Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM9867

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/2344 WW44-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het verbouwen van het pand tot hotel/restaurant met bijbehorende voorzieningen. Bovendien is ontheffing verleend van de Bouwverordening voor het hebben van voldoende parkeergelegenheid op de gronden behorende bij het perceel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk kunnen achten dat wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld bij of krachtens het Bouwbesluit. Daarnaast is voldoende aandacht besteed aan het voorkomen van geluidsoverlast. Verder is een groot parkeerterrein aangelegd in de buurt van het pand. Met deze parkeerruimte wordt voldaan aan de in de Bouwverordening neergelegde voorwaarde om tot ontheffing van de parkeereis over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/2344 WW44-T1

Uitspraak in het geding tussen

(naam1), wonende te Brielle, eiser,

gemachtigde mr. drs. C.S. Jansen, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brielle, verweerder.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

(naam2), wonende te Brielle, vergunninghouder,

gemachtigde mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 9 oktober 2008, verzonden 14 oktober 2008, heeft verweerder aan vergunninghouder vrijstelling verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor het verbouwen van het pand, gelegen op het perceel plaatselijk bekend [….straat no.] te Brielle, kadastraal bekend [….] (hierna: het perceel), tot hotel/restaurant met bijbehorende voorzieningen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 november 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 december 2008 heeft verweerder op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bouwvergunning verleend voor de verbouwing van het pand tot hotel/restaurant.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft verweerder, onder overneming van het advies van de commissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) van 23 april 2009, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder op grond van artikel 2.5.30, zesde lid, van de Bouwverordening van de gemeente Brielle (hierna: de Bouwverordening) ontheffing verleend voor het hebben van voldoende parkeergelegenheid op de gronden behorende bij het perceel.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 3 juli 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 3 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Op 24 augustus 2009 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2010. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Namens verweerder is L.Th.H. Schmetz verschenen, bijgestaan door G.N.B. van der Vlies. Voorts zijn vergunninghouder en zijn gemachtigde verschenen.

2 Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijk ordening (hierna: Invoeringswet) blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip. Ingevolge 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

De onderhavige aanvraag om vrijstelling dateert van 8 augustus 2007 en is dus vóór 1 juli 2008 bij verweerder ingekomen. De aanvraag om een reguliere bouwvergunning is ná 1 juli 2008 ingekomen, en wel op 14 juli 2008. Nu de vrijstelling, die bij besluit van 9 oktober 2008 is verleend met het oog op het bouwplan en waarmee de strijd met het bestemmingsplan wordt opgeheven, ook zijn geldigheid houdt na 1 juli 2008 en niet komt te vervallen, is ingevolge artikel 9.1.10, derde lid, van de Invoeringswet in dit geval, voor zover het de Woningwet en de WRO betreft, het recht van toepassing zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120;

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Voor zover te dezen van belang moet ingevolge artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder een gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

Voor zover te dezen van belang kan verweerder ingevolge het zesde lid van artikel 2.5.30 ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.2. Feiten en omstandigheden

Op 8 augustus 2007 is bij verweerder een verzoek ingediend ten behoeve van de verbouwing van het pand aan [het perceel] te Brielle, dat tot voor kort in gebruik was als winkelpand met woning, tot een hotel/restaurant met negen kamers. In het bestemmingsplan “Vesting” rust op het pand de bestemming “Centrumdoeleinden” (C). Volgens de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften mogen panden met deze bestemming niet worden gebruikt als hotel/restaurant. Dit verzoek is behandeld als een verzoek om vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Op 30 juli 2008 heeft verweerder zijn voornemen om voor het bouwplan vrijstelling te verlenen bekendgemaakt in de plaatselijke krant “Briels Nieuwsland”. Verweerder heeft in de ingebrachte zienswijzen geen aanleiding gezien om op zijn voornemen terug te komen en is bij het besluit van 9 oktober 2008 overgegaan tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Op 14 juli 2008 is verzocht om een reguliere bouwvergunning voor de verbouwing van het pand. Verweerder heeft op 2 december 2008, na het onherroepelijk worden van de benodigde Monumentenvergunning en met gebruikmaking van de vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO van 9 oktober 2008, bouwvergunning voor het bouwplan verleend.

2.3. Inhoud van het bestreden besluit en van het beroepschrift

Verweerder wijst er in het bestreden besluit op dat het bestemmingsplan “Vesting” in 2002 is vastgesteld en in 2003 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland is goedgekeurd. Gelet op het toenmalige gebruik van het pand is aan de gronden de bestemming “Centrumdoeleinden” gegeven. Het pand werd al enige jaren niet meer als hotel/restaurant maar als winkel gebruikt. Derhalve had het de voorkeur om het pand overeenkomstig het gebruik te bestemmen. In de periode liggende voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Vesting”, vigeerde het bestemmingsplan “Vesting Brielle”. De onderhavige gronden hadden toen de bestemming “Horecavestigingen en centrumvoorzieningen”. Voorts was reeds in 1920 hotel “De Nymph” op deze locatie gevestigd. Hieruit volgt dat het exploiteren van een hotel/restaurant op het perceel dus niet nieuw is.

Ter zake van een goede ruimtelijke onderbouwing wijst verweerder op het rapport van stedenbouwkundig bureau BRO Boxtel van 26 mei 2008. Daarin is onder meer geconcludeerd dat het intern verbouwen van het pand van woning/winkel tot hotel/restaurant niet in strijd is met beleidsdoelstellingen, dat het geen onevenredige nadelige invloed heeft op aanwezige waarden en dat het niet wordt belemmerd door milieuhygiënische aspecten. Aan de eindconclusie dat vrijstelling kan worden verleend is een aantal randvoorwaarden verbonden. Deze randvoorwaarden hebben betrekking op natuurwaarden (muurplanten en eventuele vogels en vleermuizen op zolder) en vormen, als eraan wordt voldaan, geen belemmering voor het verlenen van de gevraagde vrijstelling.

Verder stelt verweerder zich, onder overneming van het advies van de monumentencommissie, op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast heeft verweerder ontheffing verleend van het Bouwbesluit, voor een lagere vrije doorgang van 2,1 meter in plaats van 2,3 meter, een verlaging van de vereiste warmteweerstand, de luchtverversing en een hoogte van minimaal 2,3 meter in plaats van 2,6 meter boven een vloer. Deze ontheffingen zijn noodzakelijk omdat door de monumentale waarde van het Rijksmonument geen ingrijpende aanpassingen aan de bestaande bouw gedaan kunnen worden. Ook met toepassing van de ontheffingen wordt aan de eis van bestaande bebouwing, zoals is aangegeven in het Bouwbesluit, voldaan.

Nu het pand wederom een functie van hotel/restaurant gaat vervullen stelt verweerder dat er extra aandacht is besteed aan de eis die het Bouwbesluit stelt aan het voorkomen van geluidsoverlast naar de omliggende panden. Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs B.V. (hierna: Cauberg) heeft hierover op 4 september 2008 een rapport uitgebracht. Op basis van de bij de bouwaanvraag overgelegde gegevens acht verweerder het voldoende aannemelijk dat het bouwen zal voldoen aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens het Bouwbesluit.

Verweerder wijst er in dit verband verder op dat de bouwaanvraag door deskundigen van de VRR (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond) op brandveiligheid is getoetst. Gelet op de monumentale waarde van het pand wordt er, naast alle noodzakelijke brandwerende voorzieningen, een oplossing van gelijkwaardige veiligheid toegepast. Er is er voor gekozen om het hele pand te voorzien van een sprinklerinstallatie. Hierdoor is de brandveiligheid gewaarborgd.

Ter zake van de parkeerbehoefte verwijst verweerder in het bestreden besluit naar de ruimtelijke onderbouwing. Door het historische karakter van de vesting bestaat voor de onderhavige locatie geen mogelijkheid om te voldoen aan het bepaalde in lid 3 van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Echter door het gebruik van het parkeerterrein aan de Thoelaverweg om de auto’s van de gasten te parkeren, wordt er naar de mening van verweerder in voldoende mate voorzien in de benodigde parkeerruimte voor het hotel/restaurant. Verweerder wijst er vervolgens op dat hoewel op 8 april 2008 is besloten om medewerking te verlenen aan het verzoek voor ontheffing voor de parkeernorm, deze bij de verleende bouwvergunning van 2 december 2008 abusievelijk niet is genoemd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit hersteld.

Doordat op 29 november 2008 de op 17 oktober 2008 verleende vergunning ex artikel 11 van de Monumentenwet 1988 onherroepelijk is geworden, was er volgens verweerder op grond van de Monumentenwet 1988 evenmin een reden om niet over te gaan tot het verlenen van de gevraagde bouwvergunning.

Eiser heeft in beroep ter zake van de verleende vrijstelling en bouwvergunning aangevoerd dat hij aanzienlijke geluids- en geuroverlast van het hotel zal ondervinden. Eiser wijst erop dat de panden […straat no], waar het hotel/restaurant wordt gevestigd, en [nr. ..], waar hij woont, vroeger één pand waren. Dit betekent onder andere dat de balken in de panden doorlopen. Het geluid van het hotel dringt dus door in de woning van eiser omdat de twee panden met elkaar in verbinding staan. Een eensteensmuur met isolatie acht eiser onvoldoende geluidswerend. In dit geval is slechts glaswol geplaatst met een afdekwand.

Eiser heeft in dit verband verder aangevoerd dat de afzuiginstallatie op het dak uitkomt. Het geluid daarvan wordt versterkt door de omliggende daken. Bovendien is men kennelijk vergeten de demper in de installatie te installeren. Als deze wordt aangezet lijkt het net of er een vliegtuig opstijgt. Ook is de afzuiginstallatie dwars door de muren in zijn woning te horen. Volgens eiser staat vast dat de aangebrachte geluidsisolatie en afzuiginstallatie niet afdoende zijn om de geluidsoverlast tegen te gaan. Het bestreden besluit kan, aldus eiser, op dit punt dan ook geen stand houden.

Wat betreft de parkeeroverlast heeft eiser aangevoerd dat verweerder miskent dat in Brielle vrij kan worden geparkeerd. Hotelgasten zullen hun auto vlakbij het hotel en echt niet buiten het centrum parkeren. Hotelgasten komen in de regel immers buiten spitstijden aan en zullen in het centrum voldoende parkeerruimte vinden. De door de hotelgasten geparkeerde auto’s zullen derhalve voor overlast voor de inwoners en overige bezoekers van Brielle zorgen. Nu verweerder bij de beoordeling van de parkeeroverlast niet is uitgegaan van een juiste, althans niet van een realistische, voorstelling van zaken kan volgens eiser het bestreden besluit ook in die zin geen stand houden.

Voor zover eiser in zijn beroepschrift nog heeft aangevoerd dat verweerder bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen op het gebied van privacy, heeft hij deze grond ter zitting laten vallen, zodat de rechtbank daarop verder niet zal ingaan.

2.4. Beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt voorop dat onbetwist is dat verweerder in dit geval bevoegd is om op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Daarnaast is er sprake van een ruimtelijke onderbouwing die voldoet aan de daaraan te stellen eisen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat onder het vorige planologische regime horeca ter plaatse was toegestaan en dat de inbreuk die met het bouwplan op het geldende planologische regime wordt gemaakt relatief gering is. Op basis van het bestemmingsplan “Vesting” is het immers mogelijk om op de bovengelegen verdieping van het pand meerdere appartementen te vestigen. Voldaan is derhalve aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Het geschil spitst zich in beroep erop toe of verweerder in redelijkheid van deze vrijstellingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd over de overlast die hij verwacht, of verweerder in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van de Bouwverordening wat betreft de parkeergelegenheid en of verweerder voldoende aannemelijk heeft kunnen achten dat aan de geluidsnormen wordt voldaan, zodat er voor verweerder geen grond was om de gevraagde bouwvergunning te weigeren.

Op basis van de bouwaanvraag en de beschikbare gegevens heeft verweerder voldoende aannemelijk kunnen achten dat wordt voldaan aan de eisen zoals deze zijn gesteld bij of krachtens het Bouwbesluit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook voldoende aandacht is besteed aan het voorkomen van geluidsoverlast. De te nemen maatregelen die in het bestreden besluit worden genoemd heeft verweerder voldoende kunnen achten om zoveel mogelijk geluidsoverlast voor eiser te voorkomen. Verweerder heeft daarbij mogen afgaan op het rapport van Cauberg. Daarin wordt geconcludeerd dat er formeel geen eisen gelden voor bestaande constructiedelen maar dat de geluidwering tussen het hotel en de naastgelegen woningen in de bestaande situatie redelijk is te noemen. Wel wordt geadviseerd om, indien in de toekomst toch overlast wordt ondervonden door de naastgelegen woningen, op diverse plaatsen voorzetwanden te plaatsen en Estrich vloerelementen aan te brengen. Hierdoor zal volgens Cauberg naar verwachting worden voldaan aan de nieuwbouweis voor de karakteristieke luchtgeluidisolatie-index en contactgeluidisolatie-index van 0 dB naar de buurpercelen toe. Hoewel het aanbrengen van deze voorzieningen niet is vereist op grond van het Bouwbesluit zijn deze aanbevelingen door vergunninghouder overgenomen. Daarnaast heeft vergunninghouder verklaard dat er ook op zolder tapijt en platen aanwezig zijn. Gelet hierop is voldoende aannemelijk dat met het aanbrengen van de genoemde voorzieningen het contactgeluid zal verminderen en op een aanvaardbaar niveau zal zijn, waarbij dient te worden bedacht dat het gaat om oude panden waarbij niet te vermijden valt dat zo nu en dan enig gekraak of ander geluid hoorbaar zal zijn. Eiser heeft geen tegenrapport ingebracht en alleen in subjectief geformuleerde bewoordingen aangegeven dat niet aan de normen zal worden voldaan.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond ter zake van geuroverlast in het geheel niet heeft onderbouwd. Ook wat betreft de afzuiginstallatie richt eiser zich enkel op het aspect geluidsoverlast. Onder deze omstandigheden kan deze grond van eiser niet slagen.

Verweerder heeft voorts bij het bestreden besluit terecht aangegeven dat vergunninghouder zich bij het in werking hebben van de inrichting zal moeten conformeren aan het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Daarin zijn normen opgenomen om geluids- en/of geuroverlast, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, zoals ook de afzuiginstallatie, te voorkomen. Als niet wordt voldaan aan de geluids- en geurvoorschriften van het Activiteitenbesluit kan eiser aan verweerder verzoeken om handhavend op te treden. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat hem nog geen klacht heeft bereikt.

Ter zake van de parkeerbehoefte overweegt de rechtbank dat ook in de situatie van het vigerende bestemmingsplan er sprake is van een verkeersaantrekkende werking en aanwezige parkeerdruk. Volgens het BRO-rapport genereert de herontwikkeling van het pand ongeveer evenveel verkeer ten opzichte van de situatie waarin de modezaak nog actief was. Naast de omstandigheid dat, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, een hoge parkeerdruk de consequentie is van het wonen in de binnenstad (oude vesting), ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het door verweerder ingenomen standpunt dat bezoekers van het hotel/restaurant naar verwachting overwegend gebruik zullen maken van de parkeervoorziening buiten de vesting aan de Thoelaverweg. In dat kader is van belang dat, zoals ook uit het rapport van BRO naar voren komt, verweerder een beleid voert dat erop is gericht bezoekers zoveel mogelijk buiten de stadswal te laten parkeren. Met dat doel zijn binnen de vesting parkeerschijfzones ingericht, met een parkeerduurbeperking tijdens winkelopeningstijden, en wordt een voetgangerstunnel aangelegd door de vestingwallen, die de bereikbaarheid van het parkeerterrein aan de Thoelaverweg vergroot. Dat de parkeercapaciteit van het terrein voldoende groot is om de extra parkeervraag van het hotel/restaurant op te vangen wordt niet door eiser betwist. Met deze parkeerruimte wordt dan ook voldaan aan de in de Bouwverordening neergelegde voorwaarde om tot ontheffing van de parkeereis over te gaan. Daarenboven is ter zitting namens vergunninghouder gesteld dat een vast onderdeel van de service van het hotel zal zijn dat de auto’s van de gasten door het personeel naar het parkeerterrein aan de Thoelaverweg zullen worden gebracht en is daarnaast niet uit te sluiten dat een aantal gasten met een taxi komt.

Ter zitting heeft eiser nog de stelling opgeworpen dat de vrijstelling niet strookt met het horecabeleid van de gemeente Brielle. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft al bij het bestreden besluit aangegeven dat op het perceel de bestemming “Centrumdoeleinden” blijft rusten, waardoor horeca ter plaatse niet onbeperkt mogelijk is, en dat het exploiteren van een hotel/restaurant op deze locatie niet nieuw is. Voor zover eiser vreest overlast te ondervinden van gasten die buiten roken, dient dit middels de exploitatievergunning te worden ondervangen.

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor het bouwplan in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en ontheffing van de eis van artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening wat betreft parkeerruimte heeft kunnen verlenen. Nu niet is gesteld dat zich verder een weigeringsgrond voordeed als bedoeld in het eerste lid van artikel 44 van de Woningwet, heeft verweerder de reguliere bouwvergunning vervolgens terecht en op goede gronden verleend.

Gelet hierop kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Het beroep is dan ook ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.H.L. Dallinga, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en mr. A. Verweij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 1 juli 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: