Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
333490 / HA ZA 09-1735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen schending "ne bis in idem"-beginsel; geen misbruik van procesrecht; reisovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 333490 / HA ZA 09-1735

Vonnis van 23 juni 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1]

2. [eiser sub 2]

beiden wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. R. Zwiers,

tegen

[gedaagde]

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A. Apistola.

Eisers worden hierna afzonderlijk aangeduid als "[eiser sub 1]" en "[eiser sub 2]" en gezamenlijk als "[eisers]" Gedaagde wordt hierna aangeduid als "[gedaagde]".

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 18 juni 2009 en de daarbij overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. [eisers] hebben begin 2005 deelgenomen aan een bedevaartsreis naar Saoedi-Arabië. Tijdens deze reis heeft op 9 januari 2005 een ongeval plaatsgevonden met een bus (touringcar) als gevolg waarvan een groot aantal passagiers, waaronder [eisers], gewond is geraakt. [eisers] zijn in verband met hun verwondingen opgenomen geweest in een ziekenhuis in Saoedi-Arabië. Het rechter onderbeen van [eiser sub 2] is toen geamputeerd.

2.2. [eisers] hebben bij brief van 3 maart 2008 [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade ten gevolge van het busongeval.

2.3. De rechtbank te Medina, Saoedi-Arabië, heeft op 31 maart 2009 vonnis gewezen in de zaak met nummer 3011874 tussen [eiser sub 2] als eiseres en [X] als gedaagde. In de door Tolk- en Vertaalcentrum Nederland in het Nederlands vertaalde van dit vonnis opgemaakte akte d.d. 31 maart 2009 is [gedaagde] als wettelijk gemachtigde van [eiser sub 2] vermeld. In de akte is voorts, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"De gemachtigde van eiseres stelde dat er op 28 – 12 – 1425 AH [= 8 – 2 – 2005] een ongeval had plaatsgevonden, waarbij een [bus] die in eigendom van het bedrijf [X] was, over de kop sloeg. Als gevolg van dit ongeval moest bij zijn cliënte [Y] een been geamputeerd worden;

aangezien de aansprakelijkheid van de veroorzaker van het ongeval, te weten de bestuurder […], overgenomen is door het genoemde bedrijf, en de bestuurder inmiddels uit het Koninkrijk vertrokken is naar zijn eigen land en niet meer is teruggekeerd, verzoek ik tegen het bedrijf vonnis te wijzen tot schadevergoeding voor de onrechtmatige daad, tot een bedrag van zeven en twintig duizend riyal. Tot zover mijn vordering.

Nadat dit was voorgelegd aan de gemachtigde van de gedaagde, bevestigde deze de vordering van de eiser geheel en al en verklaarde dat het bedrijf er geen bezwaar tegen had om aan de door haar gemachtigde vertegenwoordigde eiseres door dit gevorderde bedrag van zeven en twintig duizend riyal als vergoeding voor het letsel uit te keren. Tot zover mijn repliek.

Op grond van bovenstaande vordering en repliek wijs ik derhalve vonnis tot bekrachtiging van [de intentie van] het bij monde van zijn gemachtigde als gedaagde verschijnende bedrijf tot voldoening van het bedrag van zeven en twintig duidend als schadevergoeding voor het door de eiseres geleden letsel. Hiermee wordt het geding geacht te zijn beëindigd. Beide partijen verklaarden zich hierin te kunnen vinden."

2.4. In verband met voornoemd vonnis heeft [eiser sub 2] – via [gedaagde] – een bedrag van 27.000,-- Saudi Riyal ontvangen.

2.5. [eisers] hebben in verband met de bedevaartsreis een bedrag van € 4.500,-- aan

[gedaagde] betaald.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 25.010,--, althans een nog nader bij staat vast te stellen bedrag, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [eisers] hebben hieraan het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] is als reisorganisator jegens [eisers] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten reisovereenkomst. [gedaagde] heeft voor de door hem georganiseerde bedevaartsreis naar Saoedi-Arabië, waaraan [eisers] hebben deelgenomen, geen reisverzekering afgesloten. [gedaagde] heeft de volledige reis, de vlieg¬tickets en het vervoer alsmede de noodzakelijke inentingen verzorgd. [gedaagde] is als reisorgani¬sator en vervoerder gedurende de reis verantwoordelijk voor het op zorgvuldige wijze vervoeren van de deelnemers aan die reis. [gedaagde] heeft derden, kennelijk [X] Transport, ingehuurd althans doen inhuren voor het vervoer ter plaatse. Tijdens dat vervoer heeft het onderhavige busongeval zich voorge¬daan. Door geen verzekering af te willen sluiten, heeft [gedaagde] willens en wetens de kans aanvaard dat hij door de deelnemers aan de reis zou worden aangesproken ingeval van schade. Door aldus te handelen heeft [gedaagde] tevens onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld. Aangezien [gedaagde] zich niet heeft verzekerd voor de tijdens de door hem georganiseerde reis ontstane schade, dient die schade door hem te worden vergoed.

[eisers] hebben beiden als gevolg van het ongeval zowel materiële als immateriële schade geleden. De schadevergoeding die [eisers] in verband met het sub 2.3 weergegeven vonnis van [X] Transport hebben ontvangen, betreft slechts een deel van de schade (circa € 4.600,--). Dit vonnis is niet bindend aangezien de aan [gedaagde] gegeven machtiging ten tijde van het uitspreken van dat vonnis reeds was ingetrokken.

Doordat [gedaagde] geen informatie heeft willen verstrekken aangaande de in Saoedi-Arabië aanhangige procedure, hebben [eisers] zich genoodzaakt gezien hun vordering bij deze rechtbank aanhangig te maken.

3.3. [gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

[eisers] hebben hun vordering tot schadevergoeding reeds aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Medina, Saoedi-Arabië. Gelet op het sub 2.3 weergegeven vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarin [eisers] hebben berust, staat het [eisers] niet meer vrij eenzelfde vordering aangaande dezelfde feiten bij deze rechtbank in te stellen. Mede gelet op het ne bis in idem-beginsel levert zulks misbruik van procesrecht op.

Nu [eisers] reeds hebben geprocedeerd tegen de partij die aansprakelijk is voor het ongeval en zij de daarbij door de rechtbank vastge¬stel¬de schadevergoeding hebben ontvangen, hebben zij geen recht en belang meer bij de onder¬havige vordering. In ieder geval dient bij de beoordeling met deze vastgestelde schadever¬goeding rekening te worden gehouden.

Er is sprake van rechtsverwerking. [eisers] hebben immers het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij hun aanspraak jegens [gedaagde] niet (meer) geldend zouden maken.

[gedaagde] zou onredelijk in zijn positie worden benadeeld indien [eisers] hun aanspraak alsnog geldend zouden maken.

Van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] is geen sprake. Van een tussen partijen gesloten (reis)overeenkomst is niet gebleken. Voor zover er sprake zou zijn van een dergelijke overeenkomst, geldt dat deze niet nader is bepaald en dat [gedaagde] op grond daarvan niet schadeplichtig is. [gedaagde] heeft evenmin onrecht¬matig jegens [eisers] gehandeld. Op [gedaagde] rustte geen verplichting om zich te verzekeren. Het niet afsluiten van een (aansprakelijkheids)verzekering levert geen onrechtmatige daad op. Bovendien hebben [eisers] zelf lichtvaardig gehandeld door geen verzekering af te sluiten.

Betwist wordt dat [eisers] niet geïnformeerd is omtrent de (uitkomst van de) in Saoedi-Arabië gevoerde procedure. Ten slotte wordt de (hoogte van de) gevorderde schade betwist.

4. De beoordeling

4.1. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te betogen dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn op basis van het "Ne bis in idem"-beginsel, faalt dit betoog. Genoemd beginsel houdt in een verbod om tegenover dezelfde wederpartij een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking in te stellen. In tegenstelling tot in het strafrecht bestaat in het Nederlandse rechtssysteem ten aanzien van civiele zaken geen algemeen "Ne bis in idem"-beginsel; uitgangspunt is dat schending van dit beginsel in een burgerlijk geschil geen grond is die kan leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het instellen van een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking tegenover dezelfde wederpartij kan wel leiden tot de conclusie dat sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvan is, zoals hierna zal worden besproken, geen sprake.

4.2. De in verband met het onderhavige busongeval bij de rechtbank te Medina, Saoedi-Arabië, gevoerde procedure was niet tegen [gedaagde] maar jegens [X] aanhangig gemaakt. [eiser sub 1] was geen eisende partij in die procedure. De in die procedure door [eiser sub 2] ingestelde vordering was gegrond op onrechtmatig handelen van [X].

Hieruit volgt dat hetgeen ter beoorde¬ling voorlag aan de rechtbank te Medina, namelijk aansprakelijkheid van [X] op grond van onrechtmatig handelen, iets anders is dan de thans voorliggende rechtsvraag, namelijk of [gedaagde] op grond van wanprestatie en/of onrechtma¬tige daad aansprakelijk is voor de door [eisers] als gevolg van het busongeval geleden schade. Van een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking tegenover dezelfde wederpartij is derhalve geen sprake. Dat in beide procedures mogelijk dezelfde stellingen aan de orde komen en getoetst worden, levert (op zichzelf) geen strijd op met de goede procesorde.

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te betogen dat het sub 2.3 weergegeven vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en er aldus aan in de weg staat dat [eisers] in de onder¬havige procedure schadevergoeding vorderen, gaat dit verweer evenmin op. Van het in kracht van gewijsde gaan van dat vonnis ten aanzien van een recht op schadevergoeding van [eisers] jegens [gedaagde] kan hoe dan ook geen sprake zijn, nu, zoals uit het voorgaande volgt, [eiser sub 1] en [gedaagde] bij die procedure geen partij waren.

Uit het vorenstaande volgt dat [eisers] zich tot de civiele rechter kunnen wenden voor de beoordeling van de vraag of en zo ja in hoeverre jegens [gedaagde] recht bestaat op schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie en/of onrechtmatige daad.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat [eisers] geen recht en belang (meer) hebben bij de onder¬havige vordering. Het enkele feit dat reeds door [eiser sub 2] in verband met het busongeval een procedure is gevoerd en dat zij in het kader daarvan een schadevergoeding van [X] heeft ontvangen, is daarvoor onvoldoende. Die feiten laten immers onverlet dat [eiser sub 2] terzake haar niet vergoede schade een andere partij in rechte kan betrekken. Het is immers niet ondenkbaar dat indien zich een verkeersongeval voordoet meerdere partijen aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade. Voorts heeft [gedaagde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [eiser sub 1] geen recht en belang (meer) heeft bij zijn vordering. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [eiser sub 1] terzake de door hem geleden schade reeds schadeloos is gesteld.

4.4. Terzake het door [gedaagde] gedane beroep op rechtsverwerking overweegt de rechtbank het volgende.

Uitgangspunt dient te zijn dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht

(NJ 1991/708). Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schulde¬naar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (NJ 1996/89). Een enkel stilzitten door de schuldeiser is onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking (NJ 1997/153).

4.5. [gedaagde] heeft aan het beroep op rechtsverwerking ten grondslag gelegd dat [eisers] in de periode na het ongeval in 2005 tot en met 2008 niet hebben laten blijken dat zij hem aansprakelijk achten, dat hij zulks ook nimmer uit hun houding en de gevoerde correspondentie heeft kunnen opmaken, dat – integendeel – [eisers] hem hebben verzocht om hen terzake het busongeval bij te staan en dat zulks geresulteerd heeft in een veroordelende uitspraak jegens [X]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] hiermee onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld. De enkele omstandigheid dat [eisers] eerst drie jaar na het busongeval – bij brief van 3 maart 2008 – [gedaagde] aansprakelijk hebben gesteld, betekent (nog) niet dat [gedaagde] tot dat moment er vanuit mocht gaan dat [eisers] hun aanspraak niet (meer) geldend zouden maken. Het feit dat [gedaagde] als gemachtigde van [eiser sub 2] is opgetreden in de jegens [X] aanhangig gemaakte procedure en dat die procedure ertoe heeft geleid dat [X] veroordeeld is tot betaling van een geldsom aan [eiser sub 2], doen hieraan niet af. Dat [gedaagde] vanwege de aan hem verleende machtiging er vanuit is gegaan dat hij buiten schot zou blijven, moge wellicht zo zijn, doch dat betekent nog niet dat hij erop mocht vertrouwen dat [eisers] hun aanspraak jegens hem niet (alsnog) geldend zouden maken. Door [gedaagde] zijn verder geen bijzondere omstandig¬heden gesteld waaruit dat kan worden afgeleid. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [eisers] jegens [gedaagde] afstand hebben gedaan van hun vorderingsrecht.

Voorts heeft [gedaagde] zijn stelling dat hij onrede¬lijk in zijn positie zou worden benadeeld indien [eisers] hun aanspraak alsnog geldend zouden maken, niet onderbouwd. Derhalve gaat de rechtbank aan die stelling voorbij.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep op rechtsverwer¬king moet worden verworpen.

4.6. Ter beoordeling ligt (primair) de vraag voor of [gedaagde] jegens [eisers] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Tussen partijen is allereerst in geschil of de door [eisers] en [gedaagde] gesloten overeenkomst gekwalificeerd dient te worden als een reisovereenkomst in de zin van artikel 7:500 BW. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Krachtens artikel 7:500 lid 1 sub b BW wordt onder een reisovereenkomst verstaan:

"de overeenkomst waarbij een reisorganisator zich jegens zijn wederpartij verbindt tot het verschaffen van een door hem aangeboden van te voren georganiseerde reis die een overnachting of een periode van meer dan 24 uren omvat alsmede ten minste twee van de volgende diensten: 1. vervoer, 2. verblijf, 3. een andere niet met vervoer of verblijf verband houdende, toeristische dienst die een significant deel van de reis uitmaakt."

[eisers] hebben gesteld dat [gedaagde] terzake de reis waaraan zij hebben deelgenomen een reisorganisator is. [gedaagde] heeft die stelling niet, althans onvoldoende, weersproken. Derhalve gaat de rechtbank er vanuit dat [gedaagde] terzake de bedevaartsreis reisorganisator is als bedoeld in voornoemd artikel. Niet in geschil is dat [gedaagde] in ieder geval twee van de in het artikel vermelde diensten heeft verleend, te weten vervoer en verblijf. [eisers] hebben immers onweersproken gesteld en aan de hand van bescheiden onderbouwd dat [gedaagde] de vliegtickets naar Saoedi-Arabië heeft geregeld. Voorts kan uit de door [eisers] als productie 13 bij conclusie van repliek overgelegde advertentie van Salsabil Travel, waarin de reis door [gedaagde] wordt aangeboden, worden afgeleid dat het verblijf ter plaatse (hotel in Madina en Makka en tenten in Minan) onderdeel uitmaakte van de reis.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tussen [eisers] en [gedaagde] gesloten

overeen¬komst gekwalificeerd dient te worden als een reisovereenkomst in de zin van artikel 7:500 BW en derhalve titel 7A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op deze overeen¬komst van toepassing is.

4.7. Uit de stellingen van [eisers] leidt de rechtbank af dat zij zich op het standpunt stellen dat het vervoer ter plaatse eveneens onderdeel uitmaakte van de door [gedaagde] georga¬ni¬¬seerde reis. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] kennelijk [X] ingehuurd, althans doen inhuren, voor het vervoer per bus ter plaatse.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het bus¬vervoer waarvan [eisers] ter plaatse gebruik hebben gemaakt geen onderdeel is van de gemaakte reisafspraken en dat zulks ook niet uit de door [eisers] als productie 13 bij conclusie van repliek overgelegde factuur blijkt. Volgens [gedaagde] hebben de deelnemers aan de reis een eigen keuze voor vervoer gemaakt die in het kader van de bedevaart werd geregeld door de overheid van Saoedi-Arabië.

4.8. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de door [eisers] als producties 13 bij conclusie van repliek overgelegde bescheiden niet worden afgeleid dat ook het vervoer ter plaatse onderdeel uitmaakte van de door [gedaagde] georgani¬seerde reis. De factuur d.d.

6 december 2004 van [gedaagde] vermeldt slechts de reissom (€ 4.500,-- voor 2 personen) en "Bedevaart (Hadj) 2005". Daarin is niets vermeld over het vervoer ter plaatse.

In de advertentie waarin de betreffende reis door [gedaagde] werd aangeboden (productie 13 conclusie van repliek) is de reissom vermeld (afhankelijk van het kamertype € 2.250,-- of

€ 2.350,-- per persoon) alsmede de reisperiode (van 5 januari 2005 tot en met 29 januari 2005). Voorts is daarin vermeld wat bij de reis is inbegrepen (faciliteiten om Hadj en Oemra te verrichten, vlucht met Syrian Airlines naar Madina, hotel in Madina, hotel in Makka, tenten in Minan en Mazaraat in Madina en in Makka). Niet duidelijk is wat concreet wordt aangeboden met het onderdeel "Zoveel mogelijk faciliteiten om Hadj en Oemra goed te verrichten". Welke faciliteiten worden daarmee bedoeld en valt het vervoer ter plaatse daaronder? Voorts is niet duidelijk of de reis die in deze advertentie wordt aangeboden overeenstemt met de reis die [eisers] bij [gedaagde] hebben geboekt.

Uit de overige door [eisers] in het geding gebrachte bescheiden valt evenmin af te leiden dat het vervoer ter plaatse door [gedaagde] zou worden geregeld. De als productie 1 bij dagvaarding overgelegde overeenkomst is gesloten tussen [gedaagde] en de in Mekka gevestigde Algemene Vakbond van Automobielen. Het is de rechtbank niet duidelijk of deze overeen¬komst (mede) ten behoeve van de door [eisers] geboekte reis is gesloten en zo ja op welk onderdeel van die reis die overeenkomst van toepassing is.

Voorts kan uit de stellingen van partijen en de daarbij overgelegde stukken niet worden afgeleid hoe de onderhavige reisovereenkomst tot stand is gekomen en wat in dat kader door partijen is afgesproken. Is daarbij gesproken over (de uitvoering van) het vervoer ter plaatse? Voorts is niet duidelijk of de tussen partijen gemaakte afspraken in een schriftelijke overeenkomst zijn vastgelegd, wat de inhoud daarvan is, onder welke (algemene) voorwaar¬den de reisovereenkomst is aangegaan en wat bij de reis was inbegrepen. Verder is niet duidelijk door wie en op welke wijze het (bus)vervoer ter plaatse werd geregeld, of [eisers] ter plaatse voor het busvervoer hebben betaald of dat het bij de reissom was inbegrepen, van welke busmaat¬schap¬pij de bus afkomstig was en of gedurende de reis steeds van dezelf¬de bus(maatschappij) gebruik is gemaakt. Daarnaast is niets gesteld omtrent de oorzaak (bijv. technisch mankement of verkeersfout) en de toedracht van het buson¬ge¬val en of daarbij, naast [eisers], passagiers betrokken waren die ook deelnamen aan de door [gedaagde] georganiseerde bedevaartsreis.

4.9. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] dat het vervoer ter plaatse bij de door hem georganiseerde reis was inbegrepen, is het in beginsel aan [eisers] feiten en omstandig¬heden te bewijzen waaruit dat kan worden afgeleid. Eerst indien [eisers] in dat bewijs slagen, komt de mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] voor het aan [eisers] overkomen bus¬onge¬val in beeld omdat alleen in dat geval [gedaagde] verantwoordelijk is voor eventuele gedragingen van de door hem ingeschakelde busmaatschappij. Immers, de bus¬maat¬¬schappij is in dat geval in het kader van de uitvoering van het vervoer ter plaatse opgetreden als hulppersoon van [gedaagde], zodat laatstgenoemde voor de gedragingen van de busmaatschappij op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is.

Alvorens [eisers] tot bewijslevering toe te laten, zal de rechtbank, gelet ook op het bij conclusie van repliek gedane verzoek daartoe van [eisers], een comparitie van partijen gelasten teneinde [eisers] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag hoe zij dit bewijs wensen te leveren en de volgende onderwerpen met partijen te bespreken:

- de hiervoor onder 4.8 besproken onderwerpen;

- de (hoogte van de) gevorderde schade;

- het beproeven van een regeling in der minne;

- de verdere procesgang.

4.10. Alle bescheiden waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen, dienen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.

4.11. In verband met het sub 4.9 overwogene houdt de rechtbank iedere (verdere) beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank,

beveelt partijen vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. S.C.C. Hes-Bakkeren op 13 september 2010 van 11.00 tot 12.30 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen met betrekking tot de sub 4.8 besproken onderwerpen;

beveelt dat partijen de sub 4.10 bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank – sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam – en aan de wederpartij zullen toezenden;

houdt iedere (verdere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en in het openbaar uitgesproken op

23 juni 2010.?