Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN2855

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
10-690178-09, 10-691109-10 en 10-692799-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van ten laste gelegde nalaten voor vriendin (door haar overmatig drugsgebruik) noodzakelijke en adequate medische hulp in te schakelen en haar aldus opzettelijk van het leven te beroven, danwel haar aldus in een hulpeloze toestand te brengen en laten ten gevolge waarvan zij is overleden, danwel aldus schuld hebben aan haar overlijden alsmede vrijspraak van het verwijt dat de verdachte in diezelfde periode en onder dezelfde omstandigheden heeft nagelaten hulp te verlenen, terwijl hij getuige was van het levensgevaar waarin zijn vriendin verkeerde en zij is overleden. (Volgt veroordeling voor bedreiging)

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: [nummers]

Datum uitspraak: 29 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [datum] te [plaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

[penitentiaire inrichting]

inmiddels niet langer verblijvend in preventieve hechtenis,

raadsvrouw mr. E.A. Kool, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen.

De tenlastelegging in de zaak met parketnummer [nummer 1] is op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het in de zaak met parketnummer [nummer 1] onder feit 1 ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte in de periode van 31 maart tot en met 2 april 2009 heeft nagelaten voor zijn vriendin [x] (door haar overmatig drugsgebruik) noodzakelijke en adequate medische hulp in te schakelen en haar aldus opzettelijk van het leven heeft beroofd, danwel haar aldus in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten ten gevolge waarvan zij is overleden, danwel aldus schuld heeft aan haar overlijden.

Het onder feit 2 ten laste gelegde betreft het verwijt dat de verdachte in diezelfde periode en onder dezelfde omstandigheden heeft nagelaten die [x] hulp te verlenen, terwijl hij getuige was van het levensgevaar waarin die [x] verkeerde en zij is overleden.

In de zaak met parketnummer [nummer 2] wordt de verdachte verweten dat hij

heeft geprobeerd om op 22 mei 2010 aan [dochter 2] zwaar lichamelijk letstel toe te brengen (feit 1) en dat hij op dezelfde dag [dochter 1] heeft bedreigd met de dood (feit 2).

Het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer [nummer 3] komt er op neer dat de verdachte [dochter 2] op 27 juni 2010 (feit 1) en 29 juni 2010 (feit 2) heeft bedreigd met de dood.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Eykelen heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer [nummer 2];

- bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer [nummer 2];

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer [nummer 1];

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer [nummer 3];

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest en met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer [nummer 1].

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Ten aanzien van parketnummer [nummer 1]

De officier van justitie heeft met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde - kort gezegd doodslag door nalaten - aangevoerd dat zij het daarvoor noodzakelijke opzet op de dood van [x] in voorwaardelijke zin bewezen acht. Hiertoe heeft zij - kort samengevat - gesteld dat de verdachte een zodanig groot aantal signalen heeft gehad dat er sprake was van overmatig drugsgebruik door [x] en dat daardoor voor haar een levensbedreigende situatie was ontstaan. Door die signalen te negeren en na te laten de noodzakelijke medische hulp in te roepen heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [x] zou komen te overlijden. De verdachte, zo heeft de officier van justitie concluderend gesteld, kreeg immers [x] niet wakker en wist dat er iets niet pluis was. Uit een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag volgt tevens een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde nalaten hulp te verlenen.

De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden in hoeverre de verdachte een verwijt gemaakt kan worden dat hij opzettelijk zou hebben nagelaten in te grijpen waar handelen geboden was terwijl dat nalaten de dood van [x] tot gevolg had.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van opzettelijke doodslag van [x] moet dan komen vast te staan dat er een moment was waarop de verdachte zich heeft gerealiseerd of moet hebben gerealiseerd dat de medische situatie van het slachtoffer zodanig ernstig was dat het slachtoffer zich in een levensbedreigende, hulpeloze toestand bevond en hij vervolgens door na te laten in te grijpen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat zij zonder medisch behandeling zou komen te overlijden.

Dienaangaande is het volgende tijdens het onderzoek ter terechtzitting gebleken.

Op donderdag 2 april 2009 om 8.11 uur heeft de verdachte gebeld met de Meldkamer Ambulancedienst. De verdachte meldt dan onder meer dat zijn vriendin al twee dagen blijft slapen, de avond voor de melding in haar broek heeft geplast en dat hij haar bij het wakker worden die ochtend in een toestand heeft aangetroffen waarin er bloed uit haar neus komt, ze opgezet is, haar rug rood en haar lichaam blauw is en zij koud aanvoelt. Vervolgens is [x] op 2 april 2009 omstreeks 9.00 uur door de hulpdiensten dood aangetroffen in de woning van de verdachte.

De arts die vervolgens de lijkschouwing heeft verricht, heeft verklaard er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

Naar aanleiding van de bevindingen uit de vervolgens plaatsgevonden hebbende obductie door dr. B. Kubat, arts en patholoog, blijkt dat bij [x] geen zekere anatomische doodsoorzaak kon worden vastgesteld. De resultaten van het toxicologisch onderzoek (door dr. K.J. Lusthof) wijzen op een potentiële toxicologische doodsoorzaak of op een mogelijke toxicologische bijdrage aan het overlijden. Gezien de bevindingen aan het hart en bij het toxicologische onderzoek dienen als doodsoorzaak fatale hartritmestoornis, complicaties van cocaïnegebruik of een combinatie van deze factoren te worden overwogen, aldus de patholoog.

De bedoelde bevindingen van apotheker en toxicoloog dr. K.J. Lusthof luiden als volgt:

“In het femoraalbloed van [x] is een werkzame morfineconcentratie aangetoond. Daarnaast zijn in het femoraalbloed acetylmorfine en codeïne aangetoond. De aanwezigheid van acetylmorfine bewijst dat er heroïne is gebruikt of toegediend. Tevens geeft de aanwezigheid van acetylmorfine in het bloed aan, dat de heroïne kort voor het overlijden is gebruikt of toegediend. Acetylmorfine is namelijk maar hoogstens enkele uren na gebruik/toediening van heroïne in het bloed aanwezig (de halfwaardetijd is minder dan een half uur). Het recente gebruik of toediening van heroïne betekent, dat over een eerdere toediening van heroïne geen uitspraak kan worden gedaan.(…) Heroïne is hoogst waarschijnlijk kort voor het overlijden gebruikt of toegediend. De werkzame concentratie van de hieruit gevormde morfine kan, in combinatie met de aangetoonde benzodiazepinen en eventueel cannabis en cocaïne, aanleiding hebben gegeven tot het overlijden van [x]. Dit is waarschijnlijker wanneer [x] niet gewend was aan de effecten van heroïne en benzodiazepinen, dan wanneer [x] wel gewend was aan deze effecten.”

Ter terechtzitting heeft deze deskundige desgevraagd verklaard dat de heroïne hooguit zes uur voor het overlijden is gebruikt of toegediend. Verder blijkt uit onderzoek van het hoofdhaar van [x] dat daarin cocaïne, opiaten, benzodiazepinen en THC zijn aangetoond, alsmede omzettingsproducten van cocaïne. Voorts zijn er aanwijzingen verkregen voor een continue (maandelijkse) inname/toediening van heroïne, cocaïne en THC over de periode van 46-69 maanden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een langere periode waarin geen heroïne en/of cocaïne is ingenomen/toegediend.

De verdachte heeft bij de politie op 2 april 2009 onder meer verklaard dat [x] en hij regelmatig drugs gebruikten. In de loop van dinsdagavond 31 maart 2009 hebben zij in zijn woning samen een grote hoeveelheid van circa een tiental grammen cocaïne en heroïne gebruikt. De verdachte heeft voorts verklaard:

“[x] heeft ongeveer 5 à 6 strepen cocaïne gerookt en heroïne gesnoven. Zoals ik al zei, we hebben drugs gebruikt. Ik denk dat ik nog meer verdovende middelen heb gebruikt dan [x]. Maar [x] at niet. Ik wel, daarom word ik nooit ziek en [x] wel. Als [x] drugs had gebruikt, moest zij altijd kotsen. (…)

Ze zei (die avond, invoeging door de rechtbank) dat ze naar de wc ging maar ik vertrouwde het niet. Ik hoorde toen ze op de wc was dat de wc niet werd doorgetrokken, dus toen vermoedde ik al iets, dat er iets niet klopte. Ze kwam uit de wc en ik zag dat ze wankel liep. Dat doet ze normaal nooit na drugsgebruik. Toen dacht ik al dat er iets niet pluis was. Dinsdagavond 31 maart 2009 zijn wij samen naar bed gegaan. Het was omstreeks 23.00 uur die dag dat wij naar bed gingen. Ik heb haar op bed gelegd en ben naast haar gaan liggen in bed.

V: Ben jij gelijk naast [x] in bed gaan liggen?

A: Toen ik naast haar in bed ging liggen, voelde [x] al een beetje koud aan. Ik voelde nog wel hartslag in haar nek. Ik had haar een kusje gegeven en toen voelde ik dat haar lichaam al een beetje koud was. Later die nacht merkte ik dat de matras van het bed nat was. Ik ging er toen van uit dat [x] in bed had gezeken. (…) Nadat ik haar had gewassen en het bed had verschoond, heb ik haar weer terug op bed gelegd. (…) Ze was vreselijk zwaar, bijna niet te tillen. Normaal weegt zij niet zo zwaar. (…) [x] heeft woensdag 1 april 2009 bij mij in de woning geslapen. Ze lag de gehele dag in dezelfde houding als dat ik haar toen in bed had gelegd. (…) Ik werd gisteren 1 april 2009 in de avonduren nog gebeld door haar dochter. Ze vroeg naar haar moeder en ik zei tegen haar dat ze lag te slapen. (…) Als [x] drugs had gebruikt dan duurde haar slaap wel zo’n 36 uur. Dus ik ben ervan uitgegaan dat ze gewoon sliep. Ze sliep haar roes uit. (…) Ik ben in de nacht van woensdag 1 op donderdag 2 april denk ik rond een uur of een gaan slapen. Ik ben op de bank gaan slapen. Ik ben niet bij [x] in bed gaan liggen. De volgende dag, donderdag 2 april werd ik wakker en zag dat [x] nog steeds in dezelfde houding op bed lag. Ik zag dat er schuim en bloed op haar mond en gezicht zat. Ik heb haar toen omgedraaid en zag dat haar rug allemaal plekken had, allemaal bloedplekken, onderhuids. Ik heb gelijk 112 gebeld en binnen 2 minuten de politie gebeld.”

De verdachte heeft voorts op 4 april 2009 bij de politie verklaard:

“Ze sliep niet zoals je hoort te slapen. Ook heel erg niet de warmte die een mens hoort te hebben. Toen ze net in bed lag zei ze nog tegen mij “ik houd van je”. Ik had eerst haar laarzen uitgetrokken, in bed een zoen gegeven en toen zei ze dit tegen mij. Ik ben even bij haar blijven zitten. Omdat ik een eenpersoonsbed heb, kon ik niet naar bed. Ik ben toen op de bank gaan liggen.”

Voorts is de verdachte de vraag gesteld hoe laat het was toen hij op de bank is gaan liggen waarop de verdachte heeft geantwoord: “Gelijk. Ik heb toen nog een tijdje wakker gelegen en naar haar gekeken. Dit duurde ongeveer twee uur. Na die twee uur zag ik dat ze in bed had geplast. Ik ben namelijk weer naast haar in bed gaan zitten. Het hoorde niet zo te gaan met haar. Haar ademhaling ging langzamer en ik heb nog gevoeld in haar nek. Dat ging wel redelijk maar langzamer dan normaal maar het klopte nog. Ik heb haar toen naar links gerold. Dit is van mij af. Ik zag toen dat ze wat urine had laten lopen maar dat deed ze wel vaker. (…) Dat gebeurde wel meer, dat komt door het drugsgebruik. Ik heb dit zo’n drie keer meegemaakt. (…) Ze leek wel knock-out van de drugs. Gewoon teveel gebruikt. Toen ik haar daarna terug legde in bed hoorde ik haar nog zeggen: zachtjes.”

Tenslotte heeft de verdachte op de vraag of hij op de betreffende woensdag nog drugs heeft gebruikt, geantwoord: “nee, dat was op.”

Ter terechtzitting heeft hij nog toegelicht dat [x] zwaar ademde vanwege problemen met haar longen.

Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van de verdachte met enige behoedzaamheid dienen te worden bezien bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden. Allereerst verkeerde de verdachte zelf onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid drugs en voorts blijkt uit zijn verklaringen dat hij niet altijd adequaat is in zijn tijdsaanduidingen. Dat geldt bijvoorbeeld voor zowel het moment waarop [x] zou zijn benaderd door een drugsdealer als het moment waarop de verdachte volgens hem nog seks met haar heeft gehad.

Ten aanzien van de interpretatie van de onderzoeksresultaten van de deskundigen maakt de rechtbank eveneens een voorbehoud nu uit het onderzoek niet is gebleken wat het tijdstip van overlijden is geweest, hoewel er wel enige aanwijzingen zijn te vinden in de fase van lijkstijfheid en de aard van de geconstateerde lijkvlekken. Daaruit zou mogelijk afgeleid kunnen worden dat [x], toen haar lichaam werd onderzocht al geruime tijd daarvoor was overleden.

Indien de verklaringen van de verdachte in onderling verband en samenhang worden bezien met de bevindingen van de deskundigen, dan valt enerzijds wel vast te stellen dat [x] tot maximaal 6 uur na gebruik of toediening van heroïne is overleden, maar valt niet met zekerheid vast te stellen hoe laat [x] voor het laatst heroïne heeft gebruikt. Nu het procesdossier voor het vaststellen van dit tijdstip geen andere aanknopingspunten biedt dan de verklaringen van de verdachte, heeft het er alle schijn van dat [x] in de ochtend van 1 april 2009 al was overleden toen zij die woensdag niet wakker werd, niet aanspreekbaar was en in dezelfde houding lag als dat zij in bed was gelegd.

Voor zover de verwijten in de tenlastelegging betrekking hebben op de periode vanaf het moment dat de verdachte op 1 april 2009 is opgestaan, dient reeds om die reden voor die onderdelen van de tenlastelegging vrijspraak te volgen. Het verwijt, dat de verdachte op woensdag 1 april 2009 niet heeft ingrepen maar de hond is gaan uitlaten en het huishouden is gaan doen terwijl [x] in een min of meer comateuze toestand verkeerde, ontbeert bij deze stand van zaken voldoende feitelijke grondslag. Het is immers niet uitgesloten dat zij toen al was overleden.

Vervolgens is van belang of de signalen die betrekking hebben op de nacht van dinsdag 31 maart op woensdag 1 april 2009 van dien aard waren dat de verdachte had moeten ingrijpen.

Vast staat dat zowel de verdachte als [x] op 31 maart 2009 veel drugs hadden gebruikt, dat [x] wankelde op haar benen en dat de verdachte zich gedurende een aantal uren enigszins zorgen maakte over de toestand waarin [x] verkeerde omdat zij, toen ze in bed lag, koud aanvoelde en de verdachte een tragere hartslag dan normaal meende waar te nemen. Verder hoorde hij haar zwaar en langzaam ademen en plaste ze in bed.

Nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het niet uitzonderlijk was dat [x] zwaar en langzaam ademde en dat ook het bedplassen vaker voor kwam na drugsgebruik, hetgeen door de onderzoeksresultaten niet wordt weerlegd, blijft de vraag over of de verdachte aan de hand van de overige omstandigheden zich in die nacht heeft gerealiseerd dat [x] zich in een levensbedreigende, hulpbehoevende toestand bevond.

In aanmerking wordt genomen dat de verdachte zijn eerste verklaring bij de politie heeft afgelegd met kennis van het feit dat [x] was overleden. Zijn eerste reactie bij de politie, waarin hij uitdrukking heeft gegeven aan gevoelens die hij had - hij had al een vermoeden dat het niet goed zat - moet daarom niet verward worden met een besef dat de verdachte had op het moment dat hij de signalen in de nacht van 31 maart op 1 april 2009 heeft waargenomen. Nu het tijdstip van het laatste gebruik of toediening van heroïne en het tijdstip van overlijden niet vast staan, blijft onduidelijk welke fase van het overlijden van [x] door de verdachte is waargenomen. Voor zover het juist zou zijn dat [x] nog een woord heeft gesproken, is het niet uitgesloten dat zij na het bedplassen nog leefde. Voorts staat niet vast hoe helder de waarneming van de verdachte was omdat hij onder invloed van drugs verkeerde.

Zelfs indien uitgegaan wordt van de hypothese dat de drugsverslaafde [x] een grote hoeveelheid drugs had gebruikt (volgens de waarneming van de verdachte minder dan hijzelf had gebruikt), dat zij wankelde op haar benen en zij, eveneens volgens zijn waarneming, koud aanvoelde en een vertraagde hartslag had, is er geen grond voor het oordeel dat hij zich op dat moment gerealiseerd heeft dat de medische situatie van [x] dusdanig ernstig was, dat [x] zonder medische behandeling zou komen te overlijden.

Het onderzoek biedt op dit punt immers weinig aanknopingspunten ter beantwoording van de vraag in hoeverre aan de hand van de uiterlijke kenmerken die door de verdachte zijn waargenomen, sprake was van een kenbare levensbedreigende situatie. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken of en in hoeverre de waargenomen verschijnselen vaker voor komen bij (stelselmatige) harddrugsgebruikers.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs schadelijk zijn voor de gezondheid en dat stelselmatige harddrugsgebruikers een verhoogd risico lopen op het overlijden aan een overdosis. [x] heeft ervoor gekozen om een grote hoeveelheid harddrugs (in combinatie met medicijnen) te gebruiken terwijl voor mogelijk dient te worden gehouden dat de verdachte niet op de hoogte is geweest van de omvang van het drugsgebruik omdat [x] die dag mogelijk eerder harddrugs had gebruikt of op andere momenten - bijvoorbeeld op het toilet - ongezien de kans had om meer harddrugs of medicijnen te gebruiken, zoals door de verdachte is verklaard. Niet duidelijk is geworden of het een bekend gegeven is dat men na veel drugsgebruik, in de woorden van de verdachte, ‘knock-out’ kan gaan, hoe een dergelijk verschijnsel zich openbaart en of dat per definitie een levensbedreigende situatie oplevert. Bij deze stand van zaken kan niet worden uitgesloten dat de toestand waarin [x] verkeerde niet te onderscheiden was van een keer “gewoon teveel gebruikt” hebben, terwijl zij na het uitslapen van haar roes weer zou zijn bijgekomen, zoals de verdachte heeft verklaard.

Uit de verklaringen van de verdachte blijkt voorts van een bepaalde mate van zorgzaamheid omdat hij [x] op bed heeft gelegd en haar bed heeft verschoond. De rechtbank ziet daarin een contra-indicatie voor het oordeel dat de verdachte bewust heeft nagelaten om tijdig 112 te bellen. De rechtbank volgt hem derhalve in het standpunt dat hij zich niet op tijd heeft gerealiseerd in welke toestand [x] zich bevond.

Een en ander leidt tot het oordeel dat de verdachte vanwege het onbreken van overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlaste gelegde feit alsmede van het onder 2 ten laste gelegde feit. Voor wat betreft het onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft het de verdachte immers telkens ontbroken aan het besef dat verdachte noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor [x] diende in te schakelen. Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit heeft het verdachte aldus ontbroken aan het besef dat hij getuige was van ogenblikkelijk levensgevaar.

Ten aanzien van parketnummer[nummer 2]

De rechtbank heeft niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dit oordeel wordt als volgt gemotiveerd.

Het wettig bewijs in deze zaak wordt gevormd door de aangiften van [dochter 2] en haar zus [dochter 1] en de getuigenverklaring van hun broer. Hun verklaringen komen overeen in die zin dat zij allen verklaren dat de verdachte op 22 mei 2010 een harde klap aan [dochter 2] heeft gegeven. Deze verklaringen verschillen onderling echter op essentiële onderdelen, zoals de plaats waar de getuigen zich bevonden voor, op en na het moment waarop zij zagen dat de verdachte een klap aan [dochter 2] gaf en de wijze waarop de verdachte de klap gaf. Verder zijn de aangifte van [dochter 2] van 23 mei 2010 en haar verklaring die zij op 22 mei tegenover verbalisant Looij heeft afgelegd (zie het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2010 met nummer PL17I0 2010166999-8), op deze punten niet eensluidend. Hetzelfde geldt voor de aangifte van [dochter 1] van 23 mei 2010 en de verklaring die zij op 22 mei tegenover verbalisant Looij heeft afgelegd (zie voornoemd proces-verbaal van bevindingen).

Bovendien zou de klap volgens deze verklaringen zo hard zijn geweest dat [dochter 2] enige tijd buiten bewustzijn is geweest en er zich een blauwe plek op het voorhoofd van [dochter 2] had gevormd, maar hiervan was voor de politie tijdens de aangifte van [dochter 2] die een dag later plaatsvond, niets meer zichtbaar.

Mede gelet op de omstandigheid dat er kennelijk al geruime tijd sprake is van een zeer gespannen verhouding tussen de kinderen van de overleden [x] en de verdachte, ontbreekt het de rechtbank aan de overtuiging dat de verklaringen van [dochter 2], [dochter 1] en [broer] in voldoende mate betrouwbaar zijn.

Het onder 2 ten laste gelegde is evenmin wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de raadsvrouw de vrijspraak hebben bepleit, behoeft deze vrijspraak geen nadere motivering.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Ten aanzien van parketnummer [nummer 3]

De verdachte heeft de ten laste gelegde bedreigingen van [dochter 2] op 27 en 29 juni 2010 ontkend en zijn raadsvrouw heeft daarom vrijspraak bepleit.

Anders dan de verdediging heeft betoogd acht de rechtbank beide feiten wel wettig en overtuigend bewezen. De aangiften betreffende deze feiten vinden immers voldoende steun in de verklaringen van getuigen, niet zijnde familieleden van de aangeefster.

Ten aanzien van de bedreiging op 29 juni 2010 is het niet alleen de vriendin van de aangeefster, die haar aangifte bevestigt, maar verklaart ook iemand die toevallig in de winkel was waar het voorval zich afspeelde eensluidend. Voorts wordt ten aanzien van beide bedreigingen overwogen dat uit de aangifte van [dochter 2] van het feit van 27 juni 2010 blijkt dat er eerdere dreigementen zijn geweest.

De volgende bewijsmiddelen zijn redengevend voor het oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Feiten 1 en 2

-De aangifte van [dochter 2] voor zover deze inhoudt:

Op 27 juni 2010 kwamen [dochter 2] en haar vriendin [getuige 1] nabij de Coloseumweg in Rotterdam de verdachte tegen. [Dochter 2] zag dat de verdachte rennend op haar af kwam lopen. Zij zag vervolgens dat hij stopte met rennen en hoorde hem op luide toon schreeuwen dat hij terug zou komen en haar dood zou maken. Zij heeft verder verklaard dat het niet de eerste keer was dat zij door de verdachte was bedreigd. Bijna tweewekelijks waren er bedreigingen door [verdachte]. Hiervan heeft zij niet altijd aangifte gedaan omdat zij bang was voor [verdachte].

-De verklaring van getuige [1] voor zover zij heeft verklaard:

Op 27 juni 2010 liep zij met [dochter 2] op straat in Rotterdam en zag zij een man aankomen. Zij zag dat de man hun richting op kwam rennen. Zij zag dat [dochter 2] haar telefoon pakte om te bellen. Op dat moment hoorde zij de man tegen [dochter 2] zeggen: “Wacht maar ik kom terug en maak je dood.”

-De aangifte van [dochter 2] voor zover deze inhoudt:

Op 29 juni 2010 liep [dochter 2] samen met haar vriendin [getuige 1] op straat in Rotterdam. Zij zag de verdachte komen aanlopen en zag dat de verdachte haar ook zag. Zij was bang en is daarom samen met haar vriendin naar een winkel gerend. Zij zag dat de verdachte ook naar de winkel rende waar zij was. Later hoorde zij de verdachte naar haar schreeuwen: “Ik maak jou dood.”

-De verklaring van getuige [1] voor zover deze inhoudt:

Op 29 juni 2010 was zij samen met [dochter 2] op straat in Rotterdam. Zij kwamen toen dezelfde man tegen die zij eerder op 27 juni 2010 waren tegengekomen. Zij zijn naar een elektronicazaak gegaan. De man kwam de winkel binnen. Zij zag later dat de man weer naar buiten was gegaan. Zij hoorde hem toen roepen: “Ik maak je dood.” [Dochter 2] vertelde haar dat deze man haar stiefvader was.

-De verklaring van getuige [2] voor zover deze inhoudt:

Op 29 juni 2010 was deze getuige in een winkel in Rotterdam. Hij zag dat twee meisjes in paniek naar hem toekwamen. Hij zag dat de meisjes de winkel binnen gingen. Daarna zag hij een man in zijn richting komen lopen. Hij zag dat de man schreeuwend en gillend de winkel in kwam. Hij hoorde de man schreeuwend zeggen: “Ik maak je dood.” Hij hoorde dat de toon van de man erg agressief was.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 27 juni 2010 te Rotterdam

[dochter 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[dochter 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik kom terug en ik maak je dood."

2.

hij op 29 juni 2010 te Rotterdam

[dochter 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voorrnoemde [dochter 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"ik maak jou dood".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feit leveren op:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer tweemaal met de dood bedreigd, terwijl hij haar op straat tegen kwam. Zoals blijkt uit de aangiften zijn dit voor het slachtoffer angstige en nare ervaringen geweest. De rechtbank neemt in aanmerking dat het slachtoffer en haar broer en zus de verdachte verantwoordelijk houden voor de dood van hun moeder [x] en dat hun gevoelens daaromtrent hem veelvuldig hebben meegegeven hetgeen mogelijk tot een emotionele reactie van de verdachte heeft geleid. Toch wordt het de verdachte aangerekend dat hij zich niet heeft weten te beheersen en een meisje van vijftien jaar, dat evenzeer getroffen is door het gemis van haar moeder, met de dood heeft bedreigd.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de reeds door hem in de zaak met parketnummer [nummer 2] doorgebrachte voorlopige hechtenis, kan voor de bewezenverklaarde feiten worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Dit heeft mede als doel om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. In het bijzonder dient het om de verdachte in te scherpen dat hij zich verre moet houden van mogelijke conflicten met de nabestaanden van [x].

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

[Dochter 1] pro se

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [dochter 1], domicilie kiezende aan het kantoor van haar raadsvrouw mr. N. Flikkenschild, advocaat te Rotterdam. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van

€ 2.104,45 terzake van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer [nummer 1] en immateriële schade tot een bedrag van € 250,00 terzake van feit 2 in de zaak met parketnummer [nummer 2].

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte terzake van deze feiten wordt vrijgesproken.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

[Dochter 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [dochter 2]

Tevens heeft [dochter 1] zich in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger [dochter 2] als benadeelde partij gevoegd in het geding, domicilie kiezende aan het kantoor van haar raadsvrouw mr. N. Flikkenschild, advocaat te Rotterdam. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 227,00 terzake van feit 1 in de zaak met parketnummer [nummer 2] en vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 214,00 terzake van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer [nummer 3] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 227,00 in verband met feit 1 in de zaak met parketnummer [nummer 2] zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte terzake van dit feit wordt vrijgesproken.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de vergoeding van immateriële schade van € 214,00 terzake van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer [nummer 3] is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin dan ook niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten in de zaken met parketnummers [nummer 1] en [nummer 2] heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer [nummer 3], zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 1 (één) maand.

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [dochter 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [dochter 1] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [dochter 2] niet-ontvankelijk in de vordering terzake van feit 1 in de zaak met parketnummer [nummer 2];

verklaart de benadeelde partij [dochter 1] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [dochter 2] niet-ontvankelijk in de vordering terzake van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer [nummer 3] en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Puite, voorzitter,

en mrs. De Bruijn en Van Kuilenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Broesterhuizen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2010.

Bijlage bij vonnis van 29 juli 2010:

Parketnummer: [nummer 1]

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. hij, in of omstreeks de periode van 31 maart 2009 tot en met 02 april 2009, te Rotterdam,

opzettelijk [x] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, (terwijl die [x] bij hem, verdachte thuis verbleef en/of die [x] voor haar onderhoud, verpleging en/of verzorging van hem, verdachte, afhankelijk was), meermalen, althans eenmaal,

(telkens) nagelaten noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor die [x] in te schakelen en/of die [x] verhinderd om op andere wijze noodzakelijke en/of adequate medische hulp te verkrijgen,

toen hij zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x] (in de middag en/of avond van 31 maart 2009)

-(veel) drugs had gebruikt en/of

-meermalen, althans eenmaal had overgegeven en/of

-begon te wankelen en/of

-(vervolgens) op bed is gaan liggen en/of

(toen) verdachte vervolgens zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x]

-koud aanvoelde en/of

-een (zeer) trage hartslag had en/of

-problemen had met ademhalen en/of

-in bed had geplast en/of

-bij het optillen bijna niet te tillen was en/of

-niet reageerde op (pijn)prikkels en/of aanspreken en/of

(toen) verdachte op 01 april 2009 in de ochtend wakker werd,

-die [x] (nog steeds) niet aanspreekbaar was, en/of in dezelfde houding lag zoals hij, die [x] (terug) in bed had gelegd en/of

-(toen) hij, verdachte [x] niet wakker kreeg, (vervolgens) de hond is gaan uitlaten en/of het huishouden is gaan doen en/of weer is gaan slapen en/of

verdachte pas in de ochtend van 02 april 2009 de hulpdiensten heeft ingeschakeld, door welk handelen en/of nalaten voornoemde [x] is overleden;

(artikel 287 SR)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, in of omstreeks de periode van 31 maart 2009 tot en met 02 april 2009, te Rotterdam,

een persoon, genaamd [x], tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hii, verdachte, krachtens wet of overeenkomst verplicht is,

in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

immers heeft verdachte (telkens) nagelaten om noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor die [x] in te schakelen en/of die [x] verhinderd om op andere wijze noodzakelijke en/of adequate medische hulp te verkrijgen,

toen hij zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x] (in de

middag en/of avond van 31 maart 2009)

-(veel) drugs had gebruikt en/of

-meermalen, althans eenmaal had overgegeven en/of

-begon te wankelen en/of

-(vervolgens) op bed is gaan liggen en/of

(toen) verdachte vervolgens zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x]

-koud aanvoelde en/of

-een (zeer) trage hartslag had en/of

-problemen had met ademhalen en/of

-in bed had geplast en/of

-bij het optillen bijna niet te tillen was en/of

-niet reageerde op (pijn)prikkels en/of aanspreken en/of

(toen) verdachte op 01 april 2009 in de ochtend wakker werd,

-die [x] (nog steeds) niet aanspreekbaar was en/of in dezelfde

houding lag zoals hij, die [x] (terug) in bed had gelegd en/of

-(toen) hij, verdachte [x] niet wakker kreeg, (vervolgens) de hond

is gaan uitlaten en/of het huishouden is gaan doen,en/of weer is gaan slapen

en/of

verdachte pas in de ochtend van 02 april 2009 de hulpdiensten heeft ingeschakeld, terwijl dit feit de dood van die [x] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 255/257 SR)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2009 tot en met 02 april 2009 te Rotterdam

(roekeloos) (althans) zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend en/of nalatig heeft gehandeld jegens [x], met wie hij, verdachte, in die periode in zijn woning heeft verbleven, door toen en daar ten aanzien van die [x], van wie hij, verdachte, wist dat zij (diverse) verdovende middelen had gebruikt, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) nagelaten om noodzakelijke en/of adequate medische hulp voor die [x] in te schakelen en/of die [x] verhinderd om op andere wijze noodzakelijke en/of adeqaute medische hulp te verkrijgen,

toen hij zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x] (in de middag en/of avond van 31 maart 2009)

- (veel) drugs had gebruikt en/of

- meermalen, althans eenmaal had overgegeven en/of

- begon te wankelen en/of

- (vervolgens) op bed is gaan liggen en/of

(toen) verdachte vervolgens zag en/of bemerkte en/of waarnaam dat die [x]

- koud aanvoelde en/of

- een (zeer) trage hartslag had en/of

- problemen had met ademhalen en/of

- in bed had geplast en/of

- bij het optillen bijna niet te tillen was en/of

- niet reageerde op (pijn) prikkels en/of aanspreken en/of

(toen) verdachte op 01 april 2009 in de ochtend wakker werd,

- die [x] (nog steeds) niet aanspreekbaar was en/of in dezelfde houding lag zoals hij, die [x] (terug) in bed had gelegd en/of

- (toen) hij, verdachte [x] niet wakker kreeg, (vervolgens) de hond is gaan uitlaten en/of het huishouden is gaan doen en/of weer is gaan slapen en/of

verdachte pas in de ochtend van 2 april 2009 de hulpdiensten heeft ingeschakeld, door/bij welk handelen en/of nalaten van verdachte het aan diens schuld te wijten is, dat die [x] is overleden.

2.

hij,

in of omstreeks de periode van 31 maart 2009 tot en met 02 april 2009,

te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal,

toen hij, verdachte, getuige was van het ogenblikkelijke levensgevaar waarin een persoon, genaamd [x] verkeerde, (telkens) heeft nagelaten om hulp te verlenen of te verschaffen aan die [x],

immers heeft verdachte,

toen hij zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x] in de middag en/of avond van 31 maart 2009)

-(veel) drugs had gebruikt en/of

-meermalen, althans eenmaal had overgegeven en/of

-begon te wankelen en/of

-(vervolgens) op bed is gaan liggen en/of

(toen) verdachte vervolgens zag en/of bemerkte en/of waarnam dat die [x]

- koud aanvoelde en/of

- een (zeer) trage hartslag had en/of

- problemen had met ademhalen en/of

- in bed had geplast en/of

- bij het optillen bijna niet te tillen was en/of

- niet reageerde op (pijn) prikkels en/of aanspreken en/of

(toen) verdachte op 01 april 2009 in de ochtend wakker werd,

- die [x] (nog steeds) niet aanspreekbaar was en/of in dezelfde houding lag zoals hij, die [x] (terug) in bed had gelegd en/of

- (toen) hij, verdachte [x] niet wakker kreeg, (vervolgens) de hond is gaan uitlaten en/of het huishouden is gaan doen en/of weer is gaan slapen en/of

pas in de ochtend van 02 april 2009 de hulpdiensten heeft ingeschakeld, terwijl daarbij voor hem, verdachte redelijkerwijs geen gevaar voor zichzelf of anderen te duchten was, terwijl de dood van die hulpbehoevende [x] is gevolgd;

(artikel 450 SR)

parketnummer: [nummer 2]

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 mei 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [dochter 2], opzettelijk zwaar- lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [dochter 2] op/tegen het (voor)hoofd heeft geslagen/gestompt (mede) ten gevolge waarvan die [dochter 2] op/tegen de grond is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2010 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [dochter 2]), op/tegen het (voor)hoofd heeft geslagen en/of gestompt (mede) ten gevolge waarvan die [dochter 2] op/tegen de grond is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 22 mei 2010 te Rotterdam [dochter 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een steekvoorwerp, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan die [dochter 1] getoond en/of voorgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd "Kankerwijf ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

parketnummer: [nummer 3]

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 juni 2010 te Rotterdam

[dochter 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[dochter 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"ik kom terug en/of ik maak je dood",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 29 juni 2010 te Rotterdam

[dochter 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [dochter 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik maak je broertje dood en/of ik maak je zus dood en/of ik maak jou dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

(Artikel 285 Wetboek van Strafrecht)