Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN0602

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
316925 / HA ZA 08-2534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asbestzaak. Mesothelioom. Geschil tussen aansprakelijkheidsverzekeraar van (niet meer bestaande) werkgever en de erfgename van een oud-werknemer over werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7:658 BW wegens blootstelling van deze werknemer aan asbest(stof) gedurende zijn dienstverband in de periode 1953-1960 in de uitoefening van werkzaamheden als timmerman bij een scheepswerf. Werkgever heeft in de relevante periode geen veiligheidsmaatregelen getroffen met het oog op de toen bekende gevaren van blootstelling aan asbest(stof) waardoor de kans op de (destijds nog niet bekende) asbestziekte mesothelioom vegroot is. Toepassing dertigjarige verjaringstermijn (art. 3:310 lid 2 BW) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Beoordeling in het licht van de in het arrest Van Hese / De Schelde (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430) ontwikkelde gezichtspuntencatalogus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaaknummer / rolnummer: 316925 / HA ZA 08-2534

Uitspraak: 26 mei 2010

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

handelend als erfgename van [X],

wonende te Etten-Leur,

eiseres,

advocaat mr. H. Cornelis,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND GROEP N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.L. Stolk.

Partijen worden verder aangeduid als "[eiseres]" en "Allianz".

1. Het verloop van het geding

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 13 oktober 2008, mede houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Rv, en de daarbij overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord tevens antwoord in het incident ex artikel 223 Rv, met producties;

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 14 januari 2009 waarbij de gevorderde voorlopige voorziening is afgewezen;

- de akte rechtsopvolging/conclusie van repliek/akte wijziging van eis, met producties;

- de conclusie van dupliek, met productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. De gewijzigde eis luidt dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Verolme Scheepswerf Heusden N.V. (hierna: "Verolme") jegens [X] (hierna: "[X]") tekort is geschoten in de op haar op grond van destijds artikel 7A:1638x BW en thans artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en daardoor jegens (de erven van) [X] schadeplichtig is geworden;

2. Allianz veroordeelt om als aansprakelijkheidsverzekeraar van Verolme de op basis van deze aansprakelijkheid verschuldigde schadevergoeding volledig en rechtstreeks aan [eiseres] te voldoen;

3. Allianz veroordeelt tot vergoeding van een bedrag aan smartengeld van € 77.500,--, dan wel een ander door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 januari 2008 tot aan de dag van voldoening;

4. Allianz veroordeelt tot vergoeding van een bedrag aan materiële schade van € 5.407,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2008, althans vanaf een door de rechtbank in redelijkheid vast te stellen moment, tot aan de dag van voldoening;

5. Allianz veroordeelt tot vergoeding van de schade op grond van artikel 6:108 lid 1 BW, verschuldigd vanaf 24 december 2008 en voorlopig begroot op een bedrag van € 220,-- netto per maand, welk bedrag nog nader moet worden vastgesteld;

6. Allianz veroordeelt tot vergoeding van de kosten die verschuldigd zullen zijn om de exacte omvang te berekenen van het bedrag dat op grond van artikel 6:108 lid 1 BW verschuldigd is;

7. Allianz veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 2.223,22, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 oktober 2008;

8. Allianz veroordeelt in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht, in zowel de verzoekschriftprocedure met het kenmerk 312420 HA RK 08-212 als in deze zaak;

9. Allianz veroordeelt in de nakosten ad € 133,--, dan wel, indien betekening plaatsvindt, ad € 199,--.

2.2. [eiseres] baseert haar vordering op artikel 7A:1638x (oud) BW (thans artikel 7:658 BW) en stelt daartoe het volgende. [X] is overleden aan mesothelioom veroorzaakt door de blootstelling aan asbest in de periode dat hij werkzaam was bij Verolme. Verolme is, als toenmalig werkgeefster van [X], jegens hem tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht om hem te beschermen tegen blootstelling aan asbest. Verolme is daardoor jegens (de erven van) [X] schadeplichtig geworden. Op grond van artikel 7:954 BW heeft [eiseres] als erfgename van [X] jegens Allianz een directe actie. [X] heeft immateriële en materiële schade geleden alsmede buitengerechtelijke kosten gemaakt ter hoogte van de gevorderde bedragen. De door [eiseres] geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 6:108 lid 1 BW bedraagt € 220,-- netto per maand. Dit bedrag dient nog doorgerekend te worden op factoren als belasting, inflatie, rekenrente, en kapitalisatie. De daaraan verbonden kosten dienen eveneens door Allianz te worden vergoed.

2.3. Allianz voert daartegen het volgende aan. Allianz betwist allereerst dat [X] als gevolg van zijn werkzaamheden bij Verolme mesothelioom heeft gekregen. Allianz betwist verder dat Verolme haar zorgplicht heeft geschonden. In ieder geval, zo stelt Allianz, is de vordering ingevolge artikel 3:310 lid 2 BW verjaard. Voorts wordt de (omvang van de) gestelde schade betwist. Allianz concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de kosten van het geding, met rente en nakosten.

3. De beoordeling

A. Inleiding

3.1. Tussen partijen staan - voor zover van belang - de volgende feiten vast:

a. [X], geboren op 1 juli 1936, is van 3 januari 1953 tot en met 17 december 1960 (met een onderbreking van 18 maanden wegens militaire dienst) als (leerling) timmerman in dienst geweest van Verolme en haar rechtsvoorgangster.

b. In december 2007 is bij [X] de (voorlopige) diagnose mesothelioom gesteld. Op 24 januari 2008 is deze diagnose door het Nederlands Mesothelioompanel bevestigd.

c. Verolme en haar rechtsopvolgster bestaan niet meer.

d. Allianz was de aansprakelijkheidsverzekeraar van Verolme terzake de periode van het onder a. bedoelde dienstverband.

e. Bij brief van 29 februari 2008 heeft [X] Verolme (p/a Allianz) aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van zijn ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade.

f. Bij brief van 5 maart 2008, gericht aan de Stichting Instituut Asbestslachtoffers (hierna: "IAS"), heeft Allianz te kennen gegeven dat haars inziens de vordering van [X] is verjaard.

g. [X] heeft ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (regeling TAS) via de Sociale Verzekeringsbank (hierna: "SVB") een bedrag ontvangen van € 17.050,--. Bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding dient dit bedrag aan de SVB te worden terugbetaald.

h. [X] is op 24 december 2008 overleden.

3.2. De onderhavige procedure wordt door [eiseres], weduwe van [X], sinds diens overlijden voortgezet. De rechtbank acht de eiswijziging, waartegen Allianz geen bezwaar heeft gemaakt, niet in strijd met de eisen van een goede procesorde en zal daarom recht doen op de gewijzigde eis.

B. Is [X] bij Verolme aan asbest blootgesteld en heeft hij hierdoor de ziekte mesothelioom gekregen?

3.3. Tussen partijen is allereerst in geschil of [X] tijdens zijn werkzaamheden bij Verolme aan asbest is blootgesteld en of dit heeft geleid tot de ziekte mesothelioom.

3.4. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [X] tijdens zijn dienstverband bij Verolme aan asbeststof is blootgesteld, verwezen naar zogenaamde expertsystemen ontwikkeld op het terrein van asbestblootstelling in de arbeidssituatie. Hieromtrent heeft zij het volgende gesteld. Eén van die systemen is opgenomen in "Bijlage C Lijst van beroepen waarin asbestblootstelling kan leiden tot een verhoogd risico op het optreden van maligne mesothelioom" bij het advies van de Gezondheidsraad van april 1998. Op deze lijst is zowel de functie "timmerman" als de functie "scheepsbouwer" opgenomen. Op de Asbestkaart, een elektronisch expertsysteem voor de beoordeling van historische asbestblootstelling in bedrijfstakken en beroepen in de periode 1945-1994, is terzake de bedrijfstak Scheepsbouw- en reparatiewerven het beroep dat [X] destijds heeft uitgeoefend bij Verolme (timmerman/scheepsbeschieter) eveneens aan te treffen. In bijlage E bij het advies van de Gezondheidsraad van april 1999 is een historische risicomatrix voor asbestblootstelling beschreven. Bij "Scheepsbouw" zijn in zowel de periode 1946-1955 als in de periode 1956-1965 de codes B3 en P2 genoemd. Code B3 houdt in dat sprake is geweest van een hoge asbestblootstelling, zodanig dat één jaar arbeid op deze plaats voldoende is om de benodigde blootstelling voor het ontstaan van asbestose te overschrijden. Code P2 betekent dat alle productiemedewerkers blootgesteld zijn geweest, aldus [X]ds [eiseres]. Voorts is door [eiseres] verwezen naar de pagina’s 127 tot en met 132 van het proefschrift van Stumphius uit 1969 waarin de asbestblootstelling ten aanzien van scheepswerf "De Schelde" is beschreven. Volgens [eiseres] valt redelijkerwijs aan te nemen dat de aldaar omschreven blootstelling aan asbest op vergelijkbare wijze heeft plaatsgevonden op de scheepswerf van Verolme. Het personeel betrokken bij de afbouw van de schepen, zoals [X], werkte in nog in de lucht aanwezig asbeststof afkomstig van het isoleerbedrijf.

3.5. Voor wat betreft de (concrete) blootstelling van [X] aan asbeststof in de arbeidssituatie bij Verolme en het ontbreken van beschermende maatregelen daartegen heeft [eiseres] verwezen naar het proces-verbaal van het op 19 december 2008 gehouden voorlopig getuigenverhoor waarbij [X] als getuige is gehoord, het proces-verbaal van het op 24 april 2009 gehouden voorlopig getuigenverhoor waarbij [B] als getuige is gehoord, en de overgelegde schriftelijke verklaringen van [F] en [T], destijds collega’s van [X].

3.6. Volgens Allianz is door [eiseres] niet het bewijs geleverd dat [X] mesothelioom heeft gekregen door de werkzaamheden bij Verolme. Uit voornoemde stukken en uit hetgeen omtrent de blootstelling aan asbest bij De Schelde is gesteld, blijkt niet dat [X] gedurende zijn werkzaamheden voor Verolme aan asbest is blootgesteld. Voorts volgt uit de getuigenverklaringen van [X] en [B] niet dat timmerlieden daadwerkelijk in contact kwamen met de asbesthoudende laag rondom de leidingen. Uit de schriftelijke verklaringen van [F] en [T] kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [X] daadwerkelijk bij Verolme aan asbest is blootgesteld, aldus nog steeds Allianz.

3.7. De rechtbank overweegt het volgende. Hoewel uit de door [eiseres] overgelegde stukken van de Gezondheidsraad niet direct kan worden afgeleid dat [X] tijdens zijn dienstverband bij Verolme is blootgesteld aan asbest, vormen de daarin opgenomen gegevens, met name de historische risicomatrix voor asbestblootstelling, wel een belangrijke aanwijzing dat de mate van asbestblootstelling in de scheepsbouw, waartoe de onderneming van Verolme behoorde, in de periode 1946-1965 hoog (B3) was en dat in het algemeen scheepstimmerlieden aan asbest blootgesteld zijn geweest. Dit gegeven, dat op zichzelf niet door Allianz is betwist, levert op zijn minst genomen een vermoeden op dat ook de in die periode bij Verolme werkzame scheepstimmerlieden aan asbest(stof) blootgesteld zijn geweest.

3.8. Hetgeen de getuigen [X] en [B], een oud-collega van [X], hebben verklaard omtrent de aard van de door hen in de periode van 1953 tot en met 1960 verrichte scheepstimmerwerkzaamheden bij Verolme en de arbeidsomstandigheden waarin zij die werkzaamheden destijds hebben uitgevoerd, is op zichzelf door Allianz niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank zal dan ook van de juistheid daarvan uitgaan. Uit die getuigen¬verklaringen kan het volgende worden afgeleid:

a. bij Verolme werden in bepaalde scheepsruimten isolatiewerkzaamheden verricht;

b. bij deze isolatiewerkzaamheden werd gebruik gemaakt van asbesthoudende (isolatie)materialen;

c. [X] heeft timmerwerkzaamheden verricht in de scheepsruimten waarin isolatiewerkzaamheden kort daarvoor waren of nog werden uitgevoerd;

d. in de scheepsruimten waar [X] werkzaam was, lag stof en afvalmateriaal dat afkomstig was van de isolatiewerkzaamheden.

e. in de scheepsruimten waar [X] werkzaam was, was geen ventilatie. In de zomer stonden de deuren en patrijspoorten open. In de periode dat [X] in de scheepsruimten werkzaam was, werden door Verolme geen beschermende middelen, zoals stofkapjes, verstrekt.

3.9. [F] en [T], twee oud-collega's bij Verolme, die in de periode 1953-1960 als scheepstimmerman werkzaam waren aan boord van diverse schepen, hebben de getuigenverklaringen van [X] en [B] voor wat betreft de arbeidsomstandigheden op de in aanbouw zijnde schepen bevestigd en verklaard dat destijds gewerkt werd in vuile en stoffige ruimten, dat op veel plaatsen asbest is gebruikt als isolatie, dat hen niet is verteld dat asbest slecht voor de gezondheid is, en dat geen beschermingsmiddelen ter beschikking werden gesteld.

3.10. Uit het vorenstaande kan het volgende worden afgeleid. Volgens de sub 3.4. genoemde (algemene) gegevens kwamen scheepstimmerlieden destijds in aanraking met asbest. Allianz heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat bij Verolme anders werd gewerkt dan bij De Schelde. Op basis van de verklaring van [X], die op essentiële punten wordt aangevuld door de verklaring van [B] en daarom gebruikt kan worden voor het bewijs, blijkt dat gewerkt werd in niet geventileerde, niet schoongemaakte ruimten waar asbest werd of kort daarvoor was aangebracht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [X] gedurende zijn dienstverband bij Verolme in de periode 1953-1960 blootgesteld is geweest aan asbest(stof).

3.11. De rechtbank acht verder aangetoond dat deze blootstelling aan asbest heeft geleid tot de ziekte mesothelioom. In het kader van het door het IAS uitgevoerde arbeidshistorisch onderzoek en tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft [X] aangegeven tijdens andere dienstverbanden niet aan asbest(stof) te zijn blootgesteld. Allianz heeft hiertegenover geen c.q. onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat [X] blootgesteld is aan asbest op een ander moment dan tijdens zijn werkzaamheden bij Verolme. Allianz heeft verder betoogd dat niet uit te sluiten valt dat de bij [X] vastgestelde mesothelioom in het geheel niet door blootstelling aan asbest is te wijten: voor 15-20% van de mesothelioomgevallen is geen oorzaak vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank treft dit verweer geen doel. Gelet op het feit dat in het algemeen 80-85% van de bekende mesothelioom gevallen te wijten is aan blootstelling aan asbest en van de overige 15-20% geen andere oorzaak is vastgesteld, dient causaal verband te worden aangenomen. Dat het soort asbest waaraan [X] bij Verolme is blootgesteld niet is komen vast te staan, doet daaraan niet af.

3.12. Daarbij geldt ingevolge artikel 6:99 BW nog het volgende. Indien de schade het gevolg kan zijn van meerdere gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vast staat dat de schade door tenminste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is. Toepassing van dit artikel in het onderhavige geval brengt mee dat Allianz feiten en omstandigheden dient te stellen waaruit volgt dat de ziekte van [X] niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor Verolme aansprakelijk is. De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat Allianz geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit kan volgen dat [X] op een ander moment dan gedurende zijn werkzaamheden voor Verolme is blootgesteld aan asbest(stof) en dat daardoor zijn ziekte is veroorzaakt; dergelijke feiten en omstandigheden zijn ook niet gebleken.

3.13. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [X] als gevolg van het feit dat hij tijdens zijn dienstverband bij Verolme blootgesteld is geweest aan asbest(stof) mesothelioom heeft gekregen.

C. Is Verolme aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW?

3.14. Als werkgever rustte op Verolme de zorgplicht om die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [X] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. Tussen partijen is in geschil of Verolme in deze zorgplicht tekortgeschoten is. [eiseres] stelt dat dit het geval is omdat Verolme geen voorzorgsmaatregelen heeft genomen tegen de blootstelling aan asbest. Allianz betoogt dat gedurende het dienstverband van [X] van Verolme niet kon worden gevergd veiligheidsmaatregelen te nemen om iedere blootstelling aan asbest te voorkomen. In 1960 was Verolme niet bekend en hoefde zij niet bekend te zijn met het feit dat kortstondige blootstelling aan asbest een ernstige ziekte als mesothelioom kon veroorzaken. Dit werd pas veel later bekend. Verolme kon en behoefde in dat verband dus ook geen maatregelen te nemen. Maatregelen ter voorkoming van langdurige en intensieve blootstelling aan asbest hadden de ziekte mesothelioom niet kunnen voorkomen.

3.15. Vooropgesteld wordt dat vanaf ongeveer de jaren vijftig bekend was dat men door inademing van asbest(stof) het risico liep een asbestziekte te krijgen, zoals onder meer blijkt uit de door [eiseres] bij dagvaarding overgelegde publicaties. Tot de bekende ziektes behoorde in eerste instantie nog niet mesothelioom. Pas rond 1969 kwam het risico van die ziekte in Nederland in beeld, enkele geïsoleerde publicaties waarmee Verolme niet bekend behoefde te zijn buiten beschouwing latend. In de periode daaraan voorafgaande is dan ook sprake van een onbekend gevaar, maar dat impliceert niet dat werkgevers daarvoor niet aansprakelijk kunnen zijn. In het arrest Cijsouw/De Schelde I (HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686) heeft de Hoge Raad aangegeven dat de werkgever aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van het destijds onbekende gevaar van mesothelioom indien hij in de betrokken periode heeft nagelaten de vereiste veiligheidsmaatregelen te nemen ter voorkoming van de verwezenlijking van de wel bekende gevaren en de kans op het zich verwezenlijken van een onbekend gevaar daardoor in aanzienlijke mate wordt verhoogd. Dit is slechts anders indien de werkgever aannemelijk maakt dat het nemen van de destijds vereiste veiligheids¬maatregelen met betrekking tot deze wel bekende gevaren de verwezenlijking van het onbekende gevaar waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen.

3.16. In het licht van het vorenstaande overweegt de rechtbank het volgende. Door Allianz is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat in de relevante periode (1953-1960) Verolme wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden en dat in ieder geval over de gevaren van asbestose en (asbestose met) longkanker consensus bestond. Allianz heeft weliswaar aangevoerd dat die risico’s destijds niet algemeen bekend waren en dat geen consensus bestond over de gevaren van asbest, maar zij heeft haar verweer dienaangaande voornamelijk toegespitst op de bekendheid met het gevaar van mesothelioom. Allianz heeft terzake het als productie 31 bij conclusie van repliek overgelegde overzicht van P.H.J.J. Swuste, waaru[X]ns [eiseres] blijkt dat in de relevante periode consensus bestond over het risico van asbestose, enkel aangegeven dat dit overzicht niet van betekenis is omdat [X] aan mesothelioom leed en dat daarmee enkel is aangetoond dat pas in 1969 consensus bestond over de relatie tussen asbestblootstelling en mesothelioom. Allianz heeft verder nog aangegeven dat de bij dagvaarding overgelegde publicaties veelal betrekking hebben op isolatiewerkzaamheden/asbestisoleerders en dat [X] een timmerman was die zelf niet met asbest werkte. Nog daargelaten dat zulks onverlet laat dat met die publicaties werd gewezen op de gezondheidsgevaren van blootstelling aan asbest, treft dit verweer, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de werkomstandigheden bij Verolme, geen doel. [X] werkte immers in ruimten waar isolatiewerkzaamheden met asbest werden of zojuist waren uitgevoerd.

3.17.De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat Verolme in de periode dat [X] voor haar werkzaam was wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden en dat in ieder geval over de gevaren van asbestose en asbestose met longkanker consensus bestond. Verolme had met het oog op die bekendheid veiligheidsmaatregelen moeten nemen ter voorkoming van de destijds wel bekende gevaren van asbestose en asbestose met longkanker. Zelfs indien destijds de precieze oorzaak van en meest effectieve mogelijkheden van preventie tegen asbestose en asbestose met longkanker nog niet bekend waren, laat dat onverlet dat Verolme verplicht was om de blootstelling aan asbest zoveel mogelijk terug te dringen. Gesteld noch gebleken is dat Verolme destijds aan die verplichting heeft voldaan. Integendeel, uit de getuigen¬verklaringen volgt dat er geen beschermingsmaatregelen werden getroffen.

3.18. [eiseres] stelt dat vanwege het feit dat destijds veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van de wel bekende gezondheidsrisico’s achterwege gelaten zijn, [X] gedurende zijn dienstverband bij Verolme blootgesteld is geweest aan asbest(stof) hetgeen de kans op het ontstaan van mesothelioom aanzienlijk heeft verhoogd. Tegenover deze stelling heeft Allianz niet aannemelijk gemaakt dat maatregelen met betrekking tot de wel bekende gezondheidsrisico’s de verwezenlijking van mesothelioom niet hadden kunnen voorkomen. Zij heeft haar stelling dienaangaande immers niet aan de hand van concrete feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Zo is door Allianz niet gesteld dat voor bescher¬ming tegen mesothelioom andere maatregelen vereist waren dan voor bescherming tegen asbestose en asbestose met longkanker. Dat voor asbestose een langdurige(re) blootstelling vereist is dan voor mesothelioom, is niet relevant, nu [X] bij Verolme langere tijd aan asbest is blootgesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het achterwege laten van maatregelen met betrekking tot de wel bekende gezondheidsrisico’s de kans op het zich verwezenlijken van de nog onbekende asbestziekte mesothelioom in aanzienlijke mate heeft vergroot.

3.19. Allianz heeft nog aangevoerd dat blootstelling aan wit asbest geen aansprakelijkheid van Verolme meebrengt en dat het aan [eiseres] is om te bewijzen aan welke kleur asbest hij destijds blootgesteld is. Nu Allianz dit verweer enkel in verband heeft gebracht met mesothelioom, deze ziekte destijds nog onbekend was, en gesteld noch gebleken is dat haar verweer (ook) voor asbestose van betekenis is, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Het beroep van Allianz op het arrest van de Hoge Raad d.d. 4 juni 2004 (JAR 2004, 287, Van Oostrum/Gemex) treft evenmin doel aangezien de feiten en omstandigheden in dat arrest niet vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak. In die zaak ging het immers om de vraag of Gemex in de periode 1965–1979 op de hoogte had moeten zijn van het risico dat blootstelling aan wit asbest kan leiden tot het optreden van mesothelioom.

3.20. De conclusie is dat Verolme in de relevante periode geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen met het oog op de toen bekende gevaren van blootstelling aan asbest(stof) waardoor de kans op de (destijds nog niet bekende) asbestziekte mesothelioom vergroot is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Verolme jegens [X] tekort is geschoten in de op haar op grond van destijds artikel 7A:1638x BW en thans artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en daardoor jegens (de erven van) [X] schadeplichtig is geworden.

D. Komt Allianz een beroep op verjaring toe?

3.21. Allianz betoogt dat de vordering van [eiseres] is verjaard. [eiseres] betwist dit niet, maar stelt dat het beroep van Allianz op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit geschilpunt dient te worden beoordeeld in het licht van de in het arrest Van Hese / De Schelde (Hoge Raad 28 april 2000, NJ 2000, 430) ontwikkelde gezichtspuntencatalogus (verwezen wordt naar overweging 3.7 van het tussenvonnis d.d. 14 januari 2009). De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Gezichtspunt a: aan wie komt de schadevergoeding ten goede en wat is de aard van de gevorderde schade

3.22. De schade is in eerste instantie gevorderd door [X] zelf en niet – na zijn overlijden – door zijn nabestaanden. Voor een deel is de schadevergoeding ten goede gekomen aan [X]. Het deel van de schadevergoeding dat overeenkomt met de uitkering op grond van de regeling TAS heeft [X] immers – door die uitkering, die in zoverre als voorschot fungeerde – reeds bij leven ontvangen. Dat [X] is overleden op het moment waarop de vordering ten gronde door de rechter wordt beoordeeld, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om dit element anders te waarderen. Verder is van belang dat de nabestaande aan wie de schadevergoeding voor het overige toekomt geen willekeurige erfgenaam is, maar de weduwe van [X] met wie hij in gezinsverband heeft samengeleefd en aan wie [X] de schadevergoeding ook kennelijk ten goede heeft willen laten komen. Verder komt belang toe aan de aard van de schade die wordt gevorderd. [eiseres] vordert zowel materiële als immateriële schade.

Gezichtspunt b: aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde

3.23. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat terzake de gestelde immateriële schade aanspraak gemaakt kan worden op een uitkering uit anderen hoofde dan het TAS-voorschot van € 17.050,--. Een ziektekostenverzekering pleegt ziektekosten te vergoeden, geen immateriële schade.

Gezichtspunt c: de mate van verwijtbaarheid

3.24. Uit hetgeen hiervoor onder C is overwogen, volgt dat Verolme kan worden verweten dat zij, hoewel zij vanaf ongeveer de jaren vijftig wist, althans behoorde te weten, dat aan de blootstelling aan asbest(stof) bepaalde gezondheidsrisico’s waren verbonden, in de relevante periode (1953-1960) geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen ter voorkoming van de bekend te veronderstellen gezondheidsrisico’s. Hierdoor is [X] destijds blootgesteld geweest aan asbest(stof) en daardoor is de kans op mesothelioom in aanzienlijke mate verhoogd. Verolme heeft dus verwijtbaar gehandeld jegens [X]. In de relatie tussen [eiseres] en Allianz kan deze verwijtbaarheid worden tegengeworpen aan Allianz, gelet op haar afgeleide positie als verzekeraar (verwezen wordt naar overweging 3.12 van het provisionele vonnis d.d. 14 januari 2009). Anders dan Allianz is de rechtbank niet van oordeel dat voor gezichtspunt c alleen een hoge mate van verwijtbaarheid relevant is.

Gezichtspunt d: de voorzienbaarheid van mogelijke aansprakelijkheid

3.25. Naar het oordeel van de rechtbank diende Verolme ook vóór het verstrijken van de verjaringstermijn (17 december 1990) rekening te houden met de mogelijkheid dat zij voor de schade aansprakelijk zou zijn. Hierbij dient mede in aanmerking te worden genomen dat – gelet op de publicatie van het proefschrift van dr. Stumphius uit 1969 – het verband tussen asbest en mesothelioom sedert 1969 bekend was (zodat vanaf 1969 mogelijk relevant bewijsmateriaal had kunnen worden vastgelegd en/of bewaard) en dat al vrij lang vóór 17 december 1990 in de rechtspraak was aanvaard dat bij niet-inachtneming van een veiligheidsvoorschrift de overtreder aansprakelijk is voor de schade, ook al manifesteert deze zich op een wijze die niet voorzienbaar was.

Gezichtspunt e: de mogelijkheid verweer te voeren

3.26. Allianz heeft aangevoerd dat voor de beoordeling van dit gezichtspunt van belang is dat Allianz, en niet de voormalig werkgever, de aangesproken partij is. Verolme is opgehouden te bestaan en omtrent de concrete werkomstandigheden van destijds is niets meer bekend en nagenoeg niets meer te achterhalen, aldus Allianz.

3.27. Zoals ook in het provisionele vonnis van 14 januari 1990 onder 3.12 is overwogen, is de positie van de aansprakelijkheidsverzekeraar per definitie een van haar verzekerde afgeleide. Hieraan doet niet af dat Verolme, althans haar rechtsopvolgster, niet meer bestaat. Weliswaar is aannemelijk dat het voeren van verweer door Allianz hierdoor bemoeilijkt wordt, doch anderzijds acht de rechtbank niet uitgesloten dat door Allianz verdere infor¬matie kan worden verkregen omtrent de door [X] te verrichten werkzaamheden en de omstandigheden waaronder hij de werkzaamheden heeft verricht. Aangenomen moet worden dat Allianz als verzekeraar van Verolme beschikt over de nodige kennis omtrent hetgeen in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw te doen gebruikelijk was in de scheeps¬bouw.

Gezichtspunt f: verzekeringsdekking

3.28. Niet in geschil is dat de eventuele aansprakelijkheid van Verolme is gedekt door een verzekering.

Gezichtspunt g: redelijke termijn

3.29. De rechtbank is van oordeel dat na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schade¬vergoeding is ingesteld. In zoverre is de positie van Allianz in deze procedure niet nadelig beïnvloed door het tijdsverloop.

Slotsom ten aanzien van de verjaring

3.30. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gezichtspunt e (mogelijkheid verweer) op zich zichzelf genomen pleit vóór toepassing van de verjaringsregel, maar dat de gezichtspunten c (verwijtbaarheid) en d (voorzienbaarheid) en tot op zekere hoogte ook gezichtspunt f (verzekeringsdekking) daaraan in de weg staan. De gezichtspunten a en b zijn in de totale afweging als neutraal meegewogen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in dit uitzonderlijke geval van iemand die pas 48 jaar na beëindiging van het dienstverband geconfronteerd wordt met mesothelioom en alle gevolgen van dien, toepassing van de dertigjarige termijn van artikel 3:310 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Allianz komt daarom geen beroep op verjaring toe.

E. Schade

Inleiding

3.31. Gelet op het voorgaande staat thans vast dat Allianz aansprakelijk is voor de schade die is geleden door (de erven van) [X].

Immateriële schade

3.32. Artikel 6:106 BW bepaalt - kort gezegd - dat iemand die letselschade heeft opgelopen recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat. Volgens vaste rechtspraak moet bij de begroting van deze immateriële schade rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Deze toets omvat onder meer de aard van de aansprakelijkheid, de intensiteit van de pijn en het verdriet, waaronder die over een kortere levensverwachting, de gederfde levensvreugde van de benadeelde, en de duur van de periode waarin de immateriële schade is geleden.

3.33.Tot de omstandigheden van dit geval behoort allereerst dat bij [X] in december 2007 de (voorlopige) diagnose mesothelioom is vastgesteld. Hij was toen 71 jaar. Deze diagnose is kort daarna bevestigd. Inherent aan deze diagnose is dat [X] moet hebben geweten dat hij niet lang meer te leven zou hebben. Aangenomen kan worden, gelet op algemene ervaringsregels, dat dit een grote psychische belasting voor hem heeft betekend. Eén jaar later, op 24 december 2008, is [X] overleden aan de gevolgen van mesothelioom. Op grond van algemene ervaringsregels kan aangenomen worden dat de ziekte in dat jaar een grote invloed op hem heeft gehad. Dat [X] immateriële schade heeft geleden, is dan ook evident.

3.34.Schade als deze kan naar zijn aard moeilijk in geld worden gewaardeerd. De rechtbank kiest er als uitgangspunt voor om aansluiting te zoeken bij het normbedrag dat in 2008 als smartengeld voor mesothelioomslachtoffers door het IAS werd gehanteerd, zijnde (afgerond) € 50.000,--. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat in deze zaak een lager of hoger bedrag op zijn plaats zou zijn. De rechtbank zal, alle hiervoor genoemde omstandigheden meewegend, daarom een bedrag van € 50.000,-- als immateriële schadevergoeding toewijzen.

Materiële schade ad € 5.407,--

3.35. [eiseres] heeft ter onderbouwing van dit onderdeel van haar vordering verwezen naar de bij conclusie van repliek als productie 37 overgelegde "Schadestaat [X]" en de daarbij behorende nota’s en bijlage. Allianz heeft een deel van deze schadeposten niet betwist, een ander deel heeft zij betwist bij gebrek aan wetenschap.

3.36. Allianz heeft de in de "Schadestaat [X]" vermelde schadeposten niet-vergoede medische kosten ad € 318,88, vergoeding ziekenhuisdaggeld ad € 600,--, reiskosten doktersbezoek ad € 360,--, reiskosten familiebezoek ziekenhuis ad € 368,64, niet-vergoede kosten crematie ad € 192,63, en kosten verklaring van erfrecht ad € 514,20 niet betwist en heeft zich terzake gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. [eiseres] heeft die schadeposten aan de hand van nota’s onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten in zodanig verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van Allianz berust, dat die haar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van die gebeurtenis kunnen worden toegerekend. Derhalve acht de rechtbank de aan die schadeposten verbonden bedragen, die in totaal een bedrag van € 2.354,35 belopen, toewijsbaar.

3.37. Allianz heeft een aantal van de schadeposten uit de “Schadestaat [X]” bij gebrek aan wetenschap betwist. Het betwist de posten extra gekochte kleding ad € 300,--, extra energie- en telefoonkosten ad € 350,-- respectievelijk € 150,--, aanschaf bed en beddengoed ad in totaal € 1.319,--, de factuur van Jan Schouw B.V. ad € 471,99, en de nota van het CAK d.d. 10 april 2009 ad € 461,67. Over deze posten wordt als volgt geoordeeld.

a. Hoewel een specificatie van de bedragen die worden gevorderd in verband met de extra gekochte kleding (ad € 300,--) en extra energie- en telefoonkosten (ad € 350,-- respectievelijk € 150,--) ontbreekt, acht de rechtbank het gerechtvaardigd dat deze bedragen door Allianz worden vergoed. Het is voldoende aannemelijk dat deze extra kosten in verband met de ziekte van [X] zijn gemaakt terwijl deze kosten voorts gelet op de aard ervan niet onredelijk hoog zijn. De aan deze schadeposten verbonden bedragen, die in totaal een bedrag van € 800,-- belopen, zijn daarom toewijsbaar.

b. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 1.319,-- in verband met de aanschaf van een bed en beddengoed en het bedrag van € 471,99 terzake de vervanging van twee stuks radiatorkranen door kranen met thermostaatknop met afstandbediening. Ter onderbouwing van deze schadeposten heeft [eiseres] verwezen naar de overgelegde factuur van De Been Wooncentrum d.d. 10 juli 2008, de factuur van Slaapcomfort Jack Suykerbuyk d.d. 10 juni 2008, en de factuur van Jan Schouw B.V. d.d. 11 december 2008. Allianz heeft niet gemotiveerd aangevoerd waarom zij de kosten van het bed en het beddengoed niet zou hoeven te vergoeden. Het bed en het beddengoed zijn aangeschaft in de periode dat [X] aan mesothelioom leed. Hetzelfde geldt voor de vervanging van de radiatorkranen door kranen met thermostaatknop met afstandbediening. Het is voldoende aannemelijk dat deze (hulp)zaken zijn aangeschaft vanwege het feit dat [X] als gevolg van zijn ziekte lichamelijke beperkingen ondervond. Nu de rechtbank de hoogte van de gevorderde bedragen niet onredelijk voorkomt, zullen deze bedragen (€ 1.319,-- en € 471,99) worden toegewezen.

c. Terzake het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 461,67 in verband met de nota van het CAK d.d. 10 april 2009 is de rechtbank van oordeel dat uit die nota kan worden afgeleid dat in totaal een bedrag van € 96,46 in rekening is gebracht. Dit bedrag ziet op de door [eiseres] te betalen eigen bijdrage. De rechtbank zal het bedrag van € 96,46 daarom toewijzen. Deze post wordt voor het overige als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

3.38. Uit het voorgaande volgt dat een totaalbedrag van € 5.041,80 aan materiële schade toe¬wijsbaar is.

Schade op grond van artikel 6:108 lid 1 BW

3.39. Artikel 6:108 BW gaat om de schade door het derven van levensonderhoud indien iemand overlijdt als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Voor de omvang van deze schade heeft [eiseres] verwezen naar het als productie 38 bij conclusie van repliek overgelegde overzicht met bijbehorende bijlagen. Allianz betwist deze schadeberekening. In het bijzonder betwist Allianz dat moet worden uitgegaan van een schadebedrag van € 220,-- per maand aangezien de situatie na het overlijden van [X] niet voldoende duidelijk is gemaakt.

3.40. Hierover wordt als volgt geoordeeld. [eiseres] heeft aangegeven dat zij aan AOW per maand € 1.000,-- ontvangt. Uit de AOW specificatie januari 2009 leidt de rechtbank evenwel af dat [eiseres] terzake AOW een periodiek nettobedrag van € 966,75 ontvangt. Voorts volgt uit die specificatie dat zij een nettobedrag van € 292,91 heeft ontvangen. Ten aanzien van laatstgenoemd nettobedrag is vermeld dat dit een inciden¬teel nettobedrag betreft. Niet duidelijk is waarop dit bedrag betrekking heeft. Voorts dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de (vaste) maandlasten voor gas, water en elektra na het overlijden van [X] lager zijn dan voor zijn overlijden. Dit kan het geval zijn in de situatie dat voorheen [X] en [eiseres] gebruik maakten van de aansluitingen en dat na het overlijden van [X] alleen [eiseres] daarvan nog gebruik maakt. Niet duidelijk is echter of, naast [eiseres], nog andere personen gebruik ma(a)k(t)en van de aansluitingen. Gezien het vorenstaande en het feit dat de omvang van de (vaste) maandlasten voor gas, water en elektra over 2009 bij het indienen van de conclusie van repliek nog niet bekend was, kan niet zonder meer worden uitgegaan van het door [eiseres] genoemde bedrag van € 1.091,--. Dat bedrag is immers gebaseerd op de (oude) situatie voor het overlijden van [X].

3.41. Het voorgaande betekent niet dat [eiseres] als erfgename van [X] geen aanspraak kan maken op schadevergoeding voor levensonderhoud, maar wel dat deze nu nog niet kan worden begroot. De rechtbank zal Allianz daarom veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Indien partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de hoogte van deze schadepost, zal de rechtbank in een schadestaatprocedure de hoogte hiervan vaststellen. Gelet op de daartoe strekkende vordering wordt overwogen dat de kosten van het vaststellen van de schade, eveneens voor rekening van Allianz komen. De hoogte hiervan kan eveneens in de schadestaatprocedure aan de orde komen.

3.42. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank niet toewijsbaar. [eiseres] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

F. Slotsom

3.43. Het voorgaande leidt tot de volgende uitkomsten. De rechtbank zal voor recht verklaren dat Verolme jegens [X] tekort is geschoten in de op haar op grond van destijds artikel 7A:1638x BW en thans artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en daardoor jegens [eiseres] als erfgename van [X] schadeplichtig is geworden. Allianz zal veroordeeld worden tot betaling van de hiervoor genoemde bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding. Daarnaast zal Allianz worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:108 BW, zulks nader op te maken bij staat. De hiervoor onder 2.1 sub 2 bedoelde vordering zal niet worden toegewezen, nu gesteld noch gebleken is dat er andere schade is dan de hiervoor bedoelde schade.

3.44. Ten aanzien van de gevorderde rente wordt als volgt overwogen. De wettelijke rente over de immateriële schade is in overeenstemming met de vordering toewijsbaar vanaf 1 januari 2008. Ten aanzien van de gespecificeerde materiële schadeposten geldt dat [eiseres] rente vordert vanaf 1 oktober 2008. Nu blijkens de specificatie het met name gaat om kosten die zijn gemaakt in de tweede helft van 2008 acht de rechtbank toewijzing van de rente over het gehele bedrag aan materiële schade vanaf 1 oktober 2008 om praktische redenen gerechtvaardigd. Wat betreft de rente over de schade als bedoeld in artikel 6:108 BW geldt dat deze samenhangt met de wijze waarop deze schade wordt begroot, zodat dit punt niet thans maar in de schadestaatprocedure aan de orde dient te komen.

3.45. Allianz zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3.46. De gevorderde nakosten zullen als op de wet gebaseerd worden toegewezen.

4. De beslissing

De rechtbank,

a. verklaart voor recht dat Verolme jegens [X] tekort is geschoten in de op haar op grond van destijds artikel 7A:1638x BW en thans artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en daardoor jegens [eiseres] als erfgename van [X] schadeplichtig is geworden;

b. veroordeelt Allianz om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der voldoening;

c. veroordeelt Allianz om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 5.041,80 (zegge: vijfduizend eenenveertig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 1 oktober 2008 tot aan de dag der voldoening;

d. veroordeelt Allianz tot vergoeding van de schade op grond van artikel 6:108 lid 1 BW, verschuldigd vanaf 24 december 2008, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

e. veroordeelt Allianz in de proceskosten, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 4.969,44, als volgt te voldoen:

- aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 56.99.90.688, ten name

van MvJ Arrondissement Rotterdam [545]), onder vermelding van zaak- en rolnummer):

€ 1.640,00 aan in debet gesteld vast recht;

€ 85,44 aan in debet gestelde kosten voor de deurwaarder;

€ 3.129,00 aan salaris voor de advocaat;

- aan de advocaat van [eiseres]:

€ 115,00 voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

f. veroordeelt Allianz tot betaling van € 131,-- aan nakosten, verhoogd met € 68,-- aan betekeningskosten in het geval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

g. verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

h. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, C. Bouwman en N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken op 26 mei