Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BN0298

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
314374 / HA ZA 08-2159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsovereenkomst; uitkering brandschade op basis van herbouwwaarde of op basis van sloopwaarde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 314374 / HA ZA 08-2159

Vonnis van 12 mei 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eiser,

advocaat mr. A.J. van Steenderen,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de door [eiser] overgelegde producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de conclusie van repliek, met producties,

- de conclusie van dupliek, met producties

- de ter gelegenheid van de pleidooien overgelegde producties en pleitnotities,

- de brief zijdens Achmea van 1 april 2010,

- de brief met bijlagen zijdens [eiser] d.d. 15 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.

2.2. [eiser] is eigenaar van het gebouw gelegen aan [adres] (hierna: het pand). Tussen [eiser] en Achmea is een verzekeringsovereenkomst van kracht met polisnummer 15694101, krachtens welke het pand is verzekerd tegen brand. De verzekering is aangegaan voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 en daarna stilzwijgend voor de duur van een jaar verlengd. Op het polisblad staat voor zover van belang vermeld:

“Bedrag vorkclausule

EUR 1.418.500,00

met een herbouwwaarde van

EUR 4.728.500,00”

2.3. Op de verzekering zijn (onder meer) van toepassing de Productvoorwaarden Gebouwenverzekering (hierna: de Productvoorwaarden), waarin voor zover van belang is bepaald:

“5.3 Schadebetaling

(…)

De verschuldigde schadevergoeding wordt door de maatschappij voldaan binnen 4 weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens door de maatschappij. Eerder dan na afloop van genoemde termijn is de vordering niet opeisbaar en kan geen nakoming worden gevorderd, tenzij als resultaat van onderling overleg de schadevergoeding direct wordt uitgekeerd.

(…)

Artikel 14 Schade en omvang van de schadevergoeding

14.1 De verplichting van de maatschappij tot schadevergoeding omvat:

a. het verschil tussen de waarde van de verzekerde gebouwen onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de gebeurtenis of – naar keuze van de maatschappij – de herstelkosten onmiddellijk na de gebeurtenis van die zaken, die naar het oordeel van de expert(s) voor herstel vatbaar zijn;

(…)

14.2 Bij de bepaling van de waarde onmiddellijk voor de gebeurtenis wordt uitgegaan van de waardegrondslag zoals hieronder wordt genoemd, terwijl bij de vaststelling van de waarde onmiddellijk na de gebeurtenis met deze waardegrondslag rekening zal worden gehouden.

(…)

14.2.2 (…)

a. de herbouwwaarde als:

- verzekerde binnen 12 maanden na de schadedatum meedeelt dat tot herstel respectievelijk herbouw al dan niet op dezelfde plaats wordt overgegaan. Het herstel/de herbouw moet binnen 24 maanden na de schadedatum daadwerkelijk zijn aangevangen (…)

c. de sloopwaarde als:

- verzekerde vóór de schade al het voornemen had het gebouw af te breken (…).”

2.4. Tot 2002 was het pand in eigendom van en gebruik bij de vennootschap S.I. Zwartz B.V. (hierna: Zwartz B.V.). Sinds 2002 is Zwartz B.V. gevestigd aan [adres]. [eiser] heeft het pand vervolgens in eigendom verkregen en verhuurd aan derden.

2.5. Op 18 juni 2007 heeft [eiser] een sloopvergunning aangevraagd voor het pand. De gemeente Oldenzaal heeft de sloopvergunning verleend op 6 juli 2007.

2.6. Op 29 september 2007 is brand ontstaan in het pand. Ten gevolge hiervan is het pand beschadigd geraakt. Bij akte van taxatie d.d. 10 januari 2008 is door de door beide partijen benoemde experts de herbouwwaarde van het pand vastgesteld op € 5.980.000,-- .

2.7. Het evenement is gedekt onder de polis. Achmea heeft aan [eiser] betaald een bedrag van € 128.070,--, zijnde de sloopwaarde van het pand.

3. De vordering

3.1. De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Achmea te veroordelen aan [eiser] te betalen € 993.565,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

2. Achmea te veroordelen aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten ad € 7.875,-- exclusief BTW, althans de buitengerechtelijke kosten begroot conform het rapport Voorwerk II ad € 5.160,--

3. Achmea te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.3. [eiser] is tijdig overgegaan tot herbouw van het pand. Deze herbouw is gerealiseerd achter het huidige bedrijfspand van [eiser] B.V., aan de Munsterstraat te Oldenzaal. Aan de voorwaarden voor vergoeding op basis van de herbouwwaarde is derhalve voldaan, zodat [eiser] recht heeft op schadevergoeding conform de herbouwwaarde. De herbouwwaarde bedraagt in verband met de vorkclausule

€ 1.121.635,--, namelijk € 4.728.500,-- (verzekerde som)/€ 5.980.000,-- (herbouwwaarde volgens akte van taxatie) x € 1.418.500,-- (vorkclausule). Nu Achmea de schade reeds heeft vergoed op basis van sloopwaarde, is Achmea gehouden tot betaling van (€ 1.121.635,-- -/- € 128.070,-- =) € 993.565,--.

3.4. Achmea is de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf 7 februari 2008, nu op dat moment vier weken zijn verstreken nadat de akte van taxatie door de experts is opgesteld, op welk moment Achmea derhalve over de noodzakelijke gegevens beschikte als bedoeld in artikel 5.3 van de Productvoorwaarden. Subsidiair beschikte Achmea in ieder geval op 4 april 2008 over deze gegevens, nu Achmea per brief van die datum aan [eiser] heeft bericht dat in principe dekking onder de polis bestaat voor de sloopwaarde.

3.5. [eiser] heeft buitengerechtelijke kosten moeten maken ter vaststelling van de aansprakelijkheid van Achmea, namelijk het door zijn advocaat sommeren en rappelleren van en corresponderen met Achmea, alsmede het verlenen van bijstand en het afleggen van een verklaring door [a ] en [b ]. Het was zonder meer gerechtvaardigd dat [eiser] zich van bijstand heeft laten voorzien, nu een uitkering naar herbouwwaarde uitbleef, waardoor [eiser] de kosten die met de herbouw gepaard gingen uit eigen zak diende te voldoen. De volledige buitengerechtelijke kosten bedragen € 7.875,-- exclusief BTW. Subsidiair maakt [eiser] aanspraak op het conform de bepalingen van rapport Voorwerk II begrote bedrag ad € 5.160,--.

4. Het verweer

4.1. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering van [eiser], subsidiair tot toewijzing van de vordering van [eiser] zonder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [eiser] zekerheid stelt tot een bedrag van € 993.565,--, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente. Achmea heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.2. Achmea is niet gehouden tot uitkering op basis van de herbouwwaarde over te gaan, nu [eiser] al vóór de brand het voornemen had tot sloop van het pand. Met het betalen van de sloopwaarde aan [eiser] heeft Achmea voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst.

4.3. Voor zover [eiser] al tot herbouw zou zijn overgegaan, is tot het moment dat de herbouw is gerealiseerd geen sprake van een opeisbare vordering. Tot dat moment is derhalve geen wettelijke rente verschuldigd.

4.4. Betwist wordt dat de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.

5. De beoordeling

5.1. Voor een vergoeding op basis van de herbouwwaarde is krachtens artikel 14.2.2 onder a van de Productvoorwaarden vereist dat [eiser] binnen twaalf maanden na 29 september 2007 (de schadedatum) heeft medegedeeld dat tot herstel respectievelijk herbouw wordt overgegaan, terwijl het herstel, althans de herbouw binnen vierentwintig maanden na 29 september 2007 daadwerkelijk moet zijn aangevangen.

5.2. Hoewel Achmea aanvankelijk heeft betwist dat [eiser] vóór 29 september 2009 een aanvang heeft genomen met de herbouw, handhaaft zij dit verweer blijkens de brief van haar raadsman van 1 april 2010 niet, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat (ook) aan de overige vereisten voor vergoeding op basis van de herbouwwaarde is voldaan, zodat Achmea in beginsel is gehouden aan [eiser] de schade te vergoeden op basis van de herbouwwaarde.

5.4. Voor vergoeding op basis van de herbouwwaarde is evenwel geen plaats, als [eiser], zoals Achmea betoogt, vóór 29 september 2007 het voornemen had het gebouw af te breken in de zin van artikel 14.2.2 onder c van de Productvoorwaarden. Het is aan Achmea om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [eiser] een voornemen had tot sloop als bedoeld in dat artikel. Achmea stelt zich immers op het standpunt dat slechts de sloopwaarde voor vergoeding in aanmerking komt, ter afwering van de stelling van [eiser] dat de herbouwwaarde voor vergoeding in aanmerking komt.

5.5. Achmea heeft in dat verband gesteld dat uit de volgende omstandigheden moet worden afgeleid dat [eiser] vóór de brand op 29 september 2007 het voornemen had het pand af te breken:

- [eiser] heeft op 18 juni 2007 een aanvraagformulier voor een sloopvergunning ingediend,

- daarbij heeft hij aangegeven dat een nieuw bouwwerk zou worden gerealiseerd op hetzelfde perceel,

- [eiser] heeft in het kader van de aanvraag voor een sloopvergunning ook een asbestrapport laten opstellen,

- [eiser] heeft op 6 juli 2007 een sloopvergunning verkregen.

Daarbij heeft Achmea zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 14.2.2 onder c van de Productvoorwaarden volgt dat het enkele aanvragen van een sloopvergunning voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een voornemen het gebouw af te breken.

5.6. [eiser] heeft dit gemotiveerd betwist. Daarbij heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het bij het in artikel 14.2.2 onder c van de Productvoorwaarden genoemde “voornemen het gebouw af te breken” moet gaan om een definitief en onomkeerbaar voornemen tot sloop. Volgens [eiser] had hij niet het voornemen het pand daadwerkelijk te slopen, en heeft hij de sloopvergunning alleen aangevraagd om de waarde van de locatie van het pand te behouden. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [eiser] op het volgende gewezen (zakelijk weergegeven):

5.6.1.

- In 2000 was [eiser] voornemens het pand gefaseerd te herbouwen, omdat het niet langer voldeed aan de behoeften van [eiser] B.V. De gemeente heeft hem vervolgens gevraagd nieuwbouw te plegen op het nieuwe industriegebied ‘Hazewinkel’, omdat de gemeente volgens het ‘Masterplan Oldenzaal Centraal’ aldaar op termijn wilde herontwikkelen en in het gebied waar het pand is gelegen woningbouw wilde vestigen. [eiser] B.V. heeft vervolgens (eveneens in 2000) grond aangekocht op ‘Hazewinkel’ (Munsterstraat 5) en aldaar een nieuw bedrijfspand laten bouwen.

5.6.2.

- [eiser] verwachtte maximaal rendement te halen uit het pand door dit, zodra ten aanzien van de locatie van het pand tot herontwikkeling ten behoeve van woningbouw zou worden overgegaan, aan een projectontwikkelaar te verkopen. Aangezien deze herontwikkeling niet vóór 2015 was voorzien, heeft [eiser] het pand aan derden verhuurd, waarmee hij tot aan het moment van verkoop maximaal rendement behaalde met het pand.

5.6.3.

- In april 2007 kwam [eiser] ter ore dat de gemeente het pand mogelijk tot cultureel erfgoed wilde maken. Dat zou negatieve gevolgen hebben voor de waarde van het pand, omdat het daarmee voor ontwikkelaars niet interessant zou zijn het pand (en de daaronder liggende grond) te kopen ten behoeve van woningbouw.

5.6.4.

- Volgens zijn adviseurs zou [eiser] de waarde van de locatie kunnen behouden door een sloopvergunning aan te vragen. De sloopvergunning is derhalve alleen aangevraagd ter behoud van de waarde van de locatie van het pand. Een daadwerkelijk voornemen tot sloop was er niet. Ten tijde van de brand was er dan ook geen sloopdatum vastgesteld, was er geen sloopbedrijf ingeschakeld en waren de huurovereenkomsten niet opgezegd.

5.6.5. [eiser] heeft dit betoog onderbouwd met verklaringen van zijn adviseurs en van een ambtenaar van de gemeente.

5.7. De rechtbank overweegt als volgt. Nu partijen twisten over de uitleg van artikel 14.2.2 onder c van de Productvoorwaarden, zal de rechtbank allereerst beoordelen hoe dit beding moet worden uitgelegd. Volgens Achmea is het enkele aanvragen van een sloopvergunning reeds voldoende om aan te nemen dat sprake is van een voornemen het gebouw af te breken, terwijl [eiser] zich op het standpunt stelt dat het moet gaan om een definitief en onomkeerbaar voornemen tot sloop.

5.8. Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst komt het aan op hetgeen partijen met dat beding hebben beoogd en, indien niet van een gemeenschappelijke bedoeling blijkt, wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt. Daarbij moet worden gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de beantwoording van de vraag welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan een beding mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Ook de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin het beding is gesteld in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, is bij de uitleg van dat beding van belang.

5.9. Van een duidelijke gemeenschappelijke bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is niet gebleken, zodat zal moeten worden beoordeeld wat een redelijke uitleg van het beding meebrengt.

5.10. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van artikel 14.2.2 onder c van de Productvoorwaarden mee dat, wil de verzekeraar kunnen volstaan met uitkering op basis van de sloopwaarde, vereist is dat sprake is van een voldoende concreet voornemen tot sloop. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat blijkens de Productvoorwaarden uitgangspunt is dat de herbouwwaarde wordt vergoed. De grondslag voor de vaststelling van de hoogte van de premie wordt ook gevormd door de herbouwwaarde (na correctie op basis van de vorkclausule). Van dit uitgangspunt wordt blijkens de Productvoorwaarden (onder meer) afgeweken als sprake is van een voornemen tot sloop. Vergoeding op basis van de sloopwaarde moet derhalve worden gezien als een uitzonderingsgeval. Deze uitzondering is niet aan de orde als de verzekerde een voornemen op langere termijn heeft om tot sloop over te gaan. In dat geval is immers zeer wel mogelijk dat een gebouw op het moment dat zich een evenement voordoet, in het vermogen van de verzekerde (nog) een veel hogere waarde vertegenwoordigt dan de sloopwaarde.

5.11. In casu staat vast dat [eiser] een sloopvergunning heeft aangevraagd en verkregen. Eveneens staat vast dat het pand ten tijde van de brand in gebruik was door verhuur van het pand aan derden. Uit het onder 5.6 weergegeven betoog van [eiser] volgt dat (minst genomen) hoogst onzeker was óf op termijn tot sloop van het pand zou worden overgegaan. Achmea heeft tegen dit betoog weliswaar ingebracht – zakelijk weergegeven – dat niet is gebleken dat de gemeente concrete plannen had het pand als cultureel erfgoed aan te merken, en dat, zelfs al zou dat zo zijn, een sloopvergunning niet het door [eiser] gewenste effect zou hebben gehad, althans dat [eiser], om dit effect te bereiken, binnen 26 weken na het verlenen van de vergunning tot sloop zou moeten zijn overgegaan, maar tussen partijen staat niet (langer) ter discussie dat de gemeente in september 2007 heeft onderzocht of, zoals de heer Brüns verklaart (zie productie 7 bij repliek), “inpassing van delen van het [eiser]-complex voor de gemeente Oldenzaal interessant en/of mogelijk was”. Zoals [eiser] ook ter gelegenheid van de pleidooien heeft verklaard, is [eiser] hiervan op de hoogte geraakt door een telefoongesprek met een medewerkster van de gemeente, dat eind april 2007 heeft plaatsgevonden. Volgens [eiser] heeft hij om die reden, na zijn adviseurs te hebben geconsulteerd, de sloopvergunning aangevraagd, om aldus te voorkomen dat het pand op een monumentenlijst zou worden geplaatst, met alle gevolgen van dien voor de waarde van het pand. Hieruit volgt dat uit het enkele feit dat [eiser] een sloopvergunning heeft aangevraagd en verkregen, niet kan worden afgeleid dat [eiser] voorafgaand aan de brand een concreet voornemen had tot sloop van het pand. Daarbij doet, anders dan Achmea betoogt, niet ter zake of de gemeente daadwerkelijk concrete plannen had het pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Met dat betoog miskent Achmea dat [eiser] met het aanvragen van de sloopvergunning nu juist wilde voorkomen dat het pand op de gemeentelijke monumentenlijst gezet zou worden. Achmea miskent voorts dat niet van belang is of de door [eiser] gevolgde route daadwerkelijk het door hem gewenste effect zou hebben gehad. Waar het om gaat is of uit het aanvragen van een sloopvergunning kan worden afgeleid dat [eiser] een voldoende concreet voornemen had tot sloop van het pand, oftewel of hij daadwerkelijk het voornemen had gebruik te maken van deze vergunning. Uit het betoog van [eiser] volgt dat dit niet het geval is. In het midden kan blijven of, zo de gemeente in een periode van 26 weken na de vergunningverlening zou hebben besloten het pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten, [eiser] zou zijn overgegaan tot sloop van het pand. Reeds omdat ten tijde van de brand nog niet zeker was óf de gemeente het pand op een dergelijke lijst zou willen zetten, laat staan of [eiser] in dat geval tot sloop van het pand zou zijn overgegaan, kan niet worden gezegd dat [eiser] voorafgaand aan de brand een voldoende concreet voornemen had tot sloop van het pand.

5.12. Het voornemen tot sloop kan evenmin worden afgeleid uit het feit dat [eiser] bij de aanvraag van de sloopvergunning een asbestrapport heeft overgelegd en bovendien op de aanvraag heeft aangegeven dat hij nieuwbouw wilde plegen. Zoals [eiser] onbetwist heeft gesteld zou de vergunningaanvraag zonder het asbestrapport niet in behandeling worden genomen, terwijl eveneens onbetwist is de stelling van [eiser] dat hij met de in de aanvraag genoemde nieuwbouw doelde op de rond 2015 geplande woningbouw.

5.13. Het had op de weg van Achmea gelegen – die immers de stelplicht en bewijslast heeft ter zake van de vraag of sprake is van een voornemen tot sloop als bedoeld in de Productvoorwaarden – om, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser], meer concrete feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een voornemen tot sloop als bedoeld in de Productvoorwaarden. Nu Achmea in zoverre niet heeft voldaan aan haar stelplicht, wordt haar stelling dat sprake is van een voornemen tot sloop in de zin van de Productvoorwaarden gepasseerd, zodat aan bewijs niet wordt toegekomen. Daarmee is niet komen vast te staan dat sprake is van een voornemen tot sloop in de zin van de Productvoorwaarden, zodat het daarop gegronde verweer van Achmea dat zij niet gehouden is tot uitkering op basis van de herbouwwaarde wordt verworpen.

5.14. Achmea heeft voorts – bij dupliek – een beroep gedaan op het indemniteitsbeginsel. Nadat [eiser] ter gelegenheid van de pleidooien gemotiveerd had betwist dat hij als gevolg van een uitkering op basis van de herbouwwaarde in een voordeliger positie zou geraken, is Achmea hierop evenwel niet nader ingegaan. De rechtbank zal er dan ook vanuit gaan dat Achmea haar beroep op het indemniteitsbeginsel niet langer handhaaft, zodat aan dit beroep voorbij zal worden gegaan.

5.15. Daarmee staat vast dat [eiser] recht heeft op een vergoeding op basis van de herbouwwaarde. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser], uitgaande van een vergoeding op basis van de herbouwwaarde, aanspraak kan maken op een bedrag van € 993.565,--. Partijen twisten wel over de vraag vanaf welk moment de vordering van [eiser] op Achmea opeisbaar is. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de vordering krachtens artikel 5.3 van de Productvoorwaarden opeisbaar is vanaf vier weken na 10 januari 2008 (de datum van de akte van taxatie), terwijl volgens Achmea de vordering pas opeisbaar is vanaf het moment dat de herbouw is gerealiseerd. Achmea heeft voorts betwist dat zij op 10 januari 2008 beschikte over alle relevante gegevens in de zin van artikel 5.3 van de Productvoorwaarden. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij op dat moment niet de beschikking had over de sloopvergunning.

5.16. Met haar betoog dat de vordering opeisbaar is op het moment dat de herbouw is gerealiseerd, miskent Achmea de werking van artikel 5.3 van de Productvoorwaarden. In dit artikel wordt in heldere bewoordingen tot uitdrukking gebracht dat de verschuldigde schadevergoeding dient te worden voldaan binnen vier weken na ontvangst van alle noodzakelijke gegevens door de maatschappij. De rechtbank is van oordeel dat Achmea op 10 januari 2008 beschikte over alle noodzakelijke gegevens. Uit de stellingen van Achmea volgt slechts dat zij op 10 januari 2008 niet beschikte over alle noodzakelijke gegevens om tot uitkering op basis van de sloopwaarde uit te gaan; niet in geschil is dat Achmea op 10 januari 2008 beschikte over alle noodzakelijke gegevens om tot uitkering op basis van de herbouwwaarde over te gaan. Nu Achmea is gehouden tot uitkering op basis van de herbouwwaarde, brengt dat mee dat de vordering van [eiser] op Achmea opeisbaar is vanaf vier weken na 10 januari 2008 en derhalve vanaf 7 februari 2008.

5.17. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering tot betaling van € 993.565,-- toewijsbaar is, net als de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2008.

5.18. [eiser] heeft voorts vergoeding gevorderd van de kosten die zij heeft gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid van Achmea, bestaande uit kosten voor juridische bijstand en kosten gemaakt door zijn adviseurs, in totaal een bedrag van € 7.875,-- exclusief BTW. Achmea heeft betwist dat de kosten die [eiser] stelt te hebben gemaakt voor juridische bijstand redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW; ten aanzien van de kosten gemaakt door de adviseurs van [eiser] heeft Achmea betoogd dat het gaat om werkzaamheden die zijn verricht ter voorbereiding op de gerechtelijke procedure en die derhalve niet als buitengerechtelijk kunnen worden aangemerkt. [eiser] heeft vervolgens slechts gesteld dat hij deze vordering handhaaft. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] geen stukken overgelegd, zoals bijvoorbeeld een specificatie van de kosten. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Achmea had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden dan wel met stukken. Hij heeft dat echter niet gedaan, zodat de rechtbank aan zijn stelling voorbij gaat. Dit onderdeel van de vordering ligt derhalve voor afwijzing gereed.

5.19. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval en na afweging van de belangen van partijen geen aanleiding de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring ten aanzien van de hierna uit te spreken veroordeling van Achmea te weigeren, noch om hieraan de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld. Nu Achmea is veroordeeld tot betaling van een geldsom, wordt [eiser] vermoed belang te hebben bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad, terwijl uit het betoog van Achmea niet kan worden afgeleid waarom sprake zou zijn van een restitutierisico.

5.20. Achmea zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Achmea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 993.565,-- (negenhonderddrieënnegentigduizend vijfhonderdvijfenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 7 februari 2008,

6.2. veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden bepaald op € 4.784,-- aan vast recht, € 85,44 aan verschotten en € 10.320,-- aan salaris voor de advocaat,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege, mr. B.J.M.P. Cremers en mr. F. Damsteegt-Molier en – bij vervroeging – in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.?

2148/204/1918