Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM7407

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/3936 MEDED
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar, zodat dat besluit in beginsel formele rechtskracht heeft gekregen. Eiseres heeft verzocht om herziening van het besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder heeft derhalve terecht het verzoek om herziening van het besluit afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/3936 MEDED-T1

Uitspraak in het geding tussen

Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie, gevestigd te Utrecht, eiseres,

gemachtigde [naam],

en

de Raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft verweerder besloten het verzoek van eiseres om herziening van het sanctiebesluit van 26 april 2004 af te wijzen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 augustus 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 november 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 11 november 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 12 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Strijker-Reintjes.

2 Overwegingen

Bij sanctiebesluit van 26 april 2004 heeft verweerder vastgesteld dat de ondernemersverenigingen het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE), de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP, hierna: eiseres) en de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten (NVVP) artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (hierna: Mw) hebben overtreden door het door elk van deze ondernemersverenigingen afzonderlijk nemen van besluiten aangaande tariefadviezen aan hun leden in de periode van 1998 tot en met 2003.

Tegen dit sanctiebesluit hebben eiseres en de overige ondernemersverenigingen tijdig bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 20 april 2005 heeft verweerder de in het sanctiebesluit opgelegde boetes gehandhaafd.

Eiseres is tegen het besluit van 20 april 2005 niet in beroep gegaan en heeft de aan haar opgelegde boete van € 55.000,- betaald. De overige ondernemersverenigingen zijn wel in beroep gegaan. Dit beroep is door de rechtbank gegrond verklaard. Verweerder is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb).

Het CBb heeft op 6 oktober 2008 de uitspraak van de rechtbank bevestigd en verweerder opgedragen opnieuw op de bezwaren van NIP, LVE en NVVP te beslissen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder op 17 maart 2009 geconcludeerd dat nader onderzoek in die zaak niet opportuun was. Als gevolg daarvan heeft verweerder besloten af te zien van het opleggen van een boete aan NIP, LVE en NVVP.

Eiseres heeft verweerder verzocht de boete te heroverwegen. In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om heroverweging afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij gesteld dat het bij besluit op bezwaar van 20 april 2005 gehandhaafde sanctiebesluit formele rechtskracht heeft gekregen en dat er geen sprake is van zodanig klemmende bijkomende omstandigheden, dat een uitzondering op dit beginsel moet worden gemaakt.

In beroep voert eiseres aan dat het bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard, omdat wel degelijk sprake is van klemmende bijkomende omstandigheden die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen. Het onvoorspelbare en zwenkende overheidsbeleid met betrekking tot het schrappen van het beroep van psychotherapeut uit de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor eiseres, heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij het besluit van eiseres om geen tijd en energie te steken in een kostbare procedure tegen het besluit op bezwaar van 20 april 2005. Eiseres kon niet anders dan kiezen voor het borgen van kwalitatieve aspecten van de beroepsuitoefening in plaats van geld uit te geven aan een risicovolle beroepsprocedure. Eiseres beschouwt het niet in beroep gaan tegen de destijds opgelegde boete niet als een vrije keuze. Eiseres stelt dat het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, omdat is afgezien van het opleggen van boetes aan NIP, LVE en NVVP. Eiseres is zich ervan bewust dat zij hieraan geen rechten kan ontlenen, maar meent dat zij, doordat zij de boete wel moet betalen, minder goed dan NIP, LVE en NVVP in staat is de belangen van haar beroepsgroep te vertegenwoordigen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 20 april 2005. Gelet daarop heeft dat besluit in beginsel formele rechtskracht verkregen en dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van dat besluit.

Eiseres heeft verzocht het onherroepelijke besluit van 20 april 2005 te herzien. Ingevolge vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld CBb 8 januari 2009, LJN BH0992) dient, indien het bestuursorgaan weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, de bestuursrechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen.

Door eiseres zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door haar gestelde en door verweerder benoemde klemmende bijzondere omstandigheden niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank overweegt dat het feit dat ten aanzien van NIP, LVE en NVVP nieuwe besluiten op bezwaar zijn genomen niet impliceert dat verweerder de onrechtmatigheid van het besluit van 20 april 2005 ten aanzien van eiseres heeft erkend. Daarbij is van belang dat de nieuwe besluiten ten aanzien van NIP, LVE en NVVP uitsluitend zijn ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen aan de zijde van verweerder. Dit zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden, net zo min als nieuwe jurisprudentie dat is. Deze besluiten zijn genomen als gevolg van het (succesvol) instellen van beroep, welke mogelijkheid ook voor eiseres openstond. Door het ongebruikt laten voorbij gaan van deze mogelijkheid, kan eiseres thans niet meer, langs andere weg, hetzelfde bereiken.

Hetgeen eiseres ten aanzien van het overheidsbeleid met betrekking tot het schrappen van het beroep van psychotherapeut uit de Wet BIG heeft aangevoerd kan evenmin worden aangemerkt als nieuw feit of nieuwe omstandigheid. Deze omstandigheden waren destijds - bij eiseres - bekend en de gevolgen van de op grond van die omstandigheden gemaakte keuze dienen voor rekening van eiseres te blijven.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat het beroep van eiseres op deze beginselen evenmin geschaard kan worden onder de noemer van nieuwe feiten of omstandigheden. Ook de gestelde slechte financiële situatie van eiseres, wat daar ook van zij, valt daar niet onder.

De door eiseres naar voren gebrachte feiten en omstandigheden zijn ten slotte niet van zodanig bijzondere en zwaarwegende aard dat verweerder, ondanks het ontbreken van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden, gehouden zou zijn om terug te komen op zijn rechtens onaantastbare besluit.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het verzoek om herziening van het sanctiebesluit van 20 april 2005 terecht heeft afgewezen. Het bestreden besluit kan in rechte stand houden. Het beroep van eiseres dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Verweij, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en prof. mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2010.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: