Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM7094

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
318226 / HA ZA 08-2713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Executoriale verkoop roerende goederen; aansprakelijkheid gerechtsdeurwaarder(skantoor); zorgplicht gerechtsdeurwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 318226 / HA ZA 08-2713

Vonnis van 2 juni 2010

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAMAS B.V.,

gevestigd te Winschoten,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMAX B.V.,

gevestigd te Berghem, gemeente Oss,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PIUS INTER B.V.,

gevestigd te Winschoten,

eiseressen,

advocaat mr. E.J. Eijsberg,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. B.S. Janssen.

Partijen zullen hierna Lamas, Imax, Pius Inter en gezamenlijk Lamas B.V. c.s. (in mannelijk enkelvoud) respectievelijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en gezamenlijk [gedaagden] (in mannelijk enkelvoud) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 25 september 2008, met producties;

- akte houdende in het geding brengen van producties;

- incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

- conclusie van antwoord in het incident;

- het incidenteel vonnis d.d. 22 april 2009;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1. Bij dagvaarding d.d. 9 februari 2001 hebben twee Belgische vennootschappen, N.V. MCM Fine Foods (hierna: MCM) en N.V. ’t Kluizebos (hierna: Kluizebos), Lamas gedagvaard voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch. In die procedure hebben zij betaling gevorderd van openstaande facturen. Bij vonnis van 1 september 2004 is de vordering afgewezen.

2.2. Op 14 september 2005 is ten verzoeke van MCM en Kluizebos ten laste van Lamas conservatoir beslag gelegd op een aantal roerende zaken – in het bijzonder diverse

machines –, welke stonden opgeslagen in een verlaten vleesfabriek te Cuijck.

2.3. In een kort gedingprocedure hebben MCM en Kluizebos (opnieuw) betaling van de onder 2.1. bedoelde facturen gevorderd. Bij vonnis van 17 november 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch de vordering – tegen zekerheidsstelling – toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op

2 december 2005 aan Lamas betekend.

2.4. Op 7 december 2005 is ten verzoeke van MCM en Kluizebos ten laste van Lamas executoriaal beslag gelegd op de onder 2.2. bedoelde roerende zaken die stonden opgeslagen in Cuijk. Daarnaast is op 9 december 2005 executoriaal beslag gelegd op een aantal roerende zaken, welke stonden opgeslagen op een buitenterrein in Oss.

2.5. Omdat Lamas niet (tijdig) aan het kort gedingvonnis heeft voldaan, hebben MCM en Kluizebos de in beslag genomen roerende zaken op 20 januari 2006 ten overstaan van [gedaagde 1] als deurwaarder openbaar laten verkopen. Deze veiling was bij exploot van 12 december 2005 aan Lamas aangezegd. Voorts is op 14 januari 2006 een advertentie geplaatst in het Algemeen Dagblad, waarmee de openbare verkoop werd aangekondigd. De opbrengst van de veiling bedroeg € 40.000,-.

2.6. Voorafgaand aan de veiling zijn de in beslag genomen roerende zaken in opdracht van MCM en Kluizebos ten behoeve van de verkoop getaxeerd door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). De waarde van de roerende zaken is door [bedrijf 1] geschat op ongeveer

€ 40.000,- (excl. kosten en/of BTW).

2.7. Een faxbericht d.d. 19 januari 2006 omstreeks 15.37 uur van de advocaat van Pius aan [gedaagde 1] houdt in:

“Onderdeel van de openbare verkoop betreffen goederen die cliënte in eigendom toebehoren. Hiertegen maakt cliënte uitdrukkelijk bezwaar. (…) Ten bewijze van haar eigendom zend ik u (…) bijgaand de overeenkomst tussen cliënte en Dovebid UK Limited waaruit blijkt dat cliënte de betreffende goederen in eigendom overgedragen heeft gekregen. Een bewijsstuk van de betaling van de (koop)som kunt u later deze middag, althans in ieder geval morgenochtend tegemoet zien. Ik verzoek u mij per omgaand, doch in ieder geval vóór hedenmiddag 17.30 uur, schriftelijk te bevestigen dat u zich zult onthouden van de verkoop van de goederen van cliënte (…).”

2.8. In reactie daarop heeft [gedaagde 1] de advocaat van Pius bij faxbericht van 19 januari 2006 omstreeks 17.10 uur laten weten:

“In bovengenoemde zaak heb ik uw fax, welke ik hedenmiddag 15.37 uur mocht ontvangen, doorgestuurd naar mijn opdrachtgever Mr J.J. Schelling van Boonk Van Leeuwen advocaten te Rotterdam, met het verzoek deze rechtstreeks te beantwoorden.”

2.9. Een faxbericht d.d. 20 januari 2006 omstreeks 11.00 uur van de advocaat van Pius aan [gedaagde 1] houdt in:

“In aansluiting op mijn faxbericht van gistermiddag zend ik u hierbij als aanvullende stukken de factuur, alsmede het betalingsbewijs waaruit blijkt dat cliënte de betreffende goederen in eigendom heeft verkregen. Wil u mij per omgaand schriftelijk bevestigen, dat de goederen van cliënte hedenochtend niet worden geveild?”

2.10. In reactie daarop heeft [gedaagde 1] de advocaat van Pius bij faxbericht van 20 januari 2006 omstreeks 12.32 uur laten weten:

“In bovengenoemde zaak kan ik u mededelen dat hedenochtend 10.00 uur de veiling heeft plaatsgevonden. Met uitzondering van de Clark heftruck zijn al de door [kandidaat-deurwaarder] op 7 december 2005 in beslag genomen zaken verkocht. Uw fax van hedenochtend 11.00 uur heb ik inmiddels doorgezonden naar mijn opdrachtgever Mr J.J. Schelling. Mr Schelling heeft mij medegedeeld u rechtstreeks te berichten.”

2.11. De toepasselijke veilingcondities bepalen:

“Artikel 6

De koper van de Zaken zal gehouden zijn op de dag van de executie en terstond na de toewijzing ten kantore van Boonk Van Leeuwen Advocaten aan de Conradstraat 38-D te 3013 AP [woonplaats] of bij een door deze advocaten aan te wijzen bankinstelling te betalen de koopprijs van de Zaken, zonder enige korting.

(…)

Artikel 13

De verkoping geschiedt bij opbod. Alle roerende zaken zullen gelijktijdig, als één kavel, worden aangeboden tegen een ter executie bekend te maken minimum prijs. Slechts indien er geen biedingen worden gedaan op de Zaken als geheel of indien de ter executie aan te kondigen minimumprijs niet wordt geboden zullen de Zaken afzonderlijk, in afzonderlijke kavels, worden geveild. De executerende deurwaarder zal in dat geval de afzonderlijke kavels samenstellen.”

2.12. De onder 2.5. bedoelde advertentie in het Algemeen Dagblad vermeldt:

“EXECUTIE VERKOOP

Op vrijdag 20 januari 2006 te 10.00 uur vindt uit krachte van een op 17 november 2005 door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch in kort geding gewezen vonnis een openbare verkoop plaats. De verkoop komt voor rekening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LAMAS B.V., voorheen genaamd Handelsonderneming Slahoma B.V. (…). Te koop worden aangeboden de volgende roerende zaken allen behorende tot de inventaris van een vleesverwerkende fabriek, ondermeer bestaande uit: (…). De plaats van verkoop is een van de zalen van restaurant Kanters aan de Steenweg 2 te Moerdijk. Kijkdag op donderdag 10 januari 2006 tussen 10.00 – 12.00 uur aan de Zeehavenweg 20 te Moerdijk (…). De verkoop zal worden gehouden bij opbod aan de hoogstbiedende tegen gerede betaling. De verkoop vindt plaats ten overstaan van [Gerechtsdeurwaarder] en/of diens plaatsvervanger (…). Voor inlichtingen kunt u contact opnemen met: Mr J.J. Schelling (Boonk Van Leeuwen Advocaten) (…).”

3. Het geschil

3.1. Lamas B.V. c.s. vordert (zakelijk en samengevat weergegeven):

- een verklaring voor recht dat [gedaagden] jegens Lamas c.s. onrechtmatig heeft gehandeld;

- een verklaring voor recht dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de schade die Lamas c.s. heeft geleden, lijdt en nog zal lijden;

- veroordeling van [gedaagden] tot betaling van deze schade, op te maken bij staat;

- vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagden] voert gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Lamas c.s. in de kosten van het geding.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het beroep van [gedaagden] op de nietigheid van de dagvaarding, omdat niet is voldaan aan de stelplicht van artikel 111 lid 2 sub d Rv, wordt verworpen, nu uit zijn uitgebreide inhoudelijk gevoerde verweer niet blijkt dat hij daardoor – wat daarvan overigens ook zij – onredelijk in zijn belangen is geschaad.

4.2. Het beroep van [gedaagden] op niet-ontvankelijkheid van Lamas en Imax wordt eveneens verworpen, nu de enkele – blote en niet nader (bijvoorbeeld ten aanzien van de omvang van die cessie) uitgewerkte – stelling, hoezeer ook niet betwist, dat Pius zich ten behoeve van de hoger beroepprocedure tegen MCM en Kluizebos “de rechten van Lamas en Imax” heeft laten overdragen niet zonder meer meebrengt dat Lamas en Imax thans in de onderhavige procedure niet meer een eigen zelfstandig vorderingsrecht tegen [gedaagden] toekomt.

4.3. De vordering van Lamas c.s. is gegrond op onrechtmatig handelen en richt zich tegen zowel de deurwaarder als natuurlijk persoon ([gedaagde 1]) als de rechtspersoon, waarvoor hij werkzaam is ([gedaagde 2]).

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 2] zelf onrechtmatig heeft gehandeld. Voor zover Lamas c.s. bedoelt te betogen dat [gedaagde 1] als ondergeschikte van [gedaagde 2] in de zin van artikel 6:170 BW moet worden beschouwd, faalt dit betoog, op grond van het volgende.

4.3.1. De taken en bevoegdheden van de deurwaarder staan beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze regelt het ambt van deurwaarder. De deurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris, met een onafhankelijke positie. Op hem is toezicht en tuchtrecht van toepassing. Als openbaar ambtenaar is hij belast met de uitvoering van een zeer groot aantal, bij diverse wettelijke voorschriften aan hem opgedragen of voorbehouden taken die met name liggen op het gebied van het burgerlijk procesrecht. De belangrijkste van de verschillende ambtsverplichtingen is de ministerieplicht, dat wil zeggen de plicht van de deurwaarder om indien daarom wordt verzocht zijn ambtelijke diensten te verlenen, zoals het ten uitvoer leggen van vonnissen en het in dat verband openbaar verkopen van in beslag genomen zaken.

De deurwaarder moet zelfstandig beoordelen of en in hoeverre hij een bepaalde opdracht zal uitvoeren. Bij het bepalen van zijn beleid moet de deurwaarder de nodige zorgvuldigheid – ook jegens derden – in acht nemen. De ministerieplicht eindigt daar waar de deurwaarder zich door het uitvoeren van de opdracht schuldig zou maken aan onrechtmatig handelen jegens een derde. De deurwaarder zal zijn ministerie desnoods moeten weigeren, indien een bepaalde wijze van tenuitvoerlegging voor derden – onnodig – vexatoir uitvalt. Bij twijfel staat hem de weg van artikel 438 lid 4 Rv ter beschikking.

4.3.2. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de deurwaarder als onafhankelijke functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen, en ook de enige die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en onrechtmatig handelen. De verwijten die Lamas c.s. maakt aan [gedaagden] zien alle op een onderdeel van de ministerieplicht (de veiling en wat daarmee samenhangt). In het licht daarvan valt niet in te zien hoe [gedaagde 2] juridische zeggenschap (in de zin van instructie- en aanwijzingsbevoegdheid) kan hebben gehad over de gedragingen van [gedaagde 1] waarvan de gestelde fout(en) deel uitmaakte(n). Een en ander brengt mee dat de vordering van Lamas c.s. voor zover deze is gericht tegen [gedaagde 2] zal worden afgewezen.

4.4. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde 1] dient beoordeeld te worden of [gedaagde 1], als deurwaarder met de executoriale verkoop belast, de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. In dat verband is van belang dat de ministerieplicht niet zo ver gaat dat de deurwaarder als willoos werktuig van zijn opdrachtgever moet of mag handelen.

In casu brengt die zorgvuldigheid naar het oordeel van de rechtbank met zich dat [gedaagde 1] naar aanleiding van het faxbericht van de advocaat van Pius d.d. 19 januari 2006 (2.7.) zelf onderzoek had behoren te verrichten naar de mogelijkheid dat er zich onder de te veilen roerende zaken mogelijk zaken bevonden die eigendom waren van een ander dan degene ten laste van wie het beslag was gelegd, desnodig door ex artikel 438 lid 4 Rv een zogenaamd deurwaarders-kort geding in te leiden. Overleg met (de advocaat van) de executant (MCM en Kluizebos) is daartoe onvoldoende. Deze had immers als executerende partij een eigen belang. Van de deurwaarder wordt echter verwacht dat hij onafhankelijk en onpartijdig optreedt bij een veiling. [gedaagde 1] kon dus geen genoegen nemen met mededelingen van executant en hij mocht ook niet volstaan met het doorsturen van bedoeld faxbericht aan executant. Hij diende, alvorens werd geveild, zich eerst zelf te overtuigen van de juiste situatie, dan wel te weigeren de bedoelde zaken mee te veilen. Door zulks na te laten en ondanks voormeld faxbericht te besluiten de executieverkoop door te zetten, heeft [gedaagde 1], gelet op zijn ministerieplicht, naar het oordeel van de rechtbank de betrokken belangen op onzorgvuldige wijze afgewogen en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens Pius.

4.5. [gedaagde 1] betoogt, althans zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen, dat zijn onrechtmatig handelen (c.q. nalaten) niet tot schade heeft geleid. Tegenover de gemotiveerde betwisting door Lamas c.s. is het aan [gedaagde 1], nu hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, om bewijs te leveren van zijn stelling dat de roerende zaken door Pius aangegeven op de lijst van inbeslaggenomen goederen ten tijde van de veiling eigendom waren van de geëxecuteerde (Lamas) en niet van Pius, tot welk bewijs de rechtbank [gedaagde 1] thans zal toelaten.

Met het oog hierop dient [gedaagde 1] de bijlage bij het onder 2.7. bedoelde faxbericht, waarop Pius de betreffende zaken kennelijk heeft omcirkeld, over te leggen voordat de datum van het verhoor wordt bepaald.

4.6. Indien [gedaagde 1] slaagt in voormelde bewijslevering, ligt de vordering voor afwijzing gereed. Hetgeen Lamas c.s. overigens stelt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om, los van het geen, althans onvoldoende doen van onderzoek naar de eigendomskwestie, als onrechtmatig handelen of nalaten van [gedaagde 1] te worden gekwalificeerd. Daarbij dient in het oog gehouden te worden dat de stelplicht en bewijslast op Lamas c.s. rust. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.

4.6.1. Uitgangspunt van een executieveiling moet zijn dat er, mede in het belang van de geëxecuteerde, een zo hoog mogelijke opbrengst wordt behaald. De zorgplicht van de deurwaarder behelst dan ook dat de executieveiling zodanig plaatsvindt, dat dit resultaat kan worden behaald. De enkele omstandigheid dat – volgens Lamas c.s. – de opbrengst van de veiling aanmerkelijk lager is dan de waarde van de zaken in het economisch verkeer is niet voldoende om de bewijslast om te keren en ook niet om voorshands bewezen te achten dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld. In het algemeen ligt de executiewaarde van een goed (beduidend) lager dan de economische waarde. Het mechanisme van een veiling werkt immers zo, dat de waarde van de te (ver)kopen zaken wordt bepaald door het bedrag dat de aanwezigen daarvoor willen betalen. Dat er uiteindelijk geen hogere opbrengst is geweest, kan in beginsel niet aan [gedaagde 1] worden toegerekend. Kennelijk vonden de aanwezigen de goederen niet een hoger bedrag waard. Ook [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), die volgens eigen zeggen in opdracht van [persoon 2] (hierna: [persoon 2]), zijnde (in)direct (mede) aandeelhouder in Lamas c.s., aanwezig was bij de veiling, was kennelijk niet bereid om meer dan € 40.000,- te betalen; dit, terwijl hij – zoals uit zijn verklaring blijkt – namens [persoon 2] tot een bedrag van € 200.000,00 mocht bieden.

4.6.2. Dat ‘slechts’ een bedrag van € 40.000,- is geboden, valt [gedaagde 1] niet toe te rekenen, tenzij de wijze waarop hij de veiling heeft geleid daarmee in causaal verband staat.

Lamas c.s. stelt in dit verband, dat dit het geval is. Hij wijst daarbij op gebreken in de veilingvoorwaarden, de ontoereikende bekendmaking, de identiteit van de koper, onjuistheden in het proces-verbaal en het niet toelaten van andere biedingen.

4.6.3. De stelling van Lamas c.s. dat de veilingvoorwaarden in strijd zijn met de (strekking van de) bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet (voldoende) onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd. Anders dan Lamas c.s. stelt is er geen wettelijke bepaling die de deurwaarder verplicht de veilingvoorwaarden op te stellen. Sterker nog, er is in het geheel geen wettelijke verplichting tot het opstellen van veilingvoorwaarden bij een executoriale verkoop van roerende zaken.

Voor zover Lamas c.s. heeft bedoeld te betogen dat de in beslag genomen roerende zaken niet in één kavel verkocht hadden mogen worden, faalt dit betoog. Er is geen algemeen aanvaarde regeling van voorwaarden voor het veilen van roerende zaken, zoals de AVVE voor het veilen van registergoederen; de inhoud daarvan staat in beginsel ter vrije bepaling van de executant. Op zichzelf is niet ongebruikelijk dat in beslag genomen zaken in één kavel worden verkocht. Daarbij komt dat Lamas op grond van artikel 463a Rv bezwaar had kunnen maken tegen de veilingvoorwaarden, hetgeen hij evenwel niet heeft gedaan, hoewel dat wel van hem mocht worden verwacht.

4.6.4. Anders dan Lamas c.s. stelt, eist de wet niet dat de verkoop bekend moet worden gemaakt in een landelijke krant. Ingevolge het bepaalde in artikel 466 Rv dient de verkoop aangekondigd te worden in een dagelijks verschijnende plaatselijke krant. Met het publiceren van de verkoop in (de overigens landelijke editie van) het Algemeen Dagblad van 14 januari 2006 (2.12.) is aan dit voorschrift voldaan. Dat in deze advertentie sprake is van “gerede” betaling, kan, nu uit de veilingvoorwaarden blijkt wat de regels ten aanzien van de betaling zijn, geen zelfstandige grond van bezwaar vormen.

4.6.5. Anders dan Lamas c.s. stelt brengt de enkele omstandigheid dat de koper op enigerlei wijze gelieerd zou zijn aan de executant – wat daarvan overigens ook zij – niet mee dat de veiling op onrechtmatige wijze is geschied. Immers, het mechanisme van een veiling staat er aan in de weg dat de executant en de koper het in hun macht hebben de opbrengst te bepalen. Alle aanwezigen op de veiling waren immers in de gelegenheid om te bieden en het stond een ieder van hen vrij om een hoger bod uit te brengen. Vast staat dat meerdere gegadigden aanwezig waren. Dat er uiteindelijk maar één bod is uitgebracht, kan niet aan [gedaagde 1] worden toegerekend. Dat [gedaagde 1] alleen oog had voor [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet een voldoende verklaring voor het uitblijvende andere bod. Een andere bieder had immers de aandacht van de deurwaarder kunnen trekken. Ook uit de getuigenverklaringen waarop Lamas c.s. zich beroept (daargelaten de beperkte bewijskracht daarvan, nu deze in een andere procedure zijn afgelegd), blijkt niet dat andere gegadigden daadwerkelijk geprobeerd hebben een bod uit te brengen. Dat betekent dat het er, bij gebreke van deugdelijk onderbouwde stellingen en een bijbehorend bewijsaanbod dat een ander wel heeft geboden / geprobeerd te bieden, voor moet worden gehouden dat alleen [persoon 3] daadwerkelijk een bod heeft uitgebracht. [gedaagde 1] diende dat – enige – geldige bod dus te accepteren in die zin, dat de goederen aan die bieder werden toegewezen. Dat dit bod (voor een nader te noemen meester) is uitgebracht door een kantoorgenoot van de advocaat die optrad voor de executant, maakt dit niet anders. Een ieder die aan de voorwaarden voldeed mocht immers bieden; ook [persoon 2] zelf had dat gemogen.

Overigens is de tijdsduur van de veiling niet relevant. Relevant is immers slechts of de openbare verkoop overeenkomstig de daaraan te stellen eisen heeft plaatsgevonden.

4.6.6. Lamas c.s. heeft, gezien het door [gedaagde 1] daar tegenover gestelde, niet (voldoende) onderbouwd dat er onjuistheden staan vermeld in het proces-verbaal van de veiling. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat betaling heeft plaatsgevonden op de derdengeldrekening van het kantoor van de advocaat van de executant. De rechtbank ziet niet in waarom [gedaagde 1] ter zake van de gekozen wijze van betaling, die in de veilcondities was bepaald, een verwijt kan worden gemaakt. Immers, gesteld noch gebleken is dat Lamas c.s. door de wijze waarop de betaling is uitgevoerd, schade heeft geleden. Ook hier geldt weer dat Lamas tegen die voorwaarde desgewenst had kunnen protesteren.

4.7. Als [gedaagde 1] niet slaagt in de onder 4.5. bedoelde bewijslevering, is de verkoop van de niet aan Lamas toebehorende zaken onrechtmatig jegens de eigenaar, Pius, en [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade. Immers, ten aanzien van Pius bestond geen executoriale titel.

Voor die schade geldt, dat die in beginsel gelijk is aan de economische waarde. Partijen zullen zich op dat punt na de bewijslevering (bij voorkeur bij conclusie na enquête) kunnen uitlaten.

4.8. In afwachting van de bewijsvoering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen

draagt [gedaagde 1] op het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de roerende zaken door Pius aangegeven op de lijst van inbeslaggenomen goederen ten tijde van de veiling eigendom waren van de geëxecuteerde (Lamas) en niet van Pius;

bepaalt dat indien [gedaagde 1] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter

mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de advocaat van [gedaagde 1] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank

- sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden juli t/m november 2010 en dat de advocaat van Lamas c.s. binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

gelast [gedaagde 1] om bij de brief waarbij opgave wordt gedaan van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata aan zijn zijde tevens de bijlage bij het onder 2.7. vermelde faxbericht te voegen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2010.?