Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM5262

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
AWB 09/1472 WWB-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert vergoeding van materiële en immateriële schade. Eiser heeft daartoe gesteld dat hij als gevolg van een eerdere beslissing van verweerder, waarbij hem een bijstandsuitkering werd geweigerd, dakloos is geworden en zijn inboedel is kwijtgeraakt. Verweerder heeft schade-vergoeding toegekend, bestaande uit de wettelijke rente over de tijd die hij met de betaling van de uitkering in verzuim is geweest. De gevraagde vergoeding voor immateriële schade heeft verweerder afgewezen.

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraken van 28 juni 2006, LJN AX9608 en 1 juni 2007, LJN BA6441) volgt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, in aansluiting op artikel 6:119 van het BW bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Artikel 6:119 van het BW normeert de omvang en duur van de schadevergoedingsverplichting van de debiteur, waarbij de grootte van de daadwerkelijk geleden schade niet relevant is. Naar vaste rechtspraak van de Raad staat het partijen niet vrij te bewijzen dat in werkelijkheid een andere schade is geleden dan de conform de wet forfaitair vastgestelde schade. Hiermee sluit de Raad aan bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht en het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2005, LJN AR0220, waarin wordt geoordeeld dat de strekking van artikel 6:119 BW ook meebrengt dat het in die bepaling aangewezen fixum niet door de werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden opzijgezet.

Gelet op deze jurisprudentie heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de materiële schade geacht wordt “op te lossen” in de wettelijke rente. Hieruit vloeit voort dat de vordering tot vergoeding van de overige materiële schadeposten terecht is afgewezen.

Het verzoek van eiser om vergoeding van beweerdelijk geleden immateriële schade acht de rechtbank evenmin voor toewijzing vatbaar. Dat door het besluit, waarbij de bijstandsuitkering aanvankelijk werd geweigerd, sprake zou zijn van als een aantasting van de persoon van eiser aan te merken geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 van het BW, waaraan eiser aanspraak op vergoeding van schade kan ontlenen, is door hem niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser het door hem gestelde geestelijk letsel niet met concrete gegevens heeft onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1472 WWB-T1

Uitspraak in het geding tussen

[naam eiser] verblijfplaats onbekend, eiser,

gemachtigde: mr. J. Berkouwer, advocaat te Schiedam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 22 december 2008 heeft verweerder aan eiser een schadevergoeding toegekend van € 2.002,01 aan wettelijke rente, verschuldigd vanwege vertraging in de voldoening van een geldsom, in dit geval de betaling van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Voor het overige heeft verweerder de gevorderde schadevergoeding afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 20 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 april 2009 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 5 mei 2009 beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft verweerder aan eiser een aanvullende schadevergoeding ter zake van wettelijke rente toegekend van € 49,64.

Bij brief van 8 juni 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.R. van der Heijden-Wijnen.

2 Overwegingen

Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2007, procedurenummer WWB 06/4861-HOU en opnieuw beslissend op het bezwaar van eiser, met terugwerkende kracht vanaf 14 maart 2005 alsnog bijstand op grond van de WWB aan eiser toegekend.

Bij brief van 31 december 2007 heeft eiser materiële en immateriële schade gevorderd.

Eiser heeft daartoe gesteld dat hij als gevolg van de eerdere beslissing van verweerder om hem een bijstandsuitkering te weigeren (besluit van 21 juni 2005) dakloos is geworden. Voor de aldus ontstane schade stelt hij verweerder aansprakelijk. Tevens vordert eiser wettelijke rente en een proceskostenvergoeding.

Bij brief van 3 oktober 2008 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat hij zijn inboedel is kwijtgeraakt. De daardoor geleden schade dient voor een deel te worden geschat.

Bij brief van 11 november 2008 heeft eiser, na herhaalde verzoeken van verweerder om een specificatie van de gestelde schade, een handgeschreven overzicht ingediend van zaken die volgens hem verloren zijn gegaan, met vermelding van een bedrag. De totale schade bedraagt volgens deze opgave € 26.345,--.

Bij het primaire besluit heeft verweerder schadevergoeding toegekend omdat eiser pas later heeft kunnen beschikken over de hem toekomende bijstandsuitkering. Deze vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de tijd die verweerder met de betaling van de uitkering in verzuim is geweest (de periode van 14 maart 2005 tot en met 31 oktober 2006 en de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 januari 2008) bedraagt in totaal € 2002,01.

De gevorderde materiële schade, bestaande uit de waarde van de inboedel, heeft verweerder afgewezen op grond van de overweging dat dergelijke schade geacht wordt “op te lossen” in de wettelijke rente. Bovendien is onduidelijk wat het causale verband is tussen de afwijzing van de bijstandsaanvraag en het verlies van de inboedel en wordt het gestelde verlies niet met bewijsstukken onderbouwd.

De gevraagde vergoeding voor immateriële schade heeft verweerder afgewezen, omdat naar zijn mening niet is gebleken van ondervonden geestelijk leed of anderszins.

De kosten van rechtsbijstand in verband met het vorderen van een schadevergoeding komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het inroepen van aparte rechtsbijstand in dezen niet noodzakelijk wordt geacht. Deze kosten hadden vermeden kunnen worden indien een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) was gevorderd in de beroepsprocedure, aldus verweerder.

De vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft verweerder afgewezen, omdat het niet mogelijk is deze kosten te vorderen door het indienen van een verzoek om een zuiver schadebesluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - in navolging van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam (hierna: de commissie) van 2 april 2009 - het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de door eiser gestelde materiële schade moet worden aangemerkt als door de vertraging zelf geleden schade. Uit de jurisprudentie blijkt dat artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de omvang en de duur van de schadevergoedingsverplichting normeert. De grootte van de daadwerkelijk geleden schade is niet relevant. De geclaimde schadeposten worden geacht in de wettelijke rente te zijn verdisconteerd. Van immateriële schade die eiser zou hebben geleden omdat hij zijn huis kwijtraakte, is verweerder niet gebleken. Evenmin kan worden gesteld dat eiser zijn huis door toedoen van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe) is kwijtgeraakt. Dit is eerder te wijten aan het optreden van eisers broer, bij wie eiser een kamer huurde. De broer heeft eiser op straat gezet. Tot slot merkt verweerder op dat de omstandigheid dat, zoals tijdens de hoorzitting in bezwaar is gebleken, de nabetaling van de uitkering over de maanden november en december 2006 en over de maand juli 2007 abusievelijk niet is meegenomen in de berekening van de wettelijke rente, geen aanleiding geeft de herberekeningen af te wachten en de besluitvorming aan te houden.

Eiser stelt in beroep dat zijn bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard, nu duidelijk is geworden dat verweerder bepaalde bedragen niet heeft nabetaald. Voorts voert eiser aan dat het bestreden besluit niet ingaat op de gevraagde proceskostenvergoeding. Tevens is eiser van mening dat er sprake is van immateriële schade. De onderbouwing door middel van een verklaring van een psycholoog of een psychiater ontbreekt weliswaar omdat eiser niet naar een dergelijk persoon toe wil gaan, maar er is wel causaal verband tussen het langdurig niet betalen van de uitkering en het kwijtraken van zijn woning.

Naar aanleiding van hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de ten onrechte niet betaalde wettelijke rente, heeft verweerder een herberekening gemaakt.

Bij primair besluit van 20 mei 2009 heeft verweerder de schadevergoeding met € 49,64 verhoogd tot een bedrag van € 2.051,62.

De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van besluitvorming, waarbij verweerder op grondslag van het bezwaar een nieuw, positief besluit ten aanzien van de wettelijke rente over de nabetaling heeft genomen maar tegelijkertijd het primaire besluit van 22 december 2008 niet heeft herroepen en de daartegen gerichte bezwaren ongegrond heeft verklaard, in strijd is met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat hiermee onjuist is gehandeld en desgevraagd verklaard dat er aanleiding bestaat voor een kostenvergoeding in de bezwaarprocedure.

De rechtbank stelt voorts vast dat thans nog in geschil zijn de gevorderde vergoeding voor materiële en immateriële schade, alsmede de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Met betrekking tot deze punten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraken van

28 juni 2006, LJN AX9608 en 1 juni 2007, LJN BA6441) volgt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, in aansluiting op artikel 6:119 van het BW bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Artikel 6:119 van het BW normeert de omvang en duur van de schadevergoedingsverplichting van de debiteur, waarbij de grootte van de daadwerkelijk geleden schade niet relevant is. Naar vaste rechtspraak van de Raad staat het partijen niet vrij te bewijzen dat in werkelijkheid een andere schade is geleden dan de conform de wet forfaitair vastgestelde schade. Hiermee sluit de Raad aan bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht en het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2005, LJN AR0220, waarin wordt geoordeeld dat de strekking van artikel 6:119 BW ook meebrengt dat het in die bepaling aangewezen fixum niet door de werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden opzijgezet.

Gelet op deze jurisprudentie heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de materiële schade geacht wordt “op te lossen” in de wettelijke rente. Hieruit vloeit voort dat de vordering tot vergoeding van de overige materiële schade-posten terecht is afgewezen.

Het verzoek van eiser om vergoeding van beweerdelijk geleden immateriële schade acht de rechtbank evenmin voor toewijzing vatbaar. Dat door het vernietigde besluit, waarbij de bijstandsuitkering aanvankelijk werd geweigerd, sprake zou zijn van als een aantasting van de persoon van eiser aan te merken geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 van het BW, waaraan eiser aanspraak op vergoeding van schade kan ontlenen, is door hem niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser het door hem gestelde geestelijk letsel niet met concrete gegevens heeft onderbouwd.

Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in de schadevergoedingsprocedure stelt de rechtbank vast dat de commissie in haar advies heeft opgemerkt dat deze kosten op grond van artikel 6:96 van het BW kunnen worden vergoed. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit echter geen beslissing genomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het bij het primaire besluit ingenomen standpunt, dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat zij op grond van artikel 8:73 van de Awb in de eerdere beroepsprocedure hadden kunnen worden gevorderd, niet langer wordt gehandhaafd. Voor de kosten (lees: de door eiser te betalen eigen bijdrage) kan in beginsel bijzondere bijstand worden verleend, aldus de gemachtigde. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet, gelet op de onjuiste wijze van besluitvorming in de bezwaarfase, aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Nu het beroep met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand in de schadevergoedingsprocedure gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank tevens aanleiding voor een proceskostenvergoeding in de beroepsprocedure. De rechtbank stelt de kosten overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.288,00.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de schadevergoedingsprocedure,

vernietigt het bestreden besluit in zoverre,

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier worden betaald (rekeningnummer 56 99 90 688),

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. P.C. Santema, en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

NB. In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Als de rechtbank daarbij gronden van het beroep en/of (een deel van) de grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft verworpen en belanghebbende en/of verweerder daarin niet wil(len) berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: