Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN1268

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
99-000034-38
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Ontvankelijkheid van de vordering: Verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het indienen van de vordering niet onverwijld is geweest, wordt verworpen. Van een termijn van 29 dagen kan niet meer worden gezegd dat deze onverwijld is, maar aan de belangen van de verdachte is in dit geval niet tekort gedaan aangezien hij binnen een termijn van minder dan twee maanden uitsluitsel krijgt over de eventuele herroeping van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. De vordering wordt afgewezen, nu overtredingen van het drugs- en alcoholverbod en het meldingsgebod onvoldoende aanleiding geven om de aan veroordeelde toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

VI-zaaknummer : 99-000034-38

Parketnummer: 10/600195-08

Rolnummer: 0001

BESLISSING OP DE VORDERING TOT HERROEPING VAN DE VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

De veroordeelde

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank, rechtdoende in strafzaken op 24 juni 2009 (parketnummer 10/600195-08) is

<de veroordeelde>,

geboren te [plaats] in 1979,

ingeschreven te [plaats],

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien maanden), waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 25 september 2009 is gestart.

Veroordeelde is, gelet op artikel 15 en 15a van het Wetboek van Strafrecht en gezien het detentieoverzicht, op 22 januari 2010 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden:

- drugs- en alcoholverbod;

- meldingsgebod;

- ambulante behandeling.

De vordering

De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie van 18 mei 2010, strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

De ontvankelijkheid van de vordering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de vordering) omdat de vordering niet onverwijld is ingediend nadat van de noodzaak tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling was gebleken. De indiening van de vordering bij de rechtbank heeft blijkens de ‘ingekomen sector strafrecht rechtbank Rotterdam’ stempel plaatsgehad op 16 juni 2010, nadat de vordering op 18 mei 2010 is getekend door de officier van justitie.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij nadat hij de vordering heeft getekend zijn parketsecretaris de opdracht heeft gegeven de vordering bij de rechtbank in te dienen. De officier van justitie gaat ervan uit dat zijn parketsecretaris daartoe onverwijld is overgegaan.

Gang van zaken

De vordering is op 18 mei 2010 ondertekend door de officier van justitie.

De op de zitting als getuige gehoorde parketsecretaris < getuige> heeft verklaard dat zij de vordering van de officier van justitie ter hand gesteld heeft gekregen en kort daarna deze vordering bij het ondersteuningsteam van het parket heeft ingediend. Ten aanzien van de procedure aangaande vorderingen als de onderhavige heeft de getuige verklaard dat het ondersteuningsteam na indiening van de vordering, een datum en tijd voor behandeling zoekt in het zittingsschema van de rechtbank en zodra deze is gevonden de vordering ter dagbepaling indient bij de griffie van de rechtbank.

Blijkens het ‘ingekomen sector strafrecht rechtbank Rotterdam’ stempel heeft de rechtbank de vordering op 16 juni 2010 ontvangen.

Op of kort na 16 juni 2010 heeft de voorzitter van de rechtbank de dagbepaling getekend en heeft hij de zitting bepaald op 30 juni 2010.

Beoordeling

Artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht luidt - voor zover van belang - als volgt.

1. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, dient het onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust.

5. (…) De voorzitter van de rechtbank bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak (…)

Uit de ondertekening van de vordering op 18 mei 2010 volgt het oordeel van de officier van justitie dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en dat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden was. Op grond van artikel 15i, eerste lid, Sr diende de officier van justitie vanaf dat moment over te gaan tot onverwijlde indiening van de vordering.

Tussen het moment waarop het oordeel van de officier van justitie werd geformaliseerd met het ondertekenen van de vordering en het indienen daarvan zijn 29 dagen verstreken. Van een termijn van 29 dagen kan niet meer worden gezegd dat deze onverwijld is. Dit geldt temeer nu indiening van een vordering bij een rechtbank in het zelfde arrondissement nauwelijks tijd vergt.

Hoewel de wetsgeschiedenis van de Wet VI (Kamerstukken 30513) op dit punt zwijgt, lijkt de ratio van artikel 15i lid 2 Sr hierin te zijn gelegen dat op het moment dat naar het oordeel van de officier een overtreding van een opgelegde voorwaarde bij een voorwaardelijke invrijheidstelling ook dient te leiden tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet moet worden getalmd met het aanbrengen van die vordering bij de rechtbank. Dezelfde ratio zit ogenschijnlijk achter de opdracht aan de voorzitter van de rechtbank zoals deze is omschreven in artikel 15i lid 5 Sr. Met andere woorden: beide bepalingen zijn er op gericht dat de veroordeelde, nadat de officier van justitie daadwerkelijk van oordeel is dat de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden herroepen, de veroordeelde daaromtrent zo spoedig mogelijk uitsluitsel krijgt.

In dit geval hoeft het niet onverwijlde handelen van de officier van justitie geen consequenties te hebben. Aan de hiervoor geformuleerde belangen van de verdachte is in dit geval namelijk niet tekort gedaan. De voorzitter heeft immers na indiening van de vordering vrijwel direct een datum voor behandeling bepaald voor een zitting twee weken na deze dagbepaling

Kort en goed heeft de veroordeelde binnen een termijn van minder dan twee maanden (uitspraak 14 juli 2010) uitsluitsel over de eventuele herroeping van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling.

De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vordering.

De beoordeling

Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft op de terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.

De verdediging heeft zich op de terechtzitting verzet tegen de gevorderde herroeping van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling en daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven:

De veroordeelde heeft zijn leven goed op de rails. Hij ontvangt momenteel een volledige uitkering en werkt met behoud van deze uitkering, waardoor hij weer werkritme op doet. Voorts volgt hij trainingen in het kader van een re-integratietraject en beschikt hij over een huurwoning. Hij heeft tevens de wens om af te kicken van methadon. Na het uitzitten van de 117 resterende dagen zou de veroordeelde weer helemaal opnieuw moeten beginnen met het oppakken van zijn leven.

Vastgesteld wordt, dat de veroordeelde op 26 maart 2010 te kennen heeft gegeven opnieuw cocaïne te hebben gebruikt, hetgeen in strijd is met het de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling gekoppelde bijzondere voorwaarde inhoudende een drugs- en alcoholverbod. Op 1 maart 2010, 19 maart 2010 en 8 april 2010 is de veroordeelde -zonder melding- niet verschenen op zijn afspraken, hetgeen in strijd is met zijn meldingsgebod.

Voorgaande overtredingen van het drugs- en alcoholverbod en het meldingsgebod geven echter onvoldoende aanleiding om de aan veroordeelde toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Daarbij wordt in het bijzonder overwogen dat indien de veroordeelde nu gedetineerd zou worden, de door hem ingezette positieve wending van zijn leven zal worden tenietgedaan.

Gelet hierop dient de vordering van het openbaar ministerie te worden afgewezen.

Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen: 15, 15a, 15g, 15i en 15j van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in zijn vordering;

wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. Janssen, voorzitter,

mrs. Van Nijen en Van Lottum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Naarendorp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2010.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.