Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM8108

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/3751 WMO-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders bevoegdheden kan overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de gemeenteraad een aantal nader vermelde bevoegdheden in ieder geval niet kan overdragen. Vastgesteld moet worden dat hier niet een zodanige bevoegdheid aan de orde was, zodat het tweede lid niet aan de delegatie in de weg stond. Nu verder noch de tekst van de Wmo, noch de memorie van toelichting daarop, aanleiding geven om aan te nemen dat de wetgever delegatie van de bevoegdheid van artikel 15 Wmo door de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders heeft willen uitsluiten, bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat de delegatie in strijd was met het eerste lid van artikel 156 van de Gemeentewet. De conclusie kan aldus geen andere zijn dan dat de delegatie aan vermeld college rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat het derhalve bevoegd was de omvang van de eigen bijdrage te regelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/3751 WMO-T2

Uitspraak in het geding tussen

[A], wonende te Barendrecht, eiseres,

gemachtigde mr. N.J. Brouwer, rechtshulpverlener te Den Bosch,

en

de besloten vennootschap Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten B.V., verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 24 september 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 8 september 2009, waarbij verweerder de eigen bijdrage ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) voor eiseres heeft vastgesteld op een bedrag van maximaal € 1289,78 per periode van vier weken, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Eiseres is met kennisge¬ving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P. Brits en

M.G. Eckhardt.

2 Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wmo kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

De gemeenteraad van Barendrecht heeft ter uitvoering daarvan de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2.4 van de Verordening kan de aanvrager bij het verlenen van individuele voorzieningen een eigen bijdrage verschuldigd zijn of kan de financiële tegemoetkoming worden afgestemd op het inkomen. Het college stelt nadere regels vast omtrent de hoogte van de eigen bijdrage of de financiële tegemoetkoming in het Besluit, op basis van de door het Rijk vastgestelde inkomensgrenzen.

Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht heeft ter uitvoering daarvan het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning vastgesteld, waarop de hier in geding zijnde eigen bijdrage, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, door verweerder is gebaseerd.

2.2 Eiseres heeft betoogd dat het uurtarief waarop de door verweerder vastgestelde eigen bijdrage, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, is gebaseerd, te hoog is en niet door het bevoegde orgaan is vastgesteld, aangezien het de gemeenteraad niet was toegestaan de bevoegdheid tot het vaststellen van het uurtarief te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Verweerder was, volgens eiseres, derhalve niet bevoegd de desbetreffende eigen bijdrage op te leggen en te innen en had dienen te onderzoeken of het uurtarief van de gemeente Barendrecht, dat ten opzichte van het voorgaande jaar onevenredig was gestegen, op de juiste wijze was vastgesteld.

2.3 De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders bevoegdheden kan overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de gemeenteraad een aantal nader vermelde bevoegdheden in ieder geval niet kan overdragen. Vastgesteld moet worden dat hier niet een zodanige bevoegdheid aan de orde was, zodat het tweede lid niet aan de delegatie in de weg stond. Nu verder noch de tekst van de Wmo, noch de memorie van toelichting daarop, aanleiding geven om aan te nemen dat de wetgever delegatie van de bevoegdheid van artikel 15 Wmo door de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders heeft willen uitsluiten, bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat de delegatie in strijd was met het eerste lid van artikel 156 van de Gemeentewet. De conclusie kan aldus geen andere zijn dan dat de delegatie aan vermeld college rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat het derhalve bevoegd was de omvang van de eigen bijdrage te regelen.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten behoeve van de vaststelling van de eigen bijdrage dan ook terecht gebaseerd op de uurtarieven zoals deze bij algemeen verbindend voorschrift zijn vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht. Het betoog van eiseres faalt.

2.4 De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres overigens tegen de wijze van berekening van de eigen bijdrage geen beroepsgronden heeft aangevoerd, zodat ervan uit dient te worden gegaan dat de hoogte van de eigen bijdrage juist is vastgesteld.

2.5 Het beroep moet ongegrond worden verklaard en het bestreden besluit kan in stand worden gelaten.

2.6 Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D. Haan, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 27 mei 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: