Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN2911

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
10/050053-99
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX3707, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord op echtgenoot in 1999. Openbaar Ministerie ontvankelijk. Overschrijding van de redelijke termijn leidt tot strafvermindering. Geen sprake van een doelbewuste en grove schending van de belangen van de verdachte gedurende de uitleveringsdetentie in Costa Rica.

De verdachte heeft haar echtgenoot uit de weg laten ruimen om zo de beschikking over een miljoenenerfenis te verkrijgen. Uiteindelijk heeft de verdachte, na eerdere pogingen daartoe, een ander bereid gevonden om haar moordplannen uit te voeren. Aldus heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewetenloze moord, waarbij het slachtoffer in de kelder van zijn winkel is doodgeschoten.

Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar ivm art. 63 Sr - veroordeling tot 2,5 jaar gevangenisstraf wegens een poging tot uitlokking van moord, welke straf op de thans op te leggen straf in mindering dient te worden gebracht - en overschrijding van de redelijke termijn waarvoor 6 maanden gevangenisstraf op de op te leggen straf in mindering wordt gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/050053-99

Datum uitspraak: 30 juli 2010

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

[detentieadres],

raadsman mr. P.J. Zandt, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op:

20 maart 2009, 5 juni 2009, 7 augustus 2009, 14 augustus 2009, 29 september 2009,

5 oktober 2009, 19 november 2009, 5 februari 2010, 12 februari 2010, 7 mei 2010 en 16 juli 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Lambrichts heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De raadsman heeft - zoals verwoord in zijn pleitnotities op pagina 2 tot en met 9 - primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu sprake is van een zeer aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, in combinatie met een bewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tijdens de uitleveringsdetentie.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de nieuwe bezwaren die het Openbaar Ministerie ten grondslag heeft menen te kunnen leggen aan de vordering GVO d.d. 10 maart 2006 geen nieuwe bezwaren zijn in de zin van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering, althans onvoldoende grond voor de heropening van de strafzaak zijn geweest, hetgeen eveneens tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou moeten leiden.

Subsidiair dienen de ernstige schending van de belangen van de verdachte alsmede de termijnoverschrijding te leiden tot een aanzienlijke strafcompensatie ex artikel 359a, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafvordering, aldus de raadsman.

Overschrijding van de redelijke termijn

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat eerder is geprobeerd om de verdachte ter zake van het onderhavige feit te vervolgen, maar dat dit destijds niet met succes is gebeurd. De zaak is na enkele jaren heropend. De redelijke termijn is naar de mening van het Openbaar Ministerie wel onder druk komen te staan, maar niet overschreden aangezien het een complexe zaak betrof waarbij het lastig bleek om al hetgeen dat nodig was voor de waarheidsvinding, bij elkaar te krijgen. Een deel van de opgelopen vertraging komt evenwel voor rekening van de verdachte aangezien zij er zelf voor heeft gekozen om naar Costa Rica te gaan.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden en bedraagt bij een gevangenisstraf of hechtenis niet méér dan de duur van de overschrijding van de redelijke termijn en in elk geval nooit meer dan zes maanden.

De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem/haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Artikel 6 EVRM dwingt niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt (zie Hoge Raad 17 juni 2008, NJ 2008, 358).

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen met de aanhouding van de verdachte op 16 oktober 2000, waarna de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld. Aan de handelingen vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte tot het moment van haar aanhouding, waaronder het eerste verhoor van de verdachte op 20 september 1999, had de verdachte nog niet de verwachting kunnen ontlenen, dat tegen haar ter zake van de aan haar tenlastegelegde feiten door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld.

Vervolgens is het processuele verloop van de zaak als volgt geweest:

• op 23 januari 2001 vond de eerste pro forma behandeling ter terechtzitting plaats. De dagvaarding bestond op dat moment uit drie feiten, te weten - kort samengevat -:

- feit 1 - medeplegen van moord op [het slachtoffer], subsidiair uitlokking van die moord, op 9 september 1999;

- feit 2 - poging uitlokking moord omstreeks het jaar 1998;

- feit 3 - oplichting van [dochter van slachtoffer], gepleegd in de periode september-oktober 1999;

• op 18 april 2001 vond de tweede pro forma behandeling ter terechtzitting plaats;

• op 28 juni 2001 vond de derde pro forma behandeling ter terechtzitting plaats, waarbij de voorlopige hechtenis van de verdachte is opgeheven, omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen ernstige bezwaren meer waren;

• op 10 juni 2002 heeft de rechtbank op vordering van het Openbaar Ministerie feit 1 van de dagvaarding afgesplitst. Het parket heeft het dossier gesplitst. Met het oog op de reeds lopende (internationale) onderzoeken behield feit 1 het parketnummer 10.050053-99. Dit betreft de onderhavige strafzaak. Met betrekking tot de feiten 2 en 3 werd een nieuw dossier aangemaakt onder parketnummer 10.050059-03. Van dit nieuwe dossier is de ondergane voorlopige hechtenis onderdeel geworden;

• op 26 januari 2004 is de nadere behandeling van de feiten 2 en 3 ter terechtzitting voortgezet;

• op 9 februari 2004 heeft deze rechtbank vonnis gewezen en de verdachte voor beide feiten in de zaak met parketnummer 10.050059-03 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van de tijd die zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

• op 16 september 2005 heeft de rechtbank, op verzoek van de verdediging, de zaak met parketnummer 10.050053-99, waarin verdachte werd vervolgd voor kort gezegd de moord op [slachtoffer], tegen de verdachte geëindigd verklaard;

• op 1 februari 2006 heeft het Openbaar Ministerie een internationaal rechtshulpverzoek gericht aan de autoriteiten te Costa Rica om toestemming te krijgen getuigen te horen;

• op 10 maart 2006 heeft het Openbaar Ministerie de rechter-commissaris gevorderd een GVO te openen wegens nieuwe bezwaren, welke vordering op 27 april 2006 werd toegewezen;

• op 12 juni 2006 heeft het Openbaar Ministerie aan de Costa Ricaanse autoriteiten verzocht om aanhouding en uitlevering van de verdachte aan de Nederlandse autoriteiten;

• op 21 maart 2007 is door het Openbaar Ministerie het strafdossier van de verdachte aan de Costa Ricaanse Hoge Raad van Justitie gezonden;

• op 10 maart 2008 is de verdachte door de Costa Ricaanse autoriteiten aangehouden ter fine van uitlevering aan Nederland;

• op 11 maart 2008 heeft de rechtbank te Guanacaste vonnis gewezen en de uitlevering van de verdachte toegewezen. De verdachte opteerde voor de verkorte procedure;

• op 31 maart 2008 werd door het Openbaar Ministerie een aanvullend uitleveringsverzoek bij de Costa Ricaanse autoriteiten ingediend voor de zaak met parketnummer 10.050059-03 (de poging tot uitlokking van moord en de oplichting), die inmiddels in hoger beroep werd behandeld;

• op 10 oktober 2008 is door de rechtbank in Guanacaste het verzoek om uitlevering ter zake de poging tot uitlokking van moord ongegrond verklaard (wegens het ontbreken van de dubbele strafbaarheid);

• op 10 november 2008 heeft het Openbaar Ministerie de Costa Ricaanse autoriteiten verzocht het verzoek om uitlevering van de verdachte aan Nederland in zijn geheel als ingetrokken te beschouwen;

• op 8 december 2008 is de verdachte in Costa Rica in vrijheid gesteld;

• op 17 maart 2009 is de verdachte op de luchthaven van Frankfurt door de Duitse autoriteiten aangehouden. Verdachte heeft met betrekking tot de overlevering aan Nederland geopteerd voor de verkorte procedure;

• op 19 maart 2009 is de verdachte op Schiphol gearriveerd en aangehouden;

• op 20 maart 2009 is de behandeling ter terechtzitting door deze rechtbank van de zaak met parketnummer 10.050053-99 (medeplegen dan wel uitlokking van de moord op [het slachtoffer]), voortgezet en is de gevangenneming van de verdachte bevolen;

• op 5 juni 2009 is de behandeling ter terechtzitting door deze rechtbank voortgezet in een pro forma zitting;

• op 6 juli 2009 heeft het Hof ’s-Gravenhage arrest gewezen in de zaak met parketnummer 10.050059-03 en de verdachte van de oplichting vrijgesproken en ter zake van - kort gezegd - de poging tot uitlokking van moord in 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad heeft in deze zaak op 1 juni 2010 geconcludeerd. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen;

• op 7 augustus 2009 zijn [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] ter terechtzitting van deze rechtbank als getuigen gehoord;

• op 14 augustus 2009 zijn [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] ter terechtzitting van deze rechtbank als getuigen gehoord;

• op 29 september 2009 is [getuige 7] ter terechtzitting van deze rechtbank als getuige gehoord;

• op 5 oktober 2009 is de behandeling van de zaak voortgezet en is deze rechtbank door de verdediging ter terechtzitting gewraakt. Dit wrakingsverzoek is door de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 6 oktober 2009 afgewezen;

• op 19 november 2009 is de behandeling voortgezet en is door deze rechtbank besloten dat de getuigen [getuige 8] en [getuige 9] door een rogatoire commissie in Costa Rica dienden te worden gehoord;

• op achtereenvolgens 5 februari 2010, 12 februari 2010, 7 mei 2010 en 16 juli 2010 is de behandeling ter terechtzitting door deze rechtbank voortgezet.

De rechtbank maakt ten aanzien van de redelijke termijn onderscheid tussen de periode vóór de geëindigd verklaring van de zaak met parketnummer 10.050053-99 (medeplegen dan wel uitlokking van de moord op [het slachtoffer]) op 16 september 2005 en de periode daarna. Immers na 16 september 2005 was de strafzaak voor verdachte beëindigd en hoefde zij er geen rekening meer mee te houden dat zij (opnieuw) vervolgd zou worden voor deze strafzaak. Dat is pas anders geworden, toen de zaak heropend werd op 27 april 2006, omdat de verdachte toen opnieuw onder de dreiging van een strafvervolging voor deze zaak kwam te leven.

Ten aanzien van de eerste periode stelt de rechtbank vast dat tussen de aanhouding van de verdachte op 16 oktober 2000 en de geëindigd verklaring op 16 september 2005 een periode van bijna vijf jaar is verstreken. De redelijke termijn van twee jaar, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, is derhalve overschreden. Daarbij is de rechtbank, anders dan de verdediging, evenwel van oordeel dat het strafrechtelijk onderzoek nooit volledig heeft stilgelegen. Bovendien neemt de rechtbank in aanmerking dat het een omvangrijk onderzoek betreft, waarin een gerechtelijk vooronderzoek is geopend, meer dan tien verschillende personen op enig moment als verdachte zijn aangemerkt en zeer uitvoerig onderzoek is gedaan. Het totale strafdossier beslaat 17 ordners. Daarnaast geldt dat de verdachte vanaf 28 juni 2001 in vrijheid was, omdat de rechtbank van oordeel was dat er geen ernstige bezwaren meer waren. Weliswaar was er vanaf dat moment tot aan 16 september 2005 nog immer de theoretische mogelijkheid dat de verdachte verder zou worden vervolgd, maar erg kansrijk zou een dergelijke vervolging bij die stand van zaken niet zijn geweest, hetgeen ook de verdediging geweten moet hebben. De zaak is dan ook niet voor niets op 16 september 2005 geëindigd verklaard.

Ten aanzien van de tweede periode, vanaf 27 april 2006, overweegt de rechtbank als volgt.

De periode vanaf de heropening van de strafzaak - waarbij overigens zij opgemerkt dat uit het dossier niet duidelijk is geworden of de verdachte, die zich op dat moment in Costa Rica bevond, ook daadwerkelijk al op 27 april 2006 van deze heropening in kennis is gesteld - tot aan het vonnis van deze rechtbank bedraagt vier jaar en vier maanden. Ook dit levert een overschrijding op van de redelijke termijn. Daarbij neemt de rechtbank evenwel in aanmerking dat deze vertraging grotendeels aan de verdachte zelf is te wijten. Immers, de verdachte heeft zich na haar veroordeling op 9 februari 2004 in de strafzaak met parketnummer 10/050059-03, op 27 juni 2004 in Costa Rica gevestigd. Ook toen eenmaal duidelijk was dat het Openbaar Ministerie de vervolging tegen de verdachte wilde voortzetten en om haar uitlevering zou vragen, is de verdachte niet vóór de uitleveringsdetentie uit eigen beweging naar Nederland teruggekeerd. Daardoor kon haar berechting, mede gelet op het verzoek van de verdediging om de zaak niet buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen, niet worden doorgezet. Dat de verdachte zich in het buitenland wilde vestigen in verband met de publiciteit rondom deze strafzaak en omdat zij niet wilde dat haar dochter hierop werd aangesproken, is op zich wellicht begrijpelijk. Echter, dit neemt niet weg dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust voor Costa Rica heeft gekozen, nu Nederland met Costa Rica geen uitleveringsverdrag of andere rechtshulpverdragen heeft. Het is in zoverre dus aan de verdachte zelf te wijten dat haar strafproces in deze tweede fase zolang heeft geduurd.

Voorts heeft het proces de nodige vertraging opgelopen doordat er, grotendeels op verzoek van de verdediging, veel getuigen zijn gehoord, de verdediging ter terechtzitting van 5 oktober 2009 de rechtbank heeft gewraakt en er, middels een rogatoire commissie, twee getuigen dienden te worden gehoord in Costa Rica.

De rechtbank ziet in het vorenstaande reden om een strafvermindering toe te passen van zes maanden gevangenisstraf.

Is er sprake van een doelbewuste en grove schending van de belangen van de verdachte gedurende de uitleveringsdetentie?

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - kort samengevat - betoogd dat, gelet op de schrijnende gezondheidstoestand van de verdachte, voor het Openbaar Ministerie alle reden bestond om het gedane uitleveringsverzoek d.d. 12 juni 2006 in te trekken dan wel op 31 maart 2008 geen aanvullend uitleveringsverzoek bij de Costa Ricaanse autoriteiten in te dienen voor de zaak in hoger beroep (te weten de poging tot uitlokking van moord en de oplichting). Door de handelwijze van het Openbaar Ministerie heeft de uitleveringsprocedure onredelijk lang geduurd en is de verdachte gedurende een zeer lange periode onnodig ernstige schade aan haar gezondheid toegebracht. Dit terwijl bij het Openbaar Ministerie op 31 maart 2008 bekend was dat de verdachte tijdens de uitleveringsdetentie ernstig ziek was geworden door een verwaarloosde darmperforatie, waardoor zij zo spoedig mogelijk vrijwillig naar Nederland wenste te komen. Dit handelen van het Openbaar Ministerie dient te worden aangemerkt als een bewuste en ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde en dient - mede in samenhang bezien met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn - te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie vindt het betreurenswaardig dat de gezondheid van de verdachte schade heeft opgelopen tijdens haar detentie in Costa Rica, maar dat het Openbaar Ministerie de uitleveringsdetentie niet bewust onnodig heeft laten voortduren. Door het Openbaar Ministerie mocht rekening worden gehouden met het maatschappelijk belang dat was gediend met vervolging van de verdachte voor de twee feiten in hoger beroep. Op basis van de stukken meent het Openbaar Ministerie dat de verdachte waarschijnlijk al met een verwaarloosde darmontsteking in detentie is gegaan en dat haar gezondheidstoestand tijdens haar uitleveringsdetentie is verslechterd. Hiervan kan het Openbaar Ministerie evenwel geen verwijt worden gemaakt. Het verwijt kan zeker niet zover reiken dat sprake is van een bewuste, grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. Eerdere intrekking van het uitleveringsverzoek of het niet aanvullen van het uitleveringsverzoek zou betekenen dat het Openbaar Ministerie geen invloed meer zou hebben op de komst van de verdachte naar Nederland.

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling van het verweer van de raadsman is van belang of er sprake is geweest van een zodanig ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat dit tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie dient te leiden (Hoge Raad 19 december 1995, NJ 1996, 249, “Zwolsman”). Een dergelijke sanctie is aan de orde indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dat zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. In deze zaak is van een zodanig ernstige schending naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Daartoe is het volgende redengevend.

De rechtbank stelt voorop dat - zoals hiervoor reeds is overwogen - de verdachte zich na haar veroordeling op 9 februari 2004, op 27 juni 2004 bewust in Costa Rica heeft gevestigd, welk land geen uitleveringsverdrag met Nederland heeft. Het feit dat het Openbaar Ministerie op 12 juni 2006 aan de Costa Ricaanse autoriteiten heeft verzocht om aanhouding en uitlevering van de verdachte, is dan ook een omstandigheid die voor rekening en risico van de verdachte komt. Op 21 maart 2007 is door het Openbaar Ministerie het strafdossier van de verdachte aan de Costa Ricaanse Hoge Raad van Justitie gezonden, maar eerst bijna een jaar later - te weten op 10 maart 2008 - werd de verdachte door de Costa Ricaanse autoriteiten aangehouden ter fine van uitlevering aan Nederland. De verdachte heeft dus bijna een jaar lang - hoewel daartoe in de gelegenheid - nagelaten vóór haar aanhouding in Costa Rica uit eigen beweging naar Nederland terug te keren.

Nog daargelaten dat voor het Openbaar Ministerie niet voorzienbaar was dat een uitleveringsdetentie dusdanige gevolgen voor de gezondheidstoestand van de verdachte zou hebben als thans is gebleken, hoefde het Openbaar Ministerie - toen het op 31 maart 2008 een aanvullend uitleveringsverzoek indiende - niet uitsluitend de gezondheidstoestand van de verdachte in aanmerking te nemen. Het Openbaar Ministerie mocht rekening houden met het maatschappelijk belang dat met de vervolging van de verdachte ten aanzien van de zaak in hoger beroep (de poging tot uitlokking van moord en de oplichting) was gediend. Intrekking van het uitleveringsverzoek door het Openbaar Ministerie zou ertoe hebben geleid dat de verdachte in vrijheid zou zijn gesteld. Of de verdachte dan vrijwillig naar Nederland zou zijn gekomen, is maar zeer de vraag. Immers, de verdachte is op 8 december 2008 door de Costa Ricaanse autoriteiten in vrijheid gesteld, maar de verdachte is pas ruim drie maanden later, te weten op 17 maart 2009, naar Frankfurt (Duitsland) gereisd. Of de verdachte, zoals door de raadsman is gesteld, vanuit Frankfurt naar Nederland wilde afreizen onder andere om alhier de zittingen te kunnen bijwonen en zich met haar dochter te herenigen, staat niet vast. Haar dochter bevond zich reeds sinds maart 2008 in Nederland, zodat niet valt uit te sluiten dat de verdachte uitsluitend naar West-Europa is afgereisd, omdat zij vanwege een darmperforatie een operatieve ingreep diende te ondergaan. Wat hier ook van zij, in ieder geval zou het Openbaar Ministerie bij een intrekking van het uitleveringsverzoek geen invloed meer kunnen uitoefenen op een komst van de verdachte naar Nederland.

Het niet aanvullen van het uitleveringsverzoek door het Openbaar Ministerie zou tot gevolg hebben gehad dat vervolging van de zaak in hoger beroep voor de poging tot uitlokking van moord en de oplichting niet mogelijk zou zijn, nu de Costa Ricaanse autoriteiten aan de uitlevering het specialiteitsbeginsel hadden verbonden. Wachten met bedoelde aanvulling totdat de verdachte in Nederland zou zijn was kennelijk een optie met te weinig zekerheid dat in de aanvulling van het uitleveringsverzoek zou worden bewilligd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het Openbaar Ministerie geen zwaarwegend verwijt worden gemaakt dat niet is voorzien dat uitlevering voor het feit ‘poging tot uitlokking van moord’ mogelijk op juridische gronden (het ontbreken van de dubbele strafbaarheid) door de Costa Ricaanse autoriteiten niet zou worden toegestaan. In de afweging van de aspecten ‘de gezondheidstoestand van de verdachte’ enerzijds en ‘de vervolging van de verdachte’ anderzijds, heeft het Openbaar Ministerie kunnen komen tot het besluit om het gedane uitleveringsverzoek te handhaven en aan te vullen. Dat op 10 november 2008 het uitleveringsverzoek alsnog is ingetrokken, doet aan het voorgaande niet af.

Het beroep op niet-ontvankelijkheid wegens een doelbewuste en grove veronachtzaming van verdachtes belangen wordt op bovenstaande gronden verworpen. Dit wordt niet anders wanneer daarbij de overschrijding van de redelijke termijn wordt betrokken.

Is er sprake van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering?

Standpunt van de verdediging

Naar het oordeel van de raadsman is bij het verzoek om heropening van de zaak in 2006 geen sprake geweest van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering. Dit zou tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten leiden.

Ter adstructie van dit standpunt stelt de raadsman dat de gehoorde getuigen allen reeds eerder zijn gehoord en herhalen wat zij eerder hebben verklaard en daar waar getuigen anders verklaren dit volledig is ontleend aan informatie afkomstig van de [getuige 8], dat de verklaring van [getuige 8] de facto de enige verklaring vormt op grond waarvan door het Openbaar Ministerie heropening van het onderzoek is verzocht, terwijl de verklaring van [getuige 8] geen steun vindt in ander (objectief) bewijs, [getuige 8] leugenachtig heeft verklaard en zijn verklaringen door de verdachte uitdrukkelijk worden betwist.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek nooit helemaal heeft stilgelegen. Als daartoe aanleiding bestond werden (nieuwe) getuigen (opnieuw) gehoord. In het najaar van 2005 hebben diverse nieuwe getuigen verklaringen afgelegd. Op 26 januari 2006 ontving het onderzoeksteam informatie van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), Dienst Internationale Netwerken (DIN), afkomstig van Interpol Costa Rica. Naar aanleiding van deze informatie heeft het Openbaar Ministerie op 1 februari 2006 een internationaal rechtshulpverzoek gericht aan de autoriteiten te Costa Rica om toestemming te krijgen getuigen te horen. De nieuwe bezwaren hebben ertoe geleid dat het Openbaar Ministerie op 10 maart 2006 de rechter-commissaris heeft gevorderd een GVO te openen. De vordering is toegewezen op 27 april 2006.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de heropening van de strafzaak tegen de verdachte op 27 april 2006, is de rechtbank van oordeel dat nieuwe bezwaren bekend waren geworden, zoals de verklaring die de [getuige 8] in maart 2006 in het tv-programma van [getuige 5] heeft afgelegd, waarin hij voor het eerst duidelijk en stellig heeft verteld wat de rol van de verdachte bij de dood van haar echtgenoot is geweest. Het verweer van de raadsman dat de zaak destijds ten onrechte is heropend, wordt derhalve verworpen. Het feit dat [getuige 8] nadien in een radio-interview met een verslaggever van radio Rijnmond op deze verklaring is teruggekomen, doet hieraan niet af. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 8] verwijst de rechtbank naar de hierna volgende overwegingen onder het kopje “(On)Betrouwbaarheid van de getuigen”.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verweer van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in al zijn onderdelen dient te worden verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 09 september 1999 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon

genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers hebben verdachte en/of haar mededader

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [het slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Achtergronden

Op donderdag 9 september 1999 te 15.29 uur is via de "1-1-2 centrale" in de gemeente Driebergen een telefonische melding binnengekomen. De beller deelde mede dat er in de [adres winkel slachtoffer], in de zaak [naam zaak slachtoffer], iemand dood lag of dood lag te gaan.

Op donderdag 9 september 1999, omstreeks 15:33 uur, werd in de kelderruimte van zijn winkel aan de [adres winkel slachtoffer], het stoffelijke overschot aangetroffen van [het slachtoffer], zijnde de echtgenoot van de verdachte. Het slachtoffer lag op zijn linkerzijde en om zijn hoofd lag een grote hoeveelheid bloed en doorzichtige vloeistof. Ook liep er bloed uit de neusopeningen van het slachtoffer.

Op 9 september 1999 is door de technische recherche een onderzoek ingesteld op de plaats delict. Uit het proces-verbaal Technische Recherche d.d. 13 december 1999 komt onder andere naar voren dat:

"- niets erop duidt dat er tussen het slachtoffer en de dader een hevige worsteling heeft plaatsgehad;

- het slachtoffer is neergeschoten in de ruimte waar hij werd aangetroffen;

- de patroonhuls na het schietincident is meegenomen, dan wel dat het vuurwapen de huls niet heeft uitgeworpen;

- op het slachtoffer is geschoten van een afstand niet groter dan een meter;

- het zeer aannemelijk is dat de sigarettenpeuk (Chesterfield T-40) op donderdag 9 september 1999 tussen 14.50 uur en 15.50 uur en mogelijk door de dader in de wc-pot is geplaatst.

Op 10 september 1999 werd gerechtelijke sectie verricht op het stoffelijk overschot van de overledene. De sectie had aangetoond dat het slachtoffer was overleden tengevolge van een schotwond in het hoofd. De kogel was het hoofd aan de linkerzijde net boven het oor binnengedrongen. In de hersenen van het slachtoffer werd een kogel vermoedelijk van het kaliber 7.65 millimeter aangetroffen en veilig gesteld.

Uit het definitieve sectierapport d.d. 5 november 1999 komt naar voren dat bij de gerechtelijke sectie het navolgende is gebleken:

A1. Eén schotkanaal, met inschotopening voorwaarts van het linkeroor, en tot aan een kogel in de rechtervoorhoofdskwab van de grote hersenen.

2. In het kader van de schotverwonding sub A1., beschadiging van onder meer schedel en hersenen.

3. Bloeding in de weefsels rond het schotkanaal. Bloed in de hersenkamers. Stolsels tussen het harde en de zachte hersenvliezen.

B. Geen aanwijzingen dat ziekelijke orgaanafwijkingen ten aanzien van het intreden van de dood van betekenis geweest zijn.

Bij sectie bleek het schotkanaal sub A1, 2. De sectiebevindingen wijzen op geraakt worden door één kogel, blijkens de bevindingen sub A3 bij leven. De inschotopening en haar omgeving toonden het beeld van een korte schootafstand.

Het oplopen van de schotverwonding aan het hoofd heeft de dood tot gevolg gehad, op basis van orgaan- en weefselbeschadiging van met name schedel en hersenen, met bloedverlies.

Blijkens proces-verbaal AH/14 is op de kassarol van de kassa in winkel [naam winkel slachtoffer] de laatste aanslag op de kassa geregistreerd op 9 september 1999 te 15.03 uur. Er werd geen geldbedrag geregistreerd.

Blijkens proces-verbaal AH/68, inhoudende een relaas over de kassa in [naam winkel slachtoffer] waren na opening van de kassa op 11 september 1999 geen bankbiljetten aanwezig.

Blijkens de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon met nummer [nummer] van [de medeverdachte] heeft de verdachte op 9 september 1999 omstreeks 12.53uur met het telefoonnummer [nummer] naar het telefoonnummer van [de medeverdachte] gebeld. Via de zendmast op de Ceintuurbaan te Rotterdam krijgt verdachte contact met [de medeverdachte], die contact krijgt via zendmast op de Van Weerden Poelmansweg, Rotterdam. Blijkens die telefonische verkeersgegevens heeft [de medeverdachte] met voornoemd telefoonnummer op 9 september 1999 om 13.44 uur naar voornoemd telefoonnummer van de verdachte gebeld. Via de zendmast op het Stadhoudersplein, Rotterdam krijgt [de medeverdachte] contact met de verdachte, die contact krijgt via de zendmast op de Generaal Spoorlaan 2 te Rijswijk.

Omstreeks 13.00 uur is verdachte met [getuige 1] vanuit de winkel [naam winkel slachtoffer] elk met eigen auto naar de loods in Nootdorp vertrokken.

Heeft de verdachte haar echtgenoot om het leven laten brengen?

BEWIJSVERWEREN

Door de raadsman is ter terechtzitting bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van elke betrokkenheid bij de dood van [het slachtoffer] en daarmede van het haar ten laste gelegde feit, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Direct en objectief bewijs waaruit blijkt dat verdachte aan [de medeverdachte] de opdracht heeft gegeven om [het slachtoffer] van het leven te beroven en [de medeverdachte] die opdracht heeft uitgevoerd, ontbreekt.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat het bewijs in deze zaak in belangrijke mate rust op de door [getuige 8], afgelegde verklaringen. Deze verklaringen zijn echter zodanig wisselend en verschillend over de betrokkenheid van de verdachte bij de moord op [het slachtoffer], terwijl [getuige 9] bovendien aantoonbaar heeft gelogen en zijn verklaringen heeft ingekleurd aan de hand van politieinformatie, dat zijn verklaringen als onbetrouwbaar en ongeloofwaardig moeten worden aangemerkt en deswege moeten worden uitgesloten van het bewijs. Ook de verklaringen van [getuige 4], dienen volgens de raadsman als onbetrouwbaar te worden aangemerkt en dienen evenzeer om die reden te worden uitgesloten van het bewijs. De overige door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen zijn volgens de verdediging niet meer dan speculaties, veronderstellingen, circumstantial evidence, mede gebaseerd op onbetrouwbare getuigen en de auditu-verklaringen, en voorts is sprake van een tunnelvisie bij de opsporing. De verdediging heeft verder alternatieve scenario's geschetst ter verklaring van de dood van [het slachtoffer], scenario's die op basis van het dossier niet kunnen worden uitgesloten

(“ Meer en Vaart”).

1. Tunnelvisie?

Door verdachte is bij herhaling tijdens het proces naar voren gebracht dat politie en justitie last hebben gehad van een tunnelvisie bij de opsporing naar degene die [het slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het onderzoek zou zich uitsluitend op verdachte en haar doen en laten hebben gericht. De rechtbank deelt die opvatting niet. Raadpleging van het dossier in deze zaak leert dat behalve verdachte in deze zaak (ooit) als verdachten, welke soms ook in hechtenis zijn genomen, zijn aangemerkt en verhoord:

[medeverdachgte],

[getuige 11],

[getuige 8],

[getuige 7],

[getuige 12],

[getuige 13],

[getuige 14],

[getuige 15],

[getuige 16] en

[getuige 17].

Deze lijst leert dat de opsporing kennelijk zoveel mogelijkheden heeft nagegaan en nagespeurd dat niet gesproken van worden van een tunnelvisie waarin uitsluitend verdachte werd gezien als degene die verantwoordelijk zou zijn voor het overlijden van het slachtoffer.

Dit verweer wordt dan ook verworpen.

2. (On) Betrouwbaarheid van de getuigen.

De rechtbank stelt het volgende vast.

[getuige 8] heeft in het kader van het onderzoek naar de moord op [het slachtoffer] vanaf 20 september 1999 diverse verklaringen afgelegd zowel bij de politie, als bij brief van 1 februari 2006 gericht aan “de heren van de rechtbank”, in een op 31 maart 2006 uitgezonden tv-programma van [getuige 5] en twee radio-interviews voor Radio Rijnmond in 2008 en 2009, ter terechtzitting afgespeeld, en bij de rechter-commissaris, in het kader van een rogatoire commissie uitgevoerd te Costa Rica op 23 juni 2010.

De rechtbank overweegt dat gelet op de inhoud van al die verklaringen van [getuige 8] deze kritisch moeten worden bekeken, nu de verklaringen van [getuige 8] niet steeds op alle onderdelen gelijkluidend zijn. Echter, op belangrijke onderdelen wijken die verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet van elkaar af. Met name ten aanzien van zijn verklaring dat verdachte achter de moord op [het slachtoffer], heeft [getuige 8] consistent en consequent verklaard en komen zijn verklaringen met elkaar overeen. In zijn verklaringen bij de rechter-commissaris bij de rogatoire commissie heeft [getuige 8] gedetailleerd verklaard over wat hij van de verdachte zelf heeft vernomen over de dood van [het slachtoffer]. Tijdens dit verhoor heeft [getuige 8] zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaringen in grote lijnen bevestigd dat het de verdachte is die achter de dood van [het slachtoffer] zit.

Daar komt bij dat [getuige 8] een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn eerdere somtijds wisselende verklaringen, namelijk dat hij in deze zaak zelf als verdachte door het Openbaar Ministerie was aangemerkt, dat hij deswege reeds eerder in voorarrest heeft gezeten en dat hij eerder is opgepakt en in bewaring is gesteld toen hij had aangegeven te willen verklaren. Betrokken wordt ook dat [getuige 8] eerst voluit, bij de rogatoire commissie, is gaan verklaren nadat door het Openbaar Ministerie bij brief van 7 april 2010 is meegedeeld dat hij in deze zaak niet vervolgd zal worden, en hem dit bericht via zijn raadsman ter kennis is gebracht.

Voorts vinden de verklaringen van [getuige 8] op belangrijke onderdelen steun in de inhoud van de verklaringen die daarover door de [getuige 4] bij de politie en ter terechtzitting zijn afgelegd. Immers, zowel getuige [getuige 8] als [getuige 4] hebben verklaard dat verdachte tijdens de vakantie in Frankrijk augustus 1999 sprak over het doden van [het slachtoffer]. Ook wordt de verklaring van [getuige 8] dat zij over het doden van [het slachtoffer] eerder had gesproken met [getuige 15] bevestigd door [getuige 15] alsook door [getuige 18]. [Getuige 2] bevestigt tenslotte dat zij verdachte weleens een opmerking heeft horen maken waaruit zou kunnen blijken dat zij en [getuige 8] van plan waren [het slachtoffer] om te brengen.

Ten aanzien van [getuige 4] overweegt de rechtbank voorts dat de reden die wordt opgegeven voor het vermeende leugenachtig verklaren van deze getuige kennelijk zou zijn gelegen in het feit dat [getuige 4] wrok en rancune koestert tegen de verdachte omdat de verdachte ooit zou hebben geweigerd [getuige 4] financieel te steunen en omdat de verdachte in haar jeugd werd voorgetrokken. Het komt de rechtbank onnavolgbaar en onwaarschijnlijk voordat iemand om voornoemde redenen haar zus jarenlang, niet alleen bij de politie, maar ook onder ede ter terechtzitting, valselijk van een van de ernstigste misdrijven dat het Wetboek van Strafrecht kent, zou beschuldigen.

Verder wordt in aanmerking genomen dat de verdachte niet alleen ten aanzien van de getuigen [getuige 8] en [getuige 4], maar terzake nagenoeg iedere belastende getuige in het dossier, heeft verklaard dat dit is geschied omdat de betrokken getuige een hekel aan haar heeft. Daarbij wordt opgemerkt dat een aantal van deze getuigen elkaar niet of nauwelijks kent. Bovendien hebben bijvoorbeeld de getuigen [getuige 1] en [getuige 6] naar het oordeel van de rechtbank geen enkel belang om in het nadeel van verdachte te verklaren. [getuige 7] had weliswaar een financieel belang, maar hij heeft hierover als getuige ter terechtzitting in alle openheid verklaard. Hetgeen verdachte over hem heeft gezegd, te weten dat hij zakelijk zou zijn uitgesloten door [het slachtoffer], stemt bovendien niet overeen met objectieve gegevens .

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige 8] en [getuige 4] aangaande de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [het slachtoffer] zodanig betrouwbaar moeten worden geacht dat deze aan de bewijsvoering ten grondslag kunnen worden gelegd.

Het verzoek om hun verklaringen uit te sluiten van het bewijs, wordt dus niet gevolgd.

3. Bewijs uit één bron?

Door de verdediging wordt gesteld dat het bewijs tegen verdachte uit slechts één bron komt, te weten [getuige 8], en dat een bewezenverklaring dus in strijd met het bepaalde in artikel 342, tweede lid Wetboek van Strafvordering zou zijn.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de toepassing van voornoemd artikel (HR 15 juni 2010, nr 08/02232, NJB 2010/1357). Slechts in concrete gevallen kan dat. In het hiervoor genoemd geval werd beslist dat indien de overige bewijsmiddelen voldoende steun geven aan de verklaring van die enkele getuige, niet in strijd met artikel 342, tweede lid Wetboek van Strafvordering, wordt beslist. Niet gezegd is – anders dan de verdediging kennelijk wil doen geloven – dat die overige bewijsmiddelen geen indirect (“circumstantial”) bewijs zouden mogen bevatten, waarbij de rechtbank wijst op HR 3 juni 2003, NJB 2003/27, 104. Aldus kan naar het oordeel gebruikt worden gemaakt van de verklaring van [getuige 8], welke wordt ondersteund door die van [getuige 4] (ook en met name ten aanzien van de gebeurtenissen in Frankrijk), door verklaringen van getuigen welke spreken over verdachtes uitlatingen over het overlijden van haar man (zoals bijvoorbeeld [getuige 9]), haar gedrag op 9 september 1999 (bijvoorbeeld getuigen [getuige 1 en [getuige 7]), het objectieve gegeven dat verdachte vrijwel direct na het overlijden naar Luxemburg is getogen om van de NN rekening een omvangrijk cash bedrag op te nemen en deze rekening op te heffen en het restant saldo naar haar eigen rekening in Zwitserland over te maken en de door verklaringen van [getuige 15] en zijn partner [getuige 18] over de wens en opdracht van verdachte om haar echtgenoot om het leven te brengen.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4. “Meer en Vaart”?

De raadsman heeft aangevoerd dat [het slachtoffer] door een ander om het leven zou kunnen zijn gebracht en dat dit dossier deze mogelijkheid niet uitsluit. De rechtbank deelt deze opvatting niet en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de stelling dat op basis van het dossier niet kan worden uitgesloten dat een ander de moord op [het slachtoffer] heeft gepleegd, onvoldoende is om een zogenaamde “Meer en Vaart-situatie” in het leven te roepen. In zo’n geval zal immers op zijn minst aannemelijk moeten zijn dat een dergelijk alternatief scenario zich heeft voorgedaan. Dat is in geen van de door de raadsman genoemde alternatieven het geval.

Zo zou volgens de raadsman een negroïde man, van wie een compositietekening in het dossier te vinden is, bij de moord betrokken kunnen zijn geweest. Over deze man is echter niets bekend behalve dan dat hij zich de middag van de moord in de omgeving van de winkel [naam winkel slachtoffer] heeft opgehouden. Of deze onbekende negroïde man bindingen had met het slachtoffer is niet bekend. Dat gold en geldt wel voor [de medeverdachte], de andere man van wie een compositie tekening is gemaakt en van wie aanstonds duidelijk werd dat hij tot de relaties van verdachte (en dus ook van [het slachtoffer]) behoorde.

Dan zou volgens de raadsman [getuige 7] de dader kunnen zijn: zijn alibi zou in een zakelijke schuld van fl. 46.000,- aan [het slachtoffer] hebben gelegen en hij zou deswege geen zaken meer met [het slachtoffer] hebben mogen doen. Over het eerste valt te zeggen dat deze schuld bij de overname van [naam winkel slachtoffer] is meegenomen, over het tweede dat [het slachtoffer] op de dag van zijn overlijden aan [getuige 7] heeft verzocht voor hem in te kopen in Duitsland, hetgeen mede door [getuige 6] wordt bevestigd. [getuige 7] was bovendien fysiek afwezig: er lijkt in het dossier derhalve geen bewijsmiddel aanwezig te zijn op grond waarvan hij net zo goed als verdachte tot dader zou kunnen worden bestempeld. En dan is er [getuige 19]: van hem heeft de raadsman gezegd dat hij geen sluitend alibi heeft, maar dat is dan ook alles. Getuige [getuige 3] zou hebben gezegd dat [getuige 19] aan het signalement van de dader voldeed. Die enkele stelling, die overigens door geen van de andere betrokkenen in deze zaak wordt bevestigd, is onvoldoende om het scenario “[getuige 19] als feitelijk uitvoerder van de moord” aannemelijk te achten. Bovendien wordt opgemerkt dat [getuige 8] niets over hem zegt, noch enig andere getuige. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat [het slachtoffer] zich in het illegale zwartgeld circuit begaf en dat hij diverse schuldenaren had. Ook dat is te vaag om van een aannemelijk alternatief scenario te spreken. Dat geldt ook voor de stelling dat [getuige 8] vaak slippers droeg en dezelfde maat had als het slipperspoor dat op de plaats delict is aangetroffen. [getuige 8] was op 9 september 1999 tot vroeg in de avond aantoonbaar niet in Rotterdam aanwezig Tenslotte is de mogelijkheid van een roofmoord opgevoerd. Ook dat ‘alternatieve scenario’ acht de rechtbank onaannemelijk, reeds omdat in de kluis nog fl 100.000,- bleek te liggen na de moord. Overigens merkt de rechtbank nog op dat niet kan worden uitgesloten dat dit ook een motief van [de medeverdachte] kan zijn geweest, naast de opdracht van verdachte. Het een sluit het ander immers niet uit.

Kortom, geen van de door de verdediging gepresenteerde ‘alternatieve scenario’s’ is voldoende aannemelijk, zodat de bewijsverweren in de categorie Meer en Vaart niet slagen.

De verklaringen van [getuige 8]

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen waarom het de verklaringen van [getuige 8], die belastend zijn voor de verdachte, zodanig betrouwbaar acht dat deze kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Die verklaringen houden onder meer het volgende in:

Bij de rechter-commissaris bij rogatoire commissie in Costa Rica op 23 juni 2010 heeft [getuige 8] verklaard dat verdachte hem voor de dood van [het slachtoffer] had verteld dat ze aan [de medeverdachte] had gevraagd om [het slachtoffer] te vermoorden, en na de dood van [het slachtoffer] in meerdere gesprekken heeft verteld dat zij aan [de medeverdachte] had gevraagd om hem te vermoorden. Meer specifiek heeft [getuige 8] verklaard dat verdachte hem een half jaar voor de dood van [het slachtoffer], in een café in Rotterdam, heeft verteld dat ze aan [de medeverdachte] heeft gevraagd om [het slachtoffer] te vermoorden. Dezelfde avond waarop verdachte met [de medeverdachte] had gesproken, heeft zij dit aan [getuige 8] verteld. Verdachte heeft in de periode na de dood van [het slachtoffer], toen [getuige 8] bij verdachte verbleef, op zijn vraag of zij aan [de medeverdachte] had gevraagd om [het slachtoffer] te vermoorden, "ja" geantwoord. Bijna een jaar na de dood van [het slachtoffer] heeft [getuige 8] een gesprek met de verdachte gehad waarin de verdachte, op zijn vraag aan haar of zij aan [de medeverdachte] had gevraagd hoe de moord gepleegd was of hoe ze het hadden gedaan, hem vertelde dat [de medeverdachte] tegen haar had gezegd dat het simpelweg een revolver tegen zijn slaap houden was, schieten en dat “meneer [het slachtoffer] zachtjes in elkaar zakte”. Voorts heeft [getuige 8] verklaard dat verdachte fl. 50.000,- aan [de medeverdachte] heeft gegeven, dat was de keer dat hij met verdachte in Luxemburg is geweest, verdachte heeft hem dit op de dag verteld waarop zij dit bedrag bij de bank heeft opgenomen. Verder verklaart [getuige 8] dat hij in het tv-interview met [getuige 5] de waarheid heeft verteld.

Blijkens die ter terechtzitting afgespeelde en bekeken tv-uitzending van [getuige 5] in maart 2006 heeft [getuige 8] in overeenkomstige zin als bij de rechter-commissaris verklaard, namelijk dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat ze aan [de medeverdachte] heeft gevraagd hoe het is gegaan, dat [de medeverdachte] zei dat het heel makkelijk was in zijn slaap en hij heel zachtjes in elkaar zakte, dat de eerste contacten over de opdracht van verdachte aan [de medeverdachte] om [het slachtoffer] te vermoorden in een café in Rotterdam in het Noorden zijn besproken, dat verdachte [de medeverdachte] in januari heeft betaald, op de dag dat [getuige 8] en verdachte naar de bank in Luxemburg waren geweest, en dat hij, [getuige 8], toen hij zich slapende hield, zag dat verdachte 1 miljoen of 750.000 gulden gaf aan [getuige 5] onder het mom van een belastingschuld.

Eerder, in zijn schriftelijke verklaring aan [getuige 5] en “de heren van de rechtbank” d.d. 1 februari 2006 schreef [getuige 8] reeds dat verdachte hem in een eerder stadium heeft verteld dat ze aan [de medeverdachte] heeft gevraagd om [het slachtoffer] te vermoorden, dat zij dit in eerste aanleg heeft gedaan in een cafeetje in het noorden, en dat hij een keer er bij is geweest toen [de medeverdachte] kwam. Ook in die brief heeft [getuige 8] vermeld dat [verdachte] aan [de medeverdachte] heeft gevraagd hoe het is gegaan waar [de medeverdachte] op had geantwoord dat [het slachtoffer] heel rustig in elkaar zakte en dat hij van verdachte 1 miljoen gulden kreeg onder de noemer van belastingschulden.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze verklaringen de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de moord op haar echtgenoot [het slachtoffer], waarbij zij aangemerkt moet worden als de opdrachtgeefster tot de moord aan [de medeverdachte] en [de medeverdachte] geacht wordt de feitelijk uitvoerder daarvan te zijn.

Bij dit oordeel wordt mede betrokken dat blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting [getuige 8] zich reeds direct na de moord op [het slachtoffer] en gedurende de jaren daarna tegen meerdere personen over die betrokkenheid van verdachte heeft uitgelaten.

[Getuige 4] heeft bij de politie verklaard, bevestigd ter terechtzitting, dat [getuige 8] nadat hij uit voorarrest was vrijgelaten bij haar moeder langs kwam waar zij op bezoek was en haar toen bij de kelder had meegedeeld dat verdachte de opdracht had gegeven om [het slachtoffer] te laten vermoorden, dat [de medeverdachte] in de [straat waar de winkel van het slachtoffer gevestigd was] uit een auto is gestapt en hem heeft doodgeschoten. [getuige 8] verzekerde [getuige 4] ten stelligste dat verdachte achter de moord zat. [getuige 4] heeft verklaard dat zij hoorde dat hij dit verhaal ook heeft verteld aan onder andere [getuige 3] en haar man [getuige 20] en aan [getuige 2]. Ook in haar aan verdachte op 2 april 2005 verzonden mail van 15 september 2001 staat vermeld dat verdachte [getuige 8] dat verteld en bekend heeft.

Blijkens de verklaring van de verdachte zelf ter terechtzitting terzake de verklaring van [getuige 4] dat [getuige 8] met haar heeft gesproken over de dood van [het slachtoffer] toen hij net vrijkwam, heeft de verdachte [getuige 8] daarnaar gevraagd en heeft [getuige 8] toen tegen haar gezegd dat hij dit heeft verteld aan haar zuster, maar dat hij toen in de war was.

Ondersteunende getuigen

De getuigen [getuige 3] en [getuige 20] hebben beiden bij de politie verklaard dat [getuige 8], in de periode vlak na de moord toen [getuige 8] bij hen verbleef, hen vertelde dat verdachte “er achter zat”. Ter terechtzitting heeft [getuige 3] hieraan toegevoegd dat toen [getuige 8] vrij kwam hij “liep te gillen” dat verdachte de opdracht had gegeven en dat [de medeverdachte] het had gedaan.

[Getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat zij de verklaring van [getuige 4] deels kan bevestigen en dat [getuige 8] de dag van de moord tegen haar zei: 'Het is gebeurd'. Zij verklaart verder dat hij opgelucht leek en blij was, en dat hij in die nacht tegen haar heeft gezegd dat hij geen zin had om 20 jaar op [verdachte] te wachten omdat ze toch de bak inging.

Voorts heeft [getuige 9] in zijn verklaring op 15 augustus 2006 aangegeven dat [getuige 8] hem zei dat hij precies wist hoe de moord op de echtgenoot van verdachte had plaatsgevonden en dat het de opzet was geweest om iemand de opdracht te geven om hem te liquideren. Ook verklaarde [getuige 9] dat [getuige 8] hem had verteld dat verdachte tegen hem, [getuige 8], had gezegd: 'We doen dan jouw ex-echtgenote hetzelfde aan wat we mijn echtgenoot aan hebben gedaan’. Dit heeft [getuige 9] bij de rechter-commissaris bij rogatoire commissie in Costa Rica op 22 juni 2010 herhaald en op de vraag of [getuige 8] hem de feiten over de dood van de echtgenoot van [verdachte] heeft verteld, verklaarde hij dat hij [getuige 8] in januari 2006 had gesproken en dat [getuige 8] hem toen heeft verteld dat hij van alles op de hoogte was, dat verdachte de opdracht gegeven had, waarbij hij herhaaldelijk zei dat verdachte het met de ex-vrouw van [getuige 8] op dezelfde manier op wilde lossen zoals met de echtgenoot van verdachte. [getuige 8] heeft zich terzake die uitlatingen aangaande zijn ex-vrouw in gelijke zin uitgelaten, alsook getuigen [getuige 4] en [getuige 2].

Frankrijk

Deze verklaringen worden ondersteund door, op essentiële onderdelen gelijkluidende, verklaringen van getuigen omtrent hetgeen zij de verdachte eerder hebben horen zeggen over het doden van [het slachtoffer]. Blijkens verklaringen van [getuige 8], [getuige 4], [getuige 15] en [getuige 18] had verdachte het plan opgevat om [het slachtoffer] van het leven te beroven.

Zo heeft getuige [getuige 8] bij de rechter-commissaris op 23 juni 2010 verklaard dat verdachte en hij tijdens de vakantie in Frankrijk (in augustus 1999, enkele weken voor de moord op [het slachtoffer]) een gesprek voerden, waarbij ook [getuige 4] aanwezig was, waarin hij en verdachte het erover hebben gehad om [het slachtoffer] om te brengen, zij het in de vorm van een grap, en dat het de snelste manier was om van [het slachtoffer] af te komen, bijvoorbeeld om zijn eten te vergiftigen of om hem op een andere manier uit de weg te ruimen.

Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige [getuige 4] ter terechtzitting, alsook bij de politie. Deze heeft verklaard dat zij tijdens de vakantie in Frankrijk aanwezig was bij een gesprek tussen verdachte en [getuige 8] waarin zij hoorde dat [het slachtoffer] moest worden dood gemaakt, dat er gesproken werd om [het slachtoffer] te vergiftigen, dat over verschillende manieren werd gesproken om hem om te brengen en dat ze tegen haar man zei dat als het even tegen zou zitten ze binnenkort een begrafenis zouden krijgen.

De opdracht

[getuige 8] heeft verder bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte aan [de medeverdachte] heeft gevraagd om [het slachtoffer] te vermoorden omdat zij eerder aan [getuige 15] had gevraagd om [het slachtoffer] te vermoorden, maar [getuige 15] het niet is gelukt om het uit te voeren of niet wilde. Eerder, in zijn aan de rechtbank gerichte brief d.d. 1 februari 2006 had [getuige 8] ook vermeld dat hij van de verdachte had gehoord dat ze een babbel heeft gehad met [getuige 15] in de achterkamer van zijn woning en dat zij hem heeft gevraagd [het slachtoffer] te vermoorden, misschien door middel van een ongeluk.

Deze verklaring van [getuige 8] wordt bevestigd door [getuige 15] zelf. [getuige 15] heeft verklaard dat verdachte hem, in zijn slaapkamer, heeft gevraagd haar man [het slachtoffer] om te brengen voor een groot bedrag aan geld, een half miljoen gulden. Het maakte niet uit hoe. Verdachte heeft hem hiervoor meermalen benaderd en dit gevraagd. [getuige 18] zat er volgens de verklaring van [getuige 15], bij toen dit gevraagd werd en [getuige 15] heeft dit verzoek naar eigen zeggen ook besproken met [getuige 18] en [getuige 14]. Uiteindelijk is hij niet ingegaan op dit verzoek. [getuige 14] heeft dit verhaal van [getuige 15] bevestigd. Hij verklaart dat hij verdachte drie keer bij [getuige 15] en [getuige 18] heeft gezien. Daarnaast heeft [getuige 18] bij de politie verklaard dat zij aanwezig is geweest bij de gesprekken tussen verdachte en [getuige 15] en dat zij van verdachte heeft gehoord dat zij [getuige 15] vroeg om [het slachtoffer] te vermoorden en dat hij hiervoor een groot geldbedrag zou krijgen. Ook heeft zij verklaard dat verdachte een paar keer heeft gebeld om te melden waar [het slachtoffer] zich bevond of naar toe zou gaan.

Voorts heeft [getuige 2] bij de politie verklaard dat zij verdachte en [getuige 8] opmerkingen heeft horen maken, waaruit zou kunnen blijken dat ze van plan waren [het slachtoffer] om te brengen en dat zij verdachte heeft horen zeggen: “Ik vermoord hem, of ik hoop dat hij dood neervalt”.

[Getuige 21] heeft verklaard dat [de medeverdachte] haar eind 1998/begin 1999 in café [naam café] heeft verteld dat hij iemand moest omleggen met veel geld.

Ander ondersteunend bewijs / [medeverdachte]

Bij het oordeel van de rechtbank dat verdachte moet worden aangemerkt als de opdrachtgeefster tot de moord aan [de medeverdachte] en [de medeverdachte] geacht wordt de feitelijk uitvoerder daarvan te zijn wordt mede betrokken dat de hiervoor genoemde belastende verklaringen worden ondersteund door de overige, hierna te bespreken, bewijsmiddelen.

De [getuige 22], een politieagent in burger, heeft verklaard dat hij zich op 9 september 1999 tussen 14.45 uur en 15.00 uur als klant in [naam winkel slachtoffer] bevond. Blijkens zijn verklaring kwamen er twee mannen binnen, waarvan er een liep naar de opening die toegang gaf achter de toonbank. Getuige hoorde de eigenaar vervolgens tegen deze man zeggen: "Loop maar alvast naar beneden", waarop hij de man achter de toonbank zag lopen. Getuige geeft het signalement op van deze man: Nederlands uitziende man, ongeveer 1.85 meter lang, fors postuur, dikke buik/dikke billen, 40-45 jaar oud, donkerblond haar, bolrond gelaat, met een snor.

De rechtbank constateert dat dit signalement een bijzonder sterke gelijkenis vertoont met het signalement van [de medeverdachte] zoals dat blijkt uit het dossier, namelijk: blank, lengte 1.84 meter, breed/krachtig postuur, corpulent/vadsig, 45 jaar oud, peper/zoutkleurig haar, bol/rond gezicht, met een snor.

Voorts staat vast dat op aanwijzing van deze getuige door een portrettekenaar, F. Couwenbergh, een compositietekening is gemaakt die deze man toont.

De rechtbank constateert een uiterst sterke en treffende gelijkenis tussen de persoon op de compositietekening en de verschillende zich in het dossier bevindende politiefoto's van het gelaat van [de medeverdachte]. Ook de verbalisant constateert een grote gelijkenis tussen de vorm van het gelaat van de persoon op de compositietekening en dat van [de medeverdachte]. Uit het dossier blijkt voorts dat mensen die [de medeverdachte] kenden, namelijk [getuige 2], [getuige 23] en [getuige 24] de persoon op de compositietekening vinden gelijken op [de medeverdachte].

Getuige [getuige 25] verklaart dat hij op 9 september 1999 rond 14.45 uur in [naam winkel van het slachtoffer] was, dat er een klant binnen kwam die naar de wc wilde, hetgeen mocht van de eigenaar. De klant liep toen achter de toonbank en verdween door de deur achter de toonbank en was er nog toen de getuige de winkel verliet. De eigenaar had niet uitgelegd waar de wc was. De man was een slobberige man van ongeveer 1.75 meter, van rond de veertig jaar, met onverzorgd ruig donkerblond haar, tot over zijn oren.

Naar het oordeel van de rechtbank sluit ook dit opgegeven signalement aan bij dat van [de medeverdachte] zoals dat hiervoor is weergegeven.

De rechtbank gaat op grond hiervan er vanuit dat het [de medeverdachte] was die zich op 9 september 1999 omstreeks 14.45 uur in de winkel van [het slachtoffer] bevond. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door de hiervoor weergegeven woorden van [het slachtoffer] richting de man en diens gedrag, namelijk het zonder meer de weg weten naar de wc, waaruit blijkt dat ze elkaar kenden. Dit wordt ondersteund door bevindingen van de technische recherche op 13 december 1999 dat geen hevige worsteling tussen het slachtoffer en de dader heeft plaatsgevonden en dat het slachtoffer met een vuurwapen is neergeschoten in de ruimte waar hij werd aangetroffen. Voorts blijkt uit de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [de medeverdachte], zoals hiervoor weergegeven, dat hij zich omstreeks 13.44 uur in de omgeving van [de winkel van het slachtoffer] bevond.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het slachtoffer in ieder geval omstreeks 15.00 uur nog in leven was, toen [getuige 25] en [getuige 22] hem nog hebben gezien en [de medeverdachte] zich in de kelder bevond. De eerstvolgende verklaringen die qua tijd direct hierop aansluiten zijn van de getuigen [getuige 26], [getuige 27] en [getuige 28] die allen omstreeks 15.00 uur en 15.15 uur in [de winkel van het slachtoffer] aanwezig waren en toen stonden te wachten omdat er niemand in de winkel was om hen te helpen. Getuige [getuige 29] heeft verklaard dat hij ongeveer 5 tot 10 minuten stond te wachten in de winkel zonder dat er iemand kwam, dat na 10 minuten een man en een vrouw de winkel binnenkwamen, zij niemand aantroffen, waarna [getuige 28] en [getuige 31] die met [getuige 26] was meegekomen in de kelder [het slachtoffer] in een plas bloed zien liggen. Hierop sluiten aan de politiebevindingen terzake de kassarol in de winkel [van het slachtoffer] inhoudende dat de laatste aanslag op de kassa is geregistreerd 9 september 1999 te 15.03 uur en er geen geldbedrag werd geregistreerd. Hierop sluit ook aan de bevindingen in het proces-verbaal, inhoudende een relaas over de kassa in [de winkel van het slachtoffer]. Na opening van de kassa op 11 september 1999 bleek dat er geen bankbiljetten aanwezig waren.

Naar het oordeel van de rechtbank had [de medeverdachte] gelet op de hierboven geschetste tijdlijn voldoende tijd om zich hetzij per auto hetzij te voet van de plaats delict naar zijn pakhuis [adres pakhuis] te begeven alvorens aldaar brand te stichten. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de brand in de [straat van het pakhuis] kreeg de brandweer op 9 september 1999 te 15.41 uur de melding van een brand in het pakhuis van [de medeverdachte] binnen. Uit het proces-verbaal bevindingen onderzoek reistijd [adres van de winkel] naar [adres van het pakhuis] blijkt dat met een personenauto hiervoor slechts 1.15 minuten nodig is en te voet de reis het langst duurt, namelijk 19 minuten.

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de hiervoor weergegeven verklaringen, feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [de medeverdachte] rondom het tijdstip van de moord aanwezig was op de plaats delict,[de medeverdachte], ondanks hiertoe meermalen in de gelegenheid te zijn gesteld, niet de van hem verlangde opheldering heeft verschaft over de vraag wat hij daar deed en met welk doel hij daar was. Immers, [de medeverdachte] heeft geen alibi voor de tijdsperiode tussen 15.00 uur en kort voor 15.30 uur op 9 september 1999. Niemand heeft bevestigd waar hij zich toen bevond. Verder heeft hij over zijn alibi aantoonbaar onjuiste, uiteenlopende en vage verklaringen afgelegd die zich niet met elkaar verdragen. Zo verklaart hij in eerste instantie dat hij van 12.00 uur tot 17.00 uur in het pakhuis [adres pakhuis] is gebleven. Dit klopt echter niet met de, hiervoor weergegeven, telefonische verkeersgegevens waaruit blijkt dat hij zich om 12.53 uur op ruim 18 km afstand van zijn pakhuis bevond en om 13.44 uur in de omgeving van het Stadhuisplein was. Voorts heeft getuige [getuige 32] bij de politie verklaard dat [de medeverdachte] die middag het pakhuis heeft verlaten: Voor 12 uur kwam [de medeverdachte] met zijn bus bij het pakhuis aan en heeft dit, na betaling aan de Roteb ongeveer na 15 minuten weer verlaten. Later, nadat hij met die verklaring van [getuige 32]wordt geconfronteerd, verklaart [de medeverdachte] dat hij die dag naar het toilet in een café is geweest, dat hij in het café zat toen hij omstreeks 13.55 of 14.00 uur telefoon kreeg, weer later verklaart hij dat hij tussen 14.00 uur en 14.15 uur in de winkel zat, beroept hij zich op zijn zwijgrecht als hem gevraagd wordt welke winkel dat is, en verklaart hij hierna dat hij met winkel café bedoelt, maar dat hij hiervan niet de naam weet, terwijl hij eerder had verklaard dat dit een bruin café is waar hij altijd naar toe ging.

Voorts werd bij de huiszoeking op 16 oktober 2000 in het pakhuis van [de medeverdachte] aan de [adres pakhuis] een zwart kunstlederen attachékoffertje aangetroffen,

terwijl een dergelijke koffer na de moord op [verdachte] werd vermist uit [de winkel van het slachtoffer]. Na confrontatie hiermee hebben [getuige 1] en verdachte verklaard dat die koffer lijkt op die van [het slachtoffer]. [getuige 3], [getuige 1] en ook de verdachte hebben verklaard dat [het slachtoffer] altijd een koffertje bij zich waar hij veel geld in bewaarde. [Getuige 10] heeft verklaard dat [het slachtoffer] die koffer bij de Kijkshop had gekocht. [getuige 1] heeft verklaard dat hij voor 100% zeker weet dat [het slachtoffer] die dag het koffertje bij zich had. Verdachte zelf heeft verklaard dat na de moord uit de winkel een koffertje is verdwenen. Zij heeft op 29 september 2000 een claim ingediend bij verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden; die claim had onder meer betrekking op een diplomatenkoffertje met tasje met een inhoud van ongeveer f. 30.000,-.

Daar komt bij dat in die in het pakhuis van [de medeverdachte] in beslaggenomen koffer haren zijn aangetroffen. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 1

maart 2001 is gebleken dat 1 hoofdhaar (i) past in het palet van [het slachtoffer] en 2 dierenharen passen in het haarmonster van hond [naam hond], de hond van de verdachte en [het slachtoffer].

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank

van oordeel dat het [de medeverdachte] is geweest die [het slachtoffer] in de kelder van [de winkel van het slachtoffer] met een schotverwonding om het leven heeft gebracht.

Hierbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat [de medeverdachte] bekend was met

vuurwapens. Hij had immers meerdere antecedenten op het gebied van de

Vuurwapenwet en bij de huiszoeking in zijn pakhuis [adres pakhuis] op 16 oktober 2000 is een vuurwapen aangetroffen. Bovendien heeft [de medeverdachte] zelf verklaard dat hij wel eens een vuurwapen van [getuige 11] heeft gekocht. Blijkens de verklaring van [getuige 11] heeft [de medeverdachte] hem in augustus 1999 gevraagd een vuurwapen voor hem te kopen, heeft hij [de medeverdachte] hiervoor een bedrag van f. 800,- gevraagd, en heeft [de medeverdachte] dit bedrag, na levering van het wapen, ook betaald. Bij de huiszoeking in het pakhuis van [de medeverdachte] zijn diverse notities gevonden met daarop onder andere vermeld: pistool Nijkerk en een tekening van een pistool, [voonaam slachtoffer] Keldertje, en [voornaam slachtoffer] fl 800 (revolver).

Verdachte: verklaringen en alibi

De rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de moord op haar echtgenoot [het slachtoffer], waarbij zij aangemerkt moet worden als de opdrachtgeefster tot de moord aan [de medeverdachte] en [de medeverdachte] geacht wordt de feitelijk uitvoerder daarvan te zijn, blijkt voorts uit het optreden van de verdachte kort voor de moord op [het slachtoffer], dat opmerkelijk en onverklaarbaar te noemen is.

Hiervoor is reeds aangegeven dat de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [de medeverdachte] ([telefoonnummer) zijn onderzocht en in kaart gebracht en gebleken is dat de verdachte op 9 september 1999 omstreeks 12.53uur naar het telefoonnummer van [de medeverdachte] heeft gebeld, en [de medeverdachte] om 13.44 uur met dit telefoonnummer naar het telefoonnummer van de verdachte heeft gebeld. Via de zendmast op het Stadhoudersplein (in de nabijheid van de [winkel van het slachtoffer) krijgt [de medeverdachte] contact met de verdachte, die contact krijgt via de zendmast op de Generaal Spoorlaan 2 te Rijswijk (in de richting van Nootdorp). De gesprekken vonden plaats op het moment dat [de medeverdachte] niet in het pakhuis was en geen alibi had en zich in de omgeving van [de winkel van het slachtoffer] bevond, [getuige 1] had meegenomen uit [de winkel van het slachtoffer] om naar de loods in Nootdorp te gaan en [het slachtoffer] zonder personeel in de winkel stond.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte over de reden en de inhoud van die telefoongesprekken bij de politie en op de terechtzitting verklaringen heeft afgelegd, die moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Volgens verdachte hadden deze gesprekken betrekking op een koffieafspraak en levering van marihuana door [de medeverdachte] en belde zij hem, waarschijnlijk in de deuropening van [de winkel van het slachtoffer], om te zeggen dat ze naar de loods ging en het later werd, en belde [de medeverdachte] later om te zeggen dat de afspraak niet door zou gaan. Echter, in eerdere verklaringen van de verdachte heeft zij aangegeven dat zij reeds de zondag daarvoor met [het slachtoffer] had afgesproken dat zij de loods zou gaan opruimen, dat er drie dingen belangrijk waren voor die week te weten de loods opruimen, een houten schot in de bus plaatsen en naar Duitsland gaan om spullen voor de zaak te halen. Ook heeft de verdachte verklaard dat zij op 9 september 1999 eigenlijk naar Duitsland wilde gaan. Daar komt bij dat de verklaringen van [de medeverdachte] niet stroken met die van de verdachte en hij in zijn verklaringen over de inhoud van die gesprekken met geen woord rept over een koffieafspraak die dag met haar. Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte hierover opheldering kunnen verschaffen. Nu zij dit niet heeft gedaan, kan dit niet anders dan in haar nadeel worden uitgelegd (vgl HR 18.5 1999, NJ 2000,104)

De getuigen [getuige 1], [getuige 7] en [getuige 6] hebben alle drie bij de

politie en/of ter terechtzitting verklaard dat zij het vreemd vonden dat de verdachte de

loods ging opruimen. Ook [getuige 30] heeft verklaard dat hij het een vreemde gang

van zaken vond. Deze getuigen hebben als volgt verklaard:

De [getuige 1] heeft zowel bij de politie op 7 maart 2000 als ter terechtzitting van 7 augustus 2009 verklaringen afgelegd, die samengevat op het volgende neerkomen.

Hij was werkzaam als klusjesman in de winkel van [het slachtoffer]. [verdachte], de vrouw van [het slachtoffer], kon weten dat hij in de zaak stond, want hij was daar altijd. Op 9 september 1999 is hij heel de ochtend met [het slachtoffer] in de winkel geweest. Omstreeks 12.30 uur kwamen [verdachte] en haar [dochter] in de winkel. naar Nootdorp om daar de loods op te ruimen. Dat was niet nodig, want twee dagen eerder was hij nog in de loods geweest en de loods was opgeruimd. [het slachtoffer] vond het ook niet nodig dat de loods nogmaals werd opgeruimd. Hij stond bij het gesprek tussen [het slachtoffer] en verdachte en [het slachtoffer] vond het ook vreemd dat verdachte de loods wilde gaan opruimen, hij vond niet nodig dat de loods nogmaals werd opgeruimd en heeft zelfs tegen [verdachte] gezegd: [getuige 1] heeft al opgeruimd. [verdachte] vroeg niet of ze naar de loods zou gaan. Nee, ze zei: "Ik ga naar de loods". Toen hij op 9 september 1999 met [verdachte] en haar dochter in de loods was, stonden de dozen goed. Hij heeft ongeveer anderhalf uur de dozen van de ene naar de andere kant van de loods verplaatst, waarbij [verdachte] aanwijzingen gaf. [getuige 1] heeft verklaard dat hij het onzinnig werk vond, want de spullen stonden goed. Vervolgens heeft hij spullen uit de loods in de auto geladen, omdat die spullen naar [getuige 30] in Den Haag of Rijswijk moest worden gebracht. Achteraf bij hem de indruk is ontstaan dat de tijd moest worden volgemaakt door naar de loods te gaan en dat hij als alibi werd gebruikt. Als hij niet naar de loods had moeten gaan, zou hij de hele middag in de winkel hebben gestaan.

Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat [het slachtoffer] hem een paar keer heeft verteld dat [verdachte] een vriend had, genaamd [getuige 8], en dat hem dat niet lekker zat. Toen hij [verdachte] en [getuige 8] vertelde hoe hij over de dood van [het slachtoffer] dacht, hield [getuige 8] zich afzijdig, maar [verdachte] was heel kwaad.

De getuige [getuige 6] heeft zowel bij de politie op 15 september 1999 en 18 januari 2000 als ter terechtzitting van 14 augustus 2009 verklaringen van dezelfde strekking en inhoud afgelegd, die samengevat op het volgende neerkomen.

Het is juist dat [getuige 7] op 9 september 1999 is weggegaan om inkopen te doen in Duitsland. [het slachtoffer] belde haar die dag, omstreeks 13.30 uur. Zij heeft contact gehad met [het slachtoffer] en hij heeft toen niets gezegd over het opruimen van de spullen en het weghalen van spullen van [getuige 7]. Hij vroeg of hij zijn bestelling naar haar mocht faxen, zodat zij de bestelling telefonisch kon doorgeven aan [getuige 7]. Ongeveer 30 à 45 minuten later heeft ze telefonisch contact gehad met [verdachte] en [verdachte] belde vanuit de loods. [verdachte] zocht [getuige 7], omdat zijn spullen uit de loods weg moesten. Het enige waar zij het verder in het telefoongesprek over hebben gehad, was dat [verdachte] alweer aan het werk was terwijl ze eigenlijk nog te zwak was om te werken na haar operatie. [getuige 6] vroeg [verdachte] nog: “Loop je te werken?”, want ze was pas geopereerd en eigenlijk niet in staat om goed te kunnen werken. [getuige 6] heeft [getuige 7] gebeld met de mededeling dat zijn spullen daar stonden en weggehaald moesten worden. Zij niet weet wat voor spullen van [getuige 7] in de loods van [het slachtoffer] stonden. Zij kreeg niet vaker dit soort telefoontjes van [verdachte] [getuige 7] zei nog tegen haar dat de spullen er al heel lang stonden en nu ineens weg moesten. Dat was toen zij hem vertelde dat [verdachte] had gebeld. [getuige 6] heeft verklaard dat zij het vermoeden had dat [verdachte] met het telefoontje uit de loods zich een alibi probeerde te verschaffen, omdat [het slachtoffer] en [verdachte] geen goed contact hadden. Zij wist dat [verdachte] niet echt gelukkig was met [het slachtoffer]

De [getuige 7] heeft bij de politie een aantal verklaringen afgelegd alsmede ter terechtzitting van 29 september 2009. Deze verklaringen zijn van dezelfde strekking en inhoud en komen samengevat op het volgende neer.

Voor zijn vertrek naar Duitsland op 9 september 1999 heeft [getuige 7] [verdachte] nog gesproken. Zij vertelde dat zij de loods opruimde en dat daar een kachel stond die weg moest. Die kachel was van hem, hij mocht die kachel in de loods van [het slachtoffer] stallen. [getuige 7] heeft verklaard dat hij het vreemd vond dat de kachel weg moest uit de loods. De kachel stond daar al een aantal maanden en stond niet in de weg. Hij heeft nog met [het slachtoffer] gesproken en [het slachtoffer] vond het ook onzin dat de kachel weg moest uit de loods. Van hem hoefde het niet. [het slachtoffer] zei: "Je weet hoe ze is". [getuige 7] heeft vervolgens zijn broer [getuige 30] gebeld en afgesproken dat de kachel naar hem kon worden gebracht. [getuige 30] had een magazijn in Rijswijk. [verdachte] en [getuige 1] zijn vervolgens met twee auto's naar zijn broer gereden.

Hij van [verdachte] heeft gehoord dat [het slachtoffer] was doodgeschoten in zijn winkel.

Het juist is dat hij heeft gezegd dat [het slachtoffer] moet zijn doodgeschoten door iemand die hij goed kende. [het slachtoffer] is gevonden in de kelder van zijn winkel. Als er iemand die hij niet kende, zijn winkel was binnengekomen dan zou hij wel naar boven zijn gegaan. Iemand is naar beneden kunnen lopen naar de kelder waar [het slachtoffer] was, [het slachtoffer] moet niets gevreesd hebben.

Voorts heeft [getuige 7] verklaard dat vanaf de eerste avond van de moord toen hij bij [verdachte] was, bij hem het besef is ontstaan dat zij betrokken was bij de dood van [het slachtoffer]. De contacten tussen [verdachte] en hem abrupt zijn geëindigd. Dat was nadat zij hem vroeg "denk jij echt dat ik het gedaan heb?" en hij haar antwoordde met "ja". Hij dacht dat zij het had gedaan op grond van de gebeurtenissen op 9 september 1999; het gedoe met de kachel die uit de loods moest, de omstandigheid dat [getuige 1] mee moest naar de loods, waardoor hij niet in de winkel kon zijn, [getuige 1] die meekwam naar de zaak van zijn broer, de omstandigheid dat [verdachte] daar vervolgens uitgebreid heeft gesproken met het personeel van zijn broer en dit alles terwijl het nooit voorkwam dat [verdachte] belde om goederen weg te halen. Met de uitspraak tijdens een getapt telefoongesprek "dat dit zo zijn redenen heeft gehad" bedoelde hij dat er geen sprake was geweest van een simpele overval op de winkel. De overval is opgezet om [het slachtoffer] op te ruimen. Tussen hem en [verdachte] negen jaar geleden ruzie is geweest, omdat hij haar verdacht van de moord op [het slachtoffer]. Hij sindsdien nooit meer wat van haar heeft gehoord.

Tenslotte heeft [getuige 7] verklaard dat [het slachtoffer] hem gezegd heeft dat hij af wilde van [verdachte]. Hij denkt dat [het slachtoffer] dit zei in juli of augustus 1999. Er zat niet veel tijd tussen het moment waarop hij dit zei en zijn overlijden. Als hij [verdachte] het huis uit zou hebben gegooid dan zou zij zonder geld hebben gezeten. Zij waren niet in gemeenschap van goederen getrouwd.

De [getuige 30] heeft bij de politie op 28 september 1999 een verklaring afgelegd, die samengevat op het volgende neerkomt.

De laatste keer dat hij [het slachtoffer] heeft gesproken was op 9 september 1999. Hij heeft omstreeks 14:30 uur [het slachtoffer] nog in zijn winkel gebeld. Hij kreeg op diezelfde dag, aan het begin van de middag, nog een telefoontje van zijn broer [getuige 7]. [getuige 7] r vertelde hem dat de vrouw van [het slachtoffer], er aan kwam met een aantal persoonlijke spullen van hem. Omstreeks 15:30 uur zag hij [verdachte] voor de deur staan samen met [getuige 1]. Hij vond het vreemd dat ze samen waren, omdat ze nog nooit samen bij hem waren geweest. Het dochtertje van [verdachte] was er ook bij. [getuige 30] heeft verklaard dat hij [getuige 1] vervolgens heeft geholpen met het uitladen van de spullen van [getuige 7], aangezien [verdachte] geen zware dingen kon tillen, omdat ze last had van haar rug. [verdachte] liep een beetje in de zaak rond. [getuige 7] vond het wel een beetje vreemd vroeg zich af waarom zij was meegekomen, want ze kon niets doen. Hij zag dat [verdachte] en [getuige 1] apart waren gekomen, allebei met een eigen auto.

De [getuige 33] heeft bij de politie op 24 september 1999 een verklaring afgelegd, die samengevat op het volgende neerkomt.

Op 9 september 1999 kwamen, tussen 14.30 uur en 16.00 uur, de vrouw van [het slachtoffer], genaamd [verdachte], en haar dochtertje bij zijn woning. Kennelijk waren zij de ruimte in de schuur aan het opruimen, want zij vroeg om een paar vuilniszakken. Omdat [verdachte] om de vuilniszakken kwam vragen, is zij hem eigenlijk opgevallen. Anders had hij haar misschien niet eens gezien.

De inhoud van deze verklaringen, in relatie met de overige, hiervoor weergegeven, bewijsmiddelen geven de rechtbank aanleiding om aan de waarde van het door verdachte opgegeven alibi en de reden van de telefoongesprekken met [de medeverdachte] geen geloof te hechten, en waar zij heeft gezwegen op deze punten, dit, gelijk hiervoor overwogen, in haar nadeel uit te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met haar handelwijze rondom het opruimen van de loods heeft gepoogd zich een alibi te verschaffen voor de moord op [het slachtoffer] op 9 september 1999. Allereerst door in de middag van 9 september 1999 op eigen initiatief met de getuige [getuige 1] naar de loods in Nootdorp te gaan om daar te gaan "opruimen", terwijl hiervoor geen reden bestond omdat de loods reeds was opgeruimd. Vervolgens door bij de [getuige 33] om een paar vuilniszakken te vragen. Voorts door meerdere mensen te bellen, zoals [getuige 7] en [getuige 6] teneinde deze mensen te informeren dat zij zich in de loods bevond. En ten slotte door met [getuige 1], allebei in een eigen auto, naar [getuige 30] in Rijswijk te gaan om aldaar spullen van [getuige 7] af te leveren, terwijl die spullen van [het slachtoffer] in de loods mochten blijven staan. Hiermee, zo verstaat de rechtbank, heeft zij al die mensen laten weten dat zij op het moment van de moord niet op de plaats delict was, maar in de loods en dat ze doende was met het opruimen daarvan.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door [getuige 1] - die normaliter elke dag, en als enige, in de winkel van [het slachtoffer] en met [het slachtoffer] werkzaam was – uit de winkel mee te nemen en naar Nootdorp en vervolgens naar Rijswijk te gaan, bewust er voor heeft gezorgd dat [het slachtoffer], gedurende een aantal uur, alleen in de winkel kwam te staan en dat zij zodoende voor de schutter, [de medeverdachte], de gelegenheid en de benodigde tijd heeft gecreëerd om [het slachtoffer] in de winkel te benaderen teneinde hem te kunnen doodschieten. De rechtbank verstaat ook dat de twee telefoongesprekken tussen haar en [de medeverdachte] hierop betrekking hadden.

Tot slot overweegt de rechtbank dat meerdere getuigen hebben verklaard over een slecht huwelijk tussen de verdachte en het slachtoffer en/of de mogelijke, door de verdachte als nadelig ervaren, financiële gevolgen van een eventuele scheiding voor verdachte. Zo heeft [getuige 8] verklaard dat hij en verdachte verder wilden en hij op haar zou wachten tot ze gescheiden was. [getuige 15], [getuige 18], [getuige 4], [getuige 7], [getuige 1], [getuige 3], [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 30] hebben allen uitdrukkelijk verklaard dat [het slachtoffer] van verdachte afwilde. Dat, naar de raadsman heeft betoogd, deze getuigen mogelijk belang hebben bij gelijkluidende, belastende, verklaringen, is niet alleen niet komen vast te staan, maar kan ook overigens, gelet op het bovenstaande, niet afdoen aan de overtuiging van de rechtbank dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Overigens heeft ook de verdachte zelf verklaard dat ze in Frankrijk in de zomer van 1999 aan het “dollen en flirten” was met [getuige 8]. Blijkens de akte betreffende huwelijksvoorwaarden d.d. 23 oktober 1995 waren het slachtoffer en de verdachte met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

Tenslotte wordt meegewogen dat de verdachte, ondanks hiertoe veelvuldig in de gelegenheid te zijn gesteld, geen openheid van zaken heeft gegeven over hoeveel geld ze in Luxemburg heeft opgenomen, hoeveel geld er overgebleven is en waar dat resterende geld gebleven is. Ook hier wijst verdachte enkel naar anderen, namelijk naar haar adviseurs, die het slecht met haar voorhadden en naar de omstandigheid dat zij kort na de moord “werd geleefd”.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, bevat het dossier wettig en overtuigend bewijs voor het oordeel dat het de verdachte is geweest die aan [de medeverdachte] de opdracht heeft gegeven [het slachtoffer] om het leven te brengen en dat [de medeverdachte] deze opdracht daadwerkelijk heeft uitgevoerd, en aldus voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Dat, naar de raadsman heeft gesteld het uiteindelijke moordwapen niet is gevonden, maakt dit oordeel niet anders.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van moord

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op koelbloedige wijze moordplannen gesmeed om haar echtgenoot te vermoorden om zo de beschikking over een miljoenenerfenis te verkrijgen. Uiteindelijk heeft de verdachte een ander bereid gevonden om haar moordplannen te verwezenlijken.

Aldus heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewetenloze moord, waarbij het slachtoffer in de kelder van zijn winkel een kogel in het hoofd werd geschoten tengevolge waarvan hij is overleden.

Verdachte heeft haar eigen echtgenoot om het leven laten brengen in haar kennelijk zeer vergaande belustheid op geld, en daarmee ook de vader van haar eigen kind. De verdachte heeft zich zeer berekenend en manipulatief getoond door kort voor de moord de winkelmedewerker van het slachtoffer, voor een groot deel van de middag weg te lokken voor niet noodzakelijke opruimwerkzaamheden in een opslagruimte elders en er zo voor te zorgen dat het slachtoffer alleen achter bleef in zijn winkel en de weg vrij te maken om het slachtoffer om het leven te brengen. Bovendien wist de verdachte zich zo tegelijkertijd een alibi te verschaffen en haar betrokkenheid bij het feit te verhullen. Vrijwel direct na de moord is de verdachte naar Luxemburg gegaan om van de NN rekening van het slachtoffer waarop een bedrag van meer dan fl. 10 miljoen gulden stond, omvangrijke cash bedragen op te nemen, deze rekening op te heffen en het restant saldo naar haar eigen rekening in Zwitserland over te maken. Niet lang daarna heeft de verdachte zich verloofd met haar nieuwe geliefde. Samen met hem is ze vervolgens naar Costa Rica vertrokken om zo uit handen van justitie te kunnen blijven, nu Nederland geen uitleveringsverdrag met Costa Rica heeft. In Costa Rica heeft zij -profiterend van het geld van het slachtoffer- een nieuw leven op kunnen bouwen.

De verdachte heeft van meet af aan volhard in haar verhullingen bij de betrokkenheid bij de gewelddadige dood van haar echtgenoot. Zij heeft in de afgelopen 11 jaar nooit openheid van zaken willen geven op de vragen die op cruciale punten waren gerezen. Mede door haar verhullende houding hebben de nabestaanden al die tijd in onzekerheid moeten leven met de vraag of er een antwoord zou komen op de vraag of er genoegdoening voor de dood van het slachtoffer zou komen.

De verdachte heeft één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent begaan. Dit feit is op geen enkele wijze meer ongedaan te maken. De verdachte heeft het slachtoffer hiermee het meest fundamentele recht waarover een mens beschikt, namelijk het recht op het leven, ontnomen. Bovendien heeft de verdachte door haar handelen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer en haar jonge kind. Het feit heeft in de samenleving een ernstige schok veroorzaakt, niet in de laatste plaats door het motief, maar ook door het gewetenloze optreden van de verdachte in de jaren nadien. Dit heeft geleid tot een breed gevoel van verontwaardiging en afschuw.

Op een dergelijk zeer ernstig feit kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van vijftien jaar. Echter, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2010 moet toepassing worden gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht wegens de eerdere veroordeling voor poging tot uitlokking van moord, waarbij een gevangenisstraf van 2,5 jaar werd opgelegd. De rechtbank zal de duur van die straf in mindering brengen op de thans op te leggen straf.

Voorts dient rekening gehouden te worden met een overschrijding van de redelijke termijn waarvoor een korting van 6 maanden op de op te leggen straf in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heeft geen andere omstandigheden kunnen vaststellen die kunnen leiden tot een lagere straf dan de hierna genoemde.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. De rechtbank zal de periode in uitleveringsdetentie in Costa Rica doorgebracht doen aftrekken nu een en ander betrekking heeft op het zelfde feitencomplex.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeeld voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en uitleveringsdetentie is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Groen, voorzitter,

en mrs. Rapmund en Holthuis, rechters,

in tegenwoordigheid van Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2010.

Bijlage TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 09 september 1999 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon

genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,

met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [het slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

(artikel 289/287 jo 47 van het wetboek van strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[de medeverdachte], althans een ander dan zij, verdachte, op of omstreeks 9

september 1999 te Rotterdam

opzetteliik en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,

een persoon genaamd [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft die [de medeverdachte], althans die ander, opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen een kogel

in het hoofd van die [het slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer]

is overleden,

welk misdrijf zij, verdachte, in de periode van 01 augustus 1999 tot en met 09

september 1999 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk door giften en/of een beloften en/of het verschaffen van

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft uitgelokt,

immers heeft zij, verdachte, opzettelijk aan die [de medeverdachte], althans die

ander, een (aanzienlijk) geldbedrag beloofd;

(artikel 289/287 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht)