Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3400

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
10/630122-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onder meer is bewezen dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd, nadat hij het slachtoffer een bewustzijnsverminderende stof had toegediend. Door de deskundige is vastgesteld dat het GHB-gehalte in een deel van het haar van het slachtoffer, dat past bij de tenlastegelegde periode, significant is verhoogd. Vrijspraak van verkrachting, nu niet bewezen is dat verdachte zijn tong ín de vagina van het slachtoffer heeft gestoken.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wet op de economische delicten 1
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 246
Wetboek van Strafrecht 420bis
Geneesmiddelenwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/630122-09

Datum uitspraak: 27 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats],

[adres]

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

1. primair [naam slachtoffer] heeft verkracht, subsidiair seks heeft gehad met die [naam slachtoffer] terwijl zij in staat van lichamelijke onmacht verkeerde, meer subsidiair die [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, meest subsidiair ontucht heeft gepleegd bij die [naam slachtoffer] terwijl zij in staat van lichamelijke onmacht verkeerde;

3. samen met anderen heroïne in bezit heeft gehad;

4. samen met anderen mCPP in bezit heeft gehad;

5. een geldbedrag heeft witgewassen;

6. in het bezit is geweest van een vals of vervalst identiteitsbewijs en een vals of vervalst rijbewijs.

Het feit dat op de inleidende dagvaarding onder 2 is tenlastegelegd, is ter terechtzitting op de voet van artikel 285, derde lid, Sv afgesplitst.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest

- verbeurdverklaring van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

MOTIVERING VRIJSPRAKEN

Ten aanzien van feit 1 primair

De tenlastelegging noemt als handelingen die aangeefster [naam slachtoffer] hebben gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam:

- het (in de auto) meenemen van [naam slachtoffer] en/of

- het uittrekken van de broek en/of slip van [naam slachtoffer].

Het meenemen van aangeefster (in een auto) en/of het uittrekken van de broek en/of slip van aangeefster leveren naar het oordeel van de rechtbank geen feitelijkheden op waardoor aangeefster zich gedwongen heeft kunnen voelen om zich de gewraakte seksuele handelingen te laten welgevallen, ook niet wanneer deze omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien. Evenmin kunnen zij worden gezien als geweld of bedreiging daarmee. Doordat de tenlastelegging is beperkt tot genoemde handelingen kan het reeds om die reden niet tot een veroordeling komen ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan – anders dan door de officier van justitie is gevorderd - moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Ten aanzien van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het brengen van de penis in de vagina van aangeefster overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft bij de politie op 12 april 2009 verklaard dat zij voelde dat er “een hard iets” bij haar vagina kwam, “vermoedelijk zijn penis”, en dat verdachte daarmee bij het stukje kwam vlak voor de ingang van haar vagina, maar dat zij niet weet of verdachte verder is gegaan. Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat zij “iets hards en nats” heeft gevoeld en dat zij dacht dat het de penis van verdachte was, dat zij vanaf dat moment niet meer weer wat er is gebeurd en dat zij niet weet of hij met zijn penis in haar is geweest. De verdachte heeft verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij zijn penis bij de ingang van de vagina van aangeefster heeft gebracht, dat aangeefster haar slip toen aanhad en dat aangeefster “nee” zei, waarna hij niet verder is gegaan. Bij een DNA-onderzoek van de slip van aangeefster is aan de binnen- en buitenzijde van het kruis van die slip sperma aangetroffen, waarbij de kans dat deze spermacellen niet afkomstig zijn van verdachte kleiner is dan één op één miljard.

Hoewel op grond hiervan kan worden vastgesteld dat verdachte zijn penis in ieder geval in de buurt van de vagina van aangeefster heeft gebracht, is voor de rechtbank – mede gezien haar verklaring - niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte zijn penis daadwerkelijk ín de vagina van aangeefster heeft gebracht. Immers, niet kan worden uitgesloten, zoals de raadsman van verdachte heeft betoogd, dat de in de slip van aangeefster aangetroffen spermacellen voorvocht betreft, op de slip van aangeefster terechtgekomen toen verdachte zijn penis bij de ingang van haar vagina bracht.

Ten aanzien van het tenlastegelegde brengen van de tong in de vagina van aangeefster overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft bij de politie op 12 april 2009 verklaard dat verdachte haar heeft gebeft, en dat zij heeft gevoeld dat verdachte met zijn tong aan het likken was aan haar vagina, waarbij zij opmerkt dat zij niet weet of hij met zijn tong ín haar vagina is geweest. Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster in dit verband opgemerkt: “Hij heeft me gewoon gebeft en dat is mijn zijn tong naar binnen. Aan mijn vagina is voor mij ook naar binnen gaan. Hij is daar naar binnen gegaan. Zo heb ik ook voor mezelf opgeschreven dat hij me gebeft heeft.” Bij een DNA-onderzoek van de slip van aangeefster is aan de binnen- en buitenzijde van het kruis van die slip een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel, waarbij de kans dat het bij één bemonstering aan de buitenzijde van het kruis aangetroffen celmateriaal niet afkomstig is van verdachte kleiner is dan één op één miljard.

Hieruit volgt dat hooguit kan worden vastgesteld dat verdachte de vagina van aangeefster heeft gelikt, maar op basis van deze bewijsmiddelen is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte zijn tong ook in de vagina van aangeefster heeft gebracht. Voor zover, zoals de officier van justitie in zijn requisitoir heeft betoogd, uit het arrest van de Hoge Raad van 18 mei 2010 (LJN: BK6910) in algemene zin al zou kunnen worden afgeleid dat het likken van de vagina seksueel binnendringen is, snijdt dat betoog ten aanzien van het als feit 1 subsidiair tenlastegelegde geen hout. Immers, niet ten laste is gelegd het likken van de vagina, maar het brengen van de tong in de vagina. Door de tenlastelegging op dit punt hiertoe te beperken, kan het niet tot een veroordeling komen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

Inleiding

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, welke in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen, gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

Verdachte is samen met aangeefster op 5 april 2009 wat gaan drinken in café Bergweg in Rotterdam. Aangeefster heeft daar in gezelschap van de verdachte drie Grand Marnier gedronken. Op enig moment heeft aangeefster tegen verdachte gezegd dat zij zich niet lekker voelde en naar huis wilde. Verdachte heeft haar toen met de auto naar het huis van zijn vader [adres] te Rotterdam gereden. Aangeefster is daar op bed gaan liggen. Verdachte heeft aangeefster op haar mond gezoend en haar borsten gestreeld en gelikt. Verdachte is op haar gaan liggen, heeft de broek van aangeefster naar beneden getrokken en zijn penis bij de vagina van aangeefster gebracht. Op enig moment heeft verdachte zijn vriend [naam getuige 1] gebeld, die aangeefster naar huis heeft gebracht. Aangeefster heeft zowel tegen verdachte als tegen [naam getuige 1] gezegd dat verdachte iets in haar drank heeft gedaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de vagina van aangeefster heeft gelikt. Hij heeft ook betoogd dat aangeefster onder invloed van een bewustzijnsverminderende stof verkeerde, maar dat niet is komen vast te staan welke stof. De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de vraag of het verdachte is geweest die haar die stof heeft toegediend.

Namens de verdediging is – kort samengevat- aangevoerd dat verdachte niet de vagina van aangeefster heeft gelikt en dat het bewijs voor toediening van GHB door verdachte ontoereikend is.

Beoordeling: likken van de vagina

Op grond van de omstandigheden die de rechtbank afleidt uit de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen dat:

- verdachte, zoals hij zelf bij de politie heeft verklaard en zoals ook in overeenstemming is met de verklaring van aangeefster, de broek en onderbroek van aangeefster naar beneden heeft getrokken,

- aangeefster heeft gevoeld dat verdachte haar heeft gebeft, en

- in het kruis van de slip van aangeefster aan de buitenzijde speeksel is aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte,

is voor de rechtbank buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte de vagina van aangeefster heeft gelikt.

In het midden kan blijven of - zoals door de verdediging is aangevoerd - aangeefster al dan niet wisselend heeft verklaard ten aanzien van de vraag of verdachte met zijn tong in haar vagina is geweest, nu voor de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde slechts van belang is of verdachte haar vagina heeft gelikt en naar gangbaar spraakgebruik met “vagina” het gehele vrouwelijke geslachtsorgaan wordt bedoeld. Gelet op het feit dat het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde ziet op “ontuchtige handelingen” kan eveneens in het midden blijven of - zoals de verdediging ter discussie heeft gesteld - het likken van de vagina moet worden beschouwd als seksueel binnendringen in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling: toedienen van een bewustzijnsverminderende stof

Van de zijde van de verdediging is op dit punt naar voren gebracht dat het bewijs van het toedienen van GHB slechts kan volgen uit de verklaring van aangeefster, nu uit het rapport en de verklaring van NFI-deskundige dr. K.J. Lusthof volgt dat

- de resultaten van het onderzoek niet bewijzend zijn voor een inname of toediening van GHB;

- het niet mogelijk is dat aangeefster meteen na de veronderstelde inname of toediening van GHB ‘out’ ging;

- een directe relatie tussen het onwel worden in het café en het ‘out’ gaan niet waarschijnlijk is;

- als je ‘out’ gaat van GHB je echt ‘out’ bent, dat dit vier tot zes uur duurt en dat specifieke waarnemingen dan ongebruikelijk zijn, terwijl aangeefster nu juist heeft verklaard dat ze wel specifieke waarnemingen heeft gedaan, onder meer met betrekking tot de route van het café naar de woning aan de Pelgrimsstraat.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

In het rapport van dr. Lusthof d.d. 9 december 2009 staat vermeld dat hij onderzoek heeft gedaan aan op 27 mei 2009 bij [naam slachtoffer] veiliggestelde haren. Hij concludeert: “Samenvattend is het GHB gehalte in het segment ‘1-1,5 cm’ statistisch significant verhoogd ten opzichte van de metingen in de diverse haarsegmenten (…). Het segment ‘1-1,5 cm’ komt ongeveer overeen met een periode van ongeveer 1,5 maand tot ongeveer

2 maanden voor de haarafname. Er is hierdoor een aanwijzing (niet bewijzend) voor een verhoogde blootstelling aan GHB in die periode. De periode van 1,5 tot ongeveer

2 maanden voor de haarafname past bij de verkregen informatie over de tijdstippen van het voorval (5 op 6 april) en de haarafname (27 mei 2009), een periode van ongeveer

1,7 maand”.

Naar aanleiding van het verweer van de raadsman stelt de rechtbank voorop dat noch uit het rapport van dr. Lusthof, noch uit diens verklaring kan worden afgeleid dat de resultaten van zijn onderzoek geen indicatie kunnen zijn voor een inname of toediening van GHB.

Het onderzoek van dr. Lusthof is deels gebaseerd op aannames - namelijk dat endogeen GHB niet opeens een piekje kan geven, zodat een piekje een aanwijzing is voor het innemen of toedienen van GHB - welke aannames niet bewezen zijn, in de woorden van dr. Lusthof: “daar is nog te weinig over gepubliceerd”. Dr. Lusthof voegt daar er echter aan toe dat deze aannames wel aannemelijk zijn, en dat voor de hand ligt dat erover zou zijn gepubliceerd als ook endogeen GHB kan pieken. Daarbij tekent de rechtbank aan de wetenschappelijke vraag of een fenomeen ‘bewezen’ is een andere is dan de bewijsvraag in een strafzaak. Zij is van oordeel dat de bovenstaande conclusies uit het rapport van dr. Lusthof een niet onbelangrijke aanwijzing zijn voor de veronderstelling dat aan aangeefster in de bewuste nacht GHB is toegediend. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of deze aanwijzing in die mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen dat deze in onderling verband en samenhang de conclusie rechtvaardigen dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte aangeefster GHB heeft toegediend. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en daartoe is het volgende redengevend.

Aangeefster heeft op de dag van het incident, 6 april 2009, direct bij de politie verklaard dat zij zich na twee slokjes “niet goed voelde worden”. Korte tijd na het incident, op 12 april 2009, heeft aangeefster bij de politie aangifte gedaan en verklaard dat zij, nadat zij twee slokjes van haar drankje had genomen, aan zichzelf merkte “dat het niet goed ging”, dat zij op een gegeven moment misselijk en duizelig werd en de weg een beetje kwijt was en zich ook een beetje geil begon te voelen. Pas op 28 juni 2010 in haar verklaring bij de rechter-commissaris verklaart aangeefster dat direct na het eerste of tweede slokje haar hoofd voorover zakte. Op deze laatste verklaring is vervolgens voortgeborduurd bij het verhoor van dr. Lusthof en deze heeft toen op basis daarvan gesteld dat het niet mogelijk is dat aangeefster meteen na de veronderstelde inname of toediening van GHB “boem haar hoofd voelde vallen”.

De verklaringen van aangeefster van 6 en 12 april 2009 bij de politie en de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris lopen op dit punt uiteen. De rechtbank is van oordeel dat aan de verklaringen van aangeefster bij de politie meer geloof moet worden gehecht dan aan haar verklaring bij de rechter-commissaris, nu de verklaringen bij de politie kort na het incident zijn afgelegd en de verklaring bij de rechter-commissaris ruim één jaar later. De rechtbank zal dan ook van de op 6 en 12 april 2009 afgelegde verklaringen uitgaan.

De rechtbank meent dat die verklaringen van aangeefster ten aanzien van hetgeen haar is overkomen na het drinken van het derde glas Grand Marnier passen bij hetgeen dr. Lusthof beschrijft over de gevolgen van het gebruik van GHB. Zo komt de verklaring van aangeefster, dat zij op een gegeven moment misselijk en duizelig werd, de weg een beetje kwijt was en zich ook een beetje geil begon te voelen, overeen met de verklaring van dr. Lusthof dat men tien à vijftien minuten na inname van GHB iets begint te voelen, dat GHB misselijkheid, doezeligheid en geilheid kan veroorzaken en dat men zich meteen na het drinken van GHB onwel kan voelen als “het spul” sterk en onverdund is. De verklaring van aangeefster dat zij in de woning van de verdachte heeft overgegeven, dat zij niets kon ondernemen tegen de handelingen van verdachte en dat zij vanaf een bepaald moment niet meer weet wat er is gebeurd komt overeen met de verklaring van dr. Lusthof dat de werking van GHB na ongeveer een uur het grootst is en dat je van GHB uiteindelijk slaperig wordt.

Door de politie is onder meer aan dr. Lusthof de vraag gesteld of de werking van mCPP en opiaten past bij het verhaal van het slachtoffer en of iemand daarvan ‘out’ kan gaan. Zoals hiervoor reeds is aangegeven heeft aangeefster bij de politie niet verklaard dat zij ‘out’ was gegaan, maar dat zij zich op een gegeven moment onwel begon te voelen en dat zij zich vanaf een bepaald moment niets meer herinnert.

De politie heeft het ‘out’ gaan kennelijk afgeleid uit de verklaring van [naam getuige 2], een vriendin van aangeefster, die heeft verklaard dat aangeefster haar heeft verteld dat zij het glas Grand Marnier in een keer heeft opgedronken en daarna gelijk knock out is gegaan. [naam getuige 2] is die avond echter niet aanwezig geweest in het café en evenmin in de woning, maar verklaart over wat zij van aangeefster heeft gehoord, waarbij niet valt uit te sluiten dat de woorden “knock out gaan” haar eigen interpretatie van de woorden van haar vriendin zijn. Het lijkt er sterk op dat dit onderdeel van de verklaring van [naam getuige 2] een eigen leven is gaan leiden, zoals ook blijkt uit de vraagstelling aan dr. Lusthof door de politie. Om die reden kan het beroep op hetgeen dr. Lusthof bij de rechter-commissaris aan de hand van de latere verklaring van aangeefster omtrent het ‘out’ gaan uiteen heeft gezet verdachte niet baten.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat:

- aangeefster een stevige drinker is;

- aangeefster die avond drie Grand Marnier heeft gedronken, hetgeen voor haar geen grote hoeveelheid alcohol is;

- aangeefster is opgevallen dat haar derde glas Grand Marnier voller was dan normaal;

- aangeefster heeft verklaard dat verdachte erop stond dat zij het laatste glas leeg zou drinken, hetgeen steun vindt in de verklaring van verdachte van 27 juli 2009;

- aangeefster op het moment dat [naam getuige 1] haar bij de woning van verdachte kwam ophalen direct tegen zowel verdachte als [naam getuige 1] heeft gezegd dat zij vermoedde dat verdachte iets in haar drankje had gedaan;

- [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat aangeefster onder invloed was;

- aangeefster op 6 april 2009 tegen twee verbalisanten heeft verklaard dat zij het vermoeden had dat iemand wat in haar drankje heeft gedaan;

is voor de rechtbank buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte aangeefster een bewustzijnsverminderende stof, te weten GHB, heeft toegediend.

De feitelijke handelingen:

- [naam slachtoffer] laten drinken van een drankje met daarin een bewustzijnsverminderende stof,

- [naam slachtoffer] meenemen in de auto naar een woning, en

- het uittrekken van de broek en slip van [naam slachtoffer]

leveren geweld en feitelijkheden op waarmee de verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Niet alleen is in artikel 81 van het Wetboek van Strafrecht het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht gelijkgesteld met het plegen van geweld, ook heeft verdachte[naam slachtoffer] , door haar een drankje te laten drinken met daarin een bewustzijnsverminderende stof, opzettelijk in een zodanige toestand van fysieke weerloosheid gebracht, dat zij als gevolg daarvan niet of zeer moeilijk in staat was zich tegen de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen te verzetten.

Het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feiten 3 en 4

Inleiding

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen, kunnen de navolgende feiten als vaststaand worden aangemerkt.

In de woning op de [adres] is (minimaal) 2.674 gram heroïne aangetroffen en 3.400 pillen met het middel mCPP. Verdachte kwam ongeveer één keer per week in de woning aan de [adres]. Verdachte heeft geen vergunning voor het in voorraad hebben van pillen met het middel mCPP. In de woning op de [adres] zijn 100 gripzakjes aangetroffen. Verdachte weet dat deze zakjes worden gebruikt voor het verpakken van drugs. De zakjes zijn van verdachte.

Geloofwaardigheid verklaringen van de broers van verdachte

Aangevoerd is dat de verklaringen van verdachte’s broers [getuige 3] en [getuige 4] niet tot bewijs kunnen dienen, nu verdachte ruzie heeft met zijn beide broers en zij daarom reden hadden belastend over hem te verklaren.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar haar oordeel is er geen enkele reden om meer geloof te hechten aan de verklaringen van verdachte - die (inmiddels) ontkent dat de in de [adres] aangetroffen goederen van hem zijn - dan aan de verklaringen van zijn beide broers. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting bij herhaling en op diverse punten aangegeven bij zijn verklaringen bij de politie veel verzonnen te hebben. Bovendien worden de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] ondersteund door de verklaring van verdachte van 4 mei 2009, waar hij toegeeft dat alles wat in de woning is gevonden van hem is en de verklaring van aangeefster [naam slachtoffer] van 12 april 2009 dat verdachte haar bij de ontmoeting in het café heeft gevraagd of hij een halve liter of kilo drugs bij haar kon bewaren.

Medeplegen

De raadsman heeft gesteld dat er ontoereikend bewijs is voor het medeplegen van het aanwezig hebben van heroïne en pillen met mCPP. In dat verband is betoogd dat daarvoor vereist is dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van heroïne en pillen in de woning op de [adres], waarvoor niet voldoende is dat verdachte heeft verklaard dat hij weleens in de woning kwam, temeer nu de goederen zijn aangetroffen in de oven en in een keukenla.

Voor de rechtbank is echter buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte (mede-)eigenaar was van de heroïne en pillen met mCPP in de woning aan de [adres]. De rechtbank neemt daarbij de volgende - uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkende - omstandigheden in aanmerking:

- de genoemde hoeveelheden heroïne en pillen mCPP zijn aangetroffen in de woning aan de [adres];

- verdachte kwam minimaal één keer per week in die woning;

- verdachte wist dat zich in die woning drugs bevonden;

- verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat alles wat in die woning is aangetroffen van hem is, waarbij hij tot in detail kon verklaren wat in die woning is aangetroffen, namelijk plastic zakjes, een pers en ronde pakketjes, waarbij van belang is dat deze goederen inderdaad zijn aangetroffen, en een deel van de aangetroffen heroïne - namelijk de heroïne die in de oven is gevonden - in ronde pakketjes was verpakt;

- [getuige 3] bevestigt de initiële verklaring van verdachte dat alle drugs van verdachte zijn;

- ook uit de verklaring van [getuige 4] kan worden afgeleid dat de drugs van verdachte zijn;

- verdachte heeft geen redelijke en verifieerbare verklaring kunnen geven voor de in de woning van verdachte aan de [adres] aangetroffen hoeveelheid gripzakjes, waarvan het van algemene bekendheid is dat deze plegen te worden gebruikt voor de verpakking van drugs, waaronder ook harddrugs.

Degene die eigenaar is van grote hoeveelheden drugs, pleegt te weten om hoeveel drugs het gaat en wat de aard van de betreffende stoffen is. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat dit in het onderhavige geval anders zou zijn.

De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte dit feit heeft begaan in nauwe en bewuste samenwerking met een ander. Zowel uit de verklaringen van [getuige 3] van

15 en 16 juli 2009 als die van [getuige 4] komt naar voren dat eerstgenoemde in het huis aan de [adres] in opdracht van verdachte verbleef, “in die rotzooi” en met heroïne.

Ten aanzien van feit 5

Inleiding

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen, kan het navolgende als vaststaand worden aangemerkt.

In de woning van verdachte op de [adres]is EUR 43.098,30 aan contant geld aangetroffen.

Wetenschap dat geld afkomstig is van een misdrijf

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.

Het geld is tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting niet betwist dat hij dat geld voorhanden heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte het geld aanwezig gehad onder omstandigheden die vallen onder de zogenoemde typologieën van witwassen. De rechtbank neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

- verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat hij al sinds zijn 21e een bijstandsuitkering heeft;

- volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting gaat het om geld van derden, maar hij wil niet verklaren wie deze derden zijn;

- deze verklaring is strijdig met eerdere verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie, namelijk dat hij geld voor klusjes krijgt of dat hij het geld van zijn moeder heeft geërfd;

- volgens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting heeft hij de bij de politie afgelegde verklaringen verzonnen, stortte iemand vanuit Marokko geld op zijn naam en bestond bij hem het vermoeden dat het om illegaal geld ging;

- door de verdediging zijn geen onderliggende stukken ter controle overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat verdachte het geld voor derden onder zich houdt;

- het gaat om aanzienlijke geldbedragen;

- de geldbedragen zijn aangetroffen in verschillende (kleine en grote) coupures;

- niet is gesteld of gebleken dat genoemd geldbedrag bekend is bij de Belastingdienst;

- verdachte is actief (geweest) in het criminele circuit, zoals volgt uit de bewezenverklaring van feiten 3 en 4.

De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden tezamen een zodanig sterke aanwijzing vormen voor een criminele herkomst van de betreffende geldbedragen dat zij zulks voldoende acht voor de bewezenverklaring dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 6

Aangezien de verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezen verklaard, op de zitting heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

1. de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting;

2. ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2009118074-22, opgemaakt en op 4 mei 2009 door de opsporingsambtenaren ondertekend (aanhouding verdachte);

3. een geschrift, te weten een kopie van een “Aanvraag rijbewijs vernieuwing” d.d. 19 maart 2008 op naam van [ ] en voorzien van een pasfoto van verdachte;

4. een geschrift, te weten een “Kopie aanvraag reisdocument” d.d. 10 maart 2008 op naam van [] en voorzien van de pasfoto van verdachte.

BEWEZENVERKLARING

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

- het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij omstreeks 6 april 2009 te Rotterdam door geweld en/of andere feitelijkheden iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, namelijk het:

- zoenen op de mond van die [naam slachtoffer] ;

- betasten en aanraken en likken van de borsten van die [naam slachtoffer] ;

[naam slachtoffer]

- likken van de vagina van die [naam slachtoffer] ;

- brengen van zijn, verdachtes, penis bij de vagina van die [naam slachtoffer] ;

het geweld en/of andere feitelijkhedenhebben bestaan uit het:

- uit laten drinken van een drankje met daarin een bewustzijnsverminderende stof en

- het in de auto meenemen van die [naam slachtoffer] naar een woning;

- het uittrekken van de broek en de slip van die [naam slachtoffer] ;

- het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 04 mei 2009 te Rotterdam in een woning/pand gelegen aan de [adres], tezamen en in vereniging met een ander ,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2674 gramvan een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

- het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 4 mei 2009 te Rotterdam in een woning/pand gelegen aan de [adres], tezamen en in vereniging met een ander ,

opzettelijk een geneesmiddel, te weten een hoeveelheid van ongeveer 3400 pillen met het middel MCPP (metachloorphenylpiperazine), waarvoor geen

handelsvergunning geldt in voorraad heeft gehad;

- het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 04 mei 2009, te Rotterdameen geldbedrag van 43.098,30 euro, voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

- het onder 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 10 maart 2008 tot 4 mei 2009 te Rotterdam meermalen heeft voorhanden gehad een vals identiteitsdocument en een vals

rijbewijs - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren

voor gebruik als ware zij telkens echt en onvervalst, immers de documentenzijn op naam gesteld van [], terwijl de foto's op de documenten de

foto'szijn van verdachte;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

- feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

- feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- feit 4: medeplegen van een opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40 van de Geneesmiddelenwet;

- feit 5: witwassen;

- feit 6: opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft met zijn latere slachtoffer een afspraak gemaakt om samen wat te gaan drinken. De verdachte heeft haar vervolgens een drankje laten drinken waarin de drug GHB was vermengd. Toen zei tegen hem zei dat ze zich niet goed voelde en naar huis wilde, heeft hij haar mee naar een woning heeft genomen. Nadat het slachtoffer aldus was beneveld, heeft de verdachte ontuchtige handelingen met haar gepleegd. De verdachte heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en hij heeft het zelfbeschikkingsrecht op haar eigen lichaam in zeer vergaande mate geschonden, dit alles ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Het handelen van de verdachte getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een totale respectloosheid aan de zijde van verdachte. Het valt te verwachten - en blijkt ook uit haar verklaring bij de rechter-commissaris - dat het slachtoffer nog geruime tijd zal lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen verdachte haar heeft aangedaan. Een feit als het onderhavige is dermate schokkend, dat kennisneming daarvan bij iedere burger angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg zal kunnen brengen.

Verdachte heeft daarnaast samen met een ander een grote hoeveelheid heroïne en een grote hoeveelheid pillen bevattende mCPP aanwezig gehad. Gebruik van heroïne en het ongecontroleerd gebruik van mCPP - een stof die regelmatig wordt aangetroffen in pillen die worden verkocht als XTC - vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Het gebruik van dergelijke middelen en het vaak daarmee gepaard gaande crimineel gedrag, veroorzaken onrust en schade in de samenleving. De verdachte heeft zich om deze gevolgen niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen, waardoor het kunnen nagaan van de herkomst en bestemming van geldstromen wordt ondermijnd.

Ten slotte heeft verdachte een vals rijbewijs en een valse identiteitskaart in zijn bezit had, waarbij hij die valse identiteitskaart ook nog eens een keer heeft gebruikt om in bezit te komen van het valse rijbewijs. Het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften wordt gesteld, is door het handelen van verdachte aangetast.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, de verdachte heeft vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding een lagere straf op te leggen dan geëist. Zoals uit het voorgaande is gebleken is (ook) het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) feit dermate ernstig dat oplegging van een forse vrijheidsstraf is gerechtvaardigd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is enigszins in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2010 geruime tijd geleden eerder is veroordeeld, waaronder voor feiten met een geweldscomponent en overtreding van de Opiumwet.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen, te weten

- rijbewijs op naam van [] (3319131);

- douanedocumenten (3319144 en 3319149);

- kentekenbewijzen (3319172, 3319174, 3319176 en 3319181);

- telefoons (3319208, 3319210 en 3319215);

- 6 telefoons (3318935);

- doos met stickertjes (3319087);

- geld (6 biljetten van 100 euro, 3319235; 91 biljetten van 50 euro, 3319236; 62 biljetten van 20 euro, 3319237; 19 biljetten van 10 euro, 3319239; 9 biljetten van 100 euro, 3318920; 354 biljetten van 50 euro, 3318921; 856 biljetten van 20 euro, 3318922; 78 biljetten van 10 euro, 3318923);

- rijbewijs (3318485);

- ID-kaart (3318488)

verbeurd te verklaren.

Het in beslag genomen geld zal worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf voor feit 5, nu het geld door middel van strafbare feiten is verkregen.

Het in beslag genomen valse rijbewijs (3318485) en de in beslag genomen valse ID-kaart (3318488) zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het bezit daarvan is in strijd met de wet.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, dan wel degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 225, 246 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 40 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 meer subsidiair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (vier) jaren,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd:

- 6 biljetten van 100 euro (3319235);

- 91 biljetten van 50 euro (3319236);

- 62 biljetten van 20 euro (3319237);

- 19 biljetten van 10 euro (3319239);

- 9 biljetten van 100 euro (3318920);

- 354 biljetten van 50 euro (3318921);

- 856 biljetten van 20 euro (3318922);

- 78 biljetten van 10 euro (3318923);

verklaart onttrokken aan het verkeer:

- rijbewijs (3318485);

- ID-kaart (3318488)

gelast de teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van:

- rijbewijs op naam van [] (3319131);

- douanedocumenten (3319144 en 3319149);

- kentekenbewijzen (3319172, 3319174, 3319176 en 3319181);

- telefoons (3319208, 3319210 en 3319215);

- 6 telefoons (3318935); en

- doos met stickertjes (3319087).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. De Jong en Damsteegt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ahmadali, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2010.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 27 juli 2010:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 april 2009 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- zoenen op de mond en/of het lichaam van die [slachtoffer];

- betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vasthouden en/of likken van de borsten van die [slachtoffer];

- betasten en/of aanraken van de buik van die [slachtoffer];

- likken van en/of in de vagina van die [slachtoffer];

- brengen van zijn, verdachtes, penis bij de vagina van die [slachtoffer];

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het:

- het (in de auto) meenemen van die [slachtoffer] naar een woning en/of

- het uittrekken van de broek en/of de slip van die [slachtoffer];

(art. 242 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2009 te Rotterdam, met iemand, te weten [slachtoffer],

van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van

bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige

gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed

dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te

bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft verdachte

zijn tong en/of zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

(art. 243 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2009 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten R.C.M. [slachtoffer], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het:

- zoenen op de mond en/of het lichaam van die [slachtoffer];

- betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vasthouden en/of likken van

de borsten van die [slachtoffer];

- betasten en/of aanraken van de buik van die [slachtoffer];

- likken van de vagina van die [slachtoffer];

- brengen van zijn, verdachtes, penis bij de vagina van die [slachtoffer];

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld

en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit

het:

- uit het toe dienen/laten drinken van (een drankje) met daarin MCPP, althans

een bewustzijnsverminderende stof en/of

- het in de auto meenemen van die [slachtoffer] naar een woning;

- het uittrekken van de broek en/of de slip van die [slachtoffer];

(art. 246 Wetboek van Strafrecht)

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2009 te Rotterdam, met R.C.M. [slachtoffer], van wie

hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid of

lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige

ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die

[slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of

kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het:

- zoenen op de mond en/of het lichaam van die [slachtoffer];

- betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vasthouden en/of likken van

de borsten van die [slachtoffer];

- betasten en/of aanraken van de buik van die [slachtoffer];

- likken van de vagina van die [slachtoffer];

- brengen van zijn, verdachtes, penis bij de vagina van die [slachtoffer];

(art. 247 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 04 mei 2009 te Rotterdam in een woning/pand gelegen aan of

nabij de Pelgrimstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2674 gram, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2/C jo 10 Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 4 mei 2009 te Rotterdam in een woning/pand gelegen aan of

nabij de Pelgrimstraat, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk een geneesmiddel, te weten een hoeveelheid van ongeveer 3400

pillen met het middel MCPP (metachloorphenylpiperazine), waarvoor geen

handelsvergunning geldt in voorraad heeft gehad.

(art. 40 lid 2 Geneesmiddelenwet)

4.

hij op of omstreeks 04 mei 2009, te Rotterdam, althans in Nederland, een

voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 43.098,30 euro, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 43.098,30 euro,

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(art. 420bis/1 sub b Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 mei 2009, te Rotterdam, althans in Nederland, een

voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 43.098,30 euro, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dat

voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf;

(art. 240 quater/1 sub b Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op/in of omstreeks de periode van 10 maart 2008 tot 4 mei 2009 te

Rotterdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd

en/of voorhanden gehad een vals of vervalst identiteitsdocument en/of een vals

of vervalst rijbewijs - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was

om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden

dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren

voor gebruik als ware het/zij (telkens) echt en onvervalst, immers het/de

document(en) is/zijn op naam gesteld van [slachtoffer 2], althans is/zijn niet

op naam van verdachte gesteld, terwijl de foto('s) op de/het document(en) de

foto('s) is/zijn van verdachte;

(art. 225/2 Wetboek van Strafrecht)