Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM4459

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
350676 - KG ZA 10-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Op grond van een bepaling in een koopovereenkomst van aandelen dienen gedaagden een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten ten behoeve van haar voormalig bestuurders, zijnde eisers. Voorts hebben gedaagden op grond van een pandakte de verplichting eisers pandlijsten in een bepaalde vorm te verstrekken.

Eisers vorderen een kopie van de polis waaruit blijkt dat gedaagden aan hun verplichting tot het afsluiten van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering hebben voldaan. Daarnaast vorderen eisers nakoming van de pandakte, aangezien zij van mening zijn dat de door gedaagden verstrekte informatie niet voldoet aan hetgeen hierover in de pandakte is overeengekomen.

De vordering ten aanzien van de pandlijsten wordt afgewezen wegens een gebrek aan spoedeisend belang. De vordering tot afgifte van een kopie van de polis wordt toegewezen op grond van artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 350676 / KG ZA 10-240

Vonnis in kort geding van 23 april 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te Roosendaal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"V" BEHEER ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Roosendaal,

eisers,

advocaat mr. M.R.E. Gelok,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. MONJÉ B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. GOODWILL HOUDSTERMAATSCHAPPIJ PCPC-VBR,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOELAARS & LAMBERT GROEP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. Ph. Ekering.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 17 maart 2010;

- producties van eisers;

- producties van gedaagden;

- de pleitnotities van mr. Ekering.

1.2. Ter mondelinge behandeling van 12 april 2010 hebben (de raadslieden van) partijen de respectieve stellingen nader toegelicht. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In dit kort geding merkt de voorzieningenrechter de volgende -voor de onderhavige beoordelingen van belang zijnde- feiten als tussen partijen vaststaand aan.

2.1. Eiser sub 2 als verkoper en gedaagde sub 1 als koper hebben op 28 november 2008 een koopovereenkomst gesloten inzake 92% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van gedaagde sub 2 (hierna: de koopovereenkomst). Een deel van de koopsom is aan eiser sub 2 schuldig gebleven.

2.2. De koopovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…..)

4.6. Tot zekerheid van de terugbetaling zal er door Koopster voor worden zorggedragen, dat op de datum van levering van de Aandelen aan Verkoopster een tweede pandrecht wordt gegeven op de assurantieportefeuille van Boelaars & Lambert Groep B.V. en van de met Koopster in de considerans omschreven vennootschappen, alsmede dat in ieder geval één jaartermijn van EUR 575.000,--, verminderd met de in het desbetreffende jaar over dat jaar betaalde rente, wordt gegarandeerd door Allianz Nederland Schadeverzekering N.V., welke laatstgenoemde vennootschap in verband met het bepaalde in dit lid van dit artikel deze overeenkomst mede ondertekent.

(…..)

9.3. Koopster vrijwaart zowel de heer [eiser sub 1] in privé als Verkoopster voor alle claims uit hoofde van hun voormalig bestuurderschap bij de Vennootschap en haar deelnemingen, evenwel met uitzondering van de hiervoor in artikel 7 verstrekte garanties. Koopster zal in verband met deze vrijwaring een daartoe strekkende bestuurdersaansprakelijkheidspolis afsluiten en zal des nodig het verweer namens [eiser sub 1] en Verkoopster maar wel in overleg met deze voeren.

(…..).”

2.3. Op 11 december 2008 hebben eiser sub 2 en gedaagden in navolging van het bepaalde in artikel 4.6 van de koopovereenkomst een akte van verpanding getekend, waarbij gedaagden ten behoeve van eiser sub 2 op de aan hen toebehorende verzekeringsportefeuille een pandrecht tweede in rang hebben gevestigd.

2.4. De akte van verpanding luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(…..)

Artikel 3

Aan pandhouder komen dezelfde rechten en plichten toe in de breedste zin des woords als aan de pandhouder in de aangehechte onderhandse akte van verpanding toekomen, welke onderhandse akte van verpanding dan ook hier als letterlijk herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

(…..).”

2.5. De aangehechte akte van verpanding (zie 2.4.) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…..)

3. Overeenkomst tot nadere verpanding

3.1. De Pandgever komt hierbij overeen met ANS om op eerste verzoek van ANS en in ieder geval binnen dertig dagen na het einde van het kalenderjaar, ten gunste van ANS een pandrecht te vestigen op haar Goederen door ondertekening van een aanvullende pandakte goeddeels in de vorm van Bijlage 3 (…..).

4.1. De Pandgever zal op Bijlage 2 hiervan en op elke bijlage bij een aanvullende pandakte specificeren:

a. de naam van elke Verzekeringnemer;

b. de naam en het telefoonnummer van een contactpersoon voor elke Verzekeringnemer;

c. het adres van elke Verzekeringnemer;

d. de verschuldigde premie onder elke verzekeringsovereenkomst, alsmede eventuele andere bedragen die de Verzekeringnemer aan de Pandgever

verschuldigd is, en de grondslag daarvoor; en

e. het polisnummer van elke verzekeringsovereenkomst.

4.2. De Pandgever zal voorts op eerste verzoek van ANS alle bewijzen en bescheiden die op de Goederen betrekking hebben aan ANS verschaffen en alle inlichtingen verstrekken en alle medewerking verlenen welke ANS voor de uitoefening van de rechten voortvloeiende uit of verband houdende met deze Akte nodig mocht oordelen. (…..).”

2.6. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is door gedaagden aan eisers een kopie van een polisblad van 1 pagina toegezonden. Blijkens het betreffende polisblad is door Boelaars en Lambert Groep B.V. als verzekeringnemer bij AIG Europe (Netherlands) N.V. als verzekeraar een zogenaamde “BusinessGuard Bestuurders en Commissarissen Aansprakelijkheidsverzekering” afgesloten. De op het polisblad vermelde verzekeringstermijn loopt van 5 juni 2007 tot en met 1 april 2008.

2.7. Op het polisblad is achter het opschrift “4. Verzekerde Som” voor zover van belang het volgende opgenomen:

“Totaal verzekerde som per verzekeringstermijn voor alle verlies van alle verzekerden (de door een bedrijf aan een verzekerde te verstrekken schadeloosstelling daaronder begrepen) krachtens alle verzekeringsdekkingen tezamen: EUR 2.5000.000,--.

(…..).”

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen:

1. gedaagde sub 1 te veroordelen om aan eisers binnen 5 dagen na het wijzen van dit vonnis een kopie te verstrekken van de beweerdelijk door gedaagde sub 1 ten behoeve van eisers afgesloten bestuurdersaansprakelijkheidspolis, zulks op verbeurte van een dwangsom ad EUR 25.000,00 en EUR 1.000,00 voor iedere dag dat gedaagde sub 1 in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen (hierna: de vordering I);

2. gedaagden te veroordelen om binnen 5 dagen na het wijzen van dit vonnis een pandlijst/borderel te verstrekken, welke voldoet aan de eisen als omschreven in bijlagen 1 en 2 bij de pandovereenkomst met ANS d.d. 18 december 2008, en vervolgens een dergelijke pandlijst te verstrekken uiterlijk iedere vijfde werkdag van het kwartaal, te beginnen in de maand juli 2010, naar toestand van de eerste werkdag van het kwartaal, zulks op verbeurte van een dwangsom van EUR 25.000,00 bij niet voldoening, en EUR 1.000,00 voor iedere dag dat gedaagden daarna in gebreke blijven om aan deze verplichting te voldoen (hierna: de vordering II);

3. veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

3.2. Gedaagden voeren tezamen verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1. Uit de aard van het kort geding en de wettelijke omschrijving volgt dat eerst dan van een spoedeisend belang kan worden gesproken, wanneer een onverwijlde voorziening geboden is en de loop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

4.1.1. Gedaagden hebben het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen bestreden. Volgens gedaagden is de polis van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering reeds in kopie aan eisers verstrekt, zodat een (spoedeisend) belang bij de vordering I ontbreekt. Voorts is geen enkele claim bekend die zou kunnen wijzen op bestuurdersaansprakelijkheid van eisers.

Ten aanzien van de vordering II hebben zij aangevoerd dat de informatie inzake de effectenportefeuille al sinds het ondertekenen van de akte van verpanding op dezelfde wijze wordt aangeleverd. Daarnaast voldoet gedaagde sub 1 aan zijn jaarlijkse aflossingsverplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst, zodat van een opeisbare vordering geen sprake is.

4.1.2. Eisers hebben gesteld spoedeisend belang te hebben bij hun vordering I wegens de onwillige houding van gedaagde sub 1. Ter mondelinge behandeling hebben eisers voorts aangegeven dat zij, voor het geval de vrijwaring zoals opgenomen in de koopovereenkomst in verband met de hoogte van een mogelijke claim niet voldoende zal zijn, zeker willen weten dat zij verzekerd zijn. Met deze stelling is het spoedeisend belang bij de vordering I naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt. Eisers hebben er belang bij op korte termijn zekerheid te verkrijgen over het feit of zij wel of niet verzekerd zijn, zodat zij, indien nodig, tijdig maatregelen kunnen treffen. Dat volgens gedaagden thans geen claim bekend is die tot aansprakelijkheid zou kunnen leiden, doet daar niet aan af. De verzekering zal immers gesloten moeten zijn, voordat het tot een daadwerkelijke claim komt. Dat een kopie van de polis reeds aan eisers is verstrekt, wordt door eisers ontkend en kan derhalve niet tot een andere conclusie leiden.

4.1.3. Het spoedeisend belang bij de vordering II vloeit volgens eisers voort uit de hoogte van het op grond van de koopovereenkomst door gedaagde sub 1 aan eiser sub 2 verschuldigde bedrag.

4.1.4. Ten aanzien van de vordering II is de voorzieningenrechter van oordeel dat eisers, mede gezien de gemotiveerde betwisting van gedaagden, onvoldoende hebben gesteld om tot het oordeel te kunnen leiden dat van een spoedeisend belang sprake is. Eisers hebben immers niet meer gesteld dan dat zij een spoedeisend belang hebben gezien de hoogte van het van gedaagde sub 1 te vorderen bedrag. Door eisers is niet inzichtelijk gemaakt welk verband er bestaat tussen de hoogte van dit bedrag en de noodzaak van een onverwijlde voorziening in dit kort geding. Dit klemt te meer, nu de gedaagde sub 1 aan zijn aflossingsverplichting voldoet, zodat uitwinning van het pandrecht thans niet aan de orde is.

Hieruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter voorshands niet inziet waarom een bodemprocedure door eisers, voor zover het de vordering II betreft, niet kan worden afgewacht.

4.1.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering II, bij gebreke van een spoedeisend belang, zal worden afgewezen.

Vordering I

4.2. Bij de beoordeling van de vordering I staan een tweetal vragen centraal. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of eisers aanspraak kunnen maken op een kopie van de bestuurdersaansprakelijkheidspolis (4.3.). Vervolgens dient te worden beoordeeld of de door gedaagden eerder overlegde kopie van het polisblad als de door eisers gevorderde kopie van de bestuurdersaansprakelijkheidspolis kan worden aangemerkt (4.4.).

4.3. Op grond van de koopovereenkomst is gedaagde sub 1 verplicht ten behoeve van eisers een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Eisers wensen een kopie van de betreffende polis, zodat zij kunnen vaststellen of gedaagde sub 1 aan zijn verplichting heeft voldaan.

Het verweer van gedaagden, voor zover niet reeds besproken bij de toetsing van het spoedeisend belang, komt er op neer dat het verstrekken van een kopie van de polis niet is overeengekomen en dat door eisers geen rechtsgrond is aangevoerd waarop de vordering kan steunen. Voorts hebben zij aangevoerd te willen voorkomen dat eisers contact zoeken met de verzekeraar om vervelende verhalen over gedaagden te gaan vertellen.

4.3.1. Het is juist dat eisers zich niet op een specifieke rechtsgrond hebben beroepen. Voor zover de verplichting tot het verstrekken van een kopie van de polis niet reeds voortvloeit uit de aard van de afspraak zoals neergelegd in artikel 9.3 van de koopovereenkomst, komt de vordering I naar het oordeel van de voorzieningenrechter neer op een vordering tot het verschaffen van een afschrift van bescheiden als bedoeld in artikel 843a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Nu eisers naar oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate het feitelijk kader voor deze rechtsgrond hebben geschapen, vult de voorzieningenrechter op basis van artikel 25 Rv ambtshalve de rechtsgrond van de vordering I in die zin aan.

4.3.2. Artikel 843a Rv voorziet er in dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft een afschrift of uittreksel kan vorderen van bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. De gevorderde bescheiden dienen voldoende bepaalbaar te zijn.

Aangezien eisers slechts aan de hand van een afschrift van de polis zullen kunnen vaststellen of gedaagde sub 1 aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit artikel 9.3 van de koopovereenkomst heeft voldaan, is een rechtmatig belang aan de zijde van eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter aanwezig.

Eisers en gedaagde sub 1 zijn partij bij de koopovereenkomst. Nu de verplichting tot het afsluiten van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering uit de koopovereenkomst volgt, kan de polis worden aangemerkt als een bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eisers partij zijn.

Een kopie van de polis is tot slot zodanig concreet dat aan het vereiste van voldoende bepaalbaarheid is voldaan.

4.3.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat eisers naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aanspraak kunnen maken op een kopie van de polis van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, zoals die beweerdelijk door gedaagde sub 1 is afgesloten.

4.3.4. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van eisers bij afgifte van de kopie polis is hiervoor onder 4.1.2. en 4.3.2. reeds besproken.

Volgens gedaagden wensen zij geen kopie van de polis te verstrekken uit vrees dat eisers contact zullen zoeken met de verzekeraar om negatieve verhalen over gedaagden te gaan verspreiden. Wie de verzekeraar is -althans was in 2007/2008- volgt echter reeds uit de door gedaagden zelf verstrekte kopie van het polisblad (zie 2.6.). Andere belangen bij het niet verstrekken van de kopie polis zijn door gedaagden niet naar voren gebracht.

4.4. Thans resteert de vraag, of de aan eisers toegestuurde kopie van het polisblad van één pagina als kopie van de polis kan worden gekwalificeerd.

4.4.1. Gedaagden stellen zich op het standpunt de polis reeds te hebben verstrekt door afgifte van de kopie van het polisblad. Ter mondelinge behandeling hebben gedaagden aangegeven dat uit de algemene voorwaarden zou blijken wie als verzekerden dienen te worden aangemerkt.

4.4.2. Op grond van artikel 7:932 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is de polis, ook wel polisblad genoemd, een akte waarin de gesloten verzekeringsovereenkomst is vastgelegd. Uit de parlementaire geschiedenis volgt, dat niet is vereist dat de verzekeringsovereenkomst als geheel en letterlijk in de polis is opgenomen. Om een akte als polis te kwalificeren, is voldoende dat de essentiële gegevens van de verzekeringsovereenkomst zijn opgenomen. Onder essentiële gegevens behoren bijvoorbeeld de verzekerde(n), de premie, de ingangs- en beëindigingsdatum en de verzekerde som. Voor het overige kan worden verwezen naar een bijbehorend document, zoals de algemene voorwaarden. Alsdan maken deze algemene voorwaarden deel uit van de verzekeringsovereenkomst die is vastgelegd in de polis en behoren zij als zodanig ook tot de polis.

De voornaamste betekenis van de polis is gelegen in haar bewijsfunctie. De polis beschermt de verzekeraar, maar ook de verzekerde en de tot uitkering gerechtigde in hun belang om over bewijs van de inhoud van de verzekeringsovereenkomst te beschikken.

4.4.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat blijkens het polisblad de verzekeringstermijn op 1 april 2008 is geëindigd. Reeds op deze grond kan het betreffende polisblad niet dienen als bewijs van het thans bestaan van een verzekeringsovereenkomst en kwalificeert het niet als polis zoals bedoeld in de vordering I.

Vast staat dat uit het polisblad niet kan worden afgeleid wie de verzekerden zijn. Van een verwijzing naar de algemene voorwaarden waaruit dit zou blijken, is evenmin sprake. Ook hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat door overlegging van de kopie van het polisblad niet de polis zoals bedoeld in artikel 7:932 lid 1 BW is overlegd. Uit de polis dienen de essentialia van de verzekeringsovereenkomst, waaronder de verzekerde(n), al dan niet door verwijzing naar de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, genoegzaam te blijken. Hieraan is niet voldaan.

4.4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering I dient te worden toegewezen zoals hierna in het dictum bepaald, met dien verstande dat onder bestuurdersaansprakelijkheidspolis dient te worden verstaan: de akte en andere documenten, zoals algemene voorwaarden, waaruit de onder 4.4.2. genoemde essentialia van de op grond van artikel 9.3 van de koopovereenkomst gesloten verzekeringsovereenkomst blijken.

4.5. Gezien het feit dat gedaagden ter mondelinge behandeling hebben aangegeven een kopie van de algemene voorwaarden te willen verstrekken, wordt de gevorderde dwangsom beperkt en gemaximeerd. Teneinde gedaagde sub 1 de gelegenheid te geven de polis op te zoeken of eventueel bij de verzekeraar op te vragen, wordt de termijn waarbinnen gedaagde sub 1 aan de veroordeling dient te voldoen, gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

4.6. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt gedaagde sub 1 tot afgifte van een kopie van de polis van de beweerdelijk ten behoeve van eisers afgesloten bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

5.2. bepaalt dat gedaagde sub 1 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan eisers een dwangsom verbeurt van EUR 500,00, tot een maximum van EUR 15.000,00;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2010, in bijzijn van mr. L.A.W.B. van Lent, griffier.?

2168/676