerde voertuigen die het zicht belemmeren - niet onvoorzienbaar was. Of het ongeval bij een andere, lagere, snelheid vermijdbaar zou zijn geweest, doet gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Gelet op het bovenstaande kan het ontstaan van het verkeersongeval de verdachte redelijkerwijs worden toegerekend.

Vrijstelling RVV 1990

De raadsman heeft gesteld dat vrijspraak moet volgen, nu aan de verdachte de in de tenlastelegging genoemde verkeersovertreding niet kan worden verweten. Van ‘schuld’ als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is dan ook geen sprake. De verdachte was immers bij de uitvoering van zijn politietaak – in casu hulpverlening – vrijgesteld van de bepalingen van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (verder te noemen: RVV 1990), zoals is bepaald in de daarop betrekking hebbende Beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 maart 1994(RVR 172392). De noodzaak van de snelheidsovertreding bestond omdat volgens de melding sprake was van een levensbedreigende situatie en de verdachte heeft, voor zover mogelijk, de nodige voorzichtigheid betracht om de veiligheid van het verkeer te waarborgen. In het kader daarvan is door de raadsman nog gewezen op het gebrek aan wetenschap bij de verdachte van de op de Pretorialaan van kracht zijnde 30 kilometer zone. Dit kan hem niet worden aangerekend, omdat hij daarvan niet op de hoogte was. Hij heeft het betreffende verkeersbord niet gezien en de weginrichting van de Pretorialaan was niet zodanig dat hij de snelheidsbeperking daaruit kon afleiden.

De officier van justitie van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep kan doen op de vrijstelling van de voorschriften van het RVV 1990. De verdachte heeft niet voldaan aan het voorschift om de veiligheid in het verkeer zoveel mogelijk te waarborgen, omdat hij zich na de melding van een onwelwording niet zelf heeft aangemeld bij de meldkamer, waarmee hij zich het tot de mogelijkheden behorende overleg met en coaching door de meldkamer heeft ontzegd. Deze procedure had kunnen leiden tot het gebruik van optische- en geluidsignalen, waardoor de aangereden kinderen de auto van de verdachte eerder zouden hebben kunnen waarnemen.

Daarnaast kan de vraag of de wijze van optreden door de verdachte beslist noodzakelijk was voor de hem opgedragen taak, niet zonder meer bevestigend worden beantwoord. Weliswaar was sprake van een melding met hoge prioriteit, maar die melding was reeds door de meldkamer aan collega’s van de verdachte gegeven. De verdachte, op wie overigens ook een verhoogde zorgplicht rust, had zich er in die situatie betrekkelijk eenvoudig, namelijk door contact te zoeken met de meldkamer, van kunnen vergewissen hoe groot de noodzaak tot het overschrijden van de maximumsnelheid was.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer.

Volgens de toelichting bij de beschikking in kwestie wordt het gebruik van de vrijstelling RVV 1990 niet alleen beperkt door voorschriften van noodzakelijkheid en veiligheid, maar hebben daarnaast de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen en de Minister van Justitie ‘de mogelijkheid om nadere regels te stellen om het gebruik van de vrijstelling te reguleren’. Van die mogelijkheid is niet alleen gebruik gemaakt in de ‘Brancherichtlijn Verkeer’ die is vastgesteld in het korpsbeheerdersberaad van 26 november 2006, maar ook in het ‘Preventieplan Verkeer’ van de Politie Rotterdam-Rijnmond van 22 maart 2006. Daaruit volgt onder meer dat:

- landelijk tussen de korpsen is afgesproken er voor te zorgen dat en hoe politiemensen in politievoertuigen, bij gebruik van die vrijstelling, zich veilig in het verkeer begeven, waardoor schade, letsel en soms dodelijke ongelukken bij collega’s en bij burgers zoveel mogelijk wordt voorkomen;

- bij snelheidsoverschrijdingen van meer dan 20 kilometer per uur op lokale wegen in geval van een dringende taak (zoals een levensbedreigende situatie) voorafgaand aan de snelheidsovertreding een melding plaatsvindt middels de in de politieauto aanwezige statusbox/C2000, zodat de meldkamer dit constateert, en indien dit noodzakelijk en mogelijk is, kan interveniëren. De meldkamer, in zijn rol als professionele ondersteuner, bevraagt en adviseert de betrokken politieambtenaar over proportionaliteit en subsidiariteit van zijn of haar voorgenomen beslissing;

- alleen in geval van een dringende taak en met toestemming van de meldkamer met sirene en zwaailichten mag worden gereden, waarop het voertuig dan als voorrangsvoertuig heeft te gelden en waardoor alle weggebruikers krachtens artikel 50 van het RVV 1990 verplicht zijn om te allen tijde voorrang te verlenen.

De verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard – zakelijk weergegeven:

“ U vraagt mij of ik mij in de aanloop naar het ongeval wilde aanmelden. Ja, dat was in ieder geval mijn bedoeling. Eenheid 09-05 kreeg een melding, waarop ik mij wilde aanmelden. Dat is ook de gebruikelijke gang van zaken. Ik was in de directe omgeving van de melding en besloot daarop af te gaan. De melding hield in dat iemand onwel was geworden. Ik vond dat een melding van de hoogste prioriteit. Vervolgens ben ik gaan schatten of ik daar als één van de eersten aanwezig kon zijn. Je berekent op dat moment de kansen van slagen. Ik was mij op dat moment ervan bewust dat ik in een onopvallend voertuig reed. Mede daarom ben ik vervolgens gaan wachten voor een rood stoplicht op de Tweede Rosestraat. Ik wachtte op dat moment op nadere informatie en stond even stil. Ik stelde op dat moment mijn navigatiesysteem in op het adres dat in de melding was doorgegeven. Ik vond dit op dat moment belangrijk want de navigator kon mij informatie geven over mijn positie ten opzichte van de plaats van de melding. Ik had op dat moment al besloten mee te rijden op de melding. Dat ik op dat moment het navigatiesysteem heb ingesteld en mij niet heb gemeld bij de meldkamer was een praktische keuze die ik heb gemaakt. Het stoplicht ging op groen, ik trok op, ik keek naar de navigator. Gezien de ernst van de melding vond ik het nodig om mij te melden en ik zocht al rijdende een moment om dat te doen. Dat kwam er alleen niet van. De reden daarvan was onder meer dat het radioverkeer bezet was en met het huidige systeem kan niet simultaan worden gecommuniceerd met de meldkamer. Het C2000 systeem staat dat niet toe. Een andere gebruiker was bezig, waardoor ik moest wachten. Op hetzelfde moment reed ik ook op een rotonde en vond ik het op dat moment belangrijker om mijn handen aan het stuur te houden. Ik was na de melding met zoveel dingen tegelijk bezig dat het aanmelden niet iets was dat meteen moest worden gedaan. Inmiddels had ik ook de vervolgmelding ontvangen dat de persoon in kwestie niet meer aanspreekbaar was. Hierdoor voelde ik de noodzaak snel ter plaatse te zijn nog dringender.

U vraagt mij hoe hard ik op de Pretorialaan heb gereden. Ik kan mij dat niet meer herinneren. Ik kan mij wel herinneren dat ik tijdens het rijden mijn oog op de straat en de omgeving hield en niet naar mijn dashboard keek. De voorzitter vraagt mij of ik bekend ben en ten tijde van het ongeval bekend was met de inhoud van de ‘Brancherichtlijn Verkeer’ die is vastgesteld in het korpsbeheerdersberaad van 26 november 2006 en met het ‘Preventieplan Verkeer’ van de Politie Rotterdam-Rijnmond van 22 maart 2006. Ja, dat ben ik. De voorzitter houdt mij voor dat de richtlijnen voorschrijven dat een overschrijding van de maximum toegestane verhoogde snelheden moet worden gemeld. Ja, dat klopt. Het moet worden gemeld wanneer het protocol wordt overschreden. De registratie gebeurt in de regel door op het C2000 kastje op de toets met het cijfer 9 te drukken, de zogenoemde status 9 procedure, of door mondeling te melden dat er harder wordt gereden. Op die manieren komt bij de meldkamer een melding binnen. Ik wijs u evenwel erop dat de statusbox maandenlang niet gewerkt heeft en in ons dagelijks werk hield derhalve niemand zich daaraan. Het kwam niet in me op. De statusbox zal op het moment dat ik daar reed best hebben gewerkt, maar het was geen gewoonte geworden deze te gebruiken. Deze meldprocedure heeft in de loop der tijd bij het vervullen van een dringende taak aan urgentie ingeboet en die manier van werken is ook niet uit de verf gekomen. U vraagt mij of ik de toets met cijfer 9 heb ingedrukt. Nee, dat heb ik niet gedaan. Ik had dat kunnen doen, maar ik heb dat niet gedaan. Verder had ik niet de gelegenheid om het mondeling te melden. Ik was wel bekend met de status 9 procedure. Ik ben ook bekend met de brancherichtlijn. Ik wist dat ik bij een overschrijding van meer dan 20 kilometer per uur even op mijn dashboard had moeten kijken of daarvan daadwerkelijk sprake was”.

