Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
11-08-2010
Zaaknummer
345964 / HA ZA 10-59
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ4707, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter beoordeling stond of de Gemeente Rotterdam schadeplichtig is geworden door de (wijze van) beëindiging van de overeenkomst van opdracht met [eiser] en of de Gemeente zich onrechtmatig heeft gedragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat daarvan geen sprake is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Burgerlijk Wetboek Boek 7 408
Burgerlijk Wetboek Boek 7 411
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/228
AR-Updates.nl 2010-0646
JAR 2010/228

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 345964 / HA ZA 10-59

Uitspraak: 11 augustus 2010

Vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

[eiser]

wonende te Londen, Verenigd Koninkrijk,

eiser,

advocaat mr. C.C. Oberman,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. van den Brande.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

- dagvaarding van 23 december 2009, met zes producties;

- conclusie van antwoord, met drieëndertig producties;

- tussenvonnis van 14 april 2010, waarbij een comparitie van partijen werd gelast;

- beslissing van 22 juni 2010 waarbij de zaak naar de meervoudige kamer is verwezen;

- proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 28 juni 2010.

Uitspraak is bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

De rechtbank merkt de volgende - voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde - feiten als tussen partijen vaststaand aan, omdat deze enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist zijn dan wel blijken uit de in zoverre niet betwiste inhoud van producties waarop beroep is gedaan.

2.1. In 2007 is tussen [eiser] als opdrachtnemer en de Gemeente als opdrachtgever een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen, die is vastgelegd in het “Financial Contract” van 1 mei 2007 (hierna: Contract 2007). Ingevolge die opdracht vervulde [eiser] een gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit (hierna: de Universiteit) en leverde hij een bijdrage aan het programma “Dialogue at neighbourhoodlevel”, in het bijzonder het onderdeel “Citizenship and Identity”, van de Gemeente, beide tegen door de Gemeente te betalen vergoedingen. Ingevolge artikel 7 wordt Contract 2007 beheerst door Nederlands recht. Het had een looptijd tot en met 31 december 2008.

2.2. De vergoeding voor het gasthoogleraarschap (deel A van het contract) was € 1.354,- per maand (voor 0,2 FTE); die voor de bijdrage aan het programma van de Gemeente (deel B van het contract) was € 4.646,- per maand (voor gemiddeld een dag per twee weken).

2.3. Ingaande 1 januari 2009 is de overeenkomst verlengd tot 1 februari 2011. De voorwaarden zijn vastgelegd in een nieuw “Financial Contract”, dat ongedateerd is (hierna: Contract 2009). De beloningen bleven gelijk. Ook dit contract bevat een rechtskeuze voor Nederlands recht. Voor de beschrijving van de van [eiser] verwachte activiteiten wordt verwezen naar “attachment 1”: the Social Programme “Citizenship and Identity”. Daarin staat onder meer:

“The original objectives will remain the same. These were and are: 1) Making dilemmas and challenges around citizenship and identity subjects of discussion; and 2) Building bridges between Rotterdam’s different population groups en promote bonding with the city. Major focus in this is on developing handles for positive identity formation with groups who feel excluded from society.”

2.4. Artikel 6 van Contract 2009 luidt als volgt:

“End of contract

Part B of the Financial Contract will end on 31 January 2011 or on any earlier date with two months’ notice, if:

• Mr. [eiser] stops his contribution to the social programme Citizenship and Identity;

• The Municipality of Rotterdam has fundamental considerations to end the Financial Contract.”

2.5. Sinds april 2008 presenteert [eiser] het televisieprogramma “Islam and Life” voor de Iranese omroep Press TV.

2.6. In maart-april 2009 is in de media, in het bestuur van de Gemeente en in de landelijke politiek ophef geweest wegens vermeende uitlatingen van [eiser] over vrouwen en homoseksuelen.

2.7. De website van Scienceguide berichtte op 11 augustus 2009, met de kop “Rotterdamse medewerking met Iraans regime”, onder meer dat [eiser] op het internationale nieuwsstation van het regime in Teheran, Press TV, het programma “Islam & Life” presenteert en daar ook na de repressie mee doorgaat; dat Press TV volledig wordt bekostigd door de Iranese overheid; en dat een Britse presentator wegens de koers van het station is opgestapt. En voorts: “Professor [eiser] heeft in de weken na de verkiezingen en gedurende de repressie zijn uitzendingen voortgezet. Van enig bezwaar of protest tegen de gang van zaken of de handelwijze van het regime is niets merkbaar. Dit is te meer opvallend, omdat Ahmadinejad en zijn knokploegen in het bijzonder hebben huisgehouden op universitaire campussen en onder collega’s van de gelauwerde academicus. Het is ook opvallend, omdat [eiser] in Rotterdam naast zijn leerstoel een rol speelt als “bruggenbouwer” in het kader van de “islamdebatten” die de stad organiseert. Recent was zijn rol in dat verband nog aanleiding tot politiek gekrakeel. Dit leidde tot een breuk in het college van B&W van de stad. ”.

2.8. Op 12 augustus 2009 heeft mevrouw [X], medewerkster van de Universiteit, aan [eiser] een sms gestuurd met het verzoek telefonisch contact met haar op te nemen in verband met de ophef die was ontstaan naar aanleiding van zijn werkzaamheden als presentator voor Press TV. Zij liet weten dat diverse media hadden verzocht om een reactie. [eiser] reageerde hierop met de mededeling dat hij met vakantie was en op dat moment geen commentaar had.

2.9. Op 13 augustus 2009 hebben twee leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal vragen gesteld over de betrokkenheid van [eiser] bij Press TV aan de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Wonen, Wijken en Integratie, mede in verband met de positie van [eiser] bij de Universiteit en de Gemeente.

2.10. Op 13 augustus 2009 heeft [Y], rector magnificus van de Universiteit, telefonisch contact met [eiser] opgenomen en hem geïnformeerd over de vragen van de Nederlandse media over de betrokkenheid van [eiser] bij Press TV. [Y] heeft [eiser] in dat gesprek verzocht afstand te nemen van Press TV en meegedeeld dat hij hem niet meer zou steunen als hij zijn werk voor Press TV zou voortzetten. Hij heeft [eiser] enige bedenktijd gegeven.

2.11. Later op dezelfde dag heeft [eiser] de volgende verklaring gestuurd naar mevrouw [X], met het verzoek deze door te sturen aan [Y], de Gemeente en de media.

“I have been hosting a show at Press TV since April 2008. I accepted the job after having asked and checked about the channel and the work's conditions. My own conditions (those I put) were to be free to tackle the topics I wanted and not to be pressured on any way. Since the very beginning, no one imposed on to me to tackle one specific issue or to avoid one other issue. I have been free. My programme is called "Islam and Life" and it has been a open window for me to address all sorts of issues (Islamic issues, interpretations, pluralism, violence, radicalisation, arts, etc.). Numerous viewers expressed their continuous content as to the substance of this show. I have invited rabbis, priests, atheists, agnostics, practicing and non practicing Muslims with neither limits nor censorship. This is were I stand as to my involvement and continuous commitment on freedom of expression.

My contract, from the very beginning, is with Press TV limited and the conditions of my involvement were and remain clear: I never spoke or dealt with anyone from the government While the controversy started in the UK, no one attacked me for my political position is clear and the substance of my programmes are representative of my open way to deal with dialogue. No violence no censorship in my work and many mainstream UK journalists are working at Press TV (such as [Z], awarded "best UK journalist in 2008") without facing such attacks.

As to my personal position towards Iran, the Iranian regime and what has happened during the last three months: I wrote and responded many times and clearly to interviews. My position is clear. I said, and I repeat here, that repression against and killing of civilian people cannot be accepted and must be condemned. I support transparent democratic process and I expect from the Iranian regime to respect this principle.

I want to be judged on these very facts and not on anything else. I am travelling now (in Mauritius) and shall be back in Europe in three weeks. I will check the facts, make my mind and take a decision when back in Europe : I shall do so as free mind, under no pressure and in a consistent way with my aforementioned principles."

De Gemeente heeft deze verklaring (hierna: de verklaring van 13 augustus 2009) op dezelfde dag ontvangen.

2.12. Op 14 augustus 2009 heeft mevrouw [A], hoofd van het sociale programma “Burgerschap en Identiteit” van de Gemeente, aan [eiser] ge-sms’t met het advies niet met de pers te praten.

2.13. In het weekend van 15 en 16 augustus 2009 had [eiser] een artikel voor NRC Handelsblad geschreven, dat op 18 augustus 2009 door de krant is gepubliceerd (hierna: het artikel van 18 augustus 2009). Hij had de tekst tevoren naar de Gemeente en de Universiteit gestuurd. De Gemeente had het artikel op 17 augustus 2009 ontvangen. In het artikel verdedigt [eiser] zich tegen de bewering dat hij banden zou hebben met het Iranese regime en schrijft hij het vanzelfsprekend te vinden dat hij het neerschieten van betogers en de onderdrukking na de verkiezingen van juni heeft veroordeeld; hij heeft pas besloten mee te werken aan Press TV na drie maanden zorgvuldige afweging en gesprekken met Iranese vrienden en mediadeskundigen, heeft geen verplichtingen geaccepteerd en is volledig vrij voor wat betreft te behandelen thema’s en uit te nodigen gasten. Hij is van plan alle benodigde tijd voor de juiste beslissing te nemen, en schrijft voorts:

“alle feiten moeten zorgvuldig worden afgewogen om te komen tot de optimale strategie ter ondersteuning van de lange mars in Iran naar transparantie en eerbied voor de mensenrechten. Heftige polemieken en oververhitte debatten zoals we die in het huidige Nederland zien, leiden nergens toe. Alvorens mijn gedragslijn te bepalen, wil ik mij eerst een afgerond beeld vormen.”

2.14. Per e-mail van 18 augustus 2009 aan [eiser] heeft mevrouw [B], beleidsadviseur van de Gemeente, een brief gedateerd 18 augustus 2009 van het College van Burgemeester en Wethouders aan [eiser] gestuurd. Een gelijkluidende brief, gedateerd 19 augustus 2010 is ondertekend door de secretaris en de burgemeester namens het College. De inhoud luidt:

“Dear Dr [eiser],

Very recently (on Wednesday, 12 August 2009), the Municipality of Rotterdam learned from a report in the media that you present a monthly discussion programme that focuses on Islam and everyday life on Press TV, an Iranian television channel.

Since 2007, under the appointment of the Municipality of Rotterdam, you have been making a contribution to the municipal social programme Citizenship and Identity, to which the "Financial Contract" applies, and more specifically Section B. Since the same date, on the invitation of the Erasmus University Rotterdam, you have occupied a visiting professorship in Citizenship and Identity at the university, for which the Municipality of Rotterdam makes a financial contribution. The associated monthly remuneration owed to you is paid to you directly by the municipality in accordance with Section A of the above-mentioned contract.

The presentation of your programme (Islam & Life) on the Iranian worldwide 24-hour news channel Press TV started in April 2008, and your participation in it has continued until the present. Press TV is financed by the Iranian government and has its head office in Tehran.

This state of affairs provoked a number of questions within the municipality and outside it. We found ourselves facing the question as to whether this was reconcilable with your contribution to the programme Citizenship and Identity, which is extremely important to the municipality.

Before going into this in more detail, we would like to note the following.

We have taken note of your view on the matter as laid out in your statement of 13 August and in an open letter that you sent to the NRC-Handelsblad and of which you sent a copy to our alderman for Participation, Culture and the Environment. We then made our deliberation in order to address the question posed to us, on which we will inform you below. We also consulted the Erasmus University Rotterdam (EUR) concerning the position that we should take, due to the interrelatedness of your work for both institutions, during which we came to the same conclusion.

After taking the facts into consideration and after the careful evaluation of what you have said yourself, we have come to the conclusion that your participation in this television programme detracts from your credibility in your further contribution for the city.

We are of the view that, in your decision to continue participating, you failed to sufficiently realise the feelings that participation in this television programme, which is supported by the Iranian government, might provoke in Rotterdam and beyond – apart from the contents of your contribution. This has become particularly acute, especially now that you have continued to participate in this programme even after the elections in Iran, when authorities there hard-handedly stifled the freedom of expression in that country, leading to outrage all over the world.

You thereby unintentionally created the impression that you are linked, whether directly or indirectly, to the repressive Iranian regime.

We are moreover of the view that the municipality and the EUR, as your main principals, should have been informed by you of the considerations that you indicate that you made before taking the job at Press TV.

At any rate, you should have consulted us concerning your intentions of participating and continuing to participate in this kind of programme. You should have realised how sensitive an issue your work for a channel financed by the Iranian state would become, given the worldwide outcry over the actions of the Iranian authorities after the elections, something that will not have escaped your attention.

Also, in your statements you are currently still silent as to your position concerning your contribution to Press TV.

Given the fact that you did not immediately and unambiguously end your relationship with Press TV on your own initiative, we cannot but conclude that there is no longer the essential public support for your contribution to the city and the university and that the credibility of your continued work for the city and the university has suffered lasting damage.

We would very much like to emphasize that to us your personal and academic integrity are not in any doubt. We very much regret this state of affairs, and therefore also their outcome, which has become unavoidable.

Given the nature of the circumstances and considerations outlined above, we are of the view that this matter concerns "fundamental considerations" in accordance with Section B, Article 6 of the Financial Contract, as a consideration for terminating the contract with you with a period of notice of two months, of which we hereby give you notice, in which the current month of August shall not be taken into account when determining the period of notice, which means that your contract will be terminated as of 1 November 2009. As we explained above that there is no longer sufficient public support for the continuation of your contribution to the municipal programme, you shall not be required to carry out any further duties related to this project.

The EUR has also decided to terminate your position as visiting professor. Based on this, we shall also terminate the remuneration for the visiting professorship in accordance with the provisions in Section A of the Financial Contract, with the same notice as we mentioned above.” (…).

2.15. De Gemeente heeft aldus de samenwerking met [eiser] beëindigd per 1 november 2009; zij heeft de betaling van de maandelijks aan [eiser] verschuldigde vergoedingen tot die datum voortgezet.

2.16. De Gemeente en de Universiteit hebben op 18 augustus 2009 het volgende persbericht uitgebracht:

“De gemeente Rotterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) hebben besloten de werkzaamheden van dr. [eiser] tussentijds te beëindigen. Zijn contract met de gemeente wordt verbroken en zijn gasthoogleraarschap Burgerschap en Identiteit bij de EUR wordt beëindigd. Tot dat oordeel zijn het College van B. en W. van Rotterdam en het College van Bestuur van de universiteit gekomen. De reden hiervoor is zijn betrokkenheid bij de Iraanse televisiezender Press TV, die onverenigbaar wordt geacht met zijn beide functies in Rotterdam.

[eiser] presenteert sinds enige tijd het televisieprogramma Islam & Life op Press TV. Press TV is een zender die wordt gefinancierd door de Iraanse regering. Het buitensporig geweld van deze regering tegen demonstranten waaronder veel studenten, in juni, was aanleiding voor een aantal journalisten om hun banden met deze zender te verbreken. [eiser] heeft er voor gekozen om dat niet te doen en heeft daarover inmiddels rekenschap gegeven in een verklaring.

Hoewel er geen twijfel bestaat over de persoonlijke inzet van [eiser], vinden beide Colleges deze indirecte relatie met dit repressieve regime, of zelfs de schijn daarmee geassocieerd te zijn, niet acceptabel. Zij zijn van oordeel dat professor [eiser] zich bij zijn besluit tot medewerking aan Press TV onvoldoende rekenschap heeft gegeven welke gevoelens dat in Rotterdam en daarbuiten kon oproepen. Dat klemt temeer omdat de medewerking is voortgezet ook toen na de verkiezingen in Iran de autoriteiten de vrijheid van meningsuiting in dat land zeer ernstig zijn gaan onderdrukken. Omdat [eiser] niet direct en uit eigen beweging de relatie met Press TV heeft verbroken, constateren de beide Colleges dat aan de inzet voor de stad en de universiteit het zo noodzakelijke draagvlak is komen te ontvallen en dat de werkzaamheden van professor [eiser] doorslaggevend aan geloofwaardigheid hebben ingeboet.

Het College van B. en W. en het College van Bestuur van de EUR betreuren het deze beslissing te moeten nemen. De afgelopen tweeënhalf jaar heeft professor [eiser] op een goede manier invulling gegeven aan zijn beide functies in Rotterdam. Zijn inzet wordt door zijn vele toehoorders en gespreksgenoten als stimulerend ervaren. Beide Colleges willen daarom benadrukken dat de genomen beslissing niets te maken heeft met het functioneren van [eiser] in Rotterdam.”

2.17. De Volkskrant heeft op 22 augustus 2009 een interview met wethouder [C] gepubliceerd, waarin deze ook op de kwestie ingaat.

3. De vordering

[eiser] heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente te veroordelen tot betaling van (I) € 71.548,-, althans een door de rechtbank vast te stellen deel van dit bedrag, terzake van materiële schadevergoeding, (II) € 10.000,- terzake van immateriële schadevergoeding, en (III) € 2.500,- (exclusief BTW) terzake van vergoeding van buitengerechtelijke kosten, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening, en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

Hij legt, samengevat, de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag.

3.1. Anders dan de Gemeente betoogt, is er geen sprake van “fundamental considerations” als bedoeld in artikel 6 van Contract 2009, die naar objectieve maatstaven opzegging van de overeenkomst kunnen rechtvaardigen. De overeenkomst is dus niet rechtsgeldig opgezegd. De Gemeente heeft dientengevolge wanprestatie jegens [eiser] gepleegd. Subsidiair heeft de Gemeente jegens [eiser] een onrechtmatige daad gepleegd. De tekortkoming dan wel onrechtmatige daad kunnen de Gemeente worden toegerekend. De Gemeente moet de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade aan hem vergoeden.

3.2. De Gemeente wist van meet af aan dat [eiser] diverse werkzaamheden verrichtte naast zijn werkzaamheden voor de Gemeente en de Universiteit. De Gemeente heeft nimmer van hem verlangd opgave te doen van zijn andere werkzaamheden. De Gemeente was op de hoogte van de werkzaamheden van [eiser] voor Press TV, althans moet geacht worden hiermee bekend te zijn geweest. Toen [eiser] in maart /april 2009 in opspraak was gekomen door uitspraken over homoseksualiteit en vrouwen, die ten onrechte aan hem werden toegeschreven, heeft de Gemeente zijn website bekeken. Via zijn website had [eiser] bekend gemaakt dat hij voor Press TV was gaan werken.

3.3. De uitzendingen van Press TV worden niet in Iran, maar in Londen opgenomen. [eiser] vervult zijn werkzaamheden voor Press TV in volledige vrijheid zonder enige invloed van de Iranese overheid of Press TV. [eiser] onderhoudt geen contact met (vertegenwoordigers) van de overheid van Iran.

3.4. [Y] heeft in het telefoongesprek van 13 augustus 2009 aan [eiser] bedenktijd gegeven. [eiser] heeft in de verklaring van 13 augustus 2009 medegedeeld (de voortzetting van) zijn werkzaamheden voor Press TV na terugkeer van zijn vakantie te zullen heroverwegen. Door de overeenkomst intussen op te zeggen heeft de Gemeente die bedenktijd en heroverweging doorkruist en [eiser] derhalve niet de gelegenheid geboden zijn werkzaamheden voor Press TV te staken.

In het telefoongesprek op 13 augustus 2009 heeft [Y] bovendien niet gezegd dat hij mede namens de Gemeente sprak en dat lag ook niet voor de hand.

3.5. De Gemeente had haar voornemen tot beëindiging van de samenwerking en de redenen daarvoor tevoren met [eiser] moeten bespreken. De Gemeente had [eiser] gewoon per telefoon kunnen bereiken. Hij werd in het weekend van 15 en 16 augustus 2009 ook telkens door journalisten gebeld.

3.6. De opzegging is gebaseerd op – onjuiste – veronderstellingen en is (mede) ingegeven door politieke motieven. De Gemeente had zich niet moeten laten leiden door geruchten en opinies van derden over de opvattingen van [eiser] en zijn werkzaamheden voor Press TV, maar zich hierover, na [eiser] persoonlijk te hebben gehoord, een eigen beeld moeten vormen en daarop haar besluit moeten baseren

3.7. Daarnaast is de reputatie van [eiser] door onrechtmatig handelen van de Gemeente beschadigd. De Gemeente heeft het onjuiste en negatieve beeld over [eiser] bevestigd door de overeenkomst op te zeggen en door de wijze waarop de Gemeente zich hierover en over de persoon van [eiser] in het openbaar heeft uitgelaten. De Gemeente heeft ten onrechte een beeld neergezet en bevestigd dat [eiser] banden zou hebben met de Iranese overheid en de handelswijze van de Iranese overheid zou goedkeuren.

3.8. De te vergoeden schade bestaat uit het loon dat [eiser] zou hebben ontvangen, indien de Gemeente de overeenkomst niet voortijdig had opgezegd, dus over de periode van 1 november 2009 tot 1 februari 2011, waarbij [eiser] aansluiting zoekt bij artikel 7:411 BW. Hij vordert betaling van het bedrag van € 71.548,-, althans een door de rechtbank naar redelijkheid vast te stellen deel hiervan.

[eiser] vordert het bedrag van € 10.000,- als immateriële schadevergoeding wegens het onrechtmatig handelen van de Gemeente.

Tot een bedrag van € 2.500,- moeten voorts de door [eiser] noodzakelijk gemaakte buitengerechtelijk kosten in redelijkheid voor rekening van de Gemeente komen.

4. Het verweer

Het verweer van de Gemeente strekt ertoe dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad.

4.1. De Gemeente heeft, kort samengevat, aangevoerd:

- dat zij niet eerder dan op 12 augustus 2009 bekend raakte met het optreden van [eiser] voor Press TV;

- dat zij de integriteit van [eiser] niet ter discussie heeft gesteld en ook niet heeft beweerd dat hij banden had met het regime in Iran;

- dat het verlies van maatschappelijk draagvlak voor de positie van [eiser] bij de Gemeente de reden voor de beëindiging was en dat dit, gezien zijn voor de Gemeente belangrijke maatschappelijke taak, voldoet aan het begrip “fundamental considerations”;

- dat zij voorafgaand aan het besluit van 18 augustus 2009 herhaaldelijk heeft geprobeerd in contact met [eiser] te komen, dat hij dit zelf afhield, maar intussen wel zijn verklaring van 13 en zijn artikel van 18 augustus 2009 stuurde;

- en dat uit die stukken bleek dat [eiser] geen reden zag om zijn werk voor Press TV op te geven en voorts dat hij de urgentie van de kwestie niet inzag, nu hij verklaarde pas over drie weken een definitieve beslissing te zullen nemen.

4.2. De Gemeente concludeert dat zij met inachtneming van de bepalingen van het contract heeft opgezegd, waarbij zij een iets langere dan de overeengekomen opzegtermijn in acht heeft genomen. Van wanprestatie of onrechtmatig handelen is geen sprake. De Gemeente is niet schadeplichtig.

5. De beoordeling

5.1. Het gaat in deze zaak om de vragen of de Gemeente schadeplichtig is geworden door de (wijze van) beëindiging van de in het Contract 2009 vastgelegde overeenkomst met [eiser] en of de Gemeente zich onrechtmatig heeft gedragen.

5.2. Nu partijen in verschillende staten woonachtig c.q. gevestigd zijn, dient de rechtbank eerst aan de hand van het verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna EVO; Trb. 1980, 156; rectificatie Trb. 1991, 109) te bepalen welk rechtsstelsel de rechtsverhouding tussen partijen beheerst. Omdat partijen in Contract 2009 een rechtskeuze hebben gedaan voor Nederlands recht, is ingevolge artikel 3 EVO dat rechtsstelsel van toepassing.

5.3. De in de hierboven onder 2.1 tot en met 2.4 weergegeven overeenkomst tussen partijen dient – ten tijde van de opzegging in augustus 2009 – te worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in de artikelen 7:400 e.v. BW, met een bepaalde duur, en wel tot 1 februari 2011 (Contract 2009).

5.4. Ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever een overeenkomst van opdracht in beginsel te allen tijde opzeggen. Echter, partijen kunnen van die wettelijke regeling afwijken. Partijen zijn in artikel 6 van Contract 2009 – aangehaald onder 2.4 hierboven - rechtsgeldig afgeweken van de wettelijke regeling inzake opzegging door te bepalen dat de overeenkomst tussentijds kan worden beëindigd indien er bij de Gemeente sprake is van “fundamental considerations” voor beëindiging, en dat dan een opzegtermijn van twee maanden in acht moest worden genomen.

Tussen partijen is geen geschil over de inachtneming van de opzegtermijn. In geschil is of er al dan niet sprake was van “fundamental considerations” en of de Gemeente de overeenkomst op de juiste wijze heeft beëindigd.

5.5. Partijen hebben ter comparitie verklaard dat de beëindigingregeling van artikel 6 - en dus ook de inhoud van het begrip “fundamental considerations” - bij de totstandkoming van hun overeenkomst geen onderwerp van gesprek zijn geweest. De Gemeente heeft de term opgenomen in het door haar opgestelde contract en [eiser] heeft met het contract ingestemd. Tijdens de comparitie is namens [eiser] verklaard dat hij het begrip opvat als “zwaarwegende omstandigheden”. Namens de Gemeente Rotterdam is dat niet weersproken. De Gemeente heeft gesproken van “fundamentele overwegingen, overwegingen die de basis raken”. Deze begrippen sluiten zo nauw bij elkaar en bij het algemene spraakgebruik aan dat in deze procedure ter beoordeling staat of er sprake was van “zwaarwegende omstandigheden”.

5.6. De Gemeente heeft onbetwist gesteld dat er medio augustus 2009 publiekelijk ophef was rond de medewerking van [eiser] aan de televisiezender Press TV. Die ophef blijkt ook uit het bericht op de website van Scienceguide, de Kamervragen en de belangstelling van de pers. Dat [eiser] met de ophef bekend was volgt onder meer uit de telefonische mededelingen van [Y] op 13 augustus, de sms van mevrouw [A] op 14 augustus en uit de verklaring van 13 augustus en het artikel van 18 augustus 2009 van [eiser] zelf.

5.7. Het was, gezien het vorenstaande, voor [eiser] kenbaar dat het probleem – zijn medewerking aan Press TV - in elk geval voor de Gemeente urgent was en dat niet alleen hij, maar ook de Gemeente onder vuur lag. Het moet [eiser] ook duidelijk zijn geweest dat deze commotie rond zijn persoon een ernstige belemmering vormde voor de uitvoering van zijn opdracht, juist omdat die bestond uit het bevorderen van dialogen en het bouwen van bruggen tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

5.8. Gegeven de in maart-april 2009 over [eiser] en zijn samenwerking met de Gemeente gerezen ophef – wat er ook zij van de juistheid van de bij die ophef aan [eiser] verweten gedragingen – mocht de Gemeente van hem verwachten dat hij het belang en de urgentie inzag van de opnieuw ontstane ophef over hem en over die samenwerking.

5.9. [eiser] heeft, echter, zo blijkt uit zijn verklaring van 13 augustus en zijn artikel van 18 augustus 2009, er blijk van gegeven de urgentie van de kwestie voor de Gemeente niet in te zien. [eiser] heeft immers enerzijds zijn positie bij Press TV ferm, ook in het openbaar, verdedigd en anderzijds in zijn verklaring daaraan toegevoegd dat hij niet eerder dan na drie weken definitief zou beslissen. Uit dat door hem verlangde uitstel kon de Gemeente redelijkerwijs afleiden dat [eiser] op korte termijn geen actie zou ondernemen, zodat het probleem niet zou worden opgelost. De maatschappelijke onrust en de reacties van [eiser] tezamen genomen vormden voor de Gemeente een zwaarwegende omstandigheid om de overeenkomst met hem te beëindigen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van de aanwezigheid van “fundamental considerations”.

5.10. Door onder deze omstandigheden de overeenkomst met inachtneming van (meer dan) de bedongen opzegtermijn van twee maanden op te zeggen heeft de Gemeente het Contract 2009 op regelmatige wijze beëindigd per 1 november 2009 . Daarom vormt de opzegging geen grond voor toekenning van schadevergoeding.

5.11. De redelijkheid en de billijkheid die bij de uitvoering van overeenkomsten in acht moeten worden genomen, kunnen meebrengen dat - ondanks de regelmatige beëindiging van de overeenkomst - de wijze van opzegging of de begeleidende omstandigheden de Gemeente toch schadeplichtig maken. Daarom moet worden beoordeeld of hiervan sprake is.

5.12. In dit verband is de stelling van [eiser] van belang dat de Gemeente hem niet eerst heeft gehoord over haar voornemen om het contract te beëindigen en hem niet de gelegenheid heeft geboden zijn werk voor Press TV te staken. De Gemeente heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat [eiser] zich voor de Gemeente onbereikbaar hield.

Wat er ook zij van de vraag of de Gemeente [eiser] wel of niet de gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord, [eiser] heeft door middel van de onder andere aan de Gemeente gerichte verklaring van 13 augustus 2009 en zijn op 17 augustus 2009 voorafgaand aan de publicatie aan de Gemeente gezonden artikel van 18 augustus 2009 zijn standpunt duidelijk kenbaar gemaakt. Onder de gegeven omstandigheden kon de Gemeente uit die stukken redelijkerwijs opmaken dat er in elk geval op korte termijn geen ander standpunt van [eiser] ten aanzien van zijn werkzaamheden voor Press TV te verwachten viel. Weliswaar staat in de verklaring van 13 augustus en het artikel van 18 augustus 2009 niet met zoveel woorden dat [eiser] besefte dat zijn contract met de Gemeente wegens de ontstane ophef zou kunnen worden beëindigd, maar hij had – zoals hiervoor overwogen - gezien de ophef moeten beseffen dat dat tot de mogelijkheden behoorde bij het uitblijven van een oplossing op korte termijn. Daarom levert de omstandigheid dat de Gemeente [eiser] geen specifieke gelegenheid heeft geboden zijn standpunt kenbaar te maken geen grond voor schadevergoeding door de Gemeente op.

5.13. [eiser] verwijt de Gemeente voorts dat zij het Contract 2009 al opzegde, terwijl zij hem bij monde van [Y] bedenktijd had gegeven zodat hij niet meteen behoefde te beslissen. De Gemeente bestrijdt dat namens haar aan [eiser] meer dan korte bedenktijd is gegund.

Dit verwijt van [eiser] stuit af op zijn eigen stelling dat [Y] bij het telefoongesprek van 13 augustus 2009 niet namens de Gemeente sprak. In die visie kon [eiser] uit de door [Y] gegeven bedenktijd niet afleiden dat hij (niet alleen ten opzichte van de Universiteit, maar ook jegens) de Gemeente de door hem bedoelde bedenktijd van enkele weken had. Daarom kan in het midden blijven of [Y] bij dat telefoongesprek een langere of kortere bedenktijd had toegestaan.

5.14. Als verdere omstandigheid die tot schadeplichtigheid zou kunnen leiden, heeft [eiser] gewezen op de wijze waarop de Gemeente haar besluit tot opzegging van het Contract 2009 in de openbaarheid heeft gebracht. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.

[eiser] heeft niet gespecificeerd welke uitlatingen van de Gemeente de toets van de redelijkheid niet kunnen doorstaan.

Het persbericht van 18 augustus 2009 bevat geen onheuse of krenkende uitlatingen. Evenmin komen deze voor in de andere perspublicaties, waaronder het interview in de Volkskrant van 22 augustus 2009 met wethouder [C]. Ook de wijze van openbaar maken van het einde van de samenwerking levert dus geen omstandigheid op die leidt tot schadeplichtigheid van de Gemeente.

5.15. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die, los van de contractuele relatie tussen partijen, een onrechtmatige daad van de Gemeente vormen, zodat de Gemeente ook uit dien hoofde niet aansprakelijk is voor schade van [eiser].

5.16. Nu er geen sprake is van schadeplichtigheid van de Gemeente, zullen de vorderingen worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht 1.850,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.638,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiser] in de aan de zijde van de Gemeente gevallen proceskosten, tot op heden begroot op EUR 3.638,00;

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L.J. Sarlemijn, A.F.L. Geerdes en W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken.

1624/676/1928?