Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN2205

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/2423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het plaatsen van de dakkapel is een bouwvergunning nodig gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder d en 6, van het Bblb. Dat eiser heeft vertrouwd op zijn aannemer die meende dat voor het plaatsen van de dakkapel geen vergunning nodig was, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de aannemer onvoldoende op de hoogte was van de van toepassing zijnde regelgeving komt voor rekening en risico van eiser.

De dakkapel is in strijd met het bestemmingsplan en voldoet daarnaast niet aan de redelijke eisen van welstand. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel van artikel 44 van de Woningwet kon verweerder geen vergunning verlenen voor de dakkapel.

De bevoegdheid om vrijstelling te verlenen is discretionair van aard. Verweerder heeft bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn vrijstellingsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2423 Uitspraak in het geding tussen […], wonende te Barendrecht, eiser, gemachtigde mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 12 december 2007 heeft eiser een bouwvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een dakkapel. Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft verweerder de aanvraag geweigerd. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 september 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 14 juli 2009 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 11 september 2009 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. el Hachmioui. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot een oplossing te komen. Bij brief van 13 april 2010 heeft verweerder bericht dat de zaak zich niet leent voor mediation. Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. 2 Overwegingen Wettelijk kader Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van het Besluit bouwvergunningsvrije/licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) – voor zover hier van belang – wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt: het bouwen van een dakkapel op een bestaand gebouw, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken: (…) 6. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet. (…)

Het bouwplan is gesitueerd binnen het bestemmingsplan “Molenvliet-Nieuweland” (hierna: het bestemmingsplan) op gronden met de bestemming “woondoeleinden”.

In artikel 2, vierde lid, van het bestemmingsplan is bepaald dat bij de toepassing van de voorschriften de goot- (of boeiboord)hoogte van een gebouw als volgt wordt gemeten: tussen de bovenkant van goot, boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel en het peil, indien zich op enige zijde van het gebouw één of meerdere dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, wordt de goot- c.q. het boeibord van de dakkapel als goot- c.q. boeibordhoogte aangemerkt. In artikel 3, eerste lid, van het bestemmingsplan staat dat het op de kaart achter een letter of combinatie van letters ingeschreven Arabische cijfer (niet geplaatst tussen haakjes) - tenzij in hoofdstuk II anders is bepaald en behoudens eventuele vrijstelling - de maximaal toelaatbare goothoogte van gebouwen in meters aangeeft dan wel - voor zover een platte afdekking wordt toegepast - de maximaal toelaatbare hoogte van het boeiboord van het platte dak. Standpunt verweerder Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de geplaatste dakkapel geen vergunningvrij bouwwerk is, omdat de dakkapel hoger dan 1 meter boven de dakvoet is geplaatst. Daarnaast is sprake van strijd met het bestemmingsplan, aangezien de dakkapel groter is dan de toegestane 50% van de gevelbreedte en de goothoogte meer is dan het toegestane maximum van 3 meter. Bovendien heeft de welstandcommissie een negatief advies uitgebracht, omdat de dakkapel te hoog in het dakvlak is geplaatst. Verweerder is voorts niet bereid om medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure, omdat het bouwplan niet voldoet aan de randvoorwaarden neergelegd in de “Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening”, waarin het gemeentelijk vrijstellingsbeleid is neergelegd. Standpunt eiser In beroep heeft eiser aangevoerd dat de aannemer ervan uit is gegaan dat het plaatsen van de dakkapel vergunningvrij was. Eiser is hierop te goeder trouw afgegaan. Toen later bleek dat een vergunning nodig was, heeft de aannemer voor eiser een vergunning aangevraagd. Eiser heeft aangevoerd dat slechts sprake is van een geringe afwijking van slechts vijf centimeter, zodat het bestemmingsplan niet op de geplaatste dakkapel van toepassing is. Eiser heeft aangevoerd dat er geen welstandsadvies nodig is, omdat van strijd met het bestemmingsplan geen sprake is. Het plaatsen van de dakkapel is vergunningvrij. Beoordeling Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat de dakkapel hoger dan 1 meter boven de dakvoet is geplaatst. Gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef, en onder d en 6, van het Bblb is in dat geval een bouwvergunning nodig. Dat eiser heeft vertrouwd op zijn aannemer die meende dat voor het plaatsen van de dakkapel geen vergunning nodig was, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de aannemer onvoldoende op de hoogte was van de van toepassing zijnde regelgeving komt voor rekening en risico van eiser. Voorts staat vast dat de dakkapel groter is dan 50% van de gevelbreedte en dat de goothoogte meer dan 3 meter is, zodat de dakkapel in strijd is met artikel 2, onderdeel 4, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het bestemmingsplan. De dakkapel voldoet daarnaast niet aan de redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het advies van de welstandscommissie mogen baseren. Niet is gebleken dat het advies zodanige gebreken vertoont dat verweerder het advies niet aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd en evenmin is gemotiveerd aangevoerd dat het advies in strijd is met de criteria voor het welstandsbeleid van de gemeente Barendrecht. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel van artikel 44 van de Woningwet kon verweerder geen vergunning verlenen voor de dakkapel. Ten aanzien van de weigering van verweerder om medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure stelt de rechtbank voorop dat de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen discretionair van aard is. Dat houdt in dat verweerder binnen het kader van de bij de wet getroffen regeling een bepaalde beleidsvrijheid terzake is gelaten. De rechtbank dient deze vrijheid te respecteren, in die zin dat slechts sprake kan zijn van een marginale toetsing door de rechtbank. Verweerder heeft het vrijstellingsbeleid voor dakkapellen neergelegd in de “Nota vrijstellingenbeleid Ruimtelijke Ordening”. Blijkens paragraaf 4.6 van de Nota kan voor dakkapellen op het achterdak van een woning vrijstelling worden verleend, indien voldaan wordt aan de randvoorwaarden voor vergunningvrij bouwen behoudens de 1 metermaat en indien de overschrijding van de 1 metermaat een gevolg is van een dakoverstek. Eiser heeft niet betwist dat deze situatie niet aan de orde is.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn vrijstellingsbevoegdheid.

Het beroep is ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en

mr. A. van ’t Laar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mehlbaum, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: