Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2010:BM1986

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
1031768
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een verzoek tot ondercuratelestelling wegens een geestelijke stoornis. De zoon van betrokkene wordt tot curator benoemd, nu het bezwaar van betrokkene zich vooral lijkt te richten tegen de ondercuratelestelling op zich en niet tegen de persoon van de voorgestelde curator, en betrokkene geen uitdrukkelijke voorkeur voor een andere curator in de zin van art. 1:383 lid 2 BW heeft uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

beschikking op een verzoek tot ondercuratelestelling

op verzoek van:

[verzoeker sub 1]

wonende te [woonplaats]

alsmede

[verzoeker sub 2],

wonende te [woonplaats]

hierna gezamenlijk te noemen verzoekers.

Het verzoek strekt tot ondercuratelestelling van:

[betrokkene]

wonende te [woonplaats]

geboren op [geboortedatum],

hierna te noemen: betrokkene,

gemachtigde: mr. J. Hommes

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 8 september 2009;

- de schriftelijke reactie van betrokkene;

-een bereidverklaring van de voorgestelde curator;

- de akkoordverklaringen van [A] en [B];

- Verslag beperkt psychodiagnostisch onderzoek, H. Bollen, psycholoog NIP/GZ-psycholoog, d.d. 11 november 2008 (IQ 58, verbaal IQ 60, perfomaal IQ 53), ter griffie ontvangen op 23 december 2009;

- samenvattende rapportage van ASVZ, A. Lutzke, persoonlijk begeleidster, ter griffie ontvangen op 23 december 2009;

- afsluitende rapportage beëindiging zorg op 17-08-2009 (A. Lutzke en W. Sarioglu), ter griffie ontvangen op 23 december 2009;

- diverse brieven met bijlagen van [C], de dochter van betrokkene (Brief 1, Brief 2, Brief 3, ingekomen ter griffie met een begeleidend schrijven op 29 december 2009, met als bijlage een zorgschrift met handgeschreven aantekeningen van de begeleiders van [betrokkene] van ASVZ in de periode 19 november 2007 t/m 6 juli 2009 alsmede een verklaring van Alternatief Reizen van 28 december 2009);

- een brief van [C] van 15 maart 2010, ingekomen ter griffie op 17 maart 2010, met als bijlage een aantal verklaringen alsmede een lijst met handtekeningen onder een verklaring, met opmerkingen van (ex-)vrienden, kennissen, oud-buren;

- brief van mevrouw [D] aan mr. Hommes, de advocaat van betrokkene d.d. 8 maart 2010;

- verweerschrift tevens pleitnotitie van mr. Hommes.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 december 2009. Verschenen zijn:

- verzoekers.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Verschenen zijn:

- betrokkene, vergezeld van haar advocaat mr. Hommes alsmede een tolk;

- verzoeker sub 1.

Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

1. Het verzoek strekt tot ondercuratelestelling van betrokkene met benoeming van [verzoeker sub 1] tot curator. Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat betrokkene wegens een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar eigen belangen behoorlijk waar te nemen.

2. De kantonrechter is, gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat het verzoek op de gestelde en juist gebleken grond behoort te worden ingewilligd.

Daartoe overweegt de kantonrechter het navolgende.

3. Ingevolge artikel 1:378 lid 1 aanhef en sub a BW kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld wegens een geestelijke stoornis, waardoor de betrokkene, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen behoorlijk waar te nemen.

4. Uit het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van 11 november 2008 blijkt dat betrokkene functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Gebleken is dat haar talige, schoolse vaardigheden kant (verbale vaardigheden) beduidend beter ontwikkeld is dan de praktische, handelingsgerichte kant (perfomale vaardigheden). Haar verbaal IQ is 60 en haar performaal IQ is 53.

5. Daarnaast heeft de kantonrechter kennis genomen van de samenvattende rapportage van de persoonlijk begeleiders van betrokkene, werkzaam bij ASVZ, een organisatie voor zorg- en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke handicap. Uit deze rapportage, die betrekking heeft op de periode januari 2003 - augustus 2009, waarin betrokkene ondersteunende begeleiding van ASVZ ontving bij het zelfstandig wonen, blijkt onder meer het navolgende: de begeleiding moest aldoor de problemen oplossen die door het handelen van betrokkene waren ontstaan. Medio 2008 was de situatie erg zorgelijk, betrokkene nam haar medicatie onvoldoende in, en gleed af op het gebied van zelfverzorging, daginvulling. Zij at ook onvoldoende, werd mager. Met betrokkene is toen, mede op verzoek van haar kinderen, besproken dat het zelfstandig wonen geen goede optie meer bleek door de vele problemen.

6. Dat die rapportage door ASVZ zou zijn opgesteld om met terugwerkende kracht de door betrokkene als gedwongen ervaren verhuizing te willen rechtvaardigen, mede omdat betrokkene inmiddels een advocaat in de arm had genomen, zoals betrokkene heeft aangevoerd, is de kantonrechter niet gebleken, temeer daar deze rapportage ook wordt ondersteund door de inhoud van het zorgschrift dat steeds is bijgehouden in de periode november 2007 t/m juli 2009, waarin de kantonrechter onder meer de navolgende passages relevant acht:

“23/4 2008, gestopt met medicijnen

19/5 het gaat niet lekker, ze durft bijna niet naar buiten, is bang dat ze gek wordt, problemen met Tele2

11/6 wilde niet naar buiten vandaag. Is weer veel aan het piekeren en wordt weer achterdochtiger

2/7 N. is niet tevreden hoe het met haar gaat, ze is voortdurend ‘niet goed’. Ze zegt onrustig/gejaagd te zijn. Slikt nog steeds geen medicatie, wil dit niet.

14/7 had de tas met oud papier nog niet weggegooid, ze kan er geen afstand van doen

heeft op haar naam een abonnement afgesloten voor een jongen (T-mobile). Hij zegt te vertrouwen te zijn en het over drie weken over te zetten op zijn naam

9/10 geld geleend van een vriendin: 100,00 in totaal. Dit is dus een nieuwe schuld van haar en ze wil dit graag terugbetalen.

29/10 N. eet erg slecht. Ik maak me echt heel veel zorgen. Je ziet haar afglijden.

5/11 Ze ziet er zorgelijk uit, had droge lippen dus haar gewezen op ’t goed blijven drinken

3/12 vuilniszakken op balkon besproken. Gezegd dat ze hulp nodig heeft hierbij. Ze zet ze vanavond allemaal buiten.

24/12 N. heeft 1 vuilniszak weggedaan uit haar keuken, op het balkon staat alles nog. Aangeboden 2 zakken in m’n auto te doen maar ze is bang dat mensen me zien (schaamte). Hoe gaan we dit oplossen, ze kan het echt niet alleen. (…) Ik red ’t helaas niet om naar Aldi te gaan met haar. Uitgelegd wat voor dingen ze zoal kan kopen: kant en klare sla pakketjes, fruit, melk e.d.

31/12 De vuilnisman komt waarschijnlijk vrijdag pas. Ze wilde geen zakken meegeven.

21/1 2009 De vuilnis staat gewon nog op ’t balkon… Toevallig stond er een vuilnisauto op straat. Ik gevraagd of we ze erin mochten gooien. Dat mocht. N. kon geen afstand doen. Ik heb ze gewoon gepakt, dus haar geforceerd. Ze zijn nu weg.

18/3 helaas slikt ze haar medicijnen nog onregelmatig. Ze heeft ook moeite de vuilniszakken weg te gooien. Ze heeft er weer 1 op het balkon gezet.”

7. De juistheid van bovengenoemde passages van het zorgschrift, die de kantonrechter aan betrokkene heeft voorgehouden tijdens de mondelinge behandeling, is door betrokkene niet weersproken. Betrokkene heeft als reactie te kennen gegeven dat zij het zorgschrift had moeten verscheuren, het gevoel te hebben dat zij steeds in de gaten wordt gehouden en geen begeleiding meer te wensen, althans niet veel begeleiding meer te wensen. Verzoeker sub 1 heeft hieraan tijdens de mondelinge behandeling nog toegevoegd dat niet alleen het balkon van betrokkene vol lag met vuilniszakken, maar ook de kelder van betrokkene, omdat zij geen afscheid van haar vuilniszakken (gevuld met huishoudelijk afval, geen waardevolle zaken) kon nemen, hetgeen betrokkene evenmin heeft weersproken.

8. In de afsluitende rapportage beëindiging zorg op 17-09-2009 valt daarnaast nog het navolgende te lezen: “Ondanks dat [betrokkene] het een half jaar geleden eens was met het feit dat er een indicatie aangevraagd ging worden zodat ze met meer begeleiding kon gaan wonen, had ze het erg moeilijk met de overgang toen het moment van daadwerkelijk verhuizen naderbij kwam. Zelf wilde ze het op het allerlaatste moment liever niet gaan, en wilde liever blijven waar ze was. Dit fenomeen (geen keuzes kunnen maken, en geen consequenties kunnen zien van impulsieve keuzes) is onderdeel van de problematiek. Begeleiders zagen zich genoodzaakt [betrokkene] met klem te overtuigen van de noodzaak van deze stap (…)”.

9. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken niet voldoen aan de aanbeveling, die zij ontleent aan Oomens en Van Zutphen, Evaluatie Mentorschap 1998, dat sprake dient te zijn van een recente schriftelijke verklaring van een gekwalificeerd deskundige. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat het psychodiagnostisch rapport niet recent is, maar 18 maanden oud en dat de overige stukken geen verklaringen zijn van gekwalificeerde deskundigen. De kantonrechter is van oordeel dat de overgelegde stukken wel voldoende recent zijn: het psychodiagnostisch onderzoek was slechts 10 maanden oud ten tijde van het indienen van het curateleverzoek (en is thans 1 jaar en 3 maanden oud), terwijl niet gesteld noch gebleken is dat er de afgelopen periode wijzigingen zijn opgetreden in de geestelijke vermogens van betrokkene, die tot een andere conclusie dan die van het rapport zouden kunnen leiden.

10. Dat de conclusies van het rapport onjuist zijn omdat betrokkene in de Nederlandse taal is getest terwijl zij die taal onvoldoende beheerst is naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk geworden. Het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek vermeldt expliciet dat betrokkene moeite heeft met de Nederlandse taal, zodat de kantonrechter er vanuit gaat dat daarmee ook rekening is gehouden bij het afnemen van de test, hetgeen ook onder meer blijkt uit de zinsnede dat betrokkene vragen vaak moest herhalen om het gevraagde te begrijpen en het haar vervolgens wel lukte om een antwoord te formuleren. De rapportages van ASVZ, hoewel ongedateerd, zijn van nog veel recenter datum aangezien deze betrekking hebben op de periode tot 17 augustus 2009.

11. Uit de rapportages blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat in de periode dat betrokkene nog zelfstandig woonde, zij steeds meer afgleed doordat niet goed voor zichzelf kon zorgen (zij nam haar medicijnen niet in, zij vermagerde, het vuilnis stapelde zich op). Daarnaast is zij makkelijk beïnvloedbaar, zij liet zich bijvoorbeeld beïnvloeden door een jongeman om een telefoonabonnement af te sluiten op haar naam. Uit het zorgschrift blijkt dat het haar begeleiders veel moeite heeft gekost om dit terug te draaien. Er komt uit de rapportages voorts een beeld naar voren van iemand die geen keuzes kan maken en de consequenties van impulsieve keuzes niet inziet. Ook in de brief van haar vriendin [D] valt te lezen dat het voor betrokkene moeilijk is om een situatie met zijn consequenties te overzien, betrokkene het moeilijk vindt om beslissingen te nemen en zich daaraan te houden en mensen makkelijk misbruik kunnen maken van betrokkene door haar zachtmoedige karakter (hetgeen in het verleden ook is gebeurd). Thans heeft betrokkene de wens geuit om weer zelfstandig te gaan wonen en staat zij op het punt om een huurovereenkomst voor een nieuwe woning te ondertekenen, terwijl zij tegelijkertijd aangeeft eigenlijk geen begeleiding meer te wensen, hetgeen de kantonrechter gelet op de voorgeschiedenis weinig realistisch acht.

12. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een geestelijke stoornis die een beletsel voor betrokkene vormt voor een behoorlijke behartiging van haar belangen, hetgeen een ondercuratelestelling rechtvaardigt.

12. De kantonrechter heeft bij haar beoordeling mede betrokken de vraag of een onderbewindstelling van betrokkene voldoende zou zijn en deze vraag ontkennend beantwoord. Nu naar het oordeel van de kantonrechter ook de niet-vermogensrechtelijke belangen van betrokkene dienen te worden beschermd is de ondercuratelestelling geïndiceerd en zou betrokkene appellante met slechts een onderbewindstelling onvoldoende beschermd zijn. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat de vermogensrechtelijke belangen van betrokkene onvoldoende beschermd zijn met een onderbewindstelling, aangezien betrokkene in staat is zodanig te presenteren dat haar geestelijke stoornis niet (gemakkelijk en/of altijd) herkenbaar is. Het verzoek tot ondercuratelestelling moet worden beoordeeld in het licht van de belangen van betrokkene en haar bescherming in het rechtsverkeer. Nu de stoornis niet (gemakkelijk en/of altijd) voor derden herkenbaar is, bestaat ingeval van een onderbewindstelling de reële mogelijkheid dat derden die met betrokkene in het rechtsverkeer handelen als bedoeld in art. 1:439 BW zullen worden beschermd. Aldus zal het vermogen van betrokkene onvoldoende zijn beschermd en heeft de ondercuratelestelling naar het oordeel van de kantonrechter ook om die reden de voorkeur boven een onderbewindstelling.

13. Ten aanzien van de voorgestelde curator overweegt de kantonrechter het navolgende. Aanvankelijk hebben verzoeker sub 1 (zoon van betrokkene) en verzoekster sub 2 (dochter van betrokkene) zich beiden bereid verklaard om tot curator te worden benoemd. Verzoekster sub 2 heeft zich terug getrokken, terwijl verzoeker sub 1 bereid is gebleven om tot curator te worden benoemd. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij zelf geen enkele belemmering ziet om tot curator te worden benoemd, geen spanningen in de relatie met zijn moeder ervaart en het curatorschap van zijn moeder graag op zich wil nemen. Betrokkene heeft op de mondelinge behandeling op de vraag van de kantonrechter of zij er bezwaar tegen zou hebben als haar zoon tot curator zou worden benoemd slechts als haar reactie gegeven dat zij niet onder curatele wil worden gesteld. Tegen haar zoon als curator op zich heeft betrokkene zelf geen bezwaren kenbaar gemaakt en zij heeft voorts aangegeven dat zij er vanuit gaat dat hij het beste met haar voor heeft. De advocaat van betrokkene heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij van oordeel is dat er teveel spanningen zijn tussen betrokkene en haar zoon en zij graag nog in de gelegenheid wil worden gesteld om namens betrokkene zelf een voorstel voor een andere curator te doen.

14. Uit art. 1:383 lid 2 BW volgt dat de rechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Uit art. 1:383 lid 3 BW volgt dat tenzij lid 2 wordt toegepast, bij voorkeur een van de kinderen tot curator wordt benoemd. De kantonrechter constateert dat betrokkene tot op heden geen uitdrukkelijke voorkeur voor een curator heeft uitgesproken, terwijl het verzoek tot ondercuratelestelling sinds september 2009 aanhangig is en betrokkene bovendien sinds augustus 2009 wordt bijgestaan door een advocaat. Indien betrokkene een uitdrukkelijke voorkeur voor een curator zou hebben, dan heeft betrokkene ruimschoots de tijd gehad om die voorkeur ook uit te spreken. Nu het bezwaar van betrokkene zich vooral lijkt te richten tegen de ondercuratelestelling op zich en niet tegen de persoon van de voorgestelde curator, haar zoon, en betrokkene vooralsnog geen uitdrukkelijke voorkeur voor een (andere) curator in de zin van art. 1:383 lid 2 BW heeft uitgesproken, ziet de kantonrechter aanleiding om thans de voorgestelde curator te benoemen.

15. Gelet op het uitdrukkelijke verzoek van de advocaat van betrokkene om nog in de gelegenheid te worden gesteld om een andere curator voor te stellen, zal de kantonrechter de zaak vooralsnog aan zich houden teneinde betrokkene in de gelegenheid te stellen zich te beraden over het indienen van een verzoek tot benoeming van een andere curator. Wordt een dergelijk verzoek ontvangen en is er geen sprake van gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten in de zin van art. 1:383 lid 2 BW, dan zal de kantonrechter de thans benoemde curator ontslaan en de curator waarnaar de uitdrukkelijke voorkeur van betrokkene naar uitgaat alsnog benoemen.

De beslissing

de kantonrechter:

- stelt [betrokkene], geboren op [geboortedatum] onder curatele wegens een geestelijke stoornis;

- benoemt tot curator [verzoeker sub 1], geboren [geboortedatum]

- bepaalt dat deze uitspraak door verzoekers zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en in de volgende dagbladen: AD editie Rotterdam en Trouw.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare zitting.

Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage:

a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.