Ten aanzien hiervan stelt de rechtbank voorop dat niet moet worden getwijfeld aan de op zichzelf genomen juiste bedoelingen van de verdachte nadat hij kennis had genomen van de melding dat iemand onwel was geworden.

Tegelijkertijd kan met de verklaring van de verdachte niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake was van noodzakelijk handelen van de verdachte. De melding was niet aan de verdachte maar aan zijn collega’s van de DHV, eenheid 09-05, gegeven. Onduidelijk was hoe ver deze collega’s van de plaats van onwelwording verwijderd waren en of de verdachte wellicht dichterbij was. De verdachte had dit kunnen verifiëren, maar heeft dit achterwege gelaten.

Voorts moet worden geconstateerd dat de verdachte tijdens dat handelen het daarvoor geldende veiligheidsprotocol heeft genegeerd, waardoor niet kan worden gezegd dat de verdachte de veiligheid van (anderen in) het verkeer zoveel mogelijk heeft gewaarborgd. Allereerst heeft de verdachte tijdens het stilstaan voor het stoplicht, toen hij reeds had besloten mee te rijden met de melding, het instellen van zijn navigatiesysteem - naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte - verkozen boven het zich melden bij de meldkamer. Verder heeft hij de volgens de richtlijnen toegestane overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur overschreden, zonder dit vooraf te melden. Hoewel de rechtbank zich bewust is van het feit dat het gaat om beslissingen die in een zeer kort tijdsbestek moeten worden genomen, kan niet worden gezegd dat het melden van de snelheidsoverschrijding door het indrukken van toets 9 op de statusbox niet mogelijk was. Bovendien had de verdachte om zich aan de richtlijnen te kunnen houden, zich ervan moeten vergewissen wat de ter plaatse geldende snelheid was en met welke snelheid hij zelf reed. Voorts merkt de rechtbank nog op dat de verdachte - volgens zijn verklaring tegenover de politie - reeds vóórdat hem bekend was dat de onwel geworden persoon niet meer aanspreekbaar was, de maximaal toegestane snelheid fors overschreed. Voor zover hij op dat moment, zoals hij stelt, gelet op de verkeersveiligheid niet meer in staat was zich te melden, is de rechtbank van oordeel dat hij zichzelf (mede) in die positie heeft gebracht. Gelet op zijn functie van en zijn training tot politieagent mocht van de verdachte worden verwacht dat hij juist in de onderhavige (nood)situatie conform de daarvoor gestelde veiligheidsrichtlijnen zou optreden. Daarbij geldt bovendien dat de daarin voorschreven kennisgeving aan de meldkamer op zijn minst tot enigerlei ruggespraak van verdachtes voorgenomen handelen had kunnen leiden en waarbij ook het gebruik van de zwaailichten en sirene had kunnen worden besproken. Die mogelijkheden heeft hij zich met het negeren van het protocol ontzegd. Derhalve komt aan de verdachte geen beroep toe op de vrijstelling RVV 1990.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat hetgeen de verdachte heeft gesteld omtrent de onwerkbaarheid van de richtlijnen in de dagelijkse praktijk te denken geeft over de aansluiting tussen de theorie en de praktijk, maar dat dit de verdachte niettemin niet ontslaat van zijn verplichting om de met het oog op de verkeersveiligheid door het politiekorps zelf opgestelde richtlijnen in acht te nemen.

Overmacht

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat sprake is van overmacht als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht, waarmee het aan de verdachte gemaakte schuldverwijt komt te vervallen. De verdachte handelde namelijk in de uitvoering van de politietaak in een levensbedreigende situatie en daarmee in een noodtoestand. In het conflict van plichten heeft de verdachte ervoor gekozen een snelheidsoverschrijding te begaan, teneinde levensreddend te kunnen optreden.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verdachte geen geslaagd beroep kan doen op overmacht in de zin van rechtvaardigende noodtoestand. Weliswaar was sprake van een zwaarwegend belang dat de verdachte wilde dienen, namelijk het verlenen van hulp aan iemand die niet meer bij kennis en mogelijk in levensgevaar was, maar de verkeersveiligheid is geen belang dat daaraan zonder meer ondergeschikt is, temeer nu ook de hulpverlening niet alleen van de verdachte afhankelijk was omdat collega’s reeds onderweg waren.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer.

Vooropgesteld moet worden dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij zich in een conflict van belangen bevond, waarbij hij ook vond dat het belang van de melding van de onwelwording prevaleerde boven het belang om plaatselijk geldende snelheidslimieten te respecteren. Verdachte heeft zich er evenwel niet, zoals hiervoor weergegeven, van vergewist of er daadwerkelijk een noodzaak voor zijn handelen bestond, zodat niet geoordeeld kon worden dat de melding diende te prevaleren boven het belang om plaatselijk geldende snelheidslimieten te respecteren.

Van de verdachte mocht in zijn functie van politieagent worden verwacht dat hij bij het handelen naar aanleiding van de melding op adequate wijze te werk zou gaan en dat hij daarbij naar de richtlijnen van het betreffende veiligheidsprotocol zou hebben gehandeld. Door, zoals eerder is vastgesteld, het protocol te negeren heeft de verdachte niet op zodanig adequate wijze gehandeld dat hem een beroep op overmacht toekomt.

Geen normoverschrijding

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken nu van ‘schuld’ als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerwet 1994 (en als genoemd in het primair tenlastegelegde) geen sprake is omdat de in de tenlastelegging opgesomde feitelijke gedragingen van de verdachte telkens geen schending opleveren van een in de maatschappij geldende norm, waaraan de verdachte zich had kunnen en moeten conformeren.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien de tenlastegelegde schuld als bedoeld in artikel 6 WVW opleveren.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer.

Volgens vaste jurisprudentie komt het bij de beoordeling of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Vaststaat dat de verdachte in een onherkenbaar politievoertuig, zonder optische- en geluidssignalen, met forse overschrijding van de toegestane maximumsnelheid heeft gereden, terwijl langs de weg geparkeerde voertuigen stonden en zich in de nabijheid voetgangers bevonden. Het geheel van de gedragingen van de verdachte levert een schending op van in de maatschappij geldende (verkeers- en veiligheids)normen, die zijn opgesteld met het oog op voorkoming van verkeersongevallen. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen en moeten handelen, te weten door voorafgaand aan zijn beslissing om met forse overschrijding van de maximumsnelheid mee te rijden met de melding, ruggespraak te hebben met de meldkamer over de noodzaak hiervan ,over de voorgenomen snelheidsoverschrijding met meer dan 20 kilometer per uur en over het gebruik van optische- en/of geluidsignalen.

Zodanig verkeersgedrag kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gedragen, zodat sprake is van ‘schuld’ als bedoeld in artikel 6 WVW.

BEWEZENVERKLARING

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 21 juni 2009 te Rotterdam

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Pretorialaan,

welk onvoorzichtig en onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

rijdend in een onherkenbaar politievoertuig, dat op dat moment niet was voorzien van optische en geluidsignalen en heeft gereden met een hogere snelheid (te weten tussen 66 en 72 km/uur) dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 km/uur (terwijl daar voetgangers aanwezig waren en langs die Pretorialaan autovoertuigen stonden geparkeerd)

en aldus rijdend niet tijdig heeft gereageerd op twee jonge kinderen, die de Pretorialaan overstaken en aanrijding is gekomen met die twee kinderen, als gevolg waarvan die kinderen ten val zijn gekomen,

waardoor één van die kinderen, genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel en voorlopig niet kunnen lopen) werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, terwijl hij in uitoefening was van zijn functie als politieambtenaar, in een onherkenbare politieauto een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij hij twee jonge kinderen heeft aangereden. Afgaand op een melding van een onwelwording, die was uitgegeven aan collega’s, heeft hij -door zich niet te melden- bij de meldkamer niet geverifieerd of hij het dichtstbijzijnde politievoertuig was en aldus of zijn handelen op dat moment noodzakelijk was. Voorts heeft hij evenmin ruggespraak gehouden over het voeren van optische- of geluidssignalen. Daarnaast heeft hij in een 30 kilometer-zone waar voetgangers aanwezig waren, de toegestane maximumsnelheid fors – meer dan de volgens de richtlijnen was toegestaan – overschreden. Met dit handelen heeft hij het risico genomen dat er een ongeval zou ontstaan, welk risico zich heeft verwezenlijkt met als gevolg ernstig en langdurig letsel bij één van de kinderen.

Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 juni 2010 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts laat de rechtbank in haar beoordeling zwaar meewegen dat er geen enkele twijfel bestaat over de goede intenties van de verdachte, die de uitoefening van zijn taak als politieambtenaar zeer serieus neemt. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte zeer gebukt gaat onder de gevolgen van het verkeersongeval. Hij heeft aangegeven thans, meer dan een jaar na het ongeval, nog altijd dagelijks bezig te zijn met de gevolgen voor de slachtoffers en hun familie. Ook heeft hij getracht in contact te komen met de familie om zijn medeleven te betuigen.

In het voordeel van de verdachte neemt de rechtbank verder mee dat de onderhavige zaak vanwege zijn ambt van politieagent veel in de aandacht van de media is geweest, hetgeen een grote impact op zijn privéleven heeft gehad, en dat er mogelijk nog disciplinaire maatregelen zullen volgen.

Hoewel de rechtbank een gevangenisstraf, gelet op het voorgaande, niet passend acht, doet een geldboete geen recht aan de ernst van het aan de verdachte gemaakte verwijt en de gevolgen daarvan. De rechtbank zal derhalve een werkstraf opleggen. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de werkstraf uitgevoerd zal moeten worden in een zorginstelling, enerzijds gelet op het bewezenverklaarde feit en anderzijds gelet op de functie van de verdachte. Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats, maar zal zij deze gelet op de omstandigheden van het geval – waaronder het feit dat de verdachte sinds het ongeval in de uitoefening van zijn functie niet meer als bestuurder is opgetreden en thans een reïntegratietraject volgt – geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden;

bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uur, waarbij onder het toezicht van de Stichting Reclassering Nederland de te verrichten werkzaamheden dienen te bestaan uit werkzaamheden in een zorginstelling;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. De Pauw Gerlings-Döhrn , voorzitter,

en mrs. Blagrove en Wijnholt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ahmadali, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2010.

Bijlage I bij vonnis 12 augustus 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 juni 2009 te Rotterdam

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden

door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te

dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Pretorialaan,

welk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of onzorgvuldig

rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

rijdend in een onherkenbaar politievoertuig, dat op dat moment niet was

voorzien van optische en/of geluidsignalen en/of veel te hard (te weten tussen

66 en 72 km/uur) heeft gereden, althans met een hogere snelheid dan de ter

plaatse toegestane snelheid van 30 km/uur (terwijl daar/in de nabijheid van de

Pretorialaan voetgangers aanwezig waren in verband met een markt/evenement op

het Afrikaanderplein en/of langs die Pretorialaan autovoertuigen stonden

geparkeerd)

en/of (aldus rijdend) niet of niet tijdig heeft gereageerd of heeft kunnen

reageren op twee (jonge) kinderen, die de Pretorialaan overstaken en/of in

botsing of aanrijding is gekomen met die twee kinderen, als gevolg waarvan die

kinderen ten val zijn gekomen,

waardoor één van die kinderen, genaamd [slachtoffer 1], zwaar

lichamelijk letsel (hersenletsel waardoor comateus en/of voorlopig niet (meer)

kunnen lopen en zich alleen nog in een rolstoel kunnen verplaatsen) of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(artikel 6 jo artikelen 175, lid 3, en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 juni 2009 te Rotterdam

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de

voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Pretorialaan,

zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans

kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans

kon worden gehinderd,

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

rijdend in een onherkenbaar politievoertuig, dat op dat moment niet was

voorzien van optische en/of geluidsignalen en/of veel te hard (te weten tussen

66 en 72 km/uur) heeft gereden, althans met een hogere snelheid dan de ter

plaatse toegestane snelheid van 30 km/uur (terwijl daar/in de nabijheid van de

Pretorialaan voetgangers aanwezig waren in verband met een markt/evenement op

het Afrikaanderplein en/of langs die Pretorialaan autovoertuigen stonden

geparkeerd)

en/of (aldus rijdend) niet of niet tijdig heeft gereageerd of heeft kunnen

reageren op twee (jonge) kinderen, die de Pretorialaan overstaken en/of in

botsing of aanrijding is gekomen met die twee kinderen;

(artikel 5 jo artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)