Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN3221

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
357863 - KG ZA 10-640
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is scholier en zit in de 5e klas van het VWO van gedaagde. Eiser voldoet niet aan de overgangsnorm zoals neergelegd in het reglement van gedaagde doordat eiser 3 vijven heeft en geen compensatiepunten. Eiser vordert een herkansing van twee toetsen, zodat een vijf kan worden verhoogd naar een zes en een zes naar een zeven. Eiser vordert voorts bevordering naar 6 VWO indien hij de herkansingen met goed gevolg aflegt. Eiser voldoet dan weliswaar nog steeds niet aan de overgangsnorm, maar stelt zich op het standpunt dat gedaagde al heeft toegezegd hem in dat geval wel over te zullen laten gaan.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedaagde bij de beoordeling of een scholier die niet voldoet aan de overgangsnorm desalniettemin kan worden bevorderd naar het volgende schooljaar een grote mate van vrijheid toekomt. Bij deze beoordeling zijn immers aspecten van belang, zoals het niveau van de basiskennis van een leerling, die enkel door docenten kunnen worden ingeschat. De rol van de voorzieningenrechter beperkt zich derhalve tot toetsing van de beslissing van gedaagde aan haar eigen reglement en toetsing aan de redelijkheid.

Op grond van het reglement heeft een leerling recht op een herkansing indien een toets niet kan worden gemaakt wegens bijzondere, van de wil van de leerling onafhankelijke omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is, nu eiser een toets heeft overgeslagen vanwege een tandartsbezoek, geen sprake. Nu eiser geen recht op de herkansingen toekomt, dient de vordering te worden afgewezen. Daarnaast wordt door de voorzieningenrechter overwogen dat ook als hij van oordeel zou zijn geweest dat eiser recht had op de herkansingen, eiser nog steeds afhankelijk was geweest van de docentenvergadering om over te gaan. Deze docentenvergadering heeft beoordelingsvrijheid, hetgeen een beperkte rol voor de voorzieningenrechter meebrengt. In het onderhavige geval zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen omstandigheden aanwezig die meebrengen dat de docentenvergadering in redelijkheid niet tot het oordeel zou kunnen komen eiser niet te bevorderen naar 6 VWO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 357863 / KG ZA 10-640

Vonnis in kort geding van 8 juli 2010

in de zaak van

[eiser]

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. P.H. Ruys,

tegen

de stichting

STICHTING SCHOLENGEMEENSCHAP MONTESSORI-LYCEUM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.L.C. Dijkgraaf

Partijen zullen hierna [eiser] en het Montessori-Lyceum genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- producties van [eiser];

- de pleitnota van mr. Dijkgraaf.

1.2. Ter zitting van 6 juli 2010 hebben (de raadslieden van) partijen de respectieve stellingen nader toegelicht. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de volgende -voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde- feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.1. [eiser] is leerling op het Montessori-Lyceum en zit in de vijfde klas van het VWO. Hij volgt het profiel Cultuur en Maatschappij.

2.2. Op 18 mei 2010 had [eiser] een toets voor het vak Frans. Deze heeft hij wegens een tandartsbezoek niet afgelegd. De docent heeft hem voor deze toets het cijfer 1 toegekend.

2.3. Op 24 juni 2010 heeft [eiser] een toets voor het vak Economie afgelegd. Tijdens de toets werd medegedeeld dat een drietal vragen niet klopten en daarom niet hoefden te worden gemaakt. Deze vragen zijn niet beoordeeld. Voor de verwarring is een compensatie toegekend van 0,3 punt. [eiser] heeft voor deze toets een 6,1 gehaald.

2.4. Artikel 9 van het Programma van Toepassing en Afsluiting van het Montessori-Lyceum (hierna: het PTA) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 9 Overgangsnorm

(…..)

4 Een leerling wordt bevorderd naar het volgende leerjaar indien:

a. hij aan de vereiste handelingsdelen heeft voldaan, en;

b. de lijst van eindcijfers voldoet aan de volgende criteria:

i. alle eindcijfers zijn zes of hoger, of:

ii. er is één eindcijfer vijf en alle overige eindcijfers zijn zes of hoger, of;

iii. er is één vier en alle overige eindcijfers zijn zes of hoger en het gemiddelde van de eindcijfers bedraagt tenminste 6,0, of;

iv. er zijn twee onvoldoendes -twee vijven of één vijf en één vier- en alle overige eindcijfers zijn zes of hoger en het gemiddelde van de eindcijfers is gelijk aan 6,0.

5. De docentenvergadering kan in uitzonderingsgevallen leerlingen bevorderen die niet voldaan hebben aan het gestelde in lid 4, mits aan de eindcijfers niet meer dan twee punten ontbreken om te voldoen aan de in lid 4 geformuleerde eisen.

(…..).”

2.5. Artikel 12 van het PTA luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ Artikel 12 Herkansing toetsen schoolexamen

(…..)

4. De kandidaat heeft het recht iedere toets van het schoolexamen te herkansen waaraan hij door ziekte of ten gevolge van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet in staat was deel te nemen.

(…..).”

2.6. [eiser] heeft op zijn eindcijferlijst drie vijven voor de vakken Economie, Wiskunde A en M&O. Hij heeft geen cijfers hoger dan 6, zodat hij geen compensatiepunten heeft. Hierdoor voldoet [eiser] niet aan de overgangsnorm zoals neergelegd in artikel 9 lid 4 van het PTA.

2.7. [eiser] is op 28 juni 2010 medegedeeld dat hij niet is bevorderd naar 6 VWO.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, het Montessori-Lyceum te gebieden dat zij binnen één dag na het ten deze te wijzen vonnis, [eiser] in de gelegenheid stelt om de toets Frans van 18 mei 2010 en het examen Economie van 24 juni 2010 te herkansen binnen één week na de betekening van het ten deze te wijzen vonnis en bij voldoende resultaat waardoor [eiser] niet meer dan twee onvoldoendes heeft met twee tekorten doch slechts één compensatiepunt hiervoor, [eiser] te bevorderen naar 6 VWO, onder oplegging van een dwangsom van EUR 500,00 voor iedere dag dat niet aan dit vonnis is voldaan althans iedere beslissing te nemen die in goede Justitie zal behoren te zijn, met veroordeling van het Montessori-Lyceum in de kosten van deze procedure.

3.2. Het Montessori-Lyceum voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1. Het door het Montessori-Lyceum niet betwiste spoedeisend belang, vloeit voort uit de aard van de vordering.

Toetsingskader

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de docentenvergadering van het Montessori-Lyceum op grond van artikel 9 lid 5 van het PTA een grote mate van vrijheid heeft bij de beoordeling of leerlingen die niet voldoen aan artikel 9 lid 4 van het PTA desalniettemin kunnen worden bevorderd naar een volgend leerjaar. Of de docentenvergadering in het geval van [eiser] op juiste wijze invulling heeft gegeven aan deze beoordelingsvrijheid, kan door de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding slechts terughoudend worden getoetst. Hierbij spelen immers aspecten een rol, zoals het niveau van de kennis van de leerling en diens vooruitzichten voor het volgende schooljaar, die uitsluitend door de docenten kunnen worden ingeschat. Dit brengt mee dat voor rechterlijk ingrijpen in dit kort geding enkel plaats is, indien voldoende aannemelijk is dat (de docentenvergadering van) het Montessori-Lyceum de regels van het PTA op onjuiste wijze heeft toegepast dan wel, binnen de haar toekomende beoordelingsvrijheid, in redelijkheid niet tot haar oordeel heeft kunnen komen.

Grondslag vordering

4.3. [eiser] baseert zijn vordering, voor zover deze ziet op de herkansingen, op artikel 12 lid 4 van het PTA. Op grond van dit artikel dient hij zijns inziens in de gelegenheid te worden gesteld de toetsen voor de vakken Frans en Economie te herkansen. Indien hij deze herkansingen met goed gevolg zou afleggen, zou er één onvoldoende op zijn cijferlijst komen te vervallen (een zes in plaats van een vijf voor Economie) en één compensatiepunt bijkomen (een zeven in plaats van een zes voor Frans). Volgens [eiser] is hem door zijn mentor en ook door andere docenten, bevestigd dat hij in dat geval, ondanks het niet voldoen aan artikel 9 lid 4 van het PTA, zou worden bevorderd naar 6 VWO.

4.4. De vraag die thans eerst ter beoordeling aan de voorzieningenrechter voorligt, is of [eiser] op grond van artikel 12 lid 4 van het PTA recht heeft op een herkansing van de toets Frans d.d. 18 mei 2010 (4.5.) en de toets Economie d.d. 24 juni 2010 (4.6.).

Toets Frans

4.5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag of [eiser] door zijn moeder is afgemeld voor de toets -los van het feit dat beoordeling van deze vraag zich niet leent voor behandeling in kort geding, gezien het ontbreken van stukken waaruit de juistheid van het standpunt van één van de partijen kan worden afgeleid- voor de beantwoording van de onder 4.4. geformuleerde vraag niet relevant is. Het wel of niet afmelden voor een toets speelt immers geen rol bij de beoordeling of een leerling recht heeft op herkansing van een toets op grond van artikel 12 lid 4 van het PTA.

4.5.1. Op grond van artikel 12 lid 4 van het PTA heeft een leerling recht op een herkansing indien hij door ziekte of ten gevolge van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet in staat was aan de toets deel te nemen.

Volgens [eiser] is er sprake van een bijzondere, van zijn wil onafhankelijke omstandigheid aangezien hij op het moment van de toets Frans een reeds lang ingeplande behandeling bij de tandarts diende te ondergaan, die vanwege klachten geen uitstel kon leiden. Een nieuwe afspraak maken op korte termijn was vanwege de drukke agenda van de tandarts volgens [eiser] niet mogelijk.

4.5.2. Het reeds lang ingeplande tandartsbezoek kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangemerkt als een bijzondere, van [eisers] wil onafhankelijke omstandigheid. Hij wist immers ruim van tevoren dat de afspraak met de tandarts conflicteerde met een toetsmoment, zodat het op zijn weg had gelegen de afspraak te verzetten of tijdig met de docent Frans een ander toetsmoment overeen te komen, dan wel, bij gebleken onmogelijkheid van het verzetten van de afspraak en gebrek aan bereidheid van de docent Frans om een ander toetsmoment overeen te komen, voorafgaande aan de toetsdatum de bemiddeling van zijn mentor en/of de conrector in te roepen. Dat hij dit heeft nagelaten, duidt op een bewuste keuze, althans op onvoldoende zorgvuldigheid van zijn zijde.

De stelling dat het onmogelijk was een andere afspraak bij de tandarts te maken zonder dat dit zou leiden tot uitstel van maanden, acht de voorzieningenrechter, gezien de tijd die [eiser] had nadat hem was gebleken dat de afspraak en de toets op hetzelfde moment plaatsvonden, niet aannemelijk. Daar komt bovendien bij, dat niet blijkt dat [eiser] daadwerkelijk tijdig een andere afspraak bij de tandarts heeft geprobeerd te maken. Het had in de rede gelegen dat [eiser] zijn stellingen omtrent de tandartsafspraak jegens het Montessori-Lyceum -en ook jegens de voorzieningenrechter- zou ondersteunen aan de hand van een schriftelijke verklaring van de tandarts.

Het voorgaande brengt mee dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiser] geen recht toekomt op een herkansing van de toets Frans op grond van artikel 12 lid 4 van het PTA.

Toets Economie

4.6. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij te weinig tijd heeft gekregen voor de toets Economie. Hij had gerekend op de gebruikelijke anderhalf uur en werd er aan het begin van de toets mee geconfronteerd dat hij slechts 1 uur en 15 minuten de tijd had. Voorts was hij al aan de ‘foute opgaven’ begonnen (zie 2.3.) waardoor hij onzeker werd en nog meer in tijdnood kwam. De 0,3 punt is hiervoor te weinig compensatie.

4.7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] op grond van artikel 12 lid 4 van het PTA geen recht op herkansing toekomt, nu hij deze toets wel heeft gemaakt.

Daarnaast zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen gronden aanwezig die meebrengen dat het onthouden van een herkansing voor de toets Economie naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is. Het verweer van het Montessori-Lyceum, inhoudende dat voor deze toets in het programma zelfs maar 1 uur staat aangegeven, kan de voorzieningenrechter nu de relevante stukken niet zijn overlegd niet toetsen, maar acht de voorzieningenrechter niet op voorhand onaannemelijk. Daar komt bij, dat op het bord de tijd stond aangegeven en de surveillant deze ook nog heeft medegedeeld. Dat [eiser] onzeker werd van de vreemde uitkomsten op de ‘foute vragen’ is vervelend en niet onbegrijpelijk, doch de voorzieningenrechter acht een compensatie van 0,3 punt voor de verwarring niet onredelijk. In dit verband is van belang dat [eiser] niet heeft weersproken de stelling van het Montessori-Lyceum dat de leerlingen met de resterende vragen het maximale aantal punten konden behalen zodat de 0,3 punt werkelijk een compensatie voor de ontstane verwarring vormde.

Het voorgaande brengt mee dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiser] geen recht toekomt op een herkansing van de toets Economie.

4.8. Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiser] geen recht heeft op de herkansingen, dient de vordering te worden afgewezen.

Redelijkheidstoets

4.9. De voorzieningenrechter merkt nog op, dat zelfs indien hij van oordeel zou zijn geweest dat [eiser] recht heeft op herkansing van beide toetsen en indien [eiser] deze met goed gevolg zou afleggen, [eiser] nog steeds niet zou voldoen aan de eisen van artikel 9 lid 4 van het PTA en zodoende afhankelijk zou zijn van het oordeel van de docentenvergadering. Zoals aangegeven onder 4.2. heeft de docentenvergadering alsdan een grote mate van beoordelingsvrijheid en is de ruimte voor toetsing door de voorzieningenrechter zeer beperkt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn in het onderhavige geval geen omstandigheden aanwezig die het oordeel rechtvaardigen dat de docentenvergadering in redelijkheid niet zou kunnen besluiten om [eiser] niet te bevorderen naar klas 6 VWO indien hij de herkansingen met goed gevolg zou afleggen. De opmerking van de mentor onder het voorlaatste rapport, kan in ieder geval niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt. Deze opmerking is bemoedigend bedoeld, hetgeen ook past bij de rol van een mentor. Dat een dergelijke opmerking van een mentor of van een conrector geen bindende kracht heeft en dat het laatste woord ter zake van bijzondere omstandigheden

-“uitzonderingsgevallen” in de zin van artikel 9 lid 5 van het PTA- toekomt aan de docentenvergadering, is duidelijk en had [eiser] zich behoren te realiseren.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Montessori-Lyceum worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Montessori-Lyceum tot op heden begroot op EUR 1.079,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2010 in bijzijn van mr. L.A.W.B. van Lent, griffier.? 2168/1729