Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM8650

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
353836 - KG ZA 10-409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert nakoming van de met gedaagde gesloten schoonmaakovereenkomst. Het betreft een overeenkomst met een looptijd van in beginsel drie jaar. Gedaagde heeft de overeenkomst tussentijds opgezegd omdat zij niet tevreden is over de dienstverlening van eiser. Volgens gedaagde volgt de tussentijdse opzeggingsmogelijkheid duidelijk uit de tekst van de overeenkomst. Eiser stelt zich op het standpunt dat volgens de tekst niet tussentijds kan worden opgezegd en dat dit ook nimmer de bedoeling van partijen is geweest.

Beantwoording van de vraag of de overeenkomst tussentijdse opzegging toelaat, dient te worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij echter gezien de professionaliteit van partijen aan de gekozen bewoordingen van de overeenkomst groot belang dient te worden toegekend.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tekst van de overeenkomst tussentijdse opzegging toelaat. Voorts ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat partijen geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid hebben beoogd. Dit betekent dat gedaagde de bevoegdheid tot tussentijdse opzegging toekwam. Uitoefening van deze bevoegdheid dient echter de toets aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te kunnen doorstaan. Gezien de op het eerste gezicht niet onterechte ontevredenheid van gedaagde over de dienstverlening en het feit dat gedaagde eiser ruimschoots in de gelegenheid heeft gesteld haar dienstverlening te verbeteren, waarin zij niet is geslaagd, is gebruikmaking van de bevoegdheid tot opzegging door gedaagde aanvaardbaar. De vordering wordt derhalve afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 353836 / KG ZA 10-409

Vonnis in kort geding van 19 mei 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSU CLEANING SERVICES WEST B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. M. Hakze,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CABOT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.M. Bos.

Partijen zullen hierna CSU en Cabot genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding 3 mei 2010;

- producties van CSU;

- de pleitnota van mr. Hakze;

- producties van Cabot;

- de pleitnota van mr. Bos.

1.2. Ter zitting van 11 mei 2010 hebben (de raadslieden van) partijen de respectieve stellingen nader toegelicht. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de volgende -voor de onderhavige beoordeling van belang zijnde- feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.1. Partijen hebben op 31 juli 2009 een overeenkomst voor de uitvoering van schoonmaakdiensten gesloten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst ziet op de schoonmaak door CSU van de fabriek van Cabot in de Botlek. De overeenkomst is de derde schoonmaakovereenkomst tussen partijen.

2.2. Artikel 13 van de overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 13 Duur en beëindiging

1. Het contract wordt aangegaan voor bepaalde tijd met een termijn van 3 jaar. Na het termijn wordt het contract stilzwijgend verlengt met 12 maanden.

2. Ieder der partijen kan deze overeenkomst beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van 3 kalendermaanden en nadat de andere partij per aangetekend schrijven van deze opzegging in kennis is gesteld.

3. Ieder van beide partijen is bevoegd deze overeenkomst voortijdig, met onmiddellijke ingang of op een bij schriftelijke aanzegging nader aan te geven termijn, te beëindigen zonder dat opzegging of rechterlijke tussenkomst is vereist, indien:

- de wederpartij (voorlopige) surseance van betaling heeft gevraagd;

- de wederpartij in staat van faillissement is verklaard;

- de wederpartij zich schuldig maakt aan ernstige wanprestatie.

4. Van wanprestatie in de zin van deze bepaling is sprake indien een partij, na door de wederpartij schriftelijk te zijn gesommeerd, in verzuim is ten aanzien van de nakoming van deze overeenkomst. Van verzuim is alleen sprake indien de partij binnen een termijn van twintig werkdagen na de datum van een daartoe strekkende sommatie in gebreke is gebleven de desbetreffende prestatie te verrichten.”

2.3. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Schoonmaakwerkzaamheden zoals opgesteld door de werkgeversorganisatie OSB van toepassing, tenzij in de overeenkomst van de algemene voorwaarden is afgeweken. Artikel 14 van deze algemene voorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 14 Duur van de overeenkomst en beëindiging

a. De overeenkomst wordt geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, tenzij nadrukkelijk anders is overeengekomen.

b. Beëindiging van de overeenkomst kan, door beide partijen, slechts bij aangetekend schrijven geschieden.

De opzegtermijn bedraagt in alle gevallen 3 maanden en vangt aan:

(…..).”

2.4. Cabot is niet tevreden over de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden door CSU. Volgens Cabot wordt er niet goed schoongemaakt, worden er door CSU minder uren besteed dan afgesproken en laat CSU in tegenstelling tot de afspraken schoonmakers op het terrein van Cabot toe die niet beschikken over een toegangspas. Over de klachten van Cabot hebben gesprekken plaatsgevonden tussen partijen op 25 augustus 2009, 21 januari 2010 en 11 februari 2010.

2.5. Bij aangetekend schrijven d.d. 25 februari 2010 heeft Cabot de overeenkomst opgezegd. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…..)

Hiermede informeer ik u dat wij de schoonmaakovereenkomst, d.d. 31 juli 2009 (…..) beëindigen.

Cabot zal de overeengekomen opzegtermijn van 3 maanden hanteren conform het contract, waarmee het contract per 1 juni 2010 komt te vervallen.

Wij hebben in meerdere correspondentie en gesprekken onze ontevredenheid geuit. Met u hebben we op 21 januari 2010 dit nogmaals sterk benadrukt. Uw inspectie d.d. 25 januari 2010 heeft onze bevindingen bevestigd en op 11 februari 2010 heeft u een “plan van aanpak” met ons besproken. Afsluitend kwamen we overeen dat u dat plan van aanpak zou bevestigen, echter tot op heden hebben wij niet van u vernomen.

Wij menen dat u ons als klant ernstig tekort doet en ons niet serieus neemt.

(…..).”

2.6. Naar aanleiding van de opzegging hebben er tussen partijen nog twee gesprekken plaatsgevonden. CSU heeft Cabot vervolgens per e-mail d.d. 10 maart 2010 een gewijzigde samenstelling van schoonmaakpersoneel voorgesteld.

2.7. Bij e-mail d.d. 15 maart 2010 heeft Cabot de opzegging bevestigd.

2.8. Cabot heeft inmiddels met een ander schoonmaakbedrijf een overeenkomst gesloten.

3. Het geschil

3.1. CSU vordert samengevat - Cabot te veroordelen:

Primair:

I. tot nakoming van de overeenkomst, ook na 1 juni 2010, tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst, onder meer (maar niet beperkt tot) door CSU in staat te stellen de overeengekomen schoonmaakwerkzaamheden te verrichten en daarvoor de overeengekomen prijs te voldoen;

II. binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis aan het onder I. gevorderde te voldoen op straffe van een dwangsom van EUR 25.000,00 ineens en EUR 5.000,00 voor elke dag of deel daarvan dat Cabot niet voldoet aan het vonnis op dit punt;

Subsidiair:

III. aan CSU te betalen een voorschot van EUR 75.000,00 exclusief BTW ten titel van schadevergoeding, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis;

IV. in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten van EUR 131.00 zonder betekening en met betekening EUR 199,00, te voldoen binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis en -voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn voor voldoening.

3.2. Cabot voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Met de stelling dat CSU, mede voor haar personeel dat bij Cabot schoonmaakt, op korte termijn duidelijkheid dient te krijgen over de voortzetting van de overeenkomst na 1 juni 2010, heeft CSU het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2. Partijen verschillen van mening over de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst.

Volgens CSU is tussentijdse opzegging van de driejarige overeenkomst niet mogelijk, behoudens de in artikel 13 lid 3 van de overeenkomst genoemde situaties van surseance van betaling, faillissement of ernstige wanprestatie. Deze situaties doen zich thans niet voor. Dit betekent dat de eerst mogelijke einddatum van de overeenkomst 1 augustus 2012 is. Daarna wordt de overeenkomst op grond van artikel 13 lid 1 stilzwijgend verlengd voor een jaar. De opzegtermijn van drie maanden zoals neergelegd in artikel 13 lid 2 ziet volgens CSU op de situatie dat één van partijen deze verlenging niet wenst. In dat geval moet drie maanden voor de einddatum worden opgezegd.

Cabot stelt zich op het standpunt dat artikel 13 lid 2 van de overeenkomst haar de mogelijkheid geeft de overeenkomst te allen tijde tussentijds op te zeggen. Dit blijkt volgens Cabot ook uit artikel 14 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden (zie 2.3.), waarin voor de bepaling omtrent opzegging geen onderscheid wordt gemaakt tussen een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. Aangezien Cabot ontevreden was over de dienstverlening van CSU heeft zij gebruik gemaakt van de aan haar op grond van artikel 13 lid 2 toekomende opzeggingsbevoegdheid.

4.3. In het kader van dit kort geding dient de vraag te worden beantwoord of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter -indien geadieerd- zal beslissen dat het Cabot was toegestaan de overeenkomst met een beroep op artikel 13 lid 2 van de overeenkomst per 1 juni 2010 te beëindigen.

4.4. Voor beantwoording van deze vraag is van belang wat partijen omtrent opzegging in artikel 13 zijn overeengekomen. Dit dient in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van zowel de taalkundige uitleg van de overeenkomst als aan de hand van de gerechtvaardigde bedoelingen en verwachtingen van partijen bij het aangaan van de overeenkomst. Nu de overeenkomst is opgesteld door CSU en zij als een professionele partij met oog voor haar eigen belangen kan worden aangemerkt, terwijl ook haar wederpartij een professionele partij is en partijen bovendien al twee keer eerder een overeenkomst met elkaar gesloten hadden, komt aan de gekozen bewoordingen echter groot belang toe.

4.5. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat artikel 13 lid 2 van de overeenkomst op grond van taalkundige uitleg de mogelijkheid biedt deze buiten de gevallen van artikel 13 lid 3 tussentijds op te zeggen. In artikel 13 lid 2 staat immers woordelijk, zonder enige beperking of clausulering, dat ieder der partijen de overeenkomst kan beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden.

Voor de stelling van CSU dat de opzeggingsmogelijkheid uit artikel 13 lid 2 slechts ziet op de situatie dat één van partijen geen stilzwijgende verlenging zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 wenst, biedt de tekst -bij gebreke van een verwijzing waaruit de samenhang tussen lid 1 en lid 2 zou blijken- geen houvast.

Hetzelfde geldt voor de stelling van CSU dat de overeenkomst alleen in de situaties zoals genoemd in lid 3 tussentijds kan worden beëindigd. Weliswaar wordt in lid 3 het woord “voortijdig” gebruikt en in lid 2 niet, doch dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet mee dat lid 2 niet zou zien op tussentijdse beëindiging, dat wil zeggen beëindiging gedurende de (eerste) drie jaar van de looptijd. Tekstueel is lid 3 veeleer geconstrueerd als een uitzondering op lid 2, waarbij de overeenkomst in drie uitzonderlijke situaties zelfs met onmiddellijke ingang (en in elk geval op kortere termijn dan drie maanden) kan worden beëindigd.

Ook artikel 14 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarin voor de opzegging geen onderscheid wordt gemaakt tussen een overeenkomst van onbepaalde en bepaalde tijd, duidt op de mogelijkheid van tussentijdse opzegging zonder dat daartoe bijzondere omstandigheden vereist zijn.

De uitleg die CSU aan artikel 13 van de overeenkomst geeft, vindt dan ook voorshands geen steun in de tekst van de overeenkomst.

4.6. Voor de vraag hoe de overeenkomst in redelijkheid door CSU mocht worden begrepen aan de hand van de partijbedoeling en de in aanmerking te nemen omstandigheden (de Haviltex-maatstaf), is nader feitenonderzoek -in een bodemprocedure- noodzakelijk. De voorzieningenrechter ziet echter voorshands geen aanwijzing dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst géén tussentijdse opzeggingsmogelijkheid hebben beoogd, dan wel dat CSU daarvan mocht uitgaan. Het betreft immers een vrij gedetailleerde overeenkomst tussen professionele partijen, zodat mag worden verwacht dat de onmogelijkheid om tussentijds op te zeggen in de overeenkomst zelf of eventueel in begeleidende brieven zou zijn opgenomen indien die ook zo was overeengekomen. Geen van partijen heeft op dit punt stukken overgelegd waaruit nadere achtergronden blijken.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat partijen de mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de overeenkomst buiten de gevallen van artikel 13 lid 3 zijn overeengekomen. Dit brengt mee dat Cabot in beginsel de bevoegdheid tot tussentijdse opzegging toekomt en dat zij de overeenkomst, door opzegging tegen het einde van de kalendermaand en met inachtneming van drie maanden opzegtermijn, op regelmatige wijze heeft beëindigd per 1 juni 2010. In dit kader geldt echter dat de uitoefening van de bevoegdheid tot opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar dient te zijn, mede in aanmerking genomen dat het hier een duurovereenkomst betreft.

4.8. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de handelswijze van Cabot de toets aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan doorstaan. Dat CSU belangrijke investeringen heeft gedaan of dat er andere aspecten zijdens CSU bestaan die tussentijdse beëindiging voor haar onredelijk bezwarend zouden maken, is onvoldoende aannemelijk geworden. De enige investering die CSU noemt en die terug verdiend moet worden, is de aanschaf van de bus. Ook als juist is dat CSU speciaal voor dit project een bus heeft aangeschaft, blijkt uit niets dat Cabot dit wist of redelijkerwijs geweten moet hebben, laat staan dat zij CSU verzocht heeft de bus aan te schaffen.

Wel kon van Cabot worden verlangd dat zij de reden van de beëindiging aan CSU meedeelde en dat zij, nu deze gelegen was in ontevredenheid over het werk, CSU daarop zou laten reageren. Dat is echter ook gebeurd. Voorafgaand aan de opzegging heeft Cabot immers meerdere malen aangegeven niet tevreden te zijn over de uitvoering van de overeenkomst en heeft zij CSU in de gelegenheid gesteld de klachten te verhelpen. CSU heeft weliswaar geprobeerd de dienstverlening te verbeteren, maar de voorzieningenrechter kan zich -mede gezien de tijd tussen het eerste gesprek d.d. 25 augustus 2009 en het uiteindelijke wijzigingsvoorstel d.d. 10 maart 2010- niet aan de indruk onttrekken dat CSU voortvarender te werk had kunnen gaan.

Tegen deze achtergrond acht de voorzieningenrechter opzegging van de overeenkomst door Cabot thans niet onaanvaardbaar.

4.9. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De belangen van CSU, die naast deze overeenkomst nog andere overeenkomsten heeft waaruit zij omzet genereert en waarop haar personeel is in te zetten, wegen niet zodanig zwaar dat zij zich tegen gebruikmaking van de bevoegdheid tot opzegging door Cabot verzetten. Hierbij is voorts meegewogen dat CSU de bus, die zij naar eigen zeggen speciaal voor het schoonmaakproject bij Cabot heeft aangeschaft, naar verwachting zal kunnen gebruiken bij de uitvoering van andere schoonmaakovereenkomsten.

4.10. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de primaire vorderingen zullen worden afgewezen. Ook de subsidiaire vordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen, nu de voorzieningenrechter op de hiervoor aangegeven gronden heeft geoordeeld dat de overeenkomst tussentijds kan worden opgezegd en van deze mogelijkheid door Cabot op aanvaardbare wijze gebruik is gemaakt. Niet in te zien valt waarom Cabot in die situatie dan toch schadeplichtig zou zijn.

4.11. CSU zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden

veroordeeld. De kosten aan de zijde van Cabot worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt CSU in de proceskosten, aan de zijde van Cabot tot op heden begroot op EUR 1.079,00;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2010.?

2168/106