Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3338

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
05-08-2010
Zaaknummer
10/660091-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen bewijsuitsluiting camerabeelden RET. Op grond van artikel 38 van het Vrijstellingsbesluit Wet bescherming persoonsgegevens is de RET bevoegd geautomatiseerde video opnamen te maken van haar stations en deze beelden vast te leggen. Hieruit volgt tevens dat dergelijke camerabeelden zonder verdere persoonsgegevens geen persoonsgegevens zijn als bedoeld in artikel 16 van de Wbp. Nu deze beelden geen gevoelige gegevens bevatten als bedoeld in artikel 126nf Sv, is geen machtiging van de rechter-commissaris vereist. De beelden hadden op grond van artikel 126nd Sv door de officier van justitie gevorderd kunnen worden. In dit geval heeft de RET de beelden op grond van een overeenkomst tussen de RET en de politie verstrekt, zodat van een vrijwillige afgifte sprake is. De door de RET afgegeven beelden kunnen voor het bewijs worden gebruikt, evenals de resultaten van het onderzoek dat uit het gebruik van deze beelden voortkomt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector strafrecht

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 22 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats ],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [GBA-adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Rijks justitiële jeugdinrichting [naam R.I.J.] raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010.

2. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte:

1. zich samen met een ander en met gebruikmaking van een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, schuldig heeft gemaakt aan een overval op drogisterij Kruidvat;

2. zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

3. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Rappard heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering.

4. RECHTMATIGHEID VAN DE BEWIJSVERGARING/BEWIJSUITSLUITING

Ten aanzien van feit 1.

4.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – in aanvulling op zijn pleitnotitie – ter terechtzitting achter het standpunt gesteld van zijn confrère die in de strafzaak tegen de medeverdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het volgende heeft aangevoerd. Dit komt er op neer dat de camerabeelden van de RET van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat een wettelijke basis voor het maken van deze beelden ontbreekt en de beelden niet met een machtiging van de rechter-commissaris zijn opgevraagd. Ook de resultaten van onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van de camerabeelden dienen van het bewijs te worden uitgesloten.

4.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een vordering ex artikel 126 nf van het Wetboek van Strafvordering niet altijd noodzakelijk is. De wetgever heeft niet bedoeld de privacy van verdachte te beschermen. [Hof Den Haag, 6 mei 2010 (LJN: BM8433)]. De beelden die zijn gemaakt met camera’s van de RET vallen gelet op eerdere jurisprudentie [Rb Zutphen, ljn BM 0996] niet onder de verplichting van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering omdat in de metrohallen kenbaar is gemaakt dat er camera-opnamen worden gemaakt van metroreizigers. Ook ziet artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens niet op dit soort beelden.

4.3 Beoordeling door de rechtbank

Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) mogen persoonsgegevens onder bepaalde voorwaarden worden verwerkt. Zogenaamde bijzondere persoonsgegevens mogen op grond van artikel 16 van de Wbp in beginsel niet worden verwerkt. Op grond van artikel 38 van het Vrijstellingsbesluit Wbp is de RET bevoegd om geautomatiseerde video opnamen te maken van haar stations en deze beelden vast te leggen. Gesteld noch gebleken is dat vastlegging niet voldoen aan de eisen die het Vrijstellingsbesluit daaraan stelt. Anders dan door de raadsman is betoogd is er dan ook een wettelijke basis voor het maken van de camerabeelden.

Uit artikel 29 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) gelezen in samenhang met artikel 38 van het Vrijstellingsbesluit Wbp volgt dat beelden verkregen door middel van videocameratoezichtbeelden zonder verdere persoonsgegevens geen persoonsgegevens zijn als bedoeld in artikel artikel 16 van de Wbp.

Nu deze beelden geen gevoelige gegevens bevatten als bedoeld in artikel 126 nf van het Wetboek van Strafvordering, hadden deze beelden op grond van artikel 126 nd van deze wet door de officier gevorderd kunnen worden, zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. In dit geval zijn de beelden niet gevorderd maar op grond van een overeenkomst tussen de RET en de politie verstrekt, zodat van een vrijwillige afgifte sprake is. De door de RET afgegeven beelden kunnen voor het bewijs worden gebruikt, evenals de resultaten van het onderzoek dat uit het gebruik van deze beelden voorkomt.

Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt overigens niet dat op enigerlei wijze aan het recht van de verdediging om de inhoud van de cameraopnamen in de metrostations te betwisten is tekortgedaan. Niet kan worden gezegd dat de enkele vastlegging een zodanige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel een zodanige veronachtzaming van de rechten van de verdediging tot gevolg heeft gehad, dat de beelden van die cameraopnamen om die reden van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten.

Er is geen grond voor bewijsuitsluiting van materiaal dat direct of indirect voorkomt uit het gebruik van deze beelden.

Het verweer wordt verworpen.

5. BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

5.1.1 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wordt van het volgende uitgegaan:

Op 10 februari 2010 is door [aangeefster 1] en [aangeefster 2], beiden werkzaam bij het filiaal van het Kruidvat aan het [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het winkelpand), en door [aangever 3] namens het Kruidvat, aangifte gedaan van een overval met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp door twee personen op dit winkelpand waarbij 775 euro is wegenomen. Deze overval heeft plaatsgevonden op 10 februari 2010 omstreeks 7:30 uur. [Aangeefster 1] heeft verklaard dat zij onder bedreiging van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) door de daders is gedwongen het pand van het Kruidvat binnen te gaan. Zij hoorde één van de daders zeggen: “kluis, kluis, naar binnen, kluis”. Zij is met beide daders naar de kantoorruimte gelopen waar zich twee vrouwelijke collega’s ([aangeefster 2] en [getuige 1]) van de aangeefster bevonden. De vrouwen zijn door één van de daders met het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in bedwang gehouden. Hierbij heeft hij ook met het pistool gezwaaid. De andere dader is naar een van de geldlades gelopen waar hij een geldbedrag van 775 euro heeft weggenomen. Op een gegeven moment is er een alarm afgegaan waarna beide daders zijn weggerend.

5.1.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte en de medeverdachte zijn geweest, die deze overval hebben gepleegd.

5.1.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft, samengevat, aangevoerd dat de verdachte niet een van de daders is van deze overval en dat dit ook niet kan worden afgeleid uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden. De verdachte lijkt niet op een van de personen die op de beelden te zien zijn. Van belang is dat verdachte niet is herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie. Op de camerabeelden van de RET is bij een van de verdachte jongens een rugzak te zien, terwijl geen van de daders bij de overval een rugzak bij zich heeft. De bij verdachten aangetroffen kleding noch de rugzak zijn uniek.

5.1.4 Beoordeling door de rechtbank

Camerabeelden

Van de overval zijn in de winkel camerabeelden gemaakt. Hiervan bevinden zich afdrukken (stills) in het dossier. Op deze tijdens de terechtzitting getoonde afbeeldingen is te zien dat een vrouw door de winkel loopt, gevolgd door twee jongemannen. De ene man is gekleed in een zwarte jas met een capuchon op het hoofd, de andere in een kortere jas met een pet op het hoofd. Deze man heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de rechterhand. Van beide jongemannen is het gezicht (deels) zichtbaar.

Voorts zijn er camerabeelden van de RET, opgenomen op 10 februari 2010 tussen 6:43 uur en 7:43 uur, van het in de nabijheid van het winkelpand gelegen metrostation [P] en van de metrostations [G], [O] en [A] . Ook hiervan bevinden zich afdrukken (stills) in het dossier. Op deze tijdens de terechtzitting getoonde beelden zijn twee personen zichtbaar waarvan de kleding en het gezicht/de signalementen overeenkomen met kelding, gezicht en signalementen van de twee jongemannen die te zien zijn op de beelden van het Kruidvat. Gelet op de locatie en het tijdstip van de overval en de overeenkomsten tussen de twee jongemannen op de beelden van het Kruidvat en die zichtbaar op de beelden van de RET gaat de rechtbank ervan uit dat dit dezelfde personen zijn.

Herkenning (mede)verdachte

De getuige [2] heeft verklaard, toen haar de beelden van het metrostation werden getoond, dat zij de verdachte herkende, als de jongen met de korte grijze jas, zonder pet. Op de foto’s van de overval Kruidvat herkende zij eveneens de verdachte, aan zijn houding, kleding en gezicht, als de jongen met de korte jas met pet. [De getuige 2] is een schoolvriendin van de verdachte die hem regelmatig ziet. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van haar herkenning te twijfelen.

Voorts heeft een docent van de [school] te [S] alwaar de medeverdachte leerling is, op foto's van het metrostation en van de overval de verdachte herkend. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zichzelf herkent op beelden van het camerabeveiligingssysteem van zijn school.

De verbalisanten die de medeverdachte op 18 februari 2010 hebben verhoord hebben, voorafgaande aan het verhoor met de medeverdachte, de beveilingsbeelden bekeken die werden gemaakt in het Kruidvat ten tijde van de voornoemde diefstal met geweld. De persoon die als eerste achter de medewerkster van het Kruidvat loopt, wordt door de verbalisanten voor de volle honderd procent herkend als de medeverdachte. Het gezicht van deze dader is op deze beelden goed zichtbaar.

Bij de medeverdachte is een OV-chipkaart aangetroffen op zijn naam met nummer [nummer OV-chipkaart]. Bij navraag van de gegevens van checkpoortjes van de metro bleek met deze kaart in/uitgecheckt te zijn op metrostation [G] op 10 februari 2010 om 06:45 uur en in/uitgecheckt te zijn op het metrostation [A] op 10 februari 2010 om 07:43 uur. Op de camerabeelden van de RET is zichtbaar dat op eerst genoemd tijdstip een jongeman met een zwarte jas die lijkt op een van de daders van de overval op het Kruidvat, incheckt op metrostation Graskruid. Op laatstgenoemd tijdstip passeren beide jongemannen die ook zichtbaar zijn op de beelden van het Kruidvat de uitgangspoortjes op station [A].

De medeverdachte heeft op 18 februari 2010 verklaard dat hij op 10 februari 2010 met zijn OV-chipkaart, een abonnement op naam, heeft ingecheckt bij metrostation [G]. Op metrostation [G] heeft de medeverdachte met dezelfde OV-chipkaart weer uitgecheckt. Het is niet aannemelijk dat een ander dan de medeverdachte gebruik heeft gemaakt van deze OV-chipkaart, gelet op zijn eerdere, gedetailleerde verklaring. De rechtbank gaat er van uit dat de medeverdachte met een zwarte jas en rugzak zichtbaar is op de camerabeelden van de RET.

Ter zitting heeft de rechtbank aan de hand van aldaar getoonde camerabeelden die zich in het dossier bevinden, geconstateerd dat beide verdachten sterke gelijkenis vertonen met de personen die op camerabeelden te zien zijn.

In beslag genomen kleding

Op 18 februari 2010 werd met toestemming van de bewoners een onderzoek ingesteld in de woning van de medeverdachte aan het [adres te R]. In de slaapkamer van de medeverdachte werd een zwarte bubble-coatjas en een rugtas aangetroffen, gelijkend op de jas en rugtas van een van de personen zichtbaar op de beelden van de RET. De jas en rugtas zijn in beslag genomen.

Tijdens zijn aanhouding werd bij de verdachte een grijs jack inbeslaggenomen.

De beelden van de overval zijn vergeleken met de beelden van het metrostation.

Van de inbeslaggenomen kleding werd een vergelijking gemaakt met de camerabeelden van de overval. De in beslag genomen jassen vertonen een sterke gelijkenis met de jassen die te zien zijn op de camerabeelden. De kleding die zichtbaar is op de camerabeelden en de kleding die bij de verdachten in beslag is genomen is niet uniek. De combinatie met de RET-gegevens van de OV-chipkaart en de herkenning van beide verdachten rechtvaardigt evenwel de conclusie dat de in beslag genomen kleding zichtbaar is op de camerabeelden.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande en de eigen waarneming ter zitting vast dat de twee daders die op de camerabeelden van het Kruidvat zijn te zien de verdachte en zijn medeverdachte zijn. De medeverdachte is gekleed in een zwarte jas met capuchon, de verdachte heeft een grijze jas aan, een pet op en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in zijn handen. Dat de verdachte door de getuige [1] niet is herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie doet hieraan niet af. Van belang is bovendien dat de verdachten elkaar goed kennen en regelmatig in elkaars gezelschap verkeren.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 10 februari 2010 te [pleegplaats]

tezamen en in vereniging met een ander ,

in een winkel van het Kruidvat met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen geld (775 euro of daaromtrent),

toebehorende aan Kruidvat, , welke diefstal werd

voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met

geweld tegen [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of [getuige 1], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden engemakkelijk te maken , welke bedreiging met geweld

bestond uit het:

- drukken/duwen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen de rug van die [aangeefster 1] endie [aangeefster 1] (daarbij)

(dreigend) toevoegen de woorden "naar binnen, kluis, kluis", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking en

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op die [aangeefster 1] en die [aangeefster 2] en die [getuige 1], althans dreigend

voorhouden, althans dreigend tonen van een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [aangeefster 1] en die [aangeefster 2] en die

[getuige 1]

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.2 Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit wordt van het volgende uitgegaan:

Op 13 februari 2010 bevond [de aangever] (hierna: het slachtoffer) zich bij de tramhalte op de [straatnaam] te [pleegplaats]. Daar bevonden zich ook drie jongens, waaronder de medeverdachte [C]. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij de jongens heeft aangesproken omdat ze naar hem keken. Volgens het slachtoffer kwamen de jongens toen op hem af en begonnen hem te slaan. Hij werd verschillende malen geschopt en geslagen en belandde op de grond. Tenminste een van de trappen raakte hem in zijn gezicht. Dit is door de getuigen [B] en [S] gezien. Medeverdachte [C] heeft erkend het slachtoffer ook geslagen en geschopt te hebben.

5.2.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de openlijke geweldpleging bewezen kan worden geacht. Zowel de aangever als twee getuigen hebben het over drie aanvallers.

5.2.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Zijn verklaring dat hij niet bij de vechtpartij aanwezig was, wordt ondersteund door de verklaringen van zijn medeverdachten, die beiden verklaren dat zij verdachte pas na de confrontatie op de [straatnaam] zijn tegengekomen.

5.2.3 Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de getuigenverklaringen en de aangifte. Deze worden ondersteund door de bevindingen van de politie, die drie verdachten, die voldoen aan de signalementen, in de nabijheid van de vechtpartij aanhoudt. Uit de verklaring van de medeverdachte dat hij ter plaatse aanwezig was en geschopt en geslagen heeft en het feit dat hij met twee medeverdachten (onder wie verdachte) is aangehouden, concludeert de rechtbank dat hij en deze twee medeverdachten de drie door de aangever en de getuigen genoemde daders zijn. De verklaring ter terechtzitting dat de drie aangehouden jongens niet op de [straatnaam] aan het rennen waren en zich niet verborgen toen de politie hen daar zag is, gelet op het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2010, nr. 2010050764-11, niet geloofwaardig.

Het verweer wordt verworpen.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 13 februari 2010

te [R], op of aan de openbare weg, de [straatnaam], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever],

welk geweld bestond uit het meermalen, a(telkens) (met kracht)

slaan entrappen op/tegen het hoofd en het lichaam;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

De feiten zijn strafbaar.

7 STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

8 STRAFMOTIVERING

8.1 De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2 De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende roofoverval op een filiaal van drogisterij Kruidvat. De verdachte heeft een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen de rug van één van de personeelsleden gedrukt en geroepen: “kluis, kluis, naar binnen, kluis”. Zij werd gedwongen naar het kantoor te lopen waar zich twee andere personeelsleden van de drogisterij bevonden. Op het bureau in het kantoor stonden drie geldlades. Uit een openstaande geldlade is door de medeverdachte een geldbedrag van 775 euro weggenomen.

Door zijn handelen heeft de verdachte zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Deze beroving moet voor de slachtoffers een zeer beangstigende ervaring zijn geweest. Één van de slachtoffers heeft verklaard dat zij dacht dat haar laatste uur had geslagen omdat één van de verdachten geen masker of iets dergelijks op zijn hoofd had. Haar gedachten waren dat als deze verdachte zijn gezicht durfde te laten zien hij ook niet bang zou zijn om iemand een kogel door het hoofd te schieten. De verdachte en zijn mededader hebben zich kennelijk enkel laten leiden door hun zucht naar financieel gewin zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als deze nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Dergelijke feiten brengen in het algemeen ook bij burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

8.3 Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer heeft de verdachte en zijn mededaders aangesproken. Vervolgens hebben de jongens direct op hem ingeslagen. Het slachtoffer is diverse malen geschopt en geslagen. Het slachtoffer is ook geschopt terwijl hij weerloos op de grond lag.

Het door de verdachte en zijn medeverdachten begane zinloze geweld moet voor het slachtoffer een bedreigende en beangstigende ervaring zijn geweest. Ook op diegenen die daarvan getuige zijn geweest moet dit delict een grote impact hebben gehad. De ervaring leert dat ook voor getuigen van een dergelijke feit dit psychisch nadelige gevolgen kan hebben. Dergelijk gedrag in het openbaar draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft voor dit alles geen oog gehad.

8.4 Dit zijn zeer ernstige feiten waarop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie van enige duur.

8.6 De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van een op zijn naam gesteld Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 juni 2010 waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van diefstal als (SIL) transactie een werkstraf opgelegd heeft gekregen.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een psychologisch rapport d.d. 16 juni 2010 opgemaakt door [naam psycholoog] GZ- psycholoog inhoudende: dat de verdachte een normaal begaafde, intelligente, jongeman is met een grote mate van gedrevenheid en een drang tot perspectiefontwikkeling. De verdachte heeft op eigen kracht moeten bewerkstelligen dat hij in detentie zijn eindexamentoetsen kon afleggen. De verdachte denkt positief over zichzelf en zijn vaardigheden en ontkent problemen te hebben, in welk opzicht dan ook. Een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens wordt niet aanwezig geacht. De verdachte blijft het ten laste gelegde hardnekkig ontkennen c.q. de verdachte wenst niet te spreken over het ten laste gelegde en in het geschetste persoonsbeeld zijn geen aanwijzingen gevonden die zouden kunnen leiden tot een speculeren over een mogelijke grondslag van strafbaar gedrag. Het hardnekkige ontkennen i.c. het niet willen spreken over het ten laste gelegde blijft zorgelijk.

De verdachte is een jongeman die gezien zijn defensiemechanismen als verdringing en (verborgen gehouden) angst wellicht tot een agressiedoorbraak zou kunnen komen. De gewetensontwikkeling van de verdachte lijkt, naast een cognitief weet hebben van normen en waarden, ook verankerd in een moreel-affectief besef van goed en kwaad. Tegen die achtergrond is het risico van recidiveren - voor zover daarvan mag worden gesproken - als gering in te schatten.

Aan de rechtbank wordt in overweging gegeven om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen waarbij als voorwaarden gelden dat hij zich laat begeleiden door jeugdreclassering en een traject cognitieve gedragstherapie gaat volgen bij een forensische polikliniek.

- een plan van aanpak van Bureau Jeugdzorg, d.d. 1 juli 2010, opgemaakt door [naam jeugdreclasseerder], jeugdreclasseerder. Het beeld dat de jeugdreclassering van de verdachte heeft gekregen stemt overeen met het beeld van de psycholoog en de rapporteur komt tot een gelijkluidend strafadvies.

8.7 De rechtbank kan zich vinden in de inhoud van het hiervoor genoemde rapport en plan van aanpak. Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde wordt, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, oplegging van de voorgestelde deels voorwaardelijke straf met daarbij als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk geacht.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

9 VORDERING BENADEELDE PARTIJ/SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

9.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het formulier “Schadeopgave Misdrijven voor schaderegeling en voegen in het strafproces” slechts het parketnummer van de strafzaak tegen de medeverdachte vermeldt, zodat de voeging van de benadeelde partij Kruidvat Retail B.V. te Renswoude ter zake feit 1, niet geldt in de strafzaak tegen de verdachte.

9.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de vordering geen deugdelijke machtiging ten grondslag ligt nu deze is ondertekend door [aangever 3] terwijl uit de bij het formulier gevoegde machtiging blijkt dat de bedrijfsjurist, [naam bedrijfsjurist], is gemachtigd. Dit moet leiden tot afwijzing van de vordering aldus de raadsman.

9.3 Beoordeling door de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij Kruidvat Retail B.V., geldt ook in de strafzaak tegen de verdachte, nu de benadeelde partij zich stelt met betrekking tot een feit en niet met betrekking tot een verdachte. Dat het parketnummer van de strafzaak tegen de verdachte [A.E.H.] niet door het slachtofferloket op het formulier is ingevuld doet hier niet aan af. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 775,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 649,00.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu deze vordering door een niet gemachtigde is ondertekend. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Bepaald zal worden dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, stadsregio Rotterdam, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Peeck, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. Wijnholt en Wilbers-Taselaar, rechters,

in tegenwoordigheid van Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2010.

Bijlage bij vonnis van : 22 juli 2010

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 10 februari 2010 te [plaatsnaam]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in/uit een winkel van het Kruidvat met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen geld (775 euro of daaromtrent),

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Kruidvat, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [aangeefster 1] en/of [aangeefster 2] en/of [getuige 1], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit het:

- drukken/duwen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen de rug van die [aangeefster 1]en/of die [aangeefster 1] (daarbij)

(dreigend) toevoegen de woorden "naar binnen, kluis, kluis", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

op die [aangeefster 1] en/of die [aangeefster 2] en/of die [getuige 1], althans dreigend

voorhouden, althans dreigend tonen van een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die Slingerland en/of die Butter en/of die

Buijs en/of

- die Butter onder bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, sommeren (een) kassalade(s) te openen;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 13 februari 2010

te [plaatsnaam],, op of aan de openbare weg, de [straatnaam], in elk geval op

of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever],

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht)

slaan en/of trappen op/tegen het hoofd en/of het lichaam;

(art. 141 Wetboek van Strafrecht)