Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM3604

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
10/995148-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Medeplegen overtreding voorschriften milieuvergunning (samenvoegen chemische stoffen in voorspoeltank). Vrijspraak ten aanzien van het teweegbrengen ontploffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/995148-08

Datum uitspraak: 3 mei 2010

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[BEDRIJF 1],

Gevestigd op [adres].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtpersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het tenlastegelegde komt er op neer dat de verdachte rechtspersoon het verwijt wordt gemaakt dat zij:

1. al dan niet opzettelijk samen met anderen in strijd met voorschriften verbonden aan een milieuvergunning krachtens de Wet Milieubeheer chemische stoffen heeft samengevoegd in de voorspoeltank en dat zij de ruimte waarin deze voorspoeltank zich bevond onvoldoende heeft geventileerd;

2. al dan niet opzettelijk samen met anderen in haar bedrijfsruimte een ontploffing teweeg heeft gebracht, waardoor gemeen gevaar voor goederen en (levens)gevaar voor personen is ontstaan.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. De Rijck heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 (opzettelijk gepleegd) en 2 subsidiair tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 10.000,--.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 2

Op 30 november 2007 heeft tijdens het voorspoelen van twee tankcontainers waarin de stof natriumwaterstofsulfide (ook wel aangeduid als sodium hydrogensulfide of NaHS) aanwezig was, zich een chemische reactie voorgedaan waarbij het explosieve gas zwavelwaterstof (H2S) is ontstaan. Ten tijde van het voorspoelen werd door de heer [naam A], werkzaam bij de verdachte rechtspersoon en tevens directeur van haar beheersmaatschappij, een nevel waargenomen in de bedrijfsruimte en rook hij, naar zijn zeggen, de typische rotte-eierenlucht van H2S. Het gas had zich opgehoopt en verspreid binnen de ruimte waarin de voorspoeltank stond en ook in de ernaast liggende ruimte. Vervolgens heeft een explosie plaatsgevonden waarbij schade is ontstaan aan equipement en het gebouw. [naam A] zag bij het mangat van de voorspoeltank een soort van “spiritusbrand”, kleine blauwe vlammetjes, en heeft deze met een waterslang geblust. Na de explosie werd een waarde van meer dan 250 ppm H2S gemeten.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Er zijn namelijk onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte rechtspersoon genoemde ontploffing opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, teweeg heeft gebracht. De verdachte rechtspersoon zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wèl bewezen kan worden verklaard, omdat het volgens de officier aan de schuld van de verdachte rechtspersoon te wijten is dat de ontploffing heeft plaatsgevonden. Dit wordt als volgt onderbouwd. De verdachte rechtspersoon heeft een stof, te weten resten van NaHS, geaccepteerd voor reiniging en die stof vervolgens voorgewassen, waarbij het voorspoelwater is terechtgekomen in een voorspoeltank met daarin ook andere chemische stoffen, waaronder zuren. Door deze vermenging is een reactie opgetreden waardoor de stof H2S ontstond, welke stof vervolgens is geëxplodeerd. De verdachte rechtspersoon had kunnen weten dat een dergelijke reactie zou kunnen ontstaan. De officier van justitie acht de causaliteit tussen het reinigen van de tanks met NaHS en de ontploffing voldoende vast staat voor een bewezenverklaring van het onderhavige feit, temeer nu er geen enkele aannemelijke alternatieve verklaring voor deze ontploffing naar voren is gekomen.

De (vertegenwoordiger van de) verdachte rechtspersoon heeft ter zitting verklaard bekend te zijn met het feit dat de stof NaHS een agressieve c.q. reactieve stof is die gevaarlijk kan zijn indien zij met andere stoffen, met name zuren, in aanraking komt. Volgens (de vertegen-woordiger van) de verdachte rechtspersoon zou evenwel in het onderhavige geval het NaHS zodanig vermengd zijn met water, dat geen gevaarlijke situatie meer kon ontstaan. Voorts is namens de verdachte rechtspersoon aangevoerd dat onvoldoende is komen vast te staan door welke oorzaak de explosie is ontstaan.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Om te beginnen wordt opgemerkt dat als vaststaand wordt aangenomen dat de ontploffing is ontstaan door een chemische reactie in de voorwastank, nadat spoelwater met NaHS was afgevoerd naar die tank; door de vermenging van NaHS met zuren die daardoor optrad is H2S ontstaan, welke stof vervolgens tot ontploffing is gekomen. In het bijzonder worden in dit verband van belang geacht de resultaten van het onderzoek dat in deze zaak door de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR) is ingesteld, terwijl niet is gebleken van een andere aannemelijke verklaring voor de ontploffing.

Vervolgens dient bezien te worden of de verdachte rechtspersoon aan het ontstaan van de ontploffing schuld heeft in de zin van artikel 158 van het Wetboek van Strafrecht. Daarvan kan slechts sprake zijn indien komt vast te staan - zoals ook blijkt uit de bewoordingen van de tenlastelegging onder 2 subsidiair - dat de verdachte rechtspersoon grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gehandeld. De constatering achteraf dat een vermenging van chemische stoffen heeft plaatsgehad die tot een ongewenste, gevaarlijke situatie heeft geleid is op zich niet voldoende om een zodanige conclusie te rechtvaardigen. Van belang is vast te stellen of het ontstaan van de ontploffing voor de verdachte rechtspersoon voorzienbaar was.

De volgende omstandigheden worden van belang geacht:

- Ter zitting is gebleken dat de verdachte rechtspersoon met enige regelmaat tanks waarin de stof NaHS aanwezig was, reinigde - en tanks met een dergelijke inhoud nog steeds reinigt - door middel van voorspoelen en dat deze vorm van reiniging ook wordt toegepast door andere bedrijven. De wijze van werken door de verdachte rechtspersoon is meermalen gecontroleerd door onder meer DCMR; niet gebleken is dat deze dienst op enig moment hierover bezwaren heeft geuit.

- Deze wijze van reiniging is inmiddels ook formeel toegestaan door DCMR, in die zin dat na de onderhavige gebeurtenis de milieuvergunning op dat punt expliciet is gewijzigd. Uit een oogpunt van waterbezwaarlijkheid bestaat er kennelijk geen bezwaar tegen om stoffen van de zogeheten A-lijst, waartoe ook NaHS behoort, te behandelen als stoffen van de zogeheten B-lijst, zodat het afvoeren naar de voorspoeltank van A-lijst stoffen onder de thans geldende vergunningsvoorschriften is toegestaan. Wel is door de DCMR besloten dat de voorspoeltank uit veiligheidsoogpunt moet voldoen aan de voorschriften zoals opgenomen in de PGS30-methodiek, hetgeen onder meer inhoudt dat eventueel vrijkomende dampen door middel van ontluchtingsleiding zich niet kunnen verzamelen, noch kunnen uitstromen naar nabij gelegen ontstekingsbronnen.

- Gebleken is dat het voorwaswater uit de voorspoeltank hoogstens een maal per maand wordt afgevoerd. Het is kennelijk staande praktijk dat bij het voorspoelen verschillende chemische stoffen, zowel logen als zuren, worden samengebracht in de voorspoeltank. Niet is gebleken dat dit voordien of nadien tot gevaarlijke situaties heeft geleid.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn vastgesteld om te kunnen concluderen dat zich in dit geval een voorzienbare ontploffing heeft voorgedaan, die door de verdachte rechtspersoon bij inachtneming van in redelijkheid te vergen voorzichtigheid en oplettendheid voorkomen had kunnen worden. Van grove of aanmerkelijke schuld in de zin als hiervoor aangegeven kan dan ook niet worden gesproken. Dit betekent dat de verdachte rechtspersoon ook van het subsidiaire deel van feit 2 moet worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING met betrekking tot FEIT 1

Van het volgende wordt uitgegaan:

Op 16 maart 2006 verleent DCMR namens Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland aan [Bedrijf 2] een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting gelegen aan de [adres], met kenmerk [nummer]. Het betreft een inrichting voor het in- en uitwendig reinigen en repareren van trekkers, containers en opleggers en voor het opwarmen van tankauto’s/tankcontainers. Bij de vergunningaanvraag bevindt zich als bijlage 18 een Stoffenlijst, die onderscheid maakt tussen een A-lijst en een B-lijst.

[Bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [bedrijf 1], gevestigd op het [adres], en drijver van de (feitelijk door [bedrijf 1] geëxploiteerde) inrichting.

Op 30 november 2007 heeft de heer [naam A] namens [bedrijf 1] twee tanks geaccepteerd waarin de stof NaHS zat. In een van de tanks werd een breed spoor NaHS geconstateerd, naar schatting ongeveer 100 kilo/liter NaHS. NaHS is een stof die vermeld staat op de zogeheten A-lijst.

Uit informatie van de ATCN-stoffenbank en uit het schema tank reiniging blijken de te volgen procedures binnen het [bedrijf 1]. Daaruit is op te maken dat A-lijst stoffen niet worden voorgespoeld. Niettemin heeft [bedrijf 1] (ter voorkoming van mogelijke stankoverlast) besloten de A-lijst stof NaHS te behandelen als een B-lijst stofen het voorspoelwater opgeslagen in de voorspoeltank, in plaats van (zoals gebruikelijk bij een A-lijst stof) dit af te voeren via het open goten systeem.

Blijkens een door [naam 2] namens [bedrijf 1] overgelegde Excell-lijst betreffende de inhoud van de voorspoeltank op 30 november 2007 bevonden zich op die datum ongeveer 35 verschillende hoeveelheden reststoffen in de voorspoeltank, die daarin waren gebracht tussen 23 en 30 november 2007.

Op deze Excell-lijst staan onder meer vermeld de stoffen:

1: zwavelzuur, jayflex DINP, cyclohexaan, natriumhydrogensulfide, TBHP en dipropyleneglycol, alle zijnde stoffen genoemd op lijst A;

2: O-anisidine, zijde een stof genoemd op lijst B;

3: nonylphenol, dimethylamine, dissolvine A-40 en Vanox 945, alle zijnde stoffen die niet zijn genoemd in die lijstindeling.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het de verdachte rechtspersoon ten tijde van het tenlastegelegde ingevolge de toen geldende milieuvergunningvoorschriften 3.3.1 en 3.3.2 niet was toegestaan om voorwaswater van A-lijst stoffen met B-lijst stoffen samen te brengen in de voorspoeltank, terwijl de verdachte rechtspersoon voorts in strijd met vergunningsvoorschrift 11.1.4 geen zorg had gedragen dat de ruimte waarin de voorspoeltank aanwezig was voldoende werd geventileerd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van het tenlastegelegde de voorschriften van de milieuvergunning voor verschillende interpretaties vatbaar waren en dat het behandelen van een A-lijst stof als ware het een B-lijst stof niet (zonder meer) in strijd was met de destijds geldende vergunningsvoorschriften. Immers, ook de DCMR heeft aangegeven dat er wel in de geest van de vergunning is gehandeld door A-lijst stoffen te behandelen als B-lijst stoffen en heeft inmiddels de milieuvergunning op dit punt ook expliciet aangepast.

Beoordeling

De milieuvergunning van [bedrijf 2] bevat onder meer de volgende voorschriften:

“3.3.1

Partijen (gevaarlijke) afvalstoffen mogen niet worden samengevoegd, tenzij dit expliciet is vergund.

3.3.2

Binnen de inrichting mogen de afvalstromen binnen de volgende categorieën worden samengevoegd:

a. de bij de fysische waterzuivering vrijkomende drijvende (olie- en vet) afzettingen;

b. het bij de fysische en biologische waterzuivering vrijkomende bezinkbare zand en (ontwaterd) slib;

c. voorwaswater van tankautoreinigingen waarvan de laatste lading één van de chemicaliën genoemd op lijst B van de lijstindeling, vastgesteld in de algemene beoordelingsmethodiek (CIW mei 2000), (zie ook aanvraag bijlage18), heeft bevat.

Onderling mogen de hierboven genoemde categorieën a,b en c niet gemengd worden.

De mengsels per categorie moeten worden opgeslagen en vervoerd als de meest verontreinigende component uit dit mengsel.”

Vastgesteld kan worden dat in de voorschriften van de vergunning slechts expliciet B-lijst stoffen vermeld staan en dat naar de letter van de vergunning het niet is toegestaan om A-lijst stoffen samen te voegen (al dan niet met B-lijst stoffen). Dat bij het opstellen van de vergunning mogelijk niet is voorzien dat A-lijst stoffen behandeld zouden (kunnen) worden onder het zwaardere regime van de B-lijst stoffen, doet daar niet aan af. Naar de tekst van voormelde vergunningsvoorschriften (zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde) was het de verdachte rechtspersoon niet toegestaan andere stoffen dan die vermeld staan op de B-lijst samen te voegen.

De conclusie moet dan ook zijn dat de verdachte rechtspersoon zich heeft gedragen in strijd met voormelde vergunningsvoorschriften.

Echter, gelet op de hierboven geschetste omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de verdachte rechtspersoon niet welbewust in strijd met voormelde vergunnings-voorschriften heeft gehandeld door stoffen van de A-lijst in de voorspoeltank samen te voegen met stoffen van de B-lijst, althans dat zij bewust het risico op de koop toe heeft genomen dat zij door aldus te handelen die vergunningsvoorschriften zou overtreden. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat opzet, ook in voorwaardelijke zin, niet bewezen kan worden verklaard.

De verdachte rechtspersoon wordt voorts verweten dat zij het vergunningsvoorschrift 11.1.4 heeft overtreden door, kort gezegd, de ruimte waarin de voorspoeltank zich bevond onvoldoende te hebben geventileerd. De rechtbank stelt echter vast dat uit het onderzoek niet is gebleken dat genoemde ruimte onvoldoende was geventileerd. Met de verdachte rechtspersoon moet voorts worden vastgesteld dat er geen objectieve criteria beschikbaar waren met betrekking tot de aard en intensiteit van de kennelijk vereiste ventilering. Bovendien is heeft de verdachte rechtspersoon onweersproken gesteld dat DCMR de situatie ter plaatse kende en nooit enige aanmerking had gemaakt.

De constatering achteraf dat de vereisten ten aan zien van de ventilering van voorspoeltank(omgeving) veranderd moesten worden, in die zin dat er voor meer ventilatie moest worden zorg gedragen, doet daaraan niet af. Nu de overtreding van voormeld vergunningsvoorschrift niet wettig en overtuigend is bewezen, dient de verdachte rechtspersoon van dit deel van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij in de periode van 23 november 2007 tot en met 30 november

2007, te Rotterdam,

op/nabij [adres],

tezamen en in vereniging met een ander

zich, meermalen, heeft gedragen in strijd met een (of meer)

voorschrift(en) dat/die is/zijn verbonden aan een krachtens de Wet

milieubeheer aan [bedrijf 2] verleende vergunning, te weten de beschikking/het besluit van en/of gedateerd op [datum], met kenmerk [nummer]en [nummer], verleend door/namens

Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland,

aangezien,

(voorschrift 3.3.1 en/of 3.3.2)

in de voorspoeltank

voorwaswater

van tankautoreinigingen chemicaliën genoemd op lijst A van de lijstindeling,

vastgesteld in de algemene beoordelingsmethodiek (CIW mei 2000), (onder

andere zwavelzuur en/ jayflex DINP en cyclohexaan

en natriumhydrogensulfide en TBHP en dipropyleneglycol)

werd samengevoegd met chemicaliën genoemd op lijst B van die lijstindeling (onder

andere O-anisidine) en/chemicaliën die niet waren

genoemd in die lijstindeling (onder andere nonylphenol en dimethylamine

en dissolvine A-40 en/of Vanox 945),

terwijl dit niet expliciet vergund was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte rechtspersoon moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op de overtreding:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE RECHTSPERSOON

De verdachte rechtspersoon is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

Bij de te nemen beslissing omtrent een eventuele strafoplegging wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte rechtspersoon heeft in een voorspoeltank diverse chemische stoffen gemengd terwijl de afgegeven milieuvergunning daarin niet voorzag. Dit handelen was derhalve verboden.

De rechtbank stelt vast dat de DCMR inmiddels aanleiding heeft gezien om de redactie van de onderhavige milieuvergunning te wijzigen in dier voege dat lijst A thans expliciet is opgenomen onder het bepaalde onder 3.3.2 sub c, nu de DCMR heeft besloten dat er geen bezwaren bestaan tegen het behandelen van een A-lijst stof door middel van voorspoelen. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de verdachte rechtspersoon weliswaar naar de letter in strijd met de milieuvergunning heeft gehandeld, echter niet in strijd met de geest van deze vergunning.

Voorts is gebleken dat de verdachte rechtspersoon van het incidentheeft geleerd en dat zij daarna – in overleg met de betrokken vergunningsverlener - veiligheidsmaatregelen heeft getroffen met betrekking tot de opslag van voorwaswater. Daarmee is een belangrijke doelstelling van de vervolging van de verdachte rechtspersoon reeds gerealiseerd.

Verder is van belang dat de verdachte rechtspersoon geen justitiële documentatie heeft. De rechtbank heeft daarnaast ook rekening gehouden met het tijdsverloop in de onderhavige zaak.

Gelet op de zeer geringe ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel, dat geen enkel strafdoel meer in redelijkheid zou zijn gediend met het opleggen van een straf of maatregel aan de verdachte rechtspersoon voor het onderhavige feit.

Daarom zal de rechtbank de verdachte rechtspersoon schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op artikel 9a, 47, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2, en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1 impliciet primair (misdrijf) en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1 impliciet subsidiair (overtreding) ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Van den Berg en Van Lottum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Volp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2010.

Bijlage bij vonnis van 3 mei 2010:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 23 november 2007 tot en met 30 november

2007, in ieder geval op of omstreeks 30 november 2007, te Rotterdam,

op/nabij [adres],

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

zich, meermalen, althans eenmaal, heeft gedragen in strijd met een (of meer)

voorschrift(en) dat/die is/zijn verbonden aan een krachtens de Wet

milieubeheer aan [bedrijf 2]en/of aan [bedrijf 1] verleende

vergunning, te weten de beschikking/het besluit van en/of gedateerd op [datum], met kenmerk [nummer] en/of [nummers], verleend door/namens

Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland,

aangezien,

(voorschrift 3.3.1 en/of 3.3.2)

in de voorspoeltank voorwaswater van tankautoreinigingen waarvan de laatste

lading één van de chemicaliën genoemd op lijst A van de lijstindeling,

vastgesteld in de algemene beoordelingsmethodiek (CIW mei 2000), (onder

andere zwavelzuur en/of diethanolamine en/of jayflex DINP en/of cyclohexaan

en/of natriumhydrogensulfide en/of TBHP en/of dipropyleneglycol) heeft bevat,

werd samengevoegd met voorwaswater van tankautoreinigingen waarvan de laatste

lading één van de chemicaliën genoemd op lijst B van die lijstindeling (onder

andere O-anisidine) heeft bevat en/of met voorwaswater van

tankautoreinigingen waarvan de laatste lading (een) chemicaliën die niet was

genoemd in die lijstindeling (onder andere nonylphenol en/of dimethylamine

en/of dissolvine A-40 en/of Vanox 945),

in ieder geval werd(en) partijen (gevaarlijke) afvalstoffen samengevoegd

terwijl dit niet expliciet vergund was,

en/of

(voorschrift 11.1.4)

de ruimte waarin de voorspoeltank aanwezig was, zijnde een ruimte waarin

explosieve dampen konden ontstaan, niet voldoende geventileerd was;

[artikek 1a juncto artikel 2 juncto artikel 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 18.18 Wet milieubeheer]

2.

zij op of omstreeks 30 november 2007 te Rotterdam, op/nabij [adres],

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

- voorwaswater afkomstig van de reiniging van een (tank)container

verontreinigd met natriumhydrogensulfide (NaHS) af te voeren naar een zich

aldaar bevindende voorspoeltank,

- terwijl zich in die voorspoeltank (onder andere) zwavelzuur en/of

Tertiary-Butyl Hydroperoxide (TBHP), in ieder geval één of meer zu(u)r(en),

bevond(en),

- waarna zich explosieve zwavelwaterstof vormde,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die voorspoeltank en/of het gebouw waarin

zich die voorspoeltank bevond en/of een (of meer) tankauto('s) en/of de

goederen die zich in dat gebouw en/of in de directe omgeving van dat gebouw

bevonden, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een (of meer)

van haar medewerker(s) en/of medewerker(s) van [bedrijf 2]

en/of chauffeur(s), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

[artikel 157 Wetboek van Strafrecht]

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 30 november 2007 te Rotterdam, op/nabij [adres],

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of

onachtzaam

- voorwaswater afkomstig van de reiniging van een (tank)container

verontreinigd met natriumhydrogensulfide (NaHS) af heeft gevoerd naar een

zich aldaar bevindende voorspoeltank,

- terwijl zich in die voorspoeltank (onder andere) zwavelzuur en/of

Tertiary-Butyl Hydroperoxide (TBHP), in ieder geval één of meer zu(u)r(en),

bevond(en),

- waarna zich explosieve zwavelwaterstof vormde,

waardoor het aan haar en / of haar mededaders schuld te wijten is geweest, dat

er een ontploffing is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die voorspoeltank en/of het gebouw waarin

zich die voorspoeltank bevond en/of een (of meer) tankauto('s) en/of de

goederen die zich in dat gebouw en/of in de directe omgeving van dat gebouw

bevonden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een (of meer) van

haar medewerker(s) en/of medewerker(s) van [bedrijf 2] en/of

chauffeur(s), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

[artikel 158 Wetboek van Strafrecht]