Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN0764

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/1992 VBC-T2-BRG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Nadat de voorzieningenrechter de beslissing van AFM tot vroegtijdige publicatie van een boete heeft geschorst blijkt AFM een nieuw boetebesluit te hebben genomen. AFM verzoekt de schorsing op te heffen zodat de door AFM verlaagde boete alsnog vroegtijdig kan worden gepubliceerd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van AFM af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2010, 405
JOR 2010/240 met annotatie van CMGvdK
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 10/1992 VBC-T2-BRG

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht

van

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten, verzoekster (hierna: de AFM),

gemachtigden mr. H.J. Sachse en mr. P.L. Reeser Cuperus, advocaten te Amsterdam,

in verband met de procedure tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond en Vastgoed Specialisten Nederland B.V., gevestigd te Heemstede, (hierna: GVSN),

gemachtigden mr. H. Knotter en mr. drs. H.A. Pasveer, advocaten te ‘s-Hertogenbosch,

en

de AFM.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 april 2010 (hierna: het eerste boetebesluit) heeft de AFM aan GVSN een boete opgelegd van € 96.000,-- wegens overtreding van artikel 2:55, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en haar medegedeeld de boeteoplegging openbaar te maken door publicatie van het integrale besluit op de website van de AFM en door publicatie van de kern van dit besluit in een persbericht en/of advertentie. Daarbij is aangegeven dat deze openbaarmaking tweemaal plaats zal hebben, namelijk de eerste maal niet eerder dan vijf werkdagen na verzending van het onderhavige besluit en de tweede maal nadat de boeteoplegging onherroepelijk is geworden.

Tegen dit eerste boetebesluit heeft GVSN bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van dat besluit voor zover het ziet op het openbaar maken van de boeteoplegging.

Bij besluit van 4 mei 2010 (hierna: het tweede boetebesluit) heeft de AFM aan GVSN bericht de eerder opgelegde boete van € 96.000,-- te matigen tot € 24.000,-- en deze boete overeenkomstig artikel 1:97, eerste lid, van de Wft te zullen publiceren.

Bij uitspraak van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/1232 VBC-T2) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening tegen het eerste boetebesluit toegewezen, in die zin dat de erin vervatte beslissing tot publicatie is geschorst.

Bij brief van 17 mei 2010, die de voorzieningenrechter niet heeft bereikt voordat hij op die dag genoemde voorlopige voorziening heeft getroffen, heeft de AFM onder verwijzing naar artikel 6:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan de rechtbank bericht dat het tweede boetebesluit was genomen.

Bij brief van 28 mei 2010 heeft de AFM de voorzieningenrechter verzocht om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft – achter gesloten deuren – plaatsgevonden op 1 juli 2010. Verschenen zijn de gemachtigden mr. drs. H.A. Pasveer en mr. P.L. Reeser Cuperus. Voorts is verschenen A.S. van Wijk, bestuurder van GVSN.

2 Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen.

2.2 Voor inwilliging van een verzoek om opheffing van een getroffen voorlopige voorziening bestaat, gelet op vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2010 (LJN BL6979), slechts aanleiding indien er sprake is van:

- feiten die de voorzieningenrechter ten tijde van diens uitspraak niet bekend waren en die, indien zij wel bekend waren geweest, er toe zouden hebben geleid dat geen, dan wel een andere voorlopige voorziening zou zijn getroffen; dan wel

- gewijzigde omstandigheden op grond waarvan thans geen, dan wel een andere voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.3 Het tweede boetebesluit moet worden aangemerkt als een besluit waartoe de AFM bevoegd was op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat AFM in strijd met het tweede lid van dit artikel niet onverwijld – immers pas na bijna twee weken – aan de rechtbank mededeling heeft gedaan van dat besluit. Zou dit onverwijld zijn gedaan, dan had de voorzieningenrechter het in zijn uitspraak van 17 mei 2010 kunnen betrekken. Dat dit niet is gebeurd, moet derhalve aan de AFM worden toegerekend. Om deze reden moet het tweede boetebesluit, gelet op het in Afdeling 1.5.2 van de Wft neergelegde en hierna te bespreken stelsel van openbaarmaking en rechtsbescherming, wat betreft het creëren van een tweede gelegenheid voor vroegtijdige publicatie gelijkgesteld worden met een door de AFM op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb genomen besluit nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan omtrent vroegtijdige publicatie.

2.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aansluitend op dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 januari 2010 (LJN BL1972), brengt het in de genoemde afdeling van de Wft neergelegde stelsel van openbaarmaking en rechtsbescherming met zich, dat een uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om schorsing van de beslissing tot vroegtijdige publicatie van een boetebesluit in zoverre definitief is, dat niet alleen een afwijzing van het verzoek zal leiden tot een onomkeerbare vroegtijdige publicatie, maar tevens dat een toewijzing van het verzoek een definitief verbod tot vroegtijdige publicatie van het boetebesluit met zich brengt. In beginsel verzet dit stelsel zich er dan ook tegen dat de AFM na de uitspraak van de voorzieningenrechter omtrent vroegtijdige publicatie met een op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb genomen tweede, gewijzigd boetebesluit inzake hetzelfde feitencomplex een tweede gelegenheid voor vroegtijdige publicatie creëert, waartegen opnieuw een voorlopige voorziening zou moeten worden gevraagd, althans een verzoek tot opheffing van een eerder getroffen voorlopige voorziening zou moeten worden gedaan. De zich thans voordoende omstandigheid dat in het tweede boetebesluit een gematigde boete wordt opgelegd, vormt geen reden om in het onderhavige geval een uitzondering op genoemd beginsel te maken, in aanmerking genomen dat de AFM ook in het eerste boetebesluit die gematigde boete had kunnen opleggen.

2.5 Uit het voorgaande volgt dat voor de verzochte opheffing van de getroffen voorlopige voorziening geen grond bestaat. De AFM zal worden veroordeeld in de kosten van GVSN.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/1232 VBC-T2) getroffen voorlopige voorziening af;

veroordeelt de AFM in de proceskosten van GVSN tot een bedrag van € 437,--.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

Afschrift verzonden op:

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 10/1992 VBC-T2-BRG

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht

van

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten, verzoekster (hierna: de AFM),

gemachtigden mr. H.J. Sachse en mr. P.L. Reeser Cuperus, advocaten te Amsterdam,

in verband met de procedure tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond en Vastgoed Specialisten Nederland B.V., gevestigd te Heemstede, (hierna: GVSN),

gemachtigden mr. H. Knotter en mr. drs. H.A. Pasveer, advocaten te ‘s-Hertogenbosch,

en

de AFM.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 april 2010 (hierna: het eerste boetebesluit) heeft de AFM aan GVSN een boete opgelegd van € 96.000,-- wegens overtreding van artikel 2:55, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en haar medegedeeld de boeteoplegging openbaar te maken door publicatie van het integrale besluit op de website van de AFM en door publicatie van de kern van dit besluit in een persbericht en/of advertentie. Daarbij is aangegeven dat deze openbaarmaking tweemaal plaats zal hebben, namelijk de eerste maal niet eerder dan vijf werkdagen na verzending van het onderhavige besluit en de tweede maal nadat de boeteoplegging onherroepelijk is geworden.

Tegen dit eerste boetebesluit heeft GVSN bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van dat besluit voor zover het ziet op het openbaar maken van de boeteoplegging.

Bij besluit van 4 mei 2010 (hierna: het tweede boetebesluit) heeft de AFM aan GVSN bericht de eerder opgelegde boete van € 96.000,-- te matigen tot € 24.000,-- en deze boete overeenkomstig artikel 1:97, eerste lid, van de Wft te zullen publiceren.

Bij uitspraak van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/1232 VBC-T2) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening tegen het eerste boetebesluit toegewezen, in die zin dat de erin vervatte beslissing tot publicatie is geschorst.

Bij brief van 17 mei 2010, die de voorzieningenrechter niet heeft bereikt voordat hij op die dag genoemde voorlopige voorziening heeft getroffen, heeft de AFM onder verwijzing naar artikel 6:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan de rechtbank bericht dat het tweede boetebesluit was genomen.

Bij brief van 28 mei 2010 heeft de AFM de voorzieningenrechter verzocht om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft – achter gesloten deuren – plaatsgevonden op 1 juli 2010. Verschenen zijn de gemachtigden mr. drs. H.A. Pasveer en mr. P.L. Reeser Cuperus. Voorts is verschenen A.S. van Wijk, bestuurder van GVSN.

2 Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen.

2.2 Voor inwilliging van een verzoek om opheffing van een getroffen voorlopige voorziening bestaat, gelet op vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2010 (LJN BL6979), slechts aanleiding indien er sprake is van:

- feiten die de voorzieningenrechter ten tijde van diens uitspraak niet bekend waren en die, indien zij wel bekend waren geweest, er toe zouden hebben geleid dat geen, dan wel een andere voorlopige voorziening zou zijn getroffen; dan wel

- gewijzigde omstandigheden op grond waarvan thans geen, dan wel een andere voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.3 Het tweede boetebesluit moet worden aangemerkt als een besluit waartoe de AFM bevoegd was op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat AFM in strijd met het tweede lid van dit artikel niet onverwijld – immers pas na bijna twee weken – aan de rechtbank mededeling heeft gedaan van dat besluit. Zou dit onverwijld zijn gedaan, dan had de voorzieningenrechter het in zijn uitspraak van 17 mei 2010 kunnen betrekken. Dat dit niet is gebeurd, moet derhalve aan de AFM worden toegerekend. Om deze reden moet het tweede boetebesluit, gelet op het in Afdeling 1.5.2 van de Wft neergelegde en hierna te bespreken stelsel van openbaarmaking en rechtsbescherming, wat betreft het creëren van een tweede gelegenheid voor vroegtijdige publicatie gelijkgesteld worden met een door de AFM op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb genomen besluit nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan omtrent vroegtijdige publicatie.

2.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aansluitend op dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 januari 2010 (LJN BL1972), brengt het in de genoemde afdeling van de Wft neergelegde stelsel van openbaarmaking en rechtsbescherming met zich, dat een uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om schorsing van de beslissing tot vroegtijdige publicatie van een boetebesluit in zoverre definitief is, dat niet alleen een afwijzing van het verzoek zal leiden tot een onomkeerbare vroegtijdige publicatie, maar tevens dat een toewijzing van het verzoek een definitief verbod tot vroegtijdige publicatie van het boetebesluit met zich brengt. In beginsel verzet dit stelsel zich er dan ook tegen dat de AFM na de uitspraak van de voorzieningenrechter omtrent vroegtijdige publicatie met een op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb genomen tweede, gewijzigd boetebesluit inzake hetzelfde feitencomplex een tweede gelegenheid voor vroegtijdige publicatie creëert, waartegen opnieuw een voorlopige voorziening zou moeten worden gevraagd, althans een verzoek tot opheffing van een eerder getroffen voorlopige voorziening zou moeten worden gedaan. De zich thans voordoende omstandigheid dat in het tweede boetebesluit een gematigde boete wordt opgelegd, vormt geen reden om in het onderhavige geval een uitzondering op genoemd beginsel te maken, in aanmerking genomen dat de AFM ook in het eerste boetebesluit die gematigde boete had kunnen opleggen.

2.5 Uit het voorgaande volgt dat voor de verzochte opheffing van de getroffen voorlopige voorziening geen grond bestaat. De AFM zal worden veroordeeld in de kosten van GVSN.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/1232 VBC-T2) getroffen voorlopige voorziening af;

veroordeelt de AFM in de proceskosten van GVSN tot een bedrag van € 437,--.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

Afschrift verzonden op:

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht

van

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten, verzoekster (hierna: de AFM),

gemachtigden mr. H.J. Sachse en mr. P.L. Reeser Cuperus, advocaten te Amsterdam,

in verband met de procedure tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond en Vastgoed Specialisten Nederland B.V., gevestigd te Heemstede, (hierna: GVSN),

gemachtigden mr. H. Knotter en mr. drs. H.A. Pasveer, advocaten te ‘s-Hertogenbosch,

en

de AFM.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 april 2010 (hierna: het eerste boetebesluit) heeft de AFM aan GVSN een boete opgelegd van € 96.000,-- wegens overtreding van artikel 2:55, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en haar medegedeeld de boeteoplegging openbaar te maken door publicatie van het integrale besluit op de website van de AFM en door publicatie van de kern van dit besluit in een persbericht en/of advertentie. Daarbij is aangegeven dat deze openbaarmaking tweemaal plaats zal hebben, namelijk de eerste maal niet eerder dan vijf werkdagen na verzending van het onderhavige besluit en de tweede maal nadat de boeteoplegging onherroepelijk is geworden.

Tegen dit eerste boetebesluit heeft GVSN bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van dat besluit voor zover het ziet op het openbaar maken van de boeteoplegging.

Bij besluit van 4 mei 2010 (hierna: het tweede boetebesluit) heeft de AFM aan GVSN bericht de eerder opgelegde boete van € 96.000,-- te matigen tot € 24.000,-- en deze boete overeenkomstig artikel 1:97, eerste lid, van de Wft te zullen publiceren.

Bij uitspraak van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/1232 VBC-T2) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening tegen het eerste boetebesluit toegewezen, in die zin dat de erin vervatte beslissing tot publicatie is geschorst.

Bij brief van 17 mei 2010, die de voorzieningenrechter niet heeft bereikt voordat hij op die dag genoemde voorlopige voorziening heeft getroffen, heeft de AFM onder verwijzing naar artikel 6:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan de rechtbank bericht dat het tweede boetebesluit was genomen.

Bij brief van 28 mei 2010 heeft de AFM de voorzieningenrechter verzocht om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft – achter gesloten deuren – plaatsgevonden op 1 juli 2010. Verschenen zijn de gemachtigden mr. drs. H.A. Pasveer en mr. P.L. Reeser Cuperus. Voorts is verschenen A.S. van Wijk, bestuurder van GVSN.

2 Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen.

2.2 Voor inwilliging van een verzoek om opheffing van een getroffen voorlopige voorziening bestaat, gelet op vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 maart 2010 (LJN BL6979), slechts aanleiding indien er sprake is van:

- feiten die de voorzieningenrechter ten tijde van diens uitspraak niet bekend waren en die, indien zij wel bekend waren geweest, er toe zouden hebben geleid dat geen, dan wel een andere voorlopige voorziening zou zijn getroffen; dan wel

- gewijzigde omstandigheden op grond waarvan thans geen, dan wel een andere voorlopige voorziening moet worden getroffen.

2.3 Het tweede boetebesluit moet worden aangemerkt als een besluit waartoe de AFM bevoegd was op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat AFM in strijd met het tweede lid van dit artikel niet onverwijld – immers pas na bijna twee weken – aan de rechtbank mededeling heeft gedaan van dat besluit. Zou dit onverwijld zijn gedaan, dan had de voorzieningenrechter het in zijn uitspraak van 17 mei 2010 kunnen betrekken. Dat dit niet is gebeurd, moet derhalve aan de AFM worden toegerekend. Om deze reden moet het tweede boetebesluit, gelet op het in Afdeling 1.5.2 van de Wft neergelegde en hierna te bespreken stelsel van openbaarmaking en rechtsbescherming, wat betreft het creëren van een tweede gelegenheid voor vroegtijdige publicatie gelijkgesteld worden met een door de AFM op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb genomen besluit nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan omtrent vroegtijdige publicatie.

2.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aansluitend op dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 januari 2010 (LJN BL1972), brengt het in de genoemde afdeling van de Wft neergelegde stelsel van openbaarmaking en rechtsbescherming met zich, dat een uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om schorsing van de beslissing tot vroegtijdige publicatie van een boetebesluit in zoverre definitief is, dat niet alleen een afwijzing van het verzoek zal leiden tot een onomkeerbare vroegtijdige publicatie, maar tevens dat een toewijzing van het verzoek een definitief verbod tot vroegtijdige publicatie van het boetebesluit met zich brengt. In beginsel verzet dit stelsel zich er dan ook tegen dat de AFM na de uitspraak van de voorzieningenrechter omtrent vroegtijdige publicatie met een op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb genomen tweede, gewijzigd boetebesluit inzake hetzelfde feitencomplex een tweede gelegenheid voor vroegtijdige publicatie creëert, waartegen opnieuw een voorlopige voorziening zou moeten worden gevraagd, althans een verzoek tot opheffing van een eerder getroffen voorlopige voorziening zou moeten worden gedaan. De zich thans voordoende omstandigheid dat in het tweede boetebesluit een gematigde boete wordt opgelegd, vormt geen reden om in het onderhavige geval een uitzondering op genoemd beginsel te maken, in aanmerking genomen dat de AFM ook in het eerste boetebesluit die gematigde boete had kunnen opleggen.

2.5 Uit het voorgaande volgt dat voor de verzochte opheffing van de getroffen voorlopige voorziening geen grond bestaat. De AFM zal worden veroordeeld in de kosten van GVSN.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 17 mei 2010 (registratienummer AWB 10/1232 VBC-T2) getroffen voorlopige voorziening af;

veroordeelt de AFM in de proceskosten van GVSN tot een bedrag van € 437,--.

Aldus gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

Afschrift verzonden op: