Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN1337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
10/700148-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Verdachte heeft het slachtoffer hard in het gezicht gestompt en vervolgens, terwijl het slachtoffer op de grond lag, met geschoeide voet tegen het hoofd en lichaam geschopt. Raadsman heeft vrijspraak betoogd, omdat het bestanddeel opzet niet bewezen kan worden, ook niet in voorwaardelijke zin. Dit verweer wordt verworpen. Door het slachtoffer tegen het hoofd te trappen terwijl deze op de grond lag, heeft verdachte willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat hij het slachtoffer aldus ernstig letsel zou toebrengen, met de dood tot gevolg. Het is algemeen bekend dat met name het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat de reële kans bestaat dat een harde en stevige trap tegen het hoofd tot dodelijk letsel kan leiden. Beroep op noodweerexces verworpen, hoewel aan de verdachte wordt toegegeven dat hij de vechtpartij niet is begonnen. De grenzen van noodzakelijke verdediging werden overschreden op het moment dat het slachtoffer op de grond kwam te liggen. Aanwezigheid hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk. Vordering benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu niet is gebleken dat de ter terechtzitting aanwezige vertegenwoordigster bij bijzondere volmacht is gemachtigd. Opgelegd wordt een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/700148-10

Datum uitspraak: 12 juli 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [plaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel,

raadsman: mr. R. Mastenbroek, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte op 6 april 2010 heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen door die [slachtoffer] in zijn gezicht te slaan en/of te stompen en/of tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of trappen, terwijl deze op de grond lag.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Rappard heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de GGZ Reclassering Palier, hetgeen mede kan inhouden behandeling bij de Forensische Verslavingskliniek Triple-ex.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Van het volgende wordt uitgegaan:

Op 6 april 2010 bevinden de verdachte, [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] zich in een woning te Rotterdam. [slachtoffer] is geagiteerd en roept op enig moment dat hij nog een appeltje met verdachte te schillen heeft, geeft de verdachte daarop een aantal klappen en pakt de verdachte bij zijn keel vast. Verdachte weert de klappen af en wil de woning verlaten, maar ziet [slachtoffer] opnieuw op zich afkomen. Verdachte geeft daarop [slachtoffer] een harde klap tegen het hoofd en geeft hem vervolgens nog een aantal trappen. [getuige 1] springt tussenbeide. Verdachte verlaat daarop de woning. Gealarmeerde verbalisanten treffen [slachtoffer] aan in de woning en constateren dat het hoofd van [slachtoffer] slap naar links hangt en dat uit de mond van [slachtoffer] bloed komt. [slachtoffer] wordt in een verminderde bewustzijnstoestand opgenomen in het ziekenhuis.

Verdachte heeft wisselend verklaard over het feit of [slachtoffer] zich al dan niet op de grond bevond toen hij hem schopte. In zijn eerste verklaring d.d. 10 april 2010 verklaart verdachte dat hij [slachtoffer] een klap tegen zijn hoofd gaf, dat hij zag dat [slachtoffer] op de grond viel en dat hij hem daarna nog twee trappen gaf omdat hij misschien weer op zou staan. Tijdens het tweede verhoor door de politie en ter terechtzitting verklaart de verdachte echter dat hij [slachtoffer] tegen het lichaam heeft getrapt nog voordat hij op de grond viel. Getuige [getuige 1] verklaart dat verdachte aan [slachtoffer] twee goede hoeken op het gezicht gaf en dat hij zag dat die [slachtoffer] direct geveld werd. Terwijl [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag zag [getuige 1] dat verdachte [slachtoffer] met geschoeide voet hard tegen het achterhoofd schopte en vervolgens dat verdachte [slachtoffer] hard tegen zijn rug aanschopte. Getuige [getuige 2] verklaart dat verdachte op [slachtoffer] toeliep en hem drie of vier beuken gaf. Hij zag dat [slachtoffer] bewusteloos op de grond viel en dat verdachte hem vervolgens ongeveer drie keer hard op het hoofd stampte. Gelet op deze getuigenverklaringen die in grote lijnen overeenkomen met de eerste verklaring van de verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat in die eerste verklaring de verdachte de situatie juist heeft weergegeven, te weten dat [slachtoffer] op de grond lag toen de verdachte hem tegen het hoofd schopte.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte door zijn, hierboven beschreven, wijze van handelen, het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag omdat het bestanddeel opzet niet kan worden bewezen, ook niet in voorwaardelijke zin.

Dit verweer wordt verworpen.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

Door [slachtoffer] tegen het hoofd te trappen terwijl deze op de grond lag, heeft verdachte willens en wetens de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans aanvaard dat hij [slachtoffer] aldus ernstig letsel zou toebrengen, met de dood tot gevolg. Het is algemeen bekend dat met name het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat de reële kans bestaat dat een harde en stevige trap tegen het hoofd tot dodelijk letsel kan leiden. Dat [slachtoffer] niet is overleden is te danken aan omstandigheden die niet van de wil van verdachte afhankelijk waren.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 06 april 2010 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer]van het leven te beroven met

dat opzet

- in het gezicht,

van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, en

- aldus die [slachtoffer] ten val heeft gebracht, en

- vervolgens tegen het hoofd en tegen de rug,

van die (op de grond liggende) [slachtoffer] heeft

geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT/STRAFBAARHEID VERDACHTE

Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte was geschrokken door het feit dat hij door [slachtoffer] werd geslagen en bij zijn keel werd gegrepen en toen hij de woning wilde verlaten wederom door [slachtoffer] werd belaagd. Verdachte was in die situatie genoodzaakt om zichzelf te beschermen en te verdedigen. Door de klappen van [slachtoffer] is bij verdachte een zodanig hevige gemoedsbeweging ontstaan dat hij onder invloed daarvan disproportioneel geweld heeft gebruikt en [slachtoffer] heeft geschopt, om zich tegen de aanval van [slachtoffer] te verweren.

Ten aanzien van de eerste door de verdachte uitgedeelde klap of klappen, tengevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen, deelt de rechtbank de visie van de verdediging. [slachtoffer] is begonnen met het handgemeen. Niet is gebleken dat de verdachte daartoe aanleiding heeft gegeven, terwijl hij bovendien heeft geprobeerd de woning te verlaten en aldus de confrontatie uit de weg te gaan. Het toedienen van een of enige klappen door de verdachte, nadat hij door [slachtoffer] is geslagen en bij de keel is gegrepen kan onder deze omstandigheden worden aangemerkt als een handeling die passend was ter noodzakelijke verdediging van verdachte tegen het als ogenblikkelijk en wederrechtelijk te kwalificeren geweld van [slachtoffer] tegen verdachte.

Het breekpunt ligt echter bij de daarop gevolgde schoppen door verdachte tegen het hoofd van de op dat moment op de grond liggende [slachtoffer], waarmee de grenzen van de noodzakelijke verdediging duidelijk werden overschreden. Anders dan door de raadsman is betoogd is niet aannemelijk geworden dat dit schoppen het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, veroorzaakt door het slaan door [slachtoffer]. Voor het aannemen van een zodanige gemoedsbeweging biedt het dossier geen aanknopingspunten. Integendeel, uit de verklaring van de getuige [getuige 1] kan worden afgeleid dat verdachte gericht schopte, aanspreekbaar was en meende dat het niet zijn schuld was maar die van [slachtoffer], die zelf was begonnen en dat hij zich vervolgens door de getuige liet gezeggen dat hij weg moest gaan. Opgemerkt zij voorts dat door verdachte bij de politieverhoren noch bij de rechter-commissaris noch ook in raadkamer is verklaard of zelfs maar gesuggereerd dat de schoppen het gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging in termen als bijvoorbeeld “door het lint gaan”, “zwart voor de ogen worden” of soortgelijke bewoordingen, maar dat dit voor het eerst ter terechtzitting is aangevoerd, zonder nadere onderbouwing.

Het beroep op noodweer-exces wordt dan ook verworpen.

Het bewezen feit levert op:

Poging doodslag

Het feit is strafbaar. De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door [slachtoffer] hard in het gezicht te stompen en vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, met geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] te schoppen. [slachtoffer] had door deze handelwijze van verdachte het leven kunnen verliezen. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. [slachtoffer] is in comateuze toestand in het ziekenhuis opgenomen en is vervolgens overgebracht naar een verzorgingshuis, waar hij thans nog verblijft omdat hij niet zelfstandig kan functioneren. Het is vooralsnog onduidelijk of dat ooit weer het geval zal zijn. Zowel voor [slachtoffer] als zijn familie is dit in emotioneel opzicht zeer moeilijk, zoals uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke verklaring van de moeder van [slachtoffer] blijkt. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Aan de andere kant houdt de rechtbank rekening met de bijzondere omstandigheden in deze zaak. Verdachte werd zonder directe aanleiding geslagen en bij de keel gegrepen door [slachtoffer] en heeft in eerste instantie getracht zich aan de situatie te onttrekken. Hoewel verdachte zich niet met succes op noodweerexces kan beroepen, blijft staan dat het [slachtoffer] was die met de agressieve handelingen begon.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2010 reeds eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

De GGZ Reclassering Palier adviseert in het voorlichtingsrapport d.d. 22 juni 2010 opgemaakt door G. Ingosi-Out, reclasseringswerker, aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij zich dient te gedragen naar voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, zolang deze instelling dat nodig vindt. Gezien de directe samenhang van de verslavingsproblematiek met het criminele gedrag van de als veelpleger bekend staande verdachte, acht de reclassering opname in een zorginstelling, te weten de Forensische Verslavingskliniek Triple-ex geïndiceerd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Namens de benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [vertegenwoordigster], wonende te Rotterdam, terzake van het feit. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 649,91 en immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,--.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde immateriële schade in zijn geheel toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voor het overige heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze deels onvoldoende is onderbouwd en deels niet rechtstreeks verband houdt met het ten laste gelegde feit.

De raadsman heeft namens de verdachte de niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit primair omdat de verdachte vrijgesproken dient te worden dan wel ontslagen dient te worden van rechtsvervolging en subsidiair omdat [vertegenwoordigster] niet gemachtigd is namens [slachtoffer]een vordering in te dienen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 51e, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij, die zich in het geding over de strafzaak heeft gevoegd, zich doen vertegenwoordigen, onder meer door een door haar daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. Nu niet is gebleken dat [vertegenwoordigster], die zich namens de benadeelde partij [slachtoffer]in deze strafzaak heeft gevoegd, bij bijzondere volmacht, door de benadeelde partij ondertekend, schriftelijk is gemachtigd, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, 8 (acht) maanden groot niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast

indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de GGZ Reclassering Palier, zolang deze instelling dit (binnen de grenzen van de proeftijd) noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden:

- dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in de Forensische Verslavingskliniek Triple-ex, GGZ Palier onderdeel van Parnassia BAVO groep om daar te worden behandeld en voorts dat de veroordeelde zich gedurende de opname zal gedragen naar de aanwijzingen van genoemde inrichting;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Roukema, voorzitter,

en mrs. Franken en Reinds, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2010.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 12 juli 2010

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 06 april 2010 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer]van het leven te beroven met

dat opzet

- meermalen, althans éénmaal, in het gezicht, althans op/tegen het hoofd,

van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- (aldus) die [slachtoffer] ten val heeft gebracht, en/of

- (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, tegen het hoofd en/of tegen de rug,

althans het lichaam, van die (op de grond liggende) [slachtoffer] heeft

geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 april 2010 te Rotterdam aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten blijvend

hersenletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- meermalen, althans éénmaal, in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te

slaan en/of te stompen en/of

- (aldus) die [slachtoffer] ten val te brengen en/of

- (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, tegen het hoofd en/of tegen de rug,

althans het lichaam, van die (op de grond liggende) [slachtoffer] te schoppen

en/of te trappen;

(art. 302 Sr